CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
PIETER VERLOREN VAN THEMAAT
van 11 december 1984
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Inleiding
1.1. De voornaamste feiten
Verzoekster, de firma Binderer, importeert en verhandelt in de Bondsrepubliek Duitsland wijnen uit andere Lid-Staten en uit derde landen. Zij is sinds geruime tijd in het bijzonder gespecialiseerd in de invoer van wijnen uit Hongarije en Joegoslavië en neemt onder meer 65 % van de invoeren uit Hongarije voor haar rekening. Voorwerp van de huidige procedure vormt de rechtmatigheid van de door verzoekster gebruikte kwaliteitsaanduidingen „spätgelesen” en „ausgelesen” als letterlijke vertaling van de betreffende Hongaarse, respectievelijk Joegoslavische kwaliteitsaanduidingen en de rechtmatigheid van de dienaangaande door de Commissie uitgevaardigde verbodsvoorschriften. De kwaliteitsaanduidingen „Spätlese” en „Auslese” worden ook voor Oostenrijkse en Zwitserse wijnen (en dan uitsluitend in de Duitse taal) gebruikt, maar komen vooral voor in de Bondsrepubliek Duitsland zelf. Terwijl de invoer van aldus gekenmerkte wijnen door verzoekster in de jaren 1981-1983 tussen ruim 16000 hl en ruim 29000 hl (alleen in 1982) per jaar bedroeg, schommelde de produktie van deze wijnen in de Bondsrepubliek in de genoemde jaren 1981-1983 tussen 796000 hl (in 1982) en ruim 890000 hl „Spätlesen” en tussen ruim 98000 en ruim 151000 hl „Auslesen” (antwoord Commissie van 26 oktober 1984 op een mijnerzijds tijdens de mondelinge behandeling gestelde vraag). Het marktaandeel van de uit Hongarije en Joegoslavië ingevoerde „Spätlesen” en „Auslesen” gezamenlijk varieerde in genoemde jaren tussen ongeveer 11/2 % en ruim 4 % van de Duitse produktie. Op het gebied van de mededingingspolitiek van de Commissie zou een dergelijk marktaandeel als een uit mededingingsoogpunt te verwaarlozen „bagatel” worden beschouwd, waarvan geen merkbare invloed op de mededingingsverhoudingen kan uitgaan en dat dus geen activiteiten van de Commissie met de daaraan voor haarzelf en voor de betrokken ondernemingen verbonden kosten kan rechtvaardigen.
1.2. De toepasselijke gemeenschapsregelingen
Voor de beoordeling van het geschil zijn de volgende verordeningsvoorschriften van belang.
Volgens de tweede overweging van de considerans van verordening (EEG) nr. 355/79 van de Raad van 5 februari 1979 (PB L 54 van 1979, blz. 99), houdende vaststelling van de algemene voorschriften voor de omschrijving en de aanbiedingsvorm van wijn en druivemost moet „het doel van elke omschrijving en aanbiedingsvorm... zijn de eventuele koper, alsmede de openbare instanties die belast zijn met het beheer en de controle van de handel in de betrokken produkten, zo juist en zo nauwkeurig voor de lichten als nodig is om die produkten te kunnen beoordelen”. Artikel 30, lid 5, van deze verordening bepaalt in dit verband terzake van de etikettering van de wijnen (waarover de artikelen 27-34 van de verordening reeds gedetailleerde voorschriften bevatten), dat „bijzondere voorwaarden betreffende de controle op de naleving van de bepalingen inzake de omschrijving op de etikettering van ingevoerde produkten kunnen worden voorgeschreven, met name ten aanzien van de geografische oorsprong, de aanduidingen betreffende een hogere kwaliteit, het wijnstokras en de bottelaar”. Artikel 30, lid 7, bepaalt, dat „voor de omschrijving op de etikettering van ingevoerde produkten de in artikelen 27, 28 en 29 bedoelde vermeldingen worden aangebracht in één of meer officiële talen van de Gemeenschap”. Dit artikellid bepaalt voorts in zijn tweede alinea, dat de vermeldingen betreffende onder meer een hogere kwaliteit, als bedoeld in artikel 28, lid 2, sub c), daarentegen voor ingevoerde wijnen moet worden aangebracht in één der officiële talen van het derde land van oorsprong, maar dat deze vermeldingen bovendien in een officiële taal van de Gemeenschap kunnen geschieden. Tenslotte bepaalt dit artikellid (en dit is voor de onderhavige procedure belangrijk), dat het gebruik van bepaalde vermeldingen ten behoeve van de vertaling van de in de tweede alinea bedoelde vermeldingen, kan worden geregeld door uitvoeringsbepalingen. Artikel 43 van de verordening bevat in zijn eerste lid tenslotte het belangrijke algemene beginsel, dat „de omschrijving en de aanbiedingsvorm van de in artikel 1, lid 3, bedoelde produkten, met inbegrip van alle vormen van reclame, geen aanleiding mogen kunnen geven tot verwarring over aard, oorsprong en samenstelling van het produkt met betrekking tot de in de artikelen 2, 12, 27, 28 en 29 bedoelde vermeldingen”. Van die vermeldingen zijn in casu met name van belang de in artikel 28, tweede lid, sub c), bedoelde vermeldingen „die betrekking hebben op een hogere kwaliteit” en de in hetzelfde artikellid sub p) bedoelde bijzonderheden betreffende „de natuurlijke of technische omstandigheden die de aard van deze wijn hebben bepaald”. Op grond van artikel 43 was het naar mijn oordeel voor de bevoegde nationale autoriteiten en voor belanghebbenden mogelijk geweest de verwarrende publiciteitscampagne van een kleinere concurrent van verzoekster rechtstreeks door een daarop gericht individuele actie te bestrijden.
Artikel 2, lid 4, tweede alinea van verordening nr. 997/81 van de Commissie van 26 maart 1981 (PB L 106 van 1981, blz. 1), houdende uitvoeringsbepalingen voor de omschrijving en de aanbiedingsvorm van wijn en druivemost bepaalt: „Een aanduiding met betrekking tot een hogere kwaliteit als bedoeld in de eerste alinea mag op de etikettering van een ingevoerde wijn niet in de Duitse taal worden vertaald met een van de volgende termen: ‚Qualitatswein mit Prädikat’, ‚Kabinett’, ‚Spätlese’, ‚Auslese’, ‚Beerenauslese’ en ‚Trockenbeerenauslese’.” Daar de in casu belangrijke Hongaarse, respectievelijk Joegoslavische equivalenten van de termen „Spätlese” en „Auslese” door de Gemeenschap op grond van artikel 28, tweede lid, sub c), van de Raadsverordening nr. 355/79 erkend waren, liet dit verbod de mogelijkheid van andere vertalingen onverlet.
Na de afkondiging van dit voorschrift wendde verzoekster zich dan ook tot de bevoegde autoriteiten in de Bondsrepubliek en tot de Commissie met het voorstel, de nieuwe verordening te respecteren en de betrokken Hongaarse, respectievelijk Joegoslavische uitdrukkingen letterlijk te vertalen met de adjectieven „spätgelesen” en „ausgelesen”. Het Beierse staatsministerie voor Binnenlandse Zaken had tegen deze oplossing geen bezwaar en de Commissie ging in een uitvoerig gemotiveerd antwoord van 14 augustus 1981 op een brief van verschillende Duitse beroepsorganisaties terzake uitdrukkelijk met deze oplossing akkoord ( 1 ). Dit akkoord bracht verzoekster er toe, de betrokken wijnen uit Hongarije en Joegoslavië in te voeren en vervolgens met de aangegeven aanduiding in de Bondsrepubliek in het verkeer te brengen.
Daarop volgde de thans door verzoekster aangevochten verordening nr. 1224/83 vande Commissie van 6 mei 1983 (PB L 134 van 1983, blz. 1). De vijfde overweging van de considerans van deze verordening luidt als volgt:
„Overwegende dat moet worden voorkomen dat de consument wordt misleid door
het gebruik van een aanduiding met betrekking tot een hogere kwaliteit voor bepaalde in de Gemeenschap ingevoerde wijnen waarvoor minder strenge etiketteringsvoorschriften gelden, maar dat daarbij ten aanzien van de omschrijving van deze wijnen geen discriminatie mag ontstaan ten opzichte van wijnen van oorsprong uit de Gemeenschap; dat namelijk rekening moet worden gehouden met de bijzondere weersomstandigheden in de landen waar de ingevoerde wijnen zijn verkregen en dat derhalve moet worden verboden op de etikettering van deze ingevoerde wijnen de termen ‚spätgelesen’ en ‚ausgelesen’ te vermelden, ook wanneer het gaat om vertalingen van termen die overeenkomstig de voorschriften van het derde land van oorsprong mogen worden gebruikt.”
Artikel 1, lid 3, onder g), van deze verordening bepaalt dienovereenkomstig:
„Lid 4, tweede alinea” [van artikel 2 van verordening nr. 997/81]” wordt gelezen:
„Een aanduiding met betrekking tot een hogere kwaliteit als bedoeld in de eerste alinea mag op de etikettering van ingevoerde wijn niet in het Duits worden vertaald met een van de volgende termen: ‚Qualitätswein mit Prädikat’, ‚Kabinett'’, ‚Spätlese’, ‚Auslese’, ‚Beerenauslese’, ‚Trockenbeerenauslese’, ‚Eisweirn’, ‚spätgelesen’ en ‚ausgelesen’.”
De nieuwe verboden termen zijn in deze opsomming door mij onderstreept en omvatten dus ook de door de Commissie in 1981 gemotiveerd toegelaten termen „spätgelesen” en „ausgelesen”. Artikel 1, tiende lid, van de verordening bevat een overgangsbepaling voor voorraden wijn, die overeenkomstig de eerder geldende bepalingen waren geëtiketteerd. Vergelijking van de geciteerde vijfde overweging van deze verordening met de in voetnoot 1 door mij geciteerde brief toont, dat deze overweging op duidelijk gespannen voet staat met genoemde brief. Het is dan ook alleszins begrijpelijk, dat verzoekster de aldus gemotiveerde en zo juist door mij geciteerde bepaling thans bij Uw Hof aanvecht. In haar antwoord van 12 september 1984 op een dienaangaande door Uw Hof gestelde vraag erkent de Commissie uitdrukkelijk, dat zij haar standpunt van 1981 heeft gewijzigd. Zoals uit de processtukken en het betoog van verzoekster tijdens de mondelinge zitting kan worden afgeleid, verwijt deze de Commissie vooral haar verordeningsbevoegdheid te hebben gebruikt om een concreet geval tot oplossing te brengen (de Commissie voerde als argument voor wijziging van haar standpunt concrete, als misbruik te beschouwen advertenties aan). Toetsing van dit verwijt aan de op twee na laatste alinea van het antwoord van de Commissie op Uw vraag toont naar mijn oordeel, dat dit verwijt zeker niet lichtvaardig werd gemaakt. Uit deze alinea blijkt inderdaad, dat de door een kleinere concurrent van verzoekster toegepaste misleidende reclame een beslissend motief voor het terugkomen op het standpunt van 1981 heeft gevormd („Für den Meinungswandel der Kommission hat nicht zuletzt auch die Art und Weise eine Rolle gespielt, mit der der Handel die durch den Aktenvermerk vom 14. 8. 1981 bewirkte Öffnung für Werbezwecke ausgenutzt hat”, hetgeen dan vervolgens uitvoerig wordt toegelicht).
2. De hoofdvordering van verzoekster
Verzoekster vordert primair vernietiging van artikel 1, lid 3, sub g), van verordening nr. 1224/83, voor zover hierin het gebruik van de woorden „spätgelesen” en „ausgelesen” in de vertaling van aanduidingen over hogere kwaliteit in de zin van artikel 28, lid 2, sub c), van verordening (EEG) nr. 355/79 verboden wordt.
Deze hoofdvordering van verzoekster moet op grond van de tekst van artikel 173 van het EEG-Verdrag en Uw bestaande rechtspraak terzake stellig niet ontvankelijk worden verklaard. Daar de aangevochten bepaling rechtstreeks toepasselijk is en geen nadere uitvoeringshandelingen van de communautaire of nationale administratie vereist, raakt zij verzoekster weliswaar rechtstreeks. Voorts staat naar mijn oordeel op grond van het slot van de eerder vermelde brief van de Commissie van 12 september 1984 en de dienaangaande ter zitting gegeven toelichtingen voldoende vast, dat de betrokken bepaling in het bijzonder („nicht zuletzt”) tot stand kwam naar aanleiding van publiciteitscampagnes van kleinere concurrenten van verzoekster voor ingevoerde wijnen als hier in geding. Blijkens met name Uw arrest in de zaak 231/82 (Spijker Kwasten, Jurispr. 1983, blz. 2559), waar eveneens duidelijk naar aanleiding van een individueel geval en in feite uitsluitend voor dat geval een formeel algemeen geldende beschermende maatregel werd getroffen, is een dergelijke omstandigheid echter niet voldoende om een beroep ontvankelijk te achten. In afwijking van de conclusie van de advocaatgeneraal Mevrouw Rozès, die op deze gronden het beroep wèl ontvankelijk achtte, verklaarde Uw Hof (Derde kamer) het beroep toen niet ontvankelijk, omdat (rechtsoverweging 8) „volgens het arrest van 15 juli 1963 in de zaak 25/62, Plaumann (Jurispr. 1963, blz. 205) een derde door een tot een ander gerichte beschikking slechts individueel wordt geraakt, indien deze beschikking hem betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat.” In zijn rechtsoverweging 9 voegde genoemd arrest daaraan onder meer toe: „Ten aanzien van de importeurs van die produkten is zij dus een maatregel van algemene strekking, die objectief op bepaalde situaties van toepassing is en rechtsgevolgen heeft voor algemeen en in abstracto omschreven categorieën personen. Verzoekster wordt derhalve door de bestreden beschikking niet individueel geraakt.” In rechtsoverweging 10 werd nog uitdrukkelijk gesteld dat „aan deze conclusie niet wordt afgedaan door het feit, dat verzoekster, naar zij door de Commissie onweersproken heeft gesteld, de enige handelaar/importeur in de Benelux is, die regelmatig kwasten uit de Volksrepubliek China invoert, en dat de bestreden beschikking naar aanleiding van een dezer importen is gegeven”. In dit verband wordt in dezelfde overweging ook verwezen naar Uw arrest van 6 oktober 1982 in de zaak 307/81 (Alusuisse, Jurispr. 1982, blz. 3463), waarin het evenals in het onderhavige geval ging om een verordening (en niet, zoals in de zaak Spijker Kwasten, om een beschikking, gericht tot een of meer Lid-Staten). Zoals in rechtsoverweging 10 van het arrest in de zaak Spijker Kwasten in herinnering wordt gebracht, werd in de zaak Alusuisse gesteld, dat „het verordenend karakter van een handeling niet teloor (gaat) doordat het aantal — of zelfs de identiteit — der rechtssubjecten op wie zij op een gegeven ogenblik van toepassing is, kan worden bepaald, zolang maar vaststaat dat die toepassing voortvloeit uit een objectieve feitelijke of rechtstoestand die in de handeling in relatie tot haar doelstelling wordt omschreven”.
Ik wil U niet verhelen, dat ik met de advocaatgeneraal mevrouw Rozès in de zaak Spijker Kwasten op grond van de tekst van artikel 173 een minder restrictieve opvatting ten aanzien van de door artikel 173 aan particulieren toegekende rechtsbescherming mogelijk zou hebben geacht. Daar komt bij, dat afwijzing van de ontvankelijkheid in het onderhavige geval verzoekster van iedere doeltreffende rechtsbescherming berooft. Daar aan de betrokken bepaling naar tekst en strekking pas na de invoer behoeft te worden voldaan, kan invoer van de betrokken wijnen niet geweigerd worden opgrond van de aangevochten bepaling. Verzoekster kan dus ook niet in een beroep tegen weigering van toelating tot invoer een exceptie van onwettigheid van de betrokken bepaling inroepen. De bepaling geldt als opgemerkt rechtstreeks en vereist voor haar toepassing geen enkele rechtshandeling van de administratie. Ook kan zij geen grondslag vormen voor het weigeren van toelating tot invoer, nu aan de bepaling pas na de invoer behoeft te worden voldaan. Een exceptie van onwettigheid zou dus — met onzekere gevolgen — slechts kunnen worden ingeroepen bij een strafvervolging, die naar haar aard pas na het in verkeer brengen van de betrokken wijnen en dus na de invoer mogelijk is. De in dat late stadium mogelijke rechtsbescherming kan niet als een volwaardig substituut van aanvechting van de verordening voor Uw Hof op grond van artikel 173 worden beschouwd. De in rechtsoverweging 11 van het arrest in de zaak Spijker Kwasten voorkomende constatering, dat de daar bereikte slotsom van niet-ontvankelijkheid „overigens in overeenstemming (is) met het stelsel van de door het gemeenschapsrecht geboden rechtsmiddelen, daar de betrokken importeurs het door de nationale instanties krachtens het gemeenschapsrecht genomen besluit om geen invoervergunning af te geven, voor de nationale rechterlijke instanties kunnen aanvechten”, is in het onderhavige geval in elk geval niet toepasselijk.
Uit een oogpunt van rechtsbescherming zou het mij op grond van mijn laatstgenoemde vaststelling verheugen, indien Uw kamer het beroep van verzoekster in de onderhavige zaak op grond van dit wezenlijke verschil met de zaak Spijker Kwasten, wèl ontvankelijk zou verklaren. Helaas kan ik echter in Uw rechtspraak geen aanknopingspunten vinden voor een standpunt, dat bij niet-aanwezigheid van een bevredigende nationale rechtsbescherming een kennelijk voor één of meer bekende individuele gevallen gemaakte en in de praktijk met name één onderneming rechtstreeks rakende verordening met formeel onmiskenbare algemene werking wèl voor Uw Hof zou kunnen worden aangevochten. Aan rechtsoverweging 11 van het arrest in de zaak Spijker Kwasten kan derhalve naar mijn oordeel geen de gelding van de voorafgaande rechtsoverwegingen beperkende algemene betekenis worden toegekend. Ik concludeer derhalve op dit punt, dat de hoofdvordering van verzoekster op grond van Uw vaste rechtspraak niet ontvankelijk moet worden geacht. De aangevochten bepaling geldt voor alle bestaande en toekomstige importeurs van de betrokken wijnen als verplichting bij het daarna in verkeer brengen van de betrokken wijnen. Verzoekster vertoont in dit opzicht, in het licht van Uw geciteerde rechtspraak geen bijzondere hoedanigheden, noch kan zij zich beroepen op een feitelijke situatie, welke haar ten opzichte van alle andere in abstracto in de bepaling omschreven bestaande of toekomstige importeurs karakteriseren en individualiseren. Ook de feitelijke situatie, dat verzoekster ten tijde van de uitvaardiging van de aangevochten bepaling, anders dan toekomstige importeurs nog over een voorraad wijn beschikte, die overeenkomstig de bepalingen van de voorafgaande verordening nr. 997/81 van de Commissie waren geëtiketteerd kan hier niet tot een andere conclusie leiden. Als opgemerkt bij het overzicht van de relevante voorschriften van gemeenschapsrecht bevat de verordening immers (terecht) voor deze oude voorraden een overgangsbepaling, die toepassing van de bepaling op deze oude voorraden uitsluit. In zoverre is dus ook geen analogie aanwezig met de zaak 11/82 (Piraiki-Patraiki e.a.), waarin ik op 14 oktober 1982 en 11 oktober 1984 tot ontvankelijkheid van verzoeksters in die zaak concludeerde.
Daar ik aldus tot de conclusie moet komen dat de hoofdvordering van verzoekster in het licht van Uw rechtspraak niet ontvankelijk moet worden geacht, acht ik het niet dienstig, in de onderhavige procedure nader op de middelen ten gronde van verzoekster, ter ondersteuning van deze hoofdvordering, in te gaan. In een — weliswaar slechts onder de geschetste sterke beperkingen denkbare — prejudiciële procedure zullen deze alsnog aan de orde kunnen komen.
3. De subsidiaire vordering van verzoekster
In haar subsidiaire vordering vraagt verzoekster Uw Hof „vast te stellen, dat de Europese Gemeenschappen verplicht zijn, verzoekster de schade te vergoeden, die daardoor ontstaat, dat zij op grond van verordening nr. 1224/83 van de Commissie van 6 mei 1983 in de toekomst niet meer in staat is, in de vertaling van de aanduidingen voor een hogere kwaliteit in de zin van artikel 28, lid 2, sub c), van verordening nr. 355/79 de woorden ‚spätgelesen’ en ‚ausgelesen’ te gebruiken.”
Daar de ontvankelijkheid van deze subsidiaire vordering van verzoekster door de Commissie en de Bondsrepubliek Duitsland uitsluitend wordt bestreden op gronden die in feite de zaak ten gronde betreffen, acht ik het niet zinvol op de vraag naar de ontvankelijkheid van de subsidiaire vordering afzonderlijk uitvoerig in te gaan.
In rechtsoverweging 8 van zijn arrest van 2 maart 1977 in de zaak 44/76 (Milch-, Fett- und Eier-Kontor GmbH/Raad en Commissie, Jurispr. 1977, biz. 393) verklaarde het Hof „dat artikel 215 van het Verdrag niet in de weg staat aan een beroep op het Hof ter vaststelling van de aansprakelijkheid der Gemeenschap voor ophanden zijnde — en met voldoende zekerheid te verwachten — schade, zelfs niet wanneer het nadeel nog niet nauwkeurig kan worden becijferd.” Waarop het in de onderhavige zaak dus in de eerste plaats aankomt, is de vaststelling of de beweerde schade met voldoende zekerheid te verwachten is. Wat dit punt betreft, moet om te beginnen worden vastgesteld, dat verzoekster in haar reactie van 6 oktober 1983 op de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid (op blz. 14) uitsluitend spreekt over een „schade, die in de toekomst mogelijkerwijze ontstaat” (door het verbod de litigieuze termen „spätgelesen” en „ausgelesen” bij de vertaling van de betrokken Hongaarse en Joegoslavische termen te gebruiken). Ook op blz. 15 van deze reactie wordt uitsluitend gesproken over „mogelijke” schade. De ter zitting van de zijde van Uw Hof op dit punt gestelde vragen hebben ook niet tot de vereiste zekerheid over het voldoen aan dit vereiste geleid.
In de tweede plaats heeft de vertegenwoordiger van de Commissie ter zitting op een vraag mijnerzijds uitdrukkelijk verklaard, dat een letterlijke vertaling van de telkens uit twee woorden bestaande en in casu aan de orde zijnde Hongaarse en Joegoslavische kwaliteitsaanduidingen met „späte Ernte”, respectievelijk „ausgewählte Trauben” of daarmede verwante omschrijvingen in twee woorden niet in strijd zou zijn met de aangevochten bepaling. Het lijkt mij wezenlijk, deze verklaring ook in Uw arrest vast te leggen. Zowel op grond van het door verzoekter slechts „mogelijk” achten van de schade, als op grond van de aldus nog beschikbare vervangende termen, ben ik namelijk van oordeel, dat het verzoekschrift in casu niet voldoet aan het citerium, dat Uw geciteerde arrest in de zaak 44/76 bevat voor de mogelijkheid aansprakelijkheid voor toekomstige schade door Uw Hof te doen vaststellen. Dit criterium is immers, dat het ontstaan van deze toekomstige schade wel „met voldoende zekerheid te verwachten” moet zijn.
Daar de subsidiaire vordering reeds om deze reden naar mijn oordeel moet worden afgewezen, acht ik het niet nodig ook nog uitvoerig in te gaan op de vragen die rijzen in verband met het vereiste oorzakelijk verband tussen de gestelde schade en de aangevochten handeling en het vereiste, dat de aangevochten handeling een duidelijke schending moet opleveren van een hogere rechtsnorm. Ik beperk mij derhalve ten aanzien van deze andere vereisten tot twee korte opmerkingen. Ten aanzien van het vereiste van het oorzakelijk verband heeft verzoekster niet weerlegd het uit de door de Commissie vermelde gegevens voortvloeiende vermoeden, dat de vermindering van de invoer van de betrokken wijnen uit Hongarije en Joegoslavië in 1983 en 1984 met name het gevolg was van de hogere wijnproduktie en de marktverhoudingen binnen de Gemeenschap. Uit bijlage 2 van het antwoord van de Commissie van 12 september 1984 op vragen van Uw Hof blijkt voorts, dat de invoer van wijnen in het algemeen uit genoemde twee landen reeds sinds 1982 (dus reeds vóór de totstandkoming van de aangevochten bepaling) een dalende tendens vertoonde. Al deze gegevens maken bij de huidige stand van onze kennis de aanwezigheid van het vereiste oorzakelijke verband hoogst twijfelachtig. Ten aanzien van het vereiste van een duidelijke schending van hogere rechtsnormen verwijst het verzoekschrift voor wat betreft de subsidiaire vordering uitsluitend naar de beweerde schending van het door de verklaring van augustus 1981 gewekte vertrouwen. Daar genoemde verklaring alleen een interpretatie van het op dat tijdstip geldende recht inhield, heeft de Commissie echter terecht betoogd, dat deze verklaring een wijziging van de aldus uitgelegde bepaling niet uitsloot, al teken ik daarbij aan, dat het vertrouwen, dat dit niet zou geschieden, stellig wel werd gewekt.
4. De kostenvraag
Verzoekster heeft tenslotte gevraagd de Gemeenschap in de proceskosten te verwijzen. Ik acht het in dit geval gerechtvaardigd dit verzoek in te willigen op grond van artikel 69, paragraaf 3, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering. Hoewel de Commissie volgens mijn bevindingen in deze zaak het gelijk aan haar zijde heeft, acht ik de in dit geval aan de wederpartij veroorzaakte kosten toch van onnodige of vexatoire aard. Naar analogie van wat Uw Hof (Tweede kamer) in zijn arrest van 21 juni 1984 in de zaak 69/83 (Lux/Rekenkamer) over de kostenverwijzing overwoog, kan hier met name worden gesteld, dat de Commissie, door belanghebbenden niet tijdig en uitdrukkelijk de eerst tijdens de procedure voor uw Hof gegeven verduidelijkingen over resterende vertalingsmogelijkheden te verstrekken, op beslissende wijze tot het ontstaan van het onderhavige geschil heeft bijgedragen. Voor een dergelijke tijdige informatie van belanghebbenden was in dit geval te meer aanleiding geweest op grond van de in 1981 door de Commissie bij belanghebbenden gewekte verwachtingen. Een wat verdergaande overweging terzake zou naar mijn oordeel eveneens nog door de tekst van genoemd voorschrift uit Uw Reglement voor de procesvoering worden gedekt. Deze overweging zou zijn, dat ongeacht het al dan niet rechtmatig karakter van een wijzigingsbepaling als de onderhavige, deze in elk geval aan verzoekster onnodige kosten heeft veroorzaakt. Het is immers blijkens het eerder geciteerde antwoord van de Commissie op een vraag van Uw Hof niet twijfelachtig, dat de misleidende reclame van een kleinere concurrent van verzoekster een beslissend motief voor de in geschil zijnde wijzigingsbepaling vormde. Actie tegen een dergelijke misleidende reclame had de Commissie echter op grond van artikel 43 van de Raadsverordening zonder meer aan de autoriteiten en benadeelde belanghebbenden van de betrokken Lid-Staat kunnen overlaten, hetgeen verzoekster een kostbare en tijdrovende procedure zou hebben bespaard. Bij de huidige overbelasting van Uw Hof acht ik een ruimere toepassing van artikel 69, paragraaf 3, tweede alinea, van Uw Reglement voor de procesvoering in daarvoor in aanmerking komende gevallen, in het algemeen ten zeerste gewenst. In het onderhavige geval is echter, als opgemerkt, een analoge toepassing van Uw arrest in de zaak 69/83 eventueel reeds voldoende om een dergelijke toepassing te rechtvaardigen.
5. Conclusie
Op grond van mijn voorafgaande analyses stel ik U voor:
1)
de hoofdvordering van verzoekster niet ontvankelijk te verklaren;
2)
de subsidiaire vordering van verzoekster wegens onvoldoende bewijs van het voldoen aan één der hiervoor geldende dwingende vereisten af te wijzen;
3)
de Commissie niettemin op grond van het Reglement voor de procesvoering in de proceskosten te verwijzen, met uitzondering van de kosten, gemaakt dooide Duitse Bondsregering, die door deze regering zelf moeten worden betaald.
( 1 ) Voor de volledige tekst van dit antwoord verwijs ik naar bijlage 5 van het verzoekschrift. Het belangrijkste deel van dit antwoord luidt als volgt: „Das Verwendungsverbot des Artikels 2 Absatz 4 [der Verordnung Nr. 997/81] erstreckt sich allerdings nur auf die ausdrücklich aufgeführten Begriffe, was sich einerseits aus dem Wortlaut dieses Absatzes ergibt, der von ‚folgenden Begriffen’ spricht als auch dem diesbezüglich neunten Erwägungsgrund der Verordnung (EWG) Nr. 997/81, der von dem Verbot der Verwendung identischer Begriffe in deutscher Sprache, nicht aber von dem Verbot ähnlicher Begriffe ausgeht. Die Übersetzung der fraglichen ungarischen Angabe in ‚spätgelesen’ ist somit nach der vorerwähnten Bestimmung nicht verboten. Auch die Gefahr einer Irreführung der Verbraucher über Ursprung oder Art des Weines, die zur Unzulässigkeit der Angabe ‚spätgclesen’ über Artikel 43 Absatz 1 der Verordnung (EWG) Nr. 355/79 führen würde, besteht nicht... die gemäß Artikel 28 führen würde, besteht nicht... die gemäß Artikel 28 Absatz 1 Buchstabe d der Verordnung (EWG) Nr. 355/79 geforderte obligatorische Angabe des Ursprungsdrittlandes auf dem Etikett [lässt] den Verbraucher zwischen einem ungarischen Wein, der aus ‚spätgelesenen’ Trauben hergestellt ist und einer deutschen oder österreichischen ‚Spätlese’ unterscheiden.”
Full & Egal Universal Law Academy