CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
van 2 oktober 1984 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De Franse wet nr. 75-600 (JORF van 11 juli 1975) voorziet in de mogelijkheid van erkenning van sommige bedrijfsorganisaties van producenten van een bepaald landbouwprodukt. Krachtens artikel 5 van deze wet kunnen de bij een wettelijke of bestuursrechtelijke maatregel opgerichte bedrijfsorganisaties, die op het ogenblik van de afkondiging van die wet reeds bestonden, verzoeken dat de artikelen 2, 3 en 4 daarvan ook voor hen zouden gelden. Volgens artikel 2 kunnen in het kader van bedrijfsorganisaties gesloten overeenkomsten door de bevoegde overheidsinstantie voor een bepaalde tijdsduur geheel of gedeeltelijk worden „uitgebreid”, wanneer zij onder andere zijn bedoeld om de tenuitvoerlegging van de prijsvoorschriften te vergemakkelijken. Deze overeenkomsten moeten door de leden met eenparigheid van stemmen of volgens de in de wet bepaalde procedure worden gesloten. Het gevolg van de „uitbreiding” is, dat de overeengekomen maatregelen in het betrokken produktiegebied algemeen verbindend worden voor alle leden van de beroepsgroepen waaruit de organisatie is samengesteld. Ingevolge artikel 4 is elke leveringsovereenkomst tussen personen die onder de algemeen verbindend verklaarde overeenkomst vallen, die niet in overeenstemming is met deze laatste overeenkomst, nietig. Een van de voorwaarden voor de algemeen verbindendverklaring is dat de betrokken overeenkomst in overeenstemming moet zijn met de bepalingen van het EEG-Verdrag (artikel 2).
Het Bureau national interprofessionnel du cognac („BNIC”) is een bij ministerieel besluit opgerichte rechtspersoon, die wordt bekostigd uit parafiscale heffingen, afgedragen door de leden van de beroepsgroep. Het heeft onder meer tot taak: uitwerking en voorbereiding van regels inzake de aankoop, distributie, distillatie, handel, opslag en verkoop van wijnen en gedistilleerd die in de streek van Cognac in Frankrijk worden geproduceerd.
Uit een brief van 14 april 1977 van een ambtenaar van het Franse Ministerie van Landbouw aan de directeur van het BNIC blijkt dat het BNIC moeilijkheden had ondervonden bij het afdwingen van de door hem vastgestelde prijzen. Het BNIC verzocht derhalve om toepassing van wet nr. 75-600, zodat zijn overeenkomsten op grond van die wet algemeen verbindend zouden kunnen worden verklaard, waarop deze algemeenverbindendverklaring volgde.
In de periode waarop dit geding betrekking heeft, berustte de interne organisatie van het BNIC op een aantal regels die op 19 juni 1978 waren vastgesteld en bij een besluit van de minister van Landbouw van 2 augustus 1978 (JORF 16-17 augustus 1978) waren goedgekeurd. Krachtens deze regels bestaat het BNIC uit drie groepen: twee „groepen”, waarin de twee componenten van de cognacindustrie zijn vertegenwoordigd, door mij de „handelaars” en de „wijnbouwers” genoemd, en een derde, waarin de verschillende randactiviteiten zijn vertegenwoordigd. De leden worden door de minister van Landbouw benoemd uit de door de betrokken beroepsorganisaties opgestelde lijsten van kandidaten. Elke groep wijst een officiële vertegenwoordiger aan en kan haar eigen vergaderingen beleggen. De directeur van het BNIC woont de vergaderingen bij en kan namens het BNIC in rechte optreden tegen inbreuken op de bij ministerieel besluit algemeen verbindend verklaarde, binnen de bedrijfsorganisatie gesloten overeenkomsten. Verder kan de minister een „regeringscommissaris” benoemen, die alle vergaderingen van het BNIC dient bij te wonen, en die met de besluiten van het BNIC kan instemmen of deze ter goedkeuring aan de minister kan voorleggen. In de verwijzingsbeschikking wordt de regeringscommissaris omschreven als de met uitvoering belaste ambtenaar van het BNIC.
De eerste stap in de procedure voor het sluiten van een overeenkomst binnen het BNIC, is het besluit om de buitengewone algemene vergadering van het BNIC te verzoeken om een dergelijke overeenkomst op te stellen. Dit besluit wordt genomen op een gewone algemene vergadering, nadat de aangelegenheid vooraf op de vergaderingen van de twee groepen en van de vertegenwoordigers van de randactiviteiten is besproken. De ontwerpovereenkomst wordt voorbereid door een permanente commissie waarin acht leden van het BNIC zitting hebben. Zij wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de vergadering van elke groep. De buitengewone algemene vergadering hoort vervolgens het rapport van de officiële vertegenwoordiger van elke groep. Na bespreking en eventuele raadpleging van de groepsvergaderingen wordt de beslissing van elke groep over de ontwerpovereenkomst ter kennis van de algemene vergadering gebracht. Bereiken de groepen overeenstemming over het ontwerp, dan verzoekt de buitengewone algemene vergadering de minister om algemeenverbindendverklaring van de overeenkomst. Wordt tussen de groepen geen overeenstemming bereikt, dan kan arbitrage plaatsvinden.
Het onderhavige geding heeft betrekking op een door de groepen tijdens de algemene vergadering van het BNIC van 7 november 1980 gesloten overeenkomst betreffende het mariajaar 1980/1981. Zij was ondertekend door de vertegenwoordigers van de twee groepen en door de directeur van het BNIC, aan de minister voorgelegd en bij ministerieel besluit van 27 november 1980 (JORF van 3 december 1980) algemeen verbindend verklaard.
In de overeenkomst wordt uitdrukkelijk gesteld, dat zij op het Europees grondgebied van Frankrijk geldt voor beroepsproducenten of -distilleerders van distilleerbare witte wijn of gedistilleerd dat de benaming cognac mag dragen (artikel 1), en dat zij is tot stand gekomen door de unanieme beslissing van de groepen, die om algemeenverbindendverklaring van de gehele overeenkomst hebben verzocht. In de overeenkomst worden minimumprijzen voor distilleerwijnen, de prijs voor in 1980 en daarvoor gedistilleerde brandewijnen, alsmede een minimumprijs voor cognac vastgesteld (artikelen 2, 3, 4, 5 en 8).
Hoewel van vroegere datum, lijkt dit de overeenkomst te zijn die in een besluit van de regeringscommissaris bij het BNIC van 13 november 1980 in het vooruitzicht was gesteld. Zijn besluit betreft produktiequota, de door de handelaren af te nemen hoeveelheden en het bewaren van de voorraden. Ingevolge artikel 17 dienden de minimumprijzen van de voor de produktie van cognac bestemde wijnen bij een in het kader van de bedrijfsorganisatie gesloten overeenkomst te worden vastgesteld.
Clair is een handelaar in cognac en staat als zodanig ingeschreven. Tussen 10 december 1980 en 30 juni 1981 kocht hij van verschillende producenten iets meer dan 146 hectoliter gedistilleerd beneden de prijzen die waren vastgesteld in de in het kader van de bedrijfsorganisatie gesloten overeenkomst. Het BNIC spande een geding tegen hem aan, waarin het de nietigverklaring van de overeenkomsten en schadevergoeding vorderde. Voor het Tribunal de grande instance te Saintes, dat van de vordering tot nietigverklaring kennis diende te nemen, betoogde Clair dat de overeenkomst in strijd was met artikel 85 EEG-Verdrag. Het Tribunal verzocht om een prejudiciële beslissing over drie vragen. De eerste twee kunnen beter samen worden behandeld.
„1)
Moet de vereniging, in het BNIC, van de groep wijnbouw en de groep handel worden aangemerkt als een ondernemersvereniging, waar de tussen hen gesloten overeenkomst mede door de voorzitter van het BNIC is ondertekend ?
2)
Moet de vaststelling, door de groep wijnbouw en de groep handel van een minimuminkoopprijs voor brandewijn worden beschouwd als een onderling afgestemde feitelijke gedraging ?”
Beide vragen zijn erop gericht te vernemen of het vaststellen van prijzen via de in het kader van de bedrijfsorganisatie gesloten overeenkomst in het onderhavige geval een door artikel 85, lid 1, verboden beperkende maatregel is.
Het is duidelijk dat wijndistillaat als een industrieel produkt moet worden aangemerkt, zodat de regeling voor de landbouwprodukten daarop niet van toepassing is. Bovendien wordt in de verwijzingsbeschikking verklaard dat geen procedure krachtens verordening nr. 17 van 6 februari 1962 (PB L 13 van 1962, blz. 204) is ingeleid, ter verkrijging van een ontheffing voor de overeenkomst van het verbod van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag.
Artikel 85 verbiedt „alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen de Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden”. Er is heel was gediscussieerd over de vraag of de door of binnen het BNIC gesloten overeenkomsten in één van deze categorieën kunnen worden ondergebracht. Daartoe is een onderzoek van de structuur van het BNIC nodig.
In de eerste plaats wordt betoogd, dat het BNIC geen onderneming is doch een bestuurslichaam dat geen goederen produceert, verdeelt of verhandelt. De ondertekening van de overeenkomst door de directeur toont aan dat het inderdaad om een handeling van een overheidslichaam gaat. De overeenkomst is in elk geval niet meer dan een advies, uitgebracht door een daartoe opgerichte organisatie, waarop toezicht wordt uitgeoefend door de centrale overheid, die zelf de enige beslissende instantie is. Het BNIC is geen ondernemersvereniging omdat een essentieel vereiste voor een dergelijke vereniging, namelijk een contractuele band tussen de leden, ontbreekt. Het BNIC vormt geen „ondernemingen”, omdat zijn leden worden gekozen uit de betrokken beroepsverenigingen, die zelf geen lid zijn van het BNIC. Het vaststellen van prijzen tussen de twee groepen kan derhalve niet als een onderling afgestemde feitelijke gedraging worden aangemerkt.
Clair ziet in de vereniging van de twee groepen een ondernemersvereniging of in elk geval een vereniging van ondernemersverenigingen, een bruikbare bondige formule om het wezen van het BNIC weer te geven. Dat het BNIC een overheidslichaam is en geen handel drijft, is irrelevant. Het vaststellen en toepassen van prijzen door middel van de in het kader van de bedrijfsorganisatie gesloten overeenkomst is een onderling afgestemde feitelijke gedraging.
Volgens de Commissie zijn de leden van het BNIC vertegenwoordigers van beroepsverenigingen, die hun leden voor benoeming voordragen. Dit maakt het BNIC tot een ondernemersvereniging en wanneer het overeenstemming bereikt over de prijzen, treedt het in die hoedanigheid op. Wanneer ondernemingen maatregelen treffen die de mededinging ongunstig beïnvloeden, zijn dit besluiten van een ondernemersvereniging, ongeacht de aard, naar nationaal recht, van de vereniging waarvan die ondernemingen lid zijn. Ook al vloeit de vaststelling van de prijzen niet voort uit een besluit van een ondernemersvereniging, de leden van beide groepen bereiken overeenstemming over de vast te stellen prijs, en dit is een overeenkomst in de zin van artikel 85, lid 1.
Er is niet beweerd dat het BNIC als een onder artikel 90 van het Verdrag vallende onderneming moet worden behandeld.
Is het BNIC een onderneming?
Voor de toepassing van artikel 85, moet onder „onderneming” worden verstaan een economische eenheid, ongeacht haar rechtsvorm (cf. arrest van 12 juli 1984, zaak 170/83, Hydrotherm Gerätebau, r.o. 11, Jurispr. 1984, blz. 2999) en ongeacht haar economische activiteit. Zo is bijvoorbeeld een lichaam dat auteursrechten en verwante rechten beheert een „onderneming”, zelfs indien het niet betrokken is bij de produktie van of de handel in goederen (cf. zaak 127/73, BRT/SABAM, Jurispr. 1974, blz. 313). Een bij ministerieel besluit opgericht lichaam daarentegen, waarvan de enige taak bestaat in het uitwerken en het voorbereiden van de regels die de economische activiteiten van anderen beheersen, verricht zelf geen economische activiteit en kan niet worden aangemerkt als een „onderneming” in de zin van de mededingingsregels. Op grond van de onderhavige feiten is het BNIC dunkt mij geen „onderneming”.
Is het BNIC een vereniging en, zo ja, een ondernemersvereniging ?
Afgezien van de twee „personen” die elk één tak van de industrie vertegenwoordigen, worden de leden van het BNIC aangewezen uit door de betrokken beroepsorganisaties opgestelde lijsten. Het feit dat deze beroepsorganisaties zonder wettelijke verplichting kandidaten voordragen en dat de benoemde personen hun functie aanvaarden, wijst mijns inziens erop dat zij, wanneer zij in het kader van het BNIC bijeenkomen, als een ondernemersvereniging in de zin van de mededingingsregels moeten worden beschouwd. Het feit dat zij overeenkomstig de destijds van kracht zijnde regels bijeenkomen in het kader van een besluit als dat van 18 februari 1975 (JORF van 26 februari 1975) doet aan hun karakter van vereniging niets af. Het ging hier duidelijk om een groep personen die voor een gemeenschappelijk doel waren samengebracht.
Wil het BNIC een ondernemersvereniging zijn of omvatten, dan moet mijns inziens aan twee voorwaarden zijn voldaan: 1) de door de minister benoemde personen moeten ondernemer zijn of een onderneming vertegenwoordigen; 2) zij moeten worden benoemd en optreden in hun hoedanigheid van ondernemer of vertegenwoordiger van een onderneming.
In het onderhavige geval worden de leden van de twee groepen blijkbaar niet door de minister benoemd in hun hoedanigheid van ondernemer, ook al kunnen zij rechtens ondernemer zijn. De twee „personen” daarentegen worden benoemd als vertegenwoordigers van de beroepsorganisaties die hun kandidatuur hebben voorgedragen. In het besluit worden zij „afgevaardigden” genoemd en wordt bepaald dat niemand die het beroep van handelaar, makelaar, stoker of enig ander verwant beroep uitoefent, de producenten kan „vertegenwoordigen” en omgekeerd. In het huishoudelijk reglement van het BNIC wordt bepaald dat het mandaat van een lid automatisch vervalt op het ogenblik dat hij zijn lidmaatschap van de beroepsorganisatie of -vereniging, waarop zijn benoeming berust, verliest.
Het BNIC betwist deze opvatting van de hoedanigheid van de leden van het BNIC. Volgens hem worden de leden niet afgevaardigd door de beroepsorganisaties, maar benoemd door de minister. Dit is niet beslissend. Iemand kan heel goed een beroepsorganisatie vertegenwoordigen, terwijl zijn recht op deelname voortvloeit uit een handeling van de minister. Voorts zouden de leden in hun persoonlijke hoedanigheid en niet als vertegenwoordigers worden benoemd. Anderzijds heeft het BNIC toegegeven, dat de leden in feite de verschillende takken van de cognacindustrie vertegenwoordigen. Zie ik het goed, dan wordt derhalve gezegd dat de leden van het BNIC weliswaar worden benoemd om de handelsbelangen van verschillende takken van de cognacindustrie te vertegenwoordigen, doch niet formeel als vertegenwoordigers van specifieke ondernemingen of verenigingen worden benoemd.
Uiteindelijk staat het natuurlijk aan de Franse rechterlijke instanties om uit te maken, in welke hoedanigheid de leden van het BNIC optreden. Wat er ook van zij, hebben wij hier te maken met een ondernemersvereniging in de zin van artikel 85.
Zijn de beroepsorganisaties die lijsten met kandidaten voordragen, rechtens ondernemingen, dan kunnen de twee groepen mijns inziens als ondernemersverenigingen worden beschouwd. In het BNIC worden dan besluiten genomen door ondernemersverenigingen. Zijn de beroepsorganisaties geen „ondernemingen”, dan blijven zij mijns inziens nog steeds ondernemersverenigingen. Elk van beide groepen en het BNIC zelf kunnen, zoals door Clair wordt betoogd, als verenigingen van ondernemersverenigingen worden aangemerkt. Daardoor vallen zij niet buiten de werkingssfeer van de mededingingsregels. Artikel 85, lid 1, mag niet restrictief worden uitgelegd, als zou het enkel betrekking hebben op „ondernemersverenigingen”. Het omvat ook „verenigingen van ondernemersverenigingen”. Ware dit niet het geval, dan zouden de ondernemingen de toepassing van de mededingingsregels gemakkelijk kunnen omzeilen. Men is algemeen van oordeel dat tussen een vereniging van ondernemersverenigingen en een ondernemersvereniging misschien wel een formeel maar geen wezenlijk verschil bestaat, en dat er geen reden is om de toepassing van artikel 85, lid 1, uit te sluiten.
De beslissende factor is dat de leden van beide groepen de inhoud van de in het kader van de bedrijfsorganisatie gesloten overeenkomst vaststellen op basis van de belangen van de verschillende takken van de cognacindustrie, wat hen eigenlijk, zij het niet formeel, via de beroepsorganisaties tot vertegenwoordigers maakt van de ondernemingen die in deze industrietak werkzaam zijn. Ter terechtzitting werd dit door het BNIC in feite toegegeven. De mogelijkheid om de overeenkomst algemeen verbindend te verklaren en haar een zelfstandige of verschillende rechtskracht te geven, belet niet dat zij een overeenkomst of een besluit in de zin van artikel 85 is. Het aspect dat de prijs wordt vastgesteld in het algemeen belang speelt pas een rol, nadat de overeenkomst is gesloten. Het feit dat de minister van Financiën kan weigeren een in het kader van een bedrijfsorganisatie gesloten overeeenkomst algemeen verbindend te verklaren, zoals hij kennelijk voor het marktjaar 1982/1983 heeft gedaan omdat de vastgestelde prijzen te hoog waren en niet strookten met het anti-inflatiebeleid van de Franse regering, bevestigt slechts, dat door de overeenkomst die door de vertegenwoordigers van de ondernemingen in hun commercieel belang was gesloten reeds een besluit was genomen. Die overeenkomst valt binnen de werkingssfeer van artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
Indien ik tot de conclusie zou zijn gekomen dat er geen sprake was van een „besluit” in de zin van artikel 85, lid 1, bijvoorbeeld omdat het BNIC strikt genomen geen „ondernemersvereniging” was, zou ik op grond van de onderhavige feiten moeten aannemen dat het BNIC, door prijzen vast te stellen die door de wijnbouwers en de handelaars worden inachtgenomen, betrokken was bij een door artikel 85, lid 1, verboden onderling afgestemde feitelijke gedraging.
Hoewel in de eerste prejudiciële vraag wordt gesteld dat de in het kader van de bedrijfsorganisatie gesloten overeenkomst door de voorzitter van het BNIC is ondertekend, blijkt uit de overeenkomst zelf dat zulks niet het geval is. De overeenkomst is ondertekend door de vertegenwoordigers van de twee groepen en door de directeur van het BNIC, blijkens artikel 9 van het BNIC-reglement, iemand anders dan de voorzitter van het BNIC. Men lijkt het erover eens, dat de directeur door zijn handtekening de inhoud van de overeenkomst bevestigt. Zijn handtekening is evenwel niet vereist. Vervolgens zendt hij de overeenkomst naar de regeringscommissaris, zodat zij voor de algemeenverbindendverklaring kan worden voorgelegd. Onder deze omstandigheid heeft de handtekening van de directeur geen invloed op de toepassing van artikel 85. De ondertekening van de overeenkomst door de voorzitter zou dezelfde gevolgen hebben gehad.
De derde prejudiciële vraag luidt als volgt: „Moet het ervoor worden gehouden, dat de vaststelling van een minimuminkoopprijs voor brandewijn de handel tussen Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge kan hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, rekening houdende met het feit dat de brandewijn waarop de overeenkomst van 7 november 1980 betrekking heeft, aan de gecontroleerde benaming van oorsprong „Cognac” beantwoordt en dat cognac een brandewijn uit druiven is die vrijwel uitsluitend puur wordt gedronken ?”
De onderhavige zaak betreft de vaststelling van prijzen voor gedistilleerd dat bij het blenden van cognac wordt gebruikt, ofschoon in de in het kaller van de bedrijfsorganisatie gesloten overeenkomst ook de prijs voor distilleerwijn, de distillatiekosten en de prijs van het eindprodukt worden vastgesteld. Het BNIC betoogt dat de handel tussen de Lid-Staten niet wordt beïnvloed voor zover de vaststelling van prijzen: 1) betrekking heeft op transacties betreffende halfprodukten (bijvoorbeeld het gedistilleerd dat bij de cognacbereiding wordt gebruikt) die normaliter niet ten verbruike worden geleverd of buiten de streek Cognac worden verhandeld; 2) geringe gevolgen heeft voor de verbruikers; 3) de wijnbouwers een redelijke levensstandaard verzekert, de markt stabiliseert en de bevoorrading veilig stelt. Het BNIC baseerde zich vooral op de mededeling van de punten van bezwaar die de Commissie hem heeft toegezonden in de procedure die heeft geleid tot beschikking nr. 82/896 van 15 december 1982 (PB L 379 van 1982, blz. 1). Daarin stelde de Commissie zich op het standpunt, dat de vaststelling van minimumprijzen voor distilleerwijnen en gedistilleerd de handel tussen de Lid-Staten niet merkbaar ongunstig beïnvloedde. Clair betoogt dat de vaststelling van prijzen de handel tussen de Lid-Staten wel ongunstig beïnvloedt, omdat cognac concurreert met andere brandewijnen zoals whisky, en de inkoopprijs van de brandewijnen waaruit cognac wordt samengesteld 40 tot 50 % van de verkoopprijs van een fles cognac en 60 tot 70 % van de verkoopprijs van een vat cognac bedraagt. Bovendien bestaat er geen enkel beletsel tegen dat iemand brandewijnen buiten de streek van Cognac of zelfs buiten Frankrijk koopt voor het blenden van cognac. De Commissie betoogt, dat de vaststelling van minimumprijzen voor brandewijnen de mededinging tussen producenten van brandewijnen en tussen handelaars beperkt op het niveau van de inkoopkosten. Deze beperking van de mededinging heeft een weerslag op de prijs van het eindprodukt daar de prijs van brandewijn het belangrijkste bestanddeel is van de prijs van cognac. De intracommunautaire handel kan zelfs ongunstig worden beïnvloed indien de brandewijn niet tussen de Lid-Staten wordt verhandeld, omdat 50 % van de geproduceerde cognac in de andere Lid-Staten wordt verkocht.
Artikel 85, lid 1, verbiedt kartels die de handel tussen de Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst, en inzonderheid die welke bestaan in het „rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden”. De in het kader van de bedrijfsorganisatie gesloten overeenkomst levert mijns inziens een beperking van de mededinging op als bedoeld in artikel 85, lid 1. De omstandigheid dat de vaststelling van de prijzen betrekking heeft op een bepaald produkt uit een nauwkeurig afgebakende streek (de streek van Cognac) betekent op zichzelf niet, dat de handel tussen de Lid-Staten daardoor niet wordt beïnvloed. Het feit dat cognac doorgaans puur wordt gedronken, belet niet dat het concurreert met andere produkten of dat verschillende cognacsoorten onderling concurreren.
Aan het vereiste dat de overeenkomst de handel tussen de Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden is voldaan, wanneer zij „gezien het geheel harer objectieve bestanddelen — feitelijk en rechtens — met een voldoende mate van waarschijnlijkheid moet doen verwachten, dat zij, al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, het ruilverkeer tussen de Lid-Staten kan beïnvloeden” (zaak 56/65, Société technique miniere/Maschinenbau Ulm GmbH, Jurispr. 1966, blz. 391, inz. blz. 414). Bijgevolg is het voldoende dat de overeenkomst de handel tussen de Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden (zie bijvoorbeeld zaak 19/77, Miller International Schallplatten GmbH, Jurispr. 1978, blz. 131, r.o. 15; zaak 126/80, Salonia/Poidomani en Giglio, Jurispr. 1981, blz. 1563, r.o. 17; en de zaak-Züchner, r.o. 18). Indien blijkt dat de overeenkomst ten doel heeft de concurrentie te verhinderen, te beperken of te vervalsen, behoeft niet meer te worden nagegaan, of zij inderdaad deze gevolgen heeft (bijv. gev. zaken 56 en 58/64, Consten & Grundig/Commissie, Jurispr. 1966, blz. 449, inz. blz. 516). Is dit daarentegen niet het doel van de overeenkomst, dan moet worden onderzocht of de invloed ervan op de mededinging belangrijk of merkbaar is. Om het doel van de overeenkomst te bepalen behoeven het oogmerk of de bedoeling van partijen niet te worden onderzocht. Het volstaat dat de overeenkomst van dien aard is dat zij de mededinging verhindert, beperkt of vervalst (cf. zaak-Maschinenbau Ulm, biz. 414; zaak-Miller, r.o. 7; en zaak 61/80, Coöperatieve Stremselen Kleurselfabriek/Commissie, Jurispr. 1981, blz. 851, r.o. 12-13).
Zoals het Hof in zaak 168/78, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1980, biz. 347) heeft opgemerkt, staat cognac althans gedeeltelijk in concurrentie met andere sterke dranken zoals armagnac, die in Frankrijk wordt geproduceerd, en whisky, grappa en jenever, die in andere Lid-Staten worden geproduceerd. Bovendien bestaat er concurrentie tussen de verschillende merken cognac. Deze produkten en de verschillende merken cognac concurreren zowel op de Franse markt als op de markten van de andere Lid-Staten met elkaar. Het lijkt niet te worden betwist, dat de gemeenschappelijke markt in haar geheel ongeveer 52 % van alle cognacverkopen voor haar rekening neemt, waarbij de uitvoer naar de 9 andere Lid-Staten 40 % van de totale cognacuitvoer bedraagt, en dat de intracommunautaire handel in cognac en concurrerend gedistilleerd economisch gezien belangrijk is. Er lijkt geen intracommunautaire handel te bestaan in sterke dranken die voor het blenden van cognac worden gebruikt, hoewel de mogelijkheid van zulke handel niet volledig valt uit te sluiten.
De vraag is dus of de vaststelling van de prijzen in de in het kader van de bedrijfsorganisatie gesloten overeenkomst de handel tussen de Lid-Staten en de mededingingsstructuur binnen de gemeenschappelijke markt ongunstig kan beïnvloeden, door haar uitwerking op a) de prijsconcurrentie tussen cognac en ander concurrerend gedistilleerd en tussen de verschillende merken cognac en b) de concurrentie binnen de cognacindustrie zelf.
De vaststelling van de prijzen voor het gedistilleerd dat bij de cognacbereiding wordt gebruikt, moet worden gezien in de context van het geheel van de prijsafspraken in de betrokken overeenkomsten. Zij dekken elk stadium van de cognacproduktie, van de verkoop van distilleerwijn tot de eerste verkoop van het eindprodukt. De Commissie heeft erop gewezen dat de prijs die Clair voor het betrokken gedistilleerd had betaald, hem in staat zou hebben gesteld zijn prijzen voor cognac in fusten en in flessen met respectievelijk 27 % en 15 % te verlagen. Ofschoon mag worden aangenomen dat kwaliteit en reputatie bijzonder belangrijk zijn bij de keuze van een cognac of een merk cognac door de consument, kan de mogelijkheid van prijsconcurrentie, indien de beperkingen zouden worden opgeheven, niet worden uitgesloten, vooral die tussen cognac of merken cognac van geringere kwaliteit of reputatie.
Dat een besluit waarbij de prijs van het basisgedistilleerd wordt vastgesteld, gevolgen kan hebben voor de prijs van het eindprodukt en derhalve voor de handel tussen de Lid-Staten, lijkt duidelijk. Ofschoon in sommige industrietakken de gevolgen van de mededingingsbeperking merkbaar kunnen zijn voor ondernemingen die slechts in één Lid-Staat werkzaam zijn, lijkt de cognachandel tussen de Lid-Staten in aanzienlijke mate ongunstig te kunnen worden beïnvloed wegens de omvang van de cognacuitvoer van Frankrijk naar de andere Lid-Staten, hoewel de uiteindelijke beslissing daarover uiteraard aan de nationale rechter toekomt. Enkel wanneer de gevolgen te verwaarlozen zijn kan daaraan worden voorbijgegaan. Gelet op de aan het Hof voorgelegde feiten, lijkt dit onwaarschijnlijk.
In beschikking nr. 82/896 heeft de Commissie reeds geoordeeld, dat de vaststelling van minimumverkoopprijzen voor cognac op zichzelf een inbreuk vormt op artikel 85, lid 1, en bijgevolg nietig is krachtens artikel 85, lid 2. Zelfs indien de vaststelling van prijzen voor het eindprodukt op zichzelf verenigbaar zou zijn met artikel 85, dan nog kan de vaststelling van prijzen voor het halfprodukt tot gevolg hebben dat de mededinging wordt beperkt, omdat het de totale produktiekosten van het afgewerkt produkt verhoogt.
Helemaal los van de gevolgen voor de cognacprijs, kan de vaststelling van de prijs voor het gedistilleerd waarmee cognac wordt bereid, tezamen met de vaststelling van prijzen voor eerdere produktiestadia, de concurrentie tussen de handelaren ongunstig beïnvloeden, doordat elk concurrentievoordeel als gevolg van bijvoorbeeld de produktieomvang wordt beperkt of geneutraliseerd. Dit kan ook ertoe leiden dat de grotere ondernemingen, die waarschijnlijk beter in staat zullen zijn de hogere kosten te dragen, worden bevoordeeld en dat wordt verhinderd dat nieuwe handelaren of nieuwe merken cognac op de markt verschijnen. De handelaren die nadeel ondervinden van de vaststelling van de prijzen in de produktiestadia, kunnen echter tot op zekere hoogte tegen de volle werking van de concurrentievervalsing worden beschermd, indien ook de prijs voor het eindprodukt wordt vastgesteld. Daardoor worden de gevolgen van de concurrentiebeperking voor de concurrentiestructuur van de Gemeenschap echter nog versterkt, ook al kunnen voor bepaalde ondernemingen daardoor de gevolgen aanzienlijk worden verzacht. Ter terechtzitting heeft het BNIC de nadruk gelegd op de voordelen van de in het kader van het BNIC gesloten overeenkomst voor de cognacindustrie, inzonderheid voor het in evenwicht brengen van vraag en aanbod en het verzekeren van een passend inkomen voor de wijnbouwers. Onder deze omstandigheden zou dit een reden kunnen zijn om de overeenkomst vrij te stellen van het verbod van artikel 85, lid 3, indien zij bij de Commissie was aangemeld. Aan het Hof is echter meegedeeld, dat de regeringscommissaris het BNIC heeft gelast deze overeenkomst niet aan te melden, omdat anders zou worden toegegeven dat artikel 85 van toepassing was. Bijgevolg kan in het onderhavige geding niet worden geklaagd over de nadelige gevolgen van de niet-aanmelding.
Mitsdien moeten de prejudiciële vragen mijns inziens als volgt worden beantwoord :
1)
en 2) Het vaststellen van prijzen bij een overeenkomst die in het kader van een bedrijfsorganisatie is gesloten door de overeenkomstig het reglement van het Bureau national interprofessionnel du cognac geformeerde groepen van wijnbouwers en handelaars, is een besluit van een ondernemersvereniging in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag, niettegenstaande dat deze overeenkomst ook door de voorzitter of de directeur van het BNIC is ondertekend.
3)
De vaststelling van een minimumprijs voor sterke dranken die bij de bereiding van cognac worden gebruikt kan worden geacht de handel tussen de Lid-Staten ongunstig te kunnen beïnvloeden en ten doel of tot gevolg te hebben, dat de concurrentie op de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, indien deze vaststelling van een minimumprijs op zichzelf of tezamen met andere terzake van de produktie of verhandeling opgelegde voorwaarden, onder meer betreffende de prijs, een meer dan te verwaarlozen invloed heeft op de verkoopprijs van cognac of op de mogelijkheid van de handelaars om met elkaar te concurreren.
Over de kosten van partijen in het hoofdgeding dient de verwijzende rechter te beslissen. Met betrekking tot de kosten van de Commissie behoeft geen beslissing te worden genomen.
( *1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy