CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. F. MANCINI
van 11 juli 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Op 13 februari 1979, in het arrest in zaak 85/76 (Hoffmann-La Roche, Jurispr. 1979, blz. 461), verklaarde het Hof voor de eerste maal, dat „waar artikel 86 EEG-Verdrag misbruik van een machtspositie op de markt verbiedt, ... heeft het niet slechts gedragingen op het oog welke de verbruikers rechtstreeks nadeel kunnen berokkenen, doch ook gedragingen welke hen, door aantasting van een structuur van daadwerkelijke mededinging als bedoeld in artikel 3, sub f, van het Verdrag, indirect benadelen”. Langs die weg kwam het Hof tot de slotsom, dat het gedrag van de Zwitserse multinational bij de verhandeling van vitaminen bestemd voor de farmaceutische en levensmiddelenindustrie, schadelijk kon zijn zowel voor de mededinging als voor het handelsverkeer tussen de Lid-Staten en bijgevolg moest worden geneutraliseerd en bestraft.
Ook zonder over nauwkeurige gegevens te beschikken, ben ik ervan overtuigd dat dit arrest er enorm toe heeft bijgedragen, de Europese markt van vitaminen — een produkt dat fysiologisch en economisch van primair belang is voor de hedendaagse mens — te bevrijden van het monopolistisch dwangbuis dat ze sedert jaren verstikte, en ze weer in staat heeft gesteld de versterkende lucht van de vrijheid in te ademen.
Het was dus goed gezien van een bepaald iemand, toen deze begin 1973 de Commissie suggereerde een onderzoek in te stellen naar het verborgen en nagenoeg onnaspeurlijke doen en laten van een handelsimperium dat voor een goed deel op ongeoorloofde regels en clausules was opgebouwd. In een „persoonlijke en vertrouwelijke” brief, op 25 februari gezonden aan de heer Borschette, die toen, als lid van de Commissie, de portefeuille Mededinging beheerde, verzocht die persoon de Commissie uitdrukkelijk actie tegen Hoffmann-La Roche te ondernemen wegens schending van artikel 86 EEG-Verdrag. De rol en de activiteit van die onderneming op de wereldmarkt van vitaminen werden correct beschreven; al even omstandig was de aanklacht ter zake van de door de onderneming toegepaste en opgelegde maatregelen om de concurrentie uit te schakelen.
De brief besloot aldus: „Ik verzoek u, mijn naam buiten deze zaak te houden. Ik sta evenwel geheel tot uw beschikking voor nadere informatie en voor bewijsstukken met betrekking tot elk der hiervóor door mij genoemde punten. Verder ben ik te allen tijde bereid ieder aspect ervan met uw medewerkers of met u persoonlijk te bespreken en, zo nodig, daarvoor naar België of Rome te vliegen. Bovendien, wanneer ik tegen juli 1973 La Roche zal hebben verlaten, ben ik zelfs bereid voor welke rechtbank ook te verschijnen om de juistheid van mijn verklaringen onder ede te bevestigen. Ik vertrouw dat u mij zo snel mogelijk laat weten, op welke wijze ik u verder van dienst kan zijn...”
De schrijver van deze brief was dus bij de Zwitserse onderneming in dienst. Zijn naam is thans welbekend: Stanley George Adams, Maltees staatsburger en directeur van de afdeling „Internationale betrekkingen” van Hoffmann-La Roche te Bazel.
In werkelijkheid bleef het feit dat Adams de informant van de Commissie in de vitaminenzaak was, niet lang geheim, in elk geval niet meer na 31 december 1974 toen hij aan de Zwitsers-Italiaanse grens door de Zwitserse autoriteiten werd gearresteerd en, op basis van een klacht van La Roche, werd beschuldigd van verbreiding van bedrijfsgegevens en schending van het bedrijfsgeheim (artikelen 273 en 162 van het Zwitserse strafwetboek). Voor de voormalige werknemer van de multinational was dat het begin van een lange lijdensweg. Nadat hij op 21 maart 1975 tegen betaling van een borgsom van 25000 Zwitserse franken voorlopig op vrije voeten was gesteld, werd hij op 1 juli 1976, na een gedeeltelijk achter gesloten deuren gevoerd proces, door de rechtbank te Bazel bij verstek veroordeeld tot een jaar voorwaardelijke gevangenisstraf, met verbod in Zwitserland te verblijven voor een periode van vijf jaar. Adams ging van dit vonnis in beroep en vervolgens in cassatie bij het Bundesgericht te Lausanne, maar het in eerste aanleg gewezen vonnis werd bevestigd en verkreeg tenslotte kracht van gewijsde.
Ik ben mij ervan bewust, dat het verhaal waarin Adams de hoofdrol speelde, in deze enkele regels niet volledig is verteld. Maar het lijkt mij niet nodig, hier alle — bittere en soms zelfs tragische — gebeurtenissen die op zijn eerste schriftelijk contact met de diensten van de Commissie zijn gevolgd, weer te geven. Op 18 juli 1983 immers heeft Adams zaak 145/83 bij het Hof aanhangig gemaakt, waarin hij vordert dat de Commissie, na vaststelling van haar aansprakelijkheid voor bepaalde handelingen en verzuimen die tot de onthulling van zijn identiteit hebben geleid, zal worden veroordeeld tot vergoeding van de hem daardoor opgekomen schade. Adams verwijt de Commissie tevens dat zij haar — vrijwillig aanvaarde — verplichting niet is nagekomen, zijn raadslieden te adviseren omtrent de mogelijkheid om Zwitserland aan te klagen wegens schending van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (artikelen 6 en 10). Ik zal mij derhalve beperken tot de feiten waaruit volgens verzoeker de aansprakelijkheid van de Commissie voortvloeit, en wel uitsluitend om te kunnen vaststellen of en in hoeverre het gedrag van de Commissie onrechtmatig is geweest en oorzaak is geweest van de schade waarvan Adams vergoeding verlangt.
Voorts herinner ik eraan, dat er op 31 januari en 1 februari van dit jaar een getuigenverhoor is geweest voor de Tweede kamer van het Hof, waar behalve Adams zijn gehoord de heer Portmann, verzoekers raadsman tijdens het proces te Bazel, en enkele ambtenaren van de Commissie, die indertijd belast waren met het onderzoek tegen La Roche. Bij die gelegenheid hebben beide partijen het Hof verzocht, eerst en vooral uitspraak te doen over de aansprakelijkheid van de Commissie en de eventuele verjaring van verzoekers rechtsvordering en, in voorkomend geval, de beslissing over het bestaan en de omvang van de schade tot een volgende fase van de procedure uit te stellen. Bij mijn uiteenzetting van de feiten zal ik derhalve ook rekening houden met de beperkingen die dit verzoek ons oplegt.
Nog één opmerking. Op 29 februari 1984 heeft Adams een tweede beroep ingesteld (zaak 53/84), strekkende tot vaststelling van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Commissie voor haar verzuim om de door de Zwitserse autoriteiten te zijnen aanzien genomen maatregelen ter sprake te brengen in het gemengd comité, ingesteld in het kader van de vrijhandelsovereenkomsi EEG-Zwitserland. Omdat het in dat beroep om dezelfde schaden gaat als ir zaak 145/83, zal ik het ook in deze conclusie behandelen en wel in de laatste paragraaf.
2.
Gevolg gevend aan de brief van 25 februari 1973, nodigde de heer Schlieder, directeur-generaal van de dienst „Concurrentie” van de Commissie (hierna: DG IV), Adams uit voor een ontmoeting met enkele van zijn ambtenaren ter bespreking van de door hem aan de orde gestelde problemen. Tijdens die bijeenkomst, op 9 april van dat jaar te Brussel, kwam het tussen de gesprekspartners tot een openhartige samenwerking. Adams legde een aantal stukken betreffende La Roche over, die de ambtenaren maar van betrekkelijk belang achtten. Adams verzekerde echter dat hij andere stukken met meer bewijskracht kon leveren en dat deed hij de volgende dag (10 april 1973), na zijn terugkeer naar Bazel. Onder de vele papieren die hij opstuurde, waren 14 interne circulaires, zogenoemde Management Information Memoranda. Op deze zending volgden nog twee andere, van 15 april en 21 juli 1973, die een schat aan documenten bevatten betreffende de commerciële activiteiten van La Roche, onder meer een fotocopie van een brief van de president, Adolf Jann, aan de directeuren van alle dochtermaatschappijen. In zijn brief van 21 juli deelde Adams verder mee, dat hij per eind oktober 1973 bij La Roche weg zou gaan.
Na dat tijdstip, zegt de Commissie, had zij niets meer van Adams gehoord en was zij zijn spoor volledig bijster geworden. Verzoeker wijst er echter op, dat hij al in zijn eerste brief van 25 februari had geschreven dat hij „voornemens [was La Roche] te verlaten... en een eigen industrieel vleesproduktiebedrijf in de buurt van Rome, Italië, [wilde] opzetten”. In zijn verklaring voor het Hof heeft hij verder gezegd, dat hij bij zijn bezoek aan Brussel op 9 april 1973 aan de ambtenaren van DG IV, en met name aan de heer Carisi, had verteld, dat hij van plan was zich met zijn gezin in Latina te vestigen, een stadje niet ver van Rome, waar hij een industriële varkensfokkerij wilde beginnen. Volgens verzoeker was de Commissie dus op de hoogte van zijn plannen en van de plaats waar deze verwerkelijkt zouden moeten worden. Tenslotte beweert hij, dat hij begin november 1973 — dus een paar dagen nadat hij bij La Roche was weggegaan — een telefoongesprek met Carisi heeft gevoerd, bij welke gelegenheid hij die ambtenaar het telefoonnummer had gegeven van het huis van zijn schoonouders, waar hij enkele maanden vakantie had doorgebracht alvorens zich naar Latina te begeven. Tijdens het getuigenverhoor — waarbij Carisi overigens niet aanwezig was (zie uitgebreider onder 7, in fine) — kon hieromtrent geen bevestiging van de ondervraagde ambtenaren worden verkregen.
Toen de laatste brief van Adams in Brussel aankwam, was de Commissie al begonnen met de bestudering van de door hem gezonden stukken, met het al tamelijk vast omlijnde doel voor ogen een onderzoek tegen La Roche in te stellen. Want toen reeds — preciezer gezegd, vanaf het moment waarop Adams de eerste bewijzen voor zijn aantijgingen had geleverd — gaven de ambtenaren van DG IV zich er rekenschap van, dat het om een „hete” en uiterst gevoelig liggende affaire ging. Men besloot daarom zeer behoedzaam te werk te gaan; met name werd men het erover eens, zoals de directeur van de dienst verklaarde, met het onderzoek bij de dochtermaatschappijen van La Roche te wachten totdat Adams de Zwitserse onderneming definitief zou hebben verlaten.
Na zijn ontslag zou men echter meer bewegingsvrijheid hebben. De met het onderzoek belaste ambtenaren waren er immers van overtuigd, dat wanneer de arbeidsverhouding van Adams met La Roche eenmaal was beëindigd, het minder noodzakelijk zou zijn om zijn identiteit geheim te houden, vooral gezien het feit dat hij zich bereid had verklaard, zijn beschuldigingen „voor welke rechtbank ook” te bevestigen. Met andere woorden, zij waren ervan overtuigd dat, indien het om een einde te maken aan de handelwijze van La Roche, wenselijk zou zijn de gegrondheid van de tegen haar ingebrachte beschuldigingen door een rechterlijke instantie te doen vaststellen, de Commissie zou kunnen rekenen op de getuigenverklaringen van Adams als voormalig hoofd van een commerciële afdeling van La Roche.
Om die redenen wachtte de Commissie tot 22 oktober 1974, dus bijna een jaar na het vertrek van Adams, alvorens met het onderzoek te beginnen (tot dan toe was enkel een zogenoemd „perifeer” onderzoek ingesteld bij enkele vaste afnemers van La Roche, doch dat had weinig opgeleverd). Op die herfstdag dus togen drie ambtenaren van DG IV naar het kantoor van La Roche te Parijs. Doel van hun bezoek was, de documenten die de Commissie buiten weten van de onderneming al lang in handen had en waarop later de inbreukbeschikking (artikel 86 van het Verdrag) kon worden gebaseerd, ook officieel van de directeur van die dochteronderneming te verkrijgen. Maar hoe men het ook aanlegde, geen resultaat. Men las de directeur zelfs de meest veelzeggende passages uit de Management Information Memoranda voor; tevergeefs, want hij bestreed ze te kennen. Het enige wat overbleef, was hem de documenten te tonen ten einde een verklaring van echtheid te verkrijgen; maar een dergelijke beslissing was zonder precedent en was bovendien te riskant om ze op staande voet te kunnen nemen.
„Nadat wij met lege handen waren teruggekeerd” — aldus een andere ambtenaar van DG IV, de heer Rihoux, in zijn getuigenverklaring -, „vroegen wij ons af, of wij de zaak, ondanks de verpletterende bewijzen waarover wij beschikten, maar in het archief moesten bijzetten, dan wel of wij ze tot op de bodem moesten uitzoeken. Besloten werd, eerst de belangen die op het spel stonden, op een rijtje te zetten en die welke voor voortzetting van het onderzoek pleitten, af te wegen tegen die welke zich ertegen verzetten. Aan de ene kant was daar het algemene belang van de Gemeenschap, dat de Commissie verplichtte toe te zien op de toepassing van het Verdrag en in het bijzonder van de beginselen van de artikelen 85 en 86; aan de andere kant kon nog, ofschoon de instelling er niet langer door gebonden was, een belang van de informant worden onderkend om onbekend te blijven. Tegen de onthulling van de documenten pleitten de wijze waarop ze in het Berlaymont waren beland, en de erin voorkomende aanwijzingen omtrent hun herkomst. Maar het bleef een feit” — aldus nog steeds Rihoux — „dat Adams geen enkele aanwijzing, hoe vaag ook, had gegeven over de wijze waarop de Commissie zijn inlichtingen moest gebruiken, noch had verzocht daaromtrent op de hoogte te worden gehouden.” En tenslotte waren de ambtenaren er zoals gezegd van overtuigd, dat Adams, wanneer hij eenmaal uit Bazel weg was, „geen enkele bijzondere reden had om zijn identiteit te verbergen” (zie de verklaring van de eveneens bij het onderzoek betrokken heer Pappalardo). Niettemin, toen besloten was de stukken te onthullen, zorgden de inspecteurs van DG TV ervoor, die te kiezen welke, ofschoon van voldoende bewijskracht met het oog op de inbreukbeschikking, meer anoniem of beter meer neutraal van aard waren, zoals de circulaires die aan de verschillende dochterondernemingen waren gezonden. Verder werd uit de teksten alles verwijderd wat het mogelijk zou kunnen maken de bron ervan op te sporen.
Na deze voorzorgen en na afspraken te hebben gemaakt over de te volgen tactiek, meldden de gemeenschapsambtenaren zich op 29 oktober 1974 tegelijkertijd bij de directeuren van de dochterondernemingen van La Roche te Parijs en te Brussel, nog steeds in de hoop hen te kunnen overreden de compromitterende stukken uit hun archieven te voorschijn te halen. Maar omdat de beide directeuren zich ontwijkend bleven opstellen of zelfs ronduit weigerden, besloten de mensen van DG IV met de 14 circulaires en de brief van de heer Jann op tafel te komen. Met deze bewijzen geconfronteerd, bevestigden de directeuren, aan wie werd toegestaan fotocopieën van de stukken te maken, tenslotte het bestaan en de echtheid ervan.
Enkele weken later, op 18 december 1974, deed de advocaat Alder namens La Roche bij de Zwitserse autoriteiten aangifte van een overtreding van de artikelen 273 en 162 van het Zwitserse strafwetboek. Formeel was in de aangifte sprake van een misdrijf gepleegd door onbekenden. Na de omstandigheden van het bezoek van de ambtenaren aan de dochterondernemingen in Parijs en Brussel en de inhoud van de door de respectieve directeuren gefotocopieerde documenten te hebben beschreven, vervolgde Alder immers met de verklaring dat „de vennootschap Hoffmann-La Roche niet weet, hoe de Commissie van de Europese Gemeenschappen in het bezit van de vertrouwelijke stukken is gekomen... Van het onderhoud dat ondergetekende op 8 november 1974 te Brussel had met de heren Carisi, Pappalardo en Rihoux, heeft hij de indruk overgehouden, dat de ambtenaren van de Gemeenschap ... de betrokken stukken hebben verkregen zonder initiatief hunnerzijds en dat ... zij weten wie ze heeft verschaft. Het viel echter niet te achterhalen, op welk moment zij ze hebben ontvángen.”
In haar strafklacht verklaarde de vennootschap derhalve dat zij, op basis van de gegevens waarover zij beschikte en ondanks een binnen het concern ingesteld onderzoek, niet in staat was de identiteit van de informant vast te stellen. De advocaat deelde de justitie echter mee, dat éen ding zeker was en dat de verdenking op een bepaald persoon was gevallen. Het eerste betrof de herkomst van de stukken waarvan de Commissie kopieën bezat: vaststond dat deze waren opgesteld in het hoofdkantoor te Bazel. Het tweede betrof de naam van de vermoedelijke schuldige: Stanley Adams. In de strafklacht motiveerde Aider dit vermoeden met de verklaring, dat Adams' meerderen al enige jaren ontevreden waren geweest over diens gedrag, zozeer zelfs dat de directie van de onderneming hem in de zomer van 1973 te verstaan had gegeven dat hij maar beter ontslag kon nemen. Het feit dat Adams nu niet bepaald in de beste verstandhouding bij La Roche was weggegaan, en bepaalde conclusies die uit een vergelijking van de originele stukken met de kopieën in het bezit van de Commissie konden worden getrokken, „wettigden het vermoeden — aldus besloot Alder — dat de heer Adams de gewraakte feiten heeft gepleegd”.
Op 31 december 1974 werd verzoeker gearresteerd. Nadat hij op 21 maart 1975 voorlopig in vrijheid was gesteld, nam hij na een onderbreking van bijna anderhalf jaar weer contact op met de Commissie. In de eerste dagen van april had hij in Brussel een ontmoeting met de ambtenaren die het onderzoek tegen La Roche hadden verricht. De partijen erkennen dat het gesprek in een vriendschappelijke sfeer verliep. De ambtenaren gaven uitdrukking aan hun solidariteit en beloofden Adams, dat de Commissie alle proceskosten zou betalen, inclusief de borgsom die hij had moeten storten om uit de gevangenis te komen. Volgens verzoeker zegden zij verder toe, dat zij zijn toenmalige advocaat, de heer Portinann, juridische adviezen zouden geven ter voorbereiding van zijn verdediging. Verweerster bevestigt dat zij inderdaad een regeling heeft getroffen voor de vergoeding van Adams' kosten en dat zij hem op verschillende manieren heeft geholpen, maar ontkent zich te hebben verbonden om met zijn raadslieden samen te werken.
Bij die ontmoeting werd verder gesproken over de recente gebeurtenissen. De ambtenaren wilden van Adams weten, hoe zijn arrestatie precies in zijn werk was gegaan, en van hun kant vertelden zij wat er sedert zijn laatste bezoek in Brussel was gebeurd; met name vertelden zij over het onderzoek dat zij bij de dochterondernemingen van La Roche hadden ingesteld. In verband hiermee vermeldt de heer Pappalardo, aan verzoeker te hebben gezegd dat de directeuren te Parijs en Brussel bij die gelegenheid kopieën hadden gekregen van sommige van de stukken die Adams had verschaft: „ik vermeldde dit — aldus genoemde ambtenaar — als ‚een hypothese die [kon] verklaren wat [voor ons nog] onverklaarbaar was, namelijk [Adams'] identificatie en arrestatie’. Adams, zo besluit Pappalardo, leek overigens niet onder de indruk van die onthullingen en uitte geen enkele kritiek op de handelwijze van de Commissie.”
Aan dit gedeelte van het gesprek bewaart verzoeker andere herinneringen; hij zegt immers, dat hij de aanwezige ambtenaren nooit heeft gevraagd, hoe de betrokken stukken naar hun mening in het bezit van de Zwitserse autoriteiten waren gekomen. Men dient hierbij echter te bedenken dat — blijkens het proces-verbaal van de verhoren waaraan Adams gedurende zijn hechtenis werd onderworpen — de Zwitserse ondervragers hem enkele stukken hadden getoond en hadden gezegd dat die door ambtenaren van de Commissie aan de directeuren van de Franse en de Belgische dochterondernemingen waren voorgelegd. Verzoeker ontkent dit niet, maar verklaart er geen belang aan te hebben gehecht, daar hij het beschouwde als een list van de Zwitserse politie om hem een bekentenis te ontlokken. Uit het procesverbaal blijkt echter ook, dat Adams praktisch toegaf dat hij de Management Information Memoranda aan de Commissie had toegespeeld: dat — zo erkende hij — was „best mogelijk”.
Op 9 juni 1976 gaf de Commissie een beschikking, waarin zij formeel vaststelde dat de onderneming Hoffmann-La Roche misbruik had gemaakt van haar machtspositie op de gemeenschappelijke markt van vitaminen. Zo eindigde de eerste „ronde” van het gevecht dat tweeëneenhalfjaar later leidde tot het arrest waarmee ik ben begonnen.
3.
Enkele andere, voor deze zaak van minder belang zijnde feiten, die plaatsvonden na het eerste bezoek van Adams aan het Berlaymont, zal ik hier in een wat willekeurige volgorde vermelden. In zijn inleidend verzoekschrift en in zijn repliek maakt verzoeker bij voorbeeld gewag van verscheidene telefoongesprekken en van verdere ontmoetingen met gemeenschapsambtenaren, de eerste voor en na zijn vertrek bij La Roche, de tweede nadat hij in Zwitserland was vrijgelaten. Voorts noemt hij enkele voorvallen op het moment van zijn arrestatie, tijdens de verhoren en gedurende zijn hechtenis. Verder wordt beschreven welke rol de Commissie in die tijd heeft gespeeld en haar bemoeiingen ten behoeve van Adams. Het laatste gedeelte van verzoekers relaas heeft betrekking op het Italiaanse hoofdstuk van zijn geschiedenis: zoals bekend, was dat al niet veel fortuinlijker dan het Zwitserse, omdat Adams' ambitieuze plannen al bijna van meet af aan mislukten, voornamelijk door gebrek aan fondsen, en hij zich gedwongen zag in Groot-Brittannië een schuilplaats te zoeken voor de civiel- en strafrechtelijke gevolgen van de ondergang van zijn bedrijf.
De Commissie betwist de juistheid van bepaalde conclusies die Adams meent te moeten trekken, en brengt correcties aan op diens weergave van bepaalde omstandigheden. In het bijzonder zou onjuist zijn verzoekers bewering, dat de heer Schlieder begin 1975 in een telefoongesprek met de advocaat van La Roche, Alder, met zoveel woorden had gezegd dat de Commissie haar informaties van Adams had. Omtrent dit voorval, dat overigens zou hebben plaatsgevonden nadat Adams al tegenover de Zwitserse politie had bekend dat hij de Commissie inlichtingen had gegeven, weten wij niets met zekerheid; en uiteraard kan het Hof zich ook niet gebonden achten aan wat in het vonnis van de rechtbank te Bazel met betrekking tot dit punt is vastgesteld. Deze episode is, alles bijeen, te weinig opgehelderd om van belang te kunnen zijn voor de toch al moeilijke aansprakelijkheidsvraag waarover het Hof zich dient uit te spreken.
Heel anders — en in zoverre vergelijkbaar met die van de sub 2 gerelateerde feiten — is de relevantie voor 's Hofs beoordeling van het onderhoud dat de heer Alder op 8 november 1974 — dus enkele dagen na het bezoek aan de dochterondernemingen van La Roche — te Brussel had met de ambtenaren van DG IV. Op dit onderhoud — gedurende hetwelk Alder dreigementen uitte die, hoewel nergens op slaand, door zijn gesprekspartners werden ervaren als een poging tot chantage — kom ik sub 7 uitgebreid terug. Hier wil ik er slechts van zeggen, dat de eerste keer dat er in deze procedure gewag van werd gemaakt, was in het verweerschrift van de Commissie. In het beroepschrift van Adams is er geen woord over te vinden; hij brengt het wel ter sprake in zijn repliek, als een omstandigheid die de hem toegebrachte schade nog ernstiger zou maken.
4.
In zijn beroep in zaak 145/83 verzoekt Adams het Hof vast te stellen dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen: a) door op verscheidene momenten zijn identiteit als informant in het tegen Hoffmann-La Roche ingestelde onderzoek te onthullen, haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden en daardoor oorzaak is geweest van zijn arrestatie, gevangenhouding en veroordeling door de Zwitserse autoriteiten; b) haar verbintenis niet is nagekomen om zijn raadslieden te adviseren omtrent de mogelijkheid zijn zaak voor de Europese Commissie voor de rechten van de mens te brengen.
Ter zake van dit doen en niet-doen vordert hij de veroordeling van de Commissie tot vergoeding van de geleden schade, met verwijzing in de kosten van het geding. De verwerende instelling concludeert daartegenover tot verwerping van het beroep; wat punt a) betreft, beroept zij zich bovendien, in de zin van artikel 43 van 's Hofs Statuut-EEG, op de verjaring van de tegen haar ingestelde rechtsvordering.
5.
Wat de schending van de geheimhoudingsplicht betreft, stelt verzoeker dat de betrekkingen die hij met de Commissie had aangeknoopt, van meet af aan een vertrouwelijk karakter hadden. Dit zou zowel blijken uit de bewoordingen van zijn eerste brief als uit de inhoud van zijn gesprekken met ambtenaren van DG IV tijdens de bijeenkomst van 9 april 1973. Alleen daarom al was de Commissie verplicht zijn naam geheim te houden. Die verplichting had echter ook een tweevoudige wettelijke grondslag: in de eerste plaats artikel 214 EEG-Verdrag en artikel 20 van 's Raads verordening nr. 17 van 6 februari 1962; in de tweede plaats de desbetreffende beginselen van het recht der Lid-Staten.
Dit laatste argument is stellig onjuist. Bedoelde verbodsbepalingen van het Verdrag en de verordening zijn immers geschreven ten behoeve van de ondernemer bij wie een onderzoek wordt ingesteld, en niet ten behoeve van de informant. En wat het recht der Lid-Staten betreft, staat wel vast dat bij een analyse ervan geen aan alle gemeenschappelijke regeling valt te ontdekken; wat meer is, de nationale voorschriften inzake de aansprakelijkheid van overheidsorganen bieden de informant weinig bescherming, vooral wanneer het overheidshandelen gericht is op welbepaalde doelstellingen van openbaar belang. Het ligt natuurlijk anders, wanneer de overheid zich tegenover de informant uitdrukkelijk verbindt zijn anonimiteit te waarborgen en de van hem ontvangen inlichtingen op dienovereenkomstige wijze te gebruiken. Van dit alles is Adams zich welbewust en zoals wij zagen, is het in de eerste plaats het bestaan van een dergelijke verbintenis waarop hij de Commissie tracht vast te pinnen.
Doch dit zijn maar voorhoedegevechten. Pas op een ander punt raken partijen echt met elkaar slaags: aangenomen dat er een verplichting — op welke grondslag ook — bestaat, kan men ze dan met een dies ad quem verbinden, mag men ze beschouwen als te gelden voor een bepaalde duur ? Adams meent van niet. Zijns inziens gold de verplichting voor altijd en absoluut; zo was zij immers omschreven in de brief aan Borschette; en zo had de Commissie ze opgevat, zoals verschillende aspecten van haar gedrag gedurende de hele geschiedenis aantonen.
Verweerster betoogt echter dat zij, vanaf het moment waarop Adams zijn dienstbetrekking had opgegeven, niet meer tot geheimhouding verplicht was. Adams zelf zou die verplichting aldus hebben beperkt toen hij in zijn eerste brief schreef dat hij, na zijn vertrek bij La Roche, niet zou aarzelen om voor de rechter te getuigen. Hoe kan men in rechte getuigenis afleggen — vraagt de Commissie zich in feite af — zonder eerst zijn personalia te hebben opgegeven ? Bovendien had verzoeker na zijn vertrek uit Bazel zelfs niet de moeite genomen om DG IV zijn nieuwe adres mee te delen, en daarmee blijk gegeven van volstrekte onverschilligheid met betrekking tot het verdere verloop van het onderzoek en de mogelijkheid dat zijn naam daarbij zou vallen.
Zoals sub 2 gezegd, bestrijdt Adams dit laatste; hij zou zijn adres in Italië aan de heer Carisi hebben meegedeeld. Maar waar zijn betoog in wezen op neerkomt, is dit: de Commissie, zo zegt hij, heeft mij verkeerd begrepen. Toen ik schreef: „ik ben bereid te getuigen”, bedoelde ik niet een eindtermijn te stellen aan haar verplichting door afstand te doen van de anonimiteit waarom ik met de grootste nadruk had gevraagd. Ik wilde integendeel zeggen dat ik bereid zou zijn mij bekend te maken — doch op grond van mijn eigen beslissing en op mijn eigen initiatief — wanneer het onderzoek zou zijn voltooid en er een geding voor het Hof van zou komen. Met andere woorden, ik alleen zou de tijd en de wijze van mijn openbaar optreden hebben kunnen bepalen.
Twee diametraal tegengestelde benaderingen dus. Mij lijkt de tweede meer overtuigend, ofschoon zij wel wat al te stringent is verwoord. Toch brengt ook deze ons niet veel verder, indien het juist is dat verweerster tot 31 december 1974 — dat wil zeggen tot het begin van de reeks gebeurtenissen ter zake waarvan Adams thans schadevergoeding vordert — niet openlijk de naam van haar informant heeft prijsgegeven. Ik stel daarom voor, het probleem van de tijdgebondenheid van de geheimhoudingsplicht van de Commissie te laten rusten, en ons te concentreren op andere aspecten ervan. Dit onderstelt echter dat wij ons eerst een beter inzicht verschaffen in de draagwijdte van die verplichting, en daartoe zullen wij allereerst de brief aan Borschette, waarin de geheimhouding werd opgelegd, moeten bestuderen.
In het eerste deel van die brief wordt, zoals bekend, de wens uitgesproken dat de Commissie „actie onderneemt” tegen La Roche; dan volgt een nauwkeurige beschrijving van de concurrentiebeperkende praktijken van die onderneming, en tenslotte wordt verklaard: „Insamenwerking met de andere producenten van onverpakte vitaminen heeft [La Roche] ... de eerlijke mededinging uitgeschakeld; en ... waar zij [ze] niet [heeft] kunnen uitschakelen, ... heeft zij de mededinging volledig vervalst”. Dit alles, aldus Adams, is „duidelijk”, waarmee hij bedoelt: voldoende om een goede afloop van de „actie” die hij de geadresseerde van de brief in overweging geeft, te waarborgen. „Ik verzoek u”, zo gaat hij verder, „mijn naam buiten deze zaak te houden. Ik sta evenwel ... tot uw beschikking voor nadere informatie en voor bewijsstukken met betrekking tot elk der hiervóór door mij genoemde punten ... Verder ben ik te allen tijde bereid [tot een gesprek met de inspecteurs van DG IV]. Bovendien, wanneer ik ... La Roche zal hebben verlaten, ben ik zelfs bereid [etcetera].” Met andere woorden, verzoeker was ervan overtuigd, gegevens te hebben aangedragen die op zich al stappen tegen La Roche konden rechtvaardigen; evenwel — dit is toch de betekenis van het tegenstellend voegwoord — hij kon die gegevens op drie manieren sterker maken: a) door nadere inlichtingen en/of documenten te verschaffen, b) door gesprekken met ambtenaren van de Gemeenschap; c) door als getuige de juistheid van zijn informaties onder ede te bevestigen. De keuze werd aan de Commissie overgelaten. „Ik vertrouw” — zo besloot de brief immers — „dat u mij ... laat weten, op welke wijze ik u verder van dienst kan zijn.”
Wat valt uit dit alles te lezen ? Verzoeker — zoveel is duidelijk — legt de heer Borschette een geheimhoudingsplicht op met betrekking tot zijn identiteit, dat wil zeggen met betrekking tot de bron van de aantijgingen tegen La Roche. Even duidelijk is echter dat die geheimhoudingsplicht niet zover gaat, dat zij ook geldt voor de wijze en het tijdstip waarop van die aantijgingen gebruik kan worden gemaakt. Had Adams ook in dat opzicht beperkingen of voorwaarden willen stellen, dan had hij de Commissie de nodige aanwijzingen moeten geven; maar dat heeft hij niet gedaan. Hij nodigde haar zelfs uit, onverwijld met het onderzoek te beginnen, zij het dat hij de mogelijkheid openliet dat de Commissie hem — in de door haar gekozen vorm — om verdere medewerking zou vragen. Volgens deze brief kon de Commissie dus geheel naar eigen goeddunken gebruik maken van wat zij van verzoeker had vernomen. Zolang zij diens naam maar niet prijsgaf, was zij vrij om te handelen op de wijze die haar goeddacht.
Aan dit beeld doet hetgeen volgde, niets toe of af. Uitgenodigd voor een gesprek over zijn aantijgingen, verscheen Adams in Brussel met enkele documenten waarvan hij zei — zo beweert hij nu — dat zij vertrouwelijk waren. Ik merk evenwel op, dat ze als betrekkelijk onbelangrijk werden beoordeeld en dat in het door de heer Rihoux opgestelde verslag van de bespreking het vertrouwelijke karakter ervan niet wordt vermeld. In ieder geval heeft Adams noch bij die gelegenheid noch in zijn drie latere brieven de Commissie aanbevolen het door hem verstrekte materiaal behoedzaam dan wel in het geheel niet te gebruiken wegens het gevaar dat zij door hun inhoud de bron zouden kunnen verraden. In zijn getuigenverklaring voor het Hof tenslotte heeft verzoeker toegegeven dat hij de inspecteurs van DG IV nooit op het hart had gebonden, de door hem geleverde documenten niet buiten het Berlaymont te gebruiken.
Dan kunnen wij nu een stap verder gaan. Adams, zo meen ik, heeft de Commissie geen aanwijzingen gegeven, omdat hij vertrouwen had in de gemeenschapsambtenaren, in hun vermogen om doeltreffend, maar tegelijkertijd omzichtig en discreet tewerk te gaan. Omzichtigheid, voortvarendheid, maar waar nodig ook discretie behoren immers tot de grondregels van de bestuurswerkzaamheid; en ofschoon zij vrij was de haar toevertrouwde documenten te gebruiken op de wijze en het tijdstip waarop zij dat opportuun achtte, mocht de Commissie die regels niet ignoreren. Hier komt het dus op aan: kan men zeggen dat de Commissie zich aan die regels heeft gehouden ? De methode die zij koos om van La Roche de bewijzen te krijgen die zij nodig had, en de stappen die zij deed bij de uitvoering ervan, was dat wat een verstandig en verantwoordelijk man — of zoals de Romeinen zeiden, een bonus pater familias — in een soortgelijke situatie zou doen ?
Naar Adams' overtuiging is dat niet het geval geweest. Door de Management Information Memoranda aan de directeuren van de Franse en de Belgische dochterondernemingen te tonen, beging de Commissie, zo meent hij, een onvoorzichtigheid, omdat La Roche daardoor met vrij grote waarschijnlijkheid kon vaststellen dat hij — Adams — de bron van de inlichtingen was. De Commissie is een volstrekt andere mening toegedaan. Niet enkel had verzoeker geen instructies gegeven, zo zegt zij, maar hij had haar ook niet gewaarschuwd dat onthulling van juist deze documenten het risico inhield dat de bron ervan werd prijsgegeven. Bovendien hadden de met het onderzoek belaste ambtenaren alleen de meer „anonieme” papieren laten zien, en ervoor gezorgd ze onherkenbaar te maken door alles eruit te elimineren wat de opsporing van de informant kon vergemakkelijken. Of hun voorzorgen het gewenste resultaat hebben gehad, kan natuurlijk niemand zeggen; het is echter veelzeggend, dat in de door La Roche ingediende strafklacht de verdenking tegen Adams gebaseerd werd op diens slechte verhouding met zijn meerderen en op omstandigheden die verband hielden met gegevens die de Commissie nooit in haar bezit heeft gehad.
Van de hiervóór weergegeven stellingen kies ik voor die van de Commissie. Ik herinner eraan, dat verzoeker haar de vrije hand had gelaten met betrekking tot de tijd en wijze waarop zij van zijn informatie gebruik wilde maken. Zij deed dit pas een jaar nadat Adams ontslag had genomen, en enkel nadat zij zonder succes geprobeerd had bewijsmateriaal te verkrijgen, eerst bij afnemers van La Roche en daarna bij de dochterondernemingen te Brussel en Parijs. Een dergelijke keuze nu — dat wil zeggen, na een redelijk verloop van tijd, als het ware als extrema ratio, en met de door mij gememoreerde voorzorgen — is te beschouwen als in overeenstemming met de regels van voorzichtigheid en behoedzaamheid. Anders gezegd, van verweerster kon niet meer worden verlangd dan dat wat zij ter bescherming van Adams' anonimiteit heeft gedaan.
Om dit punt af te sluiten, concludeer ik dat in de handelwijze van de Commissie gedurende het onderzoek tegen Hoffmann-La Roche niets kan worden gevonden wat onrechtmatig is en wat, zo aan de voorwaarden inzake schade en causaal verband is voldaan, grond zou opleveren voor niet-contractuele aansprakelijkheid van die instelling.
6.
Ofschoon in de eerste plaats materieel verweer voerend tegen Adams' vordering, betoogt de Commissie voorts dat deze vordering afstuit op artikel 43 van 's Hofs Statuut, dat bepaalt: „De vorderingen tegen de Gemeenschap inzake niet-contractuele aansprakelijkheid verjaren vijf jaar na het feit, dat tot deze vordering aanleiding heeft gegeven.” Met betrekking tot dit artikel heeft het Hof in zijn meer recente rechtspraak op een gewichtig punt duidelijkheid geschapen door vast te stellen dat de verjaringstermijn „niet kan ingaan voordat aan alle vereisten voor het ontstaan van de schadevergoedingsplicht is voldaan, en met name niet voordat de schade waarvan vergoeding wordt verlangd, zich heeft geconcretiseerd” (arrest van 27 januari 1982, zaak 51/81, De Franceschi, Jurispr. 1982, blz. 117).
Verweersters redenering is simpel. Uit de chronologische reconstructie van de feiten — zo stelt zij — blijkt dat op 1 juli 1976, dat wil zeggen de datum van het vonnis van de rechtbank te Bazel, was voldaan aan de voorwaarden waarop Adams zijn aansprakelijkheidsactie baseert. Verzoeker heeft zelf erkend, dat de handelingen en verzuimen die hij ten bewijze van de schending van de geheimhoudingsplicht aanvoert, vóór dat tijdstip hebben plaatsgevonden; hetzelfde geldt voor de schade (arrestatie, gevangenhouding) die daarvan het gevolg was en waarvan hij juist vergoeding vordert. De beroepstermijn is dus ruimschoots verstreken. Verzoekers beroepschrift is immers eerst op 18 juli 1983 ter griffie van het Hof ingekomen, dus lang na de in artikel 43 genoemde termijn van vijf jaar.
Adams wijst dit verweer met kracht van de hand, maar in feite weet hij er niet meer tegen in te brengen, dan dat hij pas in augustus 1980 kennis zou hebben gekregen van de onrechtmatige handelwijze waarop de aansprakelijkheid van de Commissie berust.
Eerst toen immers had zijn nieuwe advocaat het hele procesdossier van de rechtbank te Bazel gekregen en daarin gelezen dat de gemeenschapsambtenaren enkele van de door Adams verschafte documenten aan de directeuren van de dochterondernemingen van La Roche hadden laten zien. Tot dan toe, aldus verzoeker, had hij dat niet geweten, want hij had nooit de procesverbalen van zijn verhoren of zijn procesdossier kunnen inzien; en zelfs wanneer hij ze had gezien, zou hij ze niet hebben begrepen, daar zij in een hem onbekende taal — het Duits — waren gesteld.
Wat hiervan te zeggen ? Het is duidelijk, dat bij de berekening van de in artikel 43 bedoelde termijn rekening moet worden gehouden met het feit dat de betrokkene bepaalde feiten niet heeft gekend; het mag echter niet zo zijn, dat die onbekendheid aan de betrokkene zelf te wijten is. Deze dient in elk geval aan te tonen, al het mogelijke te hebben gedaan om de feiten die tot de schade hebben geleid, te kennen. Doch zoals ik sub 2 heb gememoreerd, geeft Adams zelf toe dat de Zwitserse politie hem tijdens zijn verhoor had gezegd dat de documenten aan de directeuren van de dochterondernemingen waren getoond. Weliswaar verklaart verzoeker dat hij die mededeling toen niet ernstig heeft genomen, maar aldus redenerend komt hij tot een onzinnig resultaat: hij doet de rechtsvordering ex artikel 215 niet afhangen van het daadwerkelijk bestaan van bepaalde feiten — dus het onrechtmatig handelen waardoor schade is ontstaan — , maar van de opinie die de benadeelde zich vormt met betrekking tot de vraag wie er verantwoordelijk voor is.
Ik ben er echter van overtuigd, dat Adams van zijn nieuwe advocaat niet meer heeft vernomen dan hij destijds al wist. In de strafklacht van La Roche wordt immers woordelijk verklaard: „de kopieën ... van de documenten ... in het bezit van de Commissie ... zijn gemaakt [door het personeel van de Franse en de Belgische onderneming] met goedvinden van de ambtenaren ... en [onmiddellijk] ... naar Bazel gezonden”. Welnu, het is zeker dat verzoeker van deze passage — veelzeggender dan welke andere ook, omdat zij volstrekt duidelijk maakt, dat de gemeenschapsinspecteurs de documenten vrijwillig hadden afgegeven — tijdens zijn verhoor op 23 januari 1975 kennis heeft gekregen. In dit verband kan hij zich ook niet beroepen op zijn onbekendheid met het Duits, want blijkens het proces-verbaal werden de verschillende onderdelen van de strafklacht, waarover de politiecommissaris de verdachte ondervroeg, telkens door een tolk vertaald; en die processen-verbaal werden door Adams pas ondertekend nadat ze hem in vertaling waren voorgelezen.
Al in het begin van 1975 kende Adams dus precies alle feiten die hij aanvoert tot staving van de eerste van de vorderingen die hij in zijn beroep stelt. De door verweerster opgeworpen exceptie van verjaring is derhalve gegrond.
7.
Niet alle door mij gememoreerde feiten, die grond kunnen opleveren voor een aansprakelijkheid van de Commissie, waren echter op het moment van het Bazelse vonnis aan verzoeker bekend. In het bijzonder, zoals ik sub 3 opmerkte, verklaart hij pas uit de memorie die de Commissie in deze zaak heeft ingediend, weet te hebben gekregen van het onderhoud dat de advocaat Alder op 8 november 1974 heeft gehad met ambtenaren van de Commissie. Dit behoeft niet helemaal juist te zijn. In de strafklacht van La Roche maakt Alder immers melding van dat onderhoud, met de toevoeging dat hij daarop had aangestuurd in de hoop te achterhalen, hoe de Commissie aan de Management Information Memoranda en de brief van Jann was gekomen. Maar op dat punt — zo vervolgt hij — hadden de ambtenaren hem niets gezegd, terwijl zij op een latere brief van hem — bedoeld om erachter te komen, of de informant iemand van binnen of van buiten de vennootschap was — hadden geantwoord dat zij er later op zouden terugkomen. Maar, aldus besloot Alder, op 6 december 1974 had de heer Pappalardo hem telefonisch meegedeeld dat de Commissie niet voornemens was die vraag te beantwoorden en dat zij niet meer bereid was om over de herkomst van de documenten te discuteren.
Omdat hij tijdens zijn verhoor in kennis was gesteld van de strafklacht, is het dus waarschijnlijk dat Adams niet onbekend was met deze episode. In die strafklacht deed Alder evenwel enkel verslag van een gedeelte — en niet het meest interessante — van zijn gesprek met de ambtenaren. Men leze er de memorie van de Commissie maar op na. Alder — zo lezen wij daar — stelde zijn gesprekspartners in kennis van het voornemen van La Roche om de informant te vervolgen op grond van een bepaling van het Zwitserse strafwetboek, die de openbaarmaking van geheime bedrijfsinformatie strafbaar stelt. Vervolgens suggereerde hij dat de betrokken ambtenaren als getuigen in het proces konden worden gedagvaard, opdat het publiek kennis zou kunnen nemen van de lichtzinnigheid waarmee DG IV bij zijn onderzoeken tewerk ging; tenslotte beloofde hij dat als de Commissie de naam van haar informant zou noemen, La Roche van iedere strafvervolging tegen die persoon zou afzien en de inspecteurs alle stukken zou verschaffen die zij nog nodig meenden te hebben. Bij monde van de heer Pappalardo wees de Commissie dit voorstel van de hand.
Dit is dus de volledige inhoud van het gesprek. Adams verwijt de Commissie hem niet tijdig daarvan in kennis te hebben gesteld en, in het bijzonder, hem niet te hebben gewaarschuwd voor de ernstige risico's die hij liep indien hij naar Zwitserland terugkeerde. De Commissie zou daarmee „tekort zijn geschoten in de verplichting tot zorgvuldig handelen” die op een bestuursinstantie rust, en dat verzuim zou de schade die hij door de „schending van de geheimhoudingsplicht” had geleden, „nog ernstiger” hebben gemaakt.
Ik wijs erop, dat verzoeker met zijn zojuist weergegeven betoog in feite een nieuw middel aanvoert, al strekt ook dit tot staving van zijn stelling inzake de aansprakelijkheid van verweerster. Mag hij dat doen ? Zoals bekend, mogen volgens artikel 42, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering nieuwe middelen enkel in de loop van het geding worden voorgedragen indien zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst tijdens de schriftelijke behandeling is gebleken; anderzijds is het vaste rechtspraak, dat „een nieuw feit het voordragen van een nieuw middel in de loop van het geding alleen kan rechtvaardigen, wanneer het zich op het tijdstip waarop het beroep werd ingesteld, nog niet voordeed of de verzoeker niet bekend was” (zie laatstelijk arrest van 1 april 1982, zaak 11/81, Dürbeck, Jurispr. 1982, blz. 1251). In de onderhavige zaak nu staat wel vast dat aan deze voorwaarde is voldaan. Zoals wij immers zagen, waren op het moment waarop Adams zijn beroep instelde, de dreigementen en voorstellen van Alder alleen bekend aan deze laatste en aan de Commissie. Verzoeker wist er niets van en kon er niets van weten.
Tegen dit nieuwe verwijt verweert de Commissie zich in de eerste plaats met te zeggen dat zij niet geloofde dat de Zwitserse wetgeving een strafvervolging toeliet tegen iemand die inlichtingen had verstrekt welke gebruikt konden worden om een einde te maken aan een verboden gedraging. Het dreigen met dergelijke stappen was daarom door de ambtenaren opgevat als een „bluf” van Alder, ten einde hun de naam van de informant te ontfutselen. Daarbij komt, enerzijds, dat Adams op dat tijdstip Zwitserland al had verlaten en niets had gezegd over plannen om er terug te keren, en anderzijds, dat hij geen nieuw adres had opgegeven, zodat men hem onmogelijk kon waarschuwen. Ter terechtzitting heeft verweerster tenslotte betoogd, dat ook in dit geval verzoekers rechtsvordering verjaard is. Tussen de datum van Alders onderhoud met de ambtenaren en de dag van indiening van het beroepschrift waren immers meer dan vijf jaar verlopen.
Al aanstonds zij opgemerkt dat, indien juist is wat wij zojuist hebben gezegd over het tijdstip waarop Adams kennis kreeg van het onderhoud (althans van het belangrijkste gedeelte ervan), dit laatste argument onhoudbaar is. Maar ook verweersters andere argumenten moeten worden afgewezen.
Laten wij eens bezien waarom. Het beschermen van de informant door diens anonimiteit te bewaren, is geen doel op zich, maar dient vooral mogelijke vergeldingsmaatregelen te voorkomen van de zijde van degene, die door de onthullingen is benadeeld. Zoals wij uitgebreid sub 6 zagen, hield de geheimhoudingsplicht van de Commissie niet op met het bezoek van haar inspecteurs aan de dochterondernemingen te Parijs en Brussel; de Commissie moest er dus voor waken, dat dat bezoek andere dan de beoogde gevolgen had, en vooral dat het boze consequenties had voor Adams. Maar het was juist met dergelijke consequenties — een vergeldingsmaatregel in de vorm van een strafklacht met de mogelijkheid van arrestatie en veroordeling — dat Alder dreigde tijdens het onderhoud dat zelf weer een van de resultaten was van het bezoek. De conclusie is duidelijk: de Commissie had, in het bestek van de door haar te betrachten normale zorgvuldigheid, alle nodige maatregelen moeten nemen om te verhinderen dat die dreigementen werkelijkheid konden worden.
Zij deed echter niets, en die passiviteit valt niet te rechtvaardigen. Ook al kon wat Alder had gezegd, als bluf worden opgevat, er stond zoveel op het spel, dat men had moeten nagaan of hij wel zulke zwakke kaarten in de hand had. Voor de juristen van de dienst Concurrentie had het toch niet al te moeilijk moeten zijn om na te gaan of er in een wetboek dat stellig niet in de bibliotheek van de Commissie ontbrak, dergelijke bepalingen voorkwamen, en om door een eenvoudig jurisprudentieonderzoek hun juiste strekking vast te stellen. Ik merk nog op, dat die bepalingen inhoudelijk niet zo erg veel verschillen van bepalingen die nog in de wettelijke regelingen van sommige Lid-Staten voorkomen (bij voorbeeld artikel 623 van het Italiaanse strafwetboek). Hadden zij dit alles bedacht en dienovereenkomstig gehandeld, dan zouden die juristen tot de conclusie zijn gekomen, dat Alder hun weliswaar had willen intimideren, maar dat hij volstrekt niet „blufte”; dat hij dus een beste kaart had.
Blijft nog het argument, dat Adams onvindbaar was. Zeker, ik ontken niet, dat verzoeker na zijn vertrek bij La Roche alle belangstelling voor het onderzoek had verloren en dat hij maar zelden iets had laten doorschemeren — en dan nog heel vaag — over zijn plannen in Italië. Hij verklaart echter dat hij in november 1973 heeft getelefoneerd met de heer Carisi en hem zijn adres heeft gegeven, juist om de Commissie in staat te stellen met hem in contact te blijven. Dat het zo gegaan is, is zeer waarschijnlijk. Zoals bekend, is Carisi niet gehoord kunnen worden; andere ambtenaren, en met name de heer Schlieder, herinneren zich echter een telefoongesprek met Adams. Over de inhoud ervan wisten zij niets mee te delen, maar gelet op het tijdstip waarop het plaatsvond (kort na Adams' vertrek bij La Roche) en de plaats waar het vandaan kwam (zeker Italië), kan ik moeilijk een andere reden ervoor bedenken dan het meedelen van Adams' nieuwe adres.
Vaststaat in elk geval, dat de Commissie niettemin niets ondernam om Adams op te sporen, ofschoon zij daar alle tijd voor had (het is immers een niet bestreden feit, dat de heer Pappalardo eerst bijna een maand na het onderhoud op Alders tweede verzoek om opheldering antwoordde ! ). Dit, zo komt mij voor, volstaat om te kunnen concluderen dat het gedrag van de instelling niet met de gewone zorgvuldigheid strookte, en dat mitsdien daarin een onrechtmatig handelen kan worden gezien dat tot niet-contractuele aansprakelijkheid leidt.
8.
In zijn onder nummer 145/83 ingeschreven beroep verwijt Adams de Commissie nog een tweede verzuim: zij zou hem niet geïnformeerd hebben over de mogelijkheid om zich te zijner verdediging te beroepen op het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, en daardoor inbreuk hebben gemaakt op haar — vrijwillig aanvaarde — verplichting zijn advocaten bij te staan en te adviseren.
Ik herinner eraan, dat de Commissie ontkent zich daartoe te hebben verplicht, en ik wijs erop, dat verzoeker niets heeft aangevoerd om haar te logenstraffen. In zijn getuigenverklaring voor het Hof heeft de heer Portmann weliswaar verklaard dat hij steeds bij de ambtenaren van DG IV had kunnen aankloppen om inlichtingen die hem konden helpen bij de uitoefening van zijn mandaat, maar niets wijst erop, dat die overigens incidentele contacten plaatsvonden in het kader van een echte adviseursrelatie.
Deze grief is mitsdien ongegrond.
9.
In zijn op 29 februari 1984 ingediend verzoekschrift in zaak 53/84 vraagt verzoeker het Hof: a) de Commissie van de Europese Gemeenschappen te veroordelen tot vergoeding van de schade, door hem geleden als gevolg van handelingen en verzuimen van de Commissie, die hebben geleid tot zijn arrestatie en veroordeling door de Zwitserse autoriteiten; b) vast te stellen dat de Commissie het in het kader van het vrijhandelsakkoord EEG-Zwitserland (1972) ingestelde gemengd comité in kennis had moeten stellen van de met de bepalingen van dat akkoord strijdige maatregelen die de Zwitserse autoriteiten tegen hem hadden getroffen; c) vast te stellen dat de Commissie Zwitserland in kennis had moeten stellen van haar voornemen om het vrijhandelsakkoord op te zeggen, indien zij dat land niet binnen een redelijke termijn ertoe zou kunnen brengen, de in het akkoord vervatte volkenrechtelijke regels juist te interpreteren en te eerbiedigen.
Hiertegen werpt de Commissie in de eerste plaats een exceptie van litispendentie op; daar het nieuwe beroep, zo stelt zij, gebaseerd is op de in zaak 145/83 uiteengezette feiten en de vorderingen in wezen dezelfde zijn, stuit het af op het beginsel ne bis in idem en moet het bijgevolg niet ontvankelijk worden verklaard. In elk geval is de door Adams gestelde schade een direct of indirect gevolg van het tegen hem gevoerde strafproces, zodat de handelingen en verzuimen waaruit de aansprakelijkheid van de Commissie zou voortvloeien, noodzakelijkerwijze vóór de uitspraak van het desbetreffende vonnis op 1 juli 1976 moeten hebben plaatsgevonden; bijgevolg is de rechtsvordering verjaard overeenkomstig artikel 43 van het Statuut van het Hof. Tenslotte preciseert verzoeker in zijn conclusies niet: a) welke rechtsregels de Commissie zou hebben geschonden, b) waarin het onrechtmatige gedrag van de instelling bestaat, c) welk causaal verband er bestaat tussen dat gedrag en de schade. Met andere woorden, nog voordat men aan de beoordeling van de gegrondheid toekomt, blijkt dat de rechtsvordering niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 215 EEG-Verdrag.
Adams weet hier enkel tegenover te stellen, dat de schade waarom het in de twee beroepen gaat, dan dezelfde moge zijn, maar — en dat is wat telt — dat de in elk der beroepen aangevoerde middelen verschillend zijn. Een stelling waarop wel wat valt af te dingen, maar het is hoe dan ook niet nodig erop in te gaan (bij voorbeeld met betrekking tot de vraag, of voldaan is aan de voorwaarden van artikel 215), omdat in elk geval het tweede argument van de Commissie doel treft. Als het immers juist is, dat de in dit beroep gestelde schade zich niet onderscheidt van die waarom het in het andere beroep gaat, dan is ook in dit geval de beroepstermijn gaan lopen op de dag van het Bazelse vonnis (zie supra, sub 6); en dan is natuurlijk ook de omstandigheid niet van belang, dat die schade een uitvloeisel zou zijn van het verzuim van de Commissie om Adams' lotgevallen in het gemengde comité EEG-Zwitserland ter sprake te brengen.
10.
Gelet op de feiten die in de loop van het geding konden worden vastgesteld, alsmede op hetgeen ik tot nu toe naar voren heb gebracht, geef ik het Hof in overweging :
a)
het door Stanley George Adams op 18 juli 1983 ingestelde beroep (zaak 145/83) ontvankelijk te verklaren, het gedeeltelijk gegrond te verklaren en mitsdien de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Commissie van de Europese Gemeenschappen te erkennen, zulks op grond dat deze heeft nagelaten maatregelen te nemen om verzoeker te waarschuwen voor het risico dat hij bij terugkeer naar Zwitserland liep, en daarmee haar verplichting om in het kader van haar bestuurlijk handelen de normale zorgvuldigheid te betrachten, heeft geschonden;
b)
de beoordeling van de hoegrootheid van de schade en de vaststelling van de schadevergoeding aan te houden tot een later arrest;
c)
het beroep in zaak 145/83 voor het overige te verwerpen;
d)
de beslissing omtrent de kosten aan te houden;
e)
het door Adams op 29 februari 1984 ingestelde beroep (zaak 53/84) niet ontvankelijk te verklaren en verzoeker krachtens artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering in de kosten te verwijzen.
( *1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy