CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN 6 JUNI 1984
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
Bij beschikking van 5 mei 1982, nr. 82/401 (PB L 173 van 1982, blz. 20) heeft de Commissie de onverenigbaarheid vastgesteld van een aantal steunmaatregelen ingesteld door de Siciliaanse overheid bij de regionale wet 16/81 met artikel 92 van het EEG-Verdrag en de gemeenschappelijke marktordeningen in de sectoren wijn en groenten en fruit.
Deze beschikking is door de Italiaanse regering niet aangevochten. Zij heeft er ook bij de regionale Siciliaanse autoriteiten op aangedrongen de betrokken wettelijke bepalingen af te schaffen, hetgeen echter tot op heden niet heeft plaatsgevonden. In artikel 2 van de genoemde beschikking werd de Italiaanse Republiek opgedragen binnen één maand na de mededeling daarvan de nodige maatregelen te nemen en daarvan de Commissie in kennis te stellen.
Het onderhavige beroep van de Commissie strekt ertoe uw Hof te doen vaststellen dat door niet binnen de gestelde termijn de nodige maatregelen te nemen de Italiaanse Republiek de uit het verdrag voortvloeiende verplichtingen heeft geschonden. De feiten die tot de genoemde beschikking hebben geleid, alsmede de inhoud van die beschikking zijn reeds uitvoerig in het rapport ter terechtzitting weergegeven. Derhalve zie ik er van af deze gegevens nogmaals onder de aandacht van Uw Hof te brengen.
De Italiaanse regering verzoekt Uw Hof het beroep van de Commissie te verwerpen, subsidiair te verklaren dat het beroep zonder voorwerp is geraakt. Met betrekking tot de steun welke voorzien is in artikel 13 van de regionale wet 16/81, inhoudend de ter beschikking stelling van een bedrag van 3 miljard lire aan het regionale wijninstituut voor het campagnejaar 1981, stelt de Italiaanse regering dat het hier niet gaat om produktiesteun, zoals door de Commissie in haar beschikking is gesteld. Met de Commissie ben ik echter van mening dat dat verweer zich tegen de niet meer aanvechtbare beschikking zelf richt, zodat het als niet ontvankelijk moet worden teruggewezen.
Voor wat betreft de overige steunmaatregelen als voorzien in de artikelen 1, 2 en 7 van de regionale wet 16/81, stelt de Italiaanse regering dat deze steun nimmer is uitbetaald, en ook niet meer uitbetaald kan worden, aangezien het campagnejaar 1980-81 voorbij is. Het beroep van de Commissie zou daarmede dan zonder voorwerp zijn geraakt.
Dat de in genoemde bepalingen voorziene steun niet is uitbetaald, is door de Commissie erkend. Deze instelling verlangt echter ook dat de betrokken wettelijke bepalingen worden afgeschaft. Dit verlangt zij niet alleen op de formele grond van hun onverenigbaarheid met het gemeenschapsrecht, maar ook om eventuele latere uitbetalingen tegen te gaan. Tijdens de mondelinge behandeling verschilden partijen van mening over de vraag of dit laatste mogelijk zou zijn. Wij behoeven echter, dunkt mij, bij deze kwestie niet lang stil te staan. Met het gemeenschapsrecht strijdige bepalingen dienen te worden afgeschaft. Krachtens artikel 189 van het EEG-Verdrag is een beschikking verbindend in al haar onderdelen voor diegenen tot wie zij uitdrukkelijk is gericht. Dit geldt derhalve ook voor artikel 2 van de onderhavige beschikking, dat duidelijk afschaffing van de regionale wettelijke maatregelen eiste en waartegen geen beroep is ingesteld.
Dienovereenkomstig concludeer ik dat Uw Hof voor recht verklaart, dat de Italiaanse Republiek door niet binnen de voorgeschreven termijn uitvoering te geven aan de beschikking van de Commissie van 5 mei 1981, haar uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen. Dit onder gelijktijdige verwijzing van deze Lid-Staat in de kosten van het geding.
Full & Egal Universal Law Academy