CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
M. DARMON
van 11 december 1984 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Met haar tegen het Parlement als tot aanstelling bevoegd gezag ingesteld beroep tot schadeloosstelling verlangt mevr. Pasquali-Gherardi, dat het Hof die instelling aansprakelijk zal verklaren wegens het feit dat zij verzoekster nog steeds niet tewerk heeft gesteld in een functie die bij haar slechte gezondheid past.
Mevr. Pasquali is aangeworven als Italiaanstalige secretaresse-stenotypiste nadat zij was geslaagd voor het algemeen vergelijkend onderzoek PE/74/C; op 17 oktober 1979 werd zij aangesteld in de rang C3. Op 15 november 1979 overkwam haar op het werk een ongeval waarvan zij een ernstig letsel dicht bij het linkeroog overhield. Aangezien de visuele handicap waarmee zij sindsdien te kampen heeft, het voor haar bijzonder moeilijk maakt om de functie van secretaresse-stenotypiste waarvoor zij is aangeworven, te vervullen, is zij tussen eind 1979 en voorjaar 1981 bij herhaling genoodzaakt geweest haar werkzaamheden te onderbreken en ziekteverlof te nemen. Die afwezigheden gaven aanleiding tot een negatief beoordelingsrapport, op grond waarvan werd besloten haar te ontslaan; dit besluit werd later door het tot aanstelling bevoegd gezag herroepen. Thans is verzoekster ambtenaar in vaste dienst; op 14 januari 1983 is zij met ingang van 1 januari 1982 bevorderd naar de rang C2.
De gevolgen van het ongeval maakten het noodzakelijk om het aan verzoekster toe te kennen invaliditeitspercentage vast te stellen. Daartoe werden achtereenvolgens twee procedures ingeleid.
Daar verzoeksters toestand van dien aard was, dat rekening moest worden gehouden met de mogelijkheid van toepassing van artikel 78 van het Statuut, diende te worden uitgemaakt of zij „blijvend invalide [was geworden], en deze invaliditeit als volledig [diende te worden] beschouwd, waardoor het [haar] niet mogelijk [was] werkzaamheden te verrichten die met een ambt van [haar] loopbaan [overeenkwamen].” Derhalve legde de directeur Personeel en sociale zaken van het Parlement het geval op 21 januari 1982 voor aan de invaliditeitscommissie, overeenkomstig artikel 7 van bijlage II bij het Statuut. Deze commissie bracht op 28 januari 1983 rapport uit, waarin zij adviseerde „betrokkene tewerk te stellen in een ander met haar loopbaan overeenkomend ambt, waar minder hoge eisen worden gesteld aan haar gezichtsvermogen.”
Later werd een tweede procedure ingeleid, teneinde met toepassing van artikel 73 van het Statuut het bedrag vast te stellen van het door het Europees Parlement als schadevergoeding uit te keren kapitaal, berekend op de grondslag van het door de daartoe gemachtigde medische commissie vast te stellen invaliditeitspercentage. Deze commissie, die op verzoek van mevr. Pasquali werd geraadpleegd ( 1 ), sprak zich in haar rapport van 10 januari 1984 uit voor een invaliditeit van 7 %.
In dit kader is het tussen het tot aanstelling bevoegd gezag en verzoekster tot een geschil gekomen over de mogelijkheid om haar te belasten met taken die beter passen bij haar gezondheidstoestand. Daar tot nog toe geen oplossing is gevonden, is mevr. Pasquali nog steeds als secretaresse-stenotypiste werkzaam. Onder verwijzing naar het feit dat het Parlement blijft talmen om haar te ontslaan van taken die zij ten gevolge van haar ongeval niet langer aankan, heeft mevr. Pasquali het onderhavige beroep ingesteld.
Alvorens in te gaan op de gegrondheid van dit beroep, moeten wij de ontvankelijkheid ervan onderzoeken, die door verweerder wordt betwist.
1. De ontvankelijkheid
Zoals het Parlement opmerkt, heeft verzoekster beroep ingesteld zonder vooraf een klacht in te dienen bij het tot aanstelling bevoegd gezag, zulks in weerwil van artikel 91, lid 2, van het Statuut, bepalende:
„Een beroep op het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is slechts ontvankelijk:
—
indien men zich van tevoren tot het tot aanstelling bevoegde gezag heeft gewend met een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, en binnen de aldaar gestelde termijn...”
In feite is de „voorafgaande” klacht ingediend na de instelling van het beroep, zodat dit niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard.
Ter rechtvaardiging van het feit dat zij zich direct tot het Hof heeft gewend, verwijst verzoekster echter naar de in de zaak-Marcato (arrest van 14 juni 1972, zaak 44/71, Jurispr. 1972, blz. 427, r.o. 4-9) gegeven en sedertdien telkens weer bevestigde beslissing, inhoudende dat in het geval van een jurybesluit een klacht bij het tot aanstelling bevoegd gezag overbodig is aangezien de administratie een dergelijk besluit niet kan vernietigen. In het onderhavige geval nu zou de door verzoekster geleden schade definitief zijn en zou het Parlement daaraan niets meer kunnen veranderen.
Ik kan het niet eens zijn met deze redenering, die gebaseerd is op een misplaatste toepassing van het arrest-Marcato op het onderhavige geval. Waar het Hof overwoog dat de voorafgaande klacht bij het tot aanstelling bevoegd gezag in geval van betwisting van een jurybesluit „vruchteloos” is, dan was dat op grond van de onafhankelijkheid van de jury, waarvan de besluiten door het tot aanstelling bevoegd gezag niet kunnen worden gewijzigd (arrest van 26 februari 1981, zaak 34/80, Authié, Jurispr. 1981, blz. 665, r.o. 7). Indiening van een klacht zou dan „geen ander gevolg [hebben] dan dat de procedure zonder enig nut wordt verlengd” (arrest van 16 maart 1978, zaak 7/77, von Wüllerstorff und Urbair, Jurispr. 1978, blz. 769, r.o. 8); het tot aanstelling bevoegd gezag beschikt immers niet over de bevoegdheid om jurybesluiten te vernietigen of te wijzigen.
Er bestaat evenwel geen enkele overeenkomst tussen de situatie die een dergelijke proceseconomie rechtvaardigt, en de onderhavige situatie.
In casu zou de aanwending door verzoekster van de precontentieuze procedure van artikel 90 van het Statuut geenszins vruchteloos behoeven te zijn, doch juist volstrekt kunnen beantwoorden aan het door het Hof erkende doel, namelijk „een minnelijke schikking van een geschil... te bevorderen” (arrest van 15 december 1982, zaak 543/79, Birke, Jurispr. 1982, blz. 4425, r.o. 26). Deze handelwijze ware de uiting geweest van de „loyaliteit” , die voor iedere verzoeker de verplichting meebrengt om het tot aanstelling bevoegd gezag de gelegenheid te geven zijn aanspraken te onderzoeken en het geschil rechtstreeks te regelen zonder het tot een proces te laten komen (conclusie van advocaatgeneraal Roemer in de gevoegde zaken 22 en 23/60, EIz, Jurispr. 1961, blz. 403).
Waar het gaat om een beroep tegen het nalaten van het tot aanstelling bevoegd gezag om ten aanzien van verzoeksters overplaatsing een besluit te nemen, moet tenslotte nog worden opgemerkt, dat verzoekster, alvorens beroep in te stellen, een verzoek had moeten indienen, eventueel gevolgd door een klacht: er is dus sprake van miskenning van de gehele precontentieuze procedure, waarin het Statuut juist voorziet om geschillen te formaliseren en de oplossing ervan, bij voorkeur buiten rechte, te bespoedigen. Dit is te moeilijker te begrijpen, omdat het onderhavige beroep, zoals verzoekster zelf erkent, bedoeld was om het Parlement te dwingen terzake een besluit te nemen.
Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging het beroep niet ontvankelijk te verklaren. De gegrondheid ervan zal ik dus slechts ten overvloede onderzoeken.
2. Ten gronde
Wat, in de eerste plaats, het precieze voorwerp van het geschil betreft: het is verzoekster niet te doen om vergoeding van de door het ongeval teweeggebrachte schade. Haar schadevordering betreft alleen de schade ten gevolge van de verslechtering van haar gezondheid sedert het ongeval; deze verslechtering zou enerzijds zijn terug te voeren op het verzuim van het tot aanstelling bevoegd gezag om haar onverwijld de conclusies van de invaliditeitscommissie mee te delen, en anderzijds op het feit dat dat gezag haar nog steeds niet heeft tewerkgesteld op een post die beter past bij haar handicap. Wat dus bewezen moet worden, is de realiteit van die fouten, van de schade en van het oorzakelijk verband tussen beide. Onder het hierboven gemaakte voorbehoud, zal ik thans dus onderzoeken of aan deze voorwaarden is voldaan.
Wat de twee dienstfouten betreft die aan het Parlement worden verweten, wil ik het volgende opmerken.
De grief dat het rapport van de invaliditeitscommissie te laat is meegedeeld, faalt. Weliswaar moeten ingevolge artikel 9 van bijlage II bij het Statuut, betreffende de invaliditeitscommissie, de conclusies van die Commissie aan de betrokkene ter kennis worden gebracht, doch een termijn is daarvoor niet voorzien. In het onderhavige geval zijn die conclusies, nadat verzoeksters raadsman daarom had verzocht, haar meegedeeld binnen twee maanden na de indiening van het rapport. Al valt te betreuren dat dit document haar niet ambtshalve is meegedeeld, toch lijkt het tijdsverloop mij niet excessief.
Volgens verzoekster heeft het Parlement een tweede fout gemaakt door geen oplossing te zoeken voor haar gezondheidsproblemenen na het ongeval, in de vorm van tewerkstelling op een andere post, ofschoon haar overplaatsing naar een meer geschikte post voor het eerst al ter sprake was gekomen in een brief van de directeurgeneraal van de griffie van 8 december 1980, vervolgens in een brief van de directeur Personeel van 25 mei 1982, en tenslotte in het advies van de invaliditeitscommissie van 28 januari 1983. Met andere woorden, ook al had men al vroeg ingezien dat haar gezondheid haar niet toeliet de werkzaamheden waarvoor zij was aangeworven, te verrichten, toch zou het Parlement niet de voortvarendheid aan de dag hebben gelegd waartoe het ten aanzien van zijn personeelsleden is gehouden.
Te dezen geef ik het volgende te bedenken.
Het staat buiten kijf dat het letsel dat verzoekster van het ongeval overhoudt, haar gezichtsvermogen heeft verminderd, zodat het haar moeilijk valt het werk van een secretaresse-stenotypiste, waarvoor zij is aangeworven, te verrichten. Vaststaat overigens dat verzoekster ook thans nog in die functie werkzaam is en dat het wenselijk is voor haar ander werk te vinden, wat het Parlement niet betwist.
De verweten vertraging is mijns inziens evenwel geen fout van het tot aanstelling bevoegd gezag. Anders dan verzoekster betoogt, meen ik dat haar overplaatsing in feite eerst in overweging kon worden genomen nadat de invaliditeitscommissie haar advies had uitgebracht. De brief van de administratie van 8 december 1980 is immers op dit punt niet zo concreet: daarin wordt enkel gesproken van de mogelijkheid om verzoekster „invalide te verklaren of een andere oplossing te vinden”, zonder te preciseren waarin die kan bestaan.
In de brief van 25 mei 1982 daarentegen zag de administratie de mogelijkheid onder ogen om verzoekster in verband met haar gezondheidstoestand over te plaatsen. Alvorens dat te kunnen doen, moest evenwel worden uitgemaakt, of de betrokkene wel in staat was te blijven werken, en het antwoord op deze vraag hing uiteraard af van de conclusies van de invaliditeitscommissie.
Weliswaar is de zaak eerst twee jaar na het ongeval aan deze commissie voorgelegd, maar ik moet eraan herinneren, dat de raadgevend arts van het Parlement, van oordeel dat verzoeksters toestand nog niet was geconsolideerd, de vaststelling van haar inyaliditeitspercentage tot medio 1981 had uitgesteld, en dat de betreurenswaardige episode rond haar ontslag zich juist in die periode afspeelde; gelukkig heeft de secretarisgeneraal van het Parlement dat ontslag eind 1981 ongedaan gemaakt. Tussen dit laatste besluit en de opdracht aan de invaliditeitscommissie liggen echter nog geen twee maanden. Het was dus pas op de dag waarop de invaliditeitscommissie haar rapport uitbracht, dat het probleem betreffende verzoeksters overplaatsing actueel werd.
Naar aanleiding van dit advies nu heeft het Parlement verzoekster twee andere posten voorgesteld, een post als bode en een post bij het archief van de personeelsdienst. Ofschoon verzoekster niet betwist dat het voor het tot aanstelling bevoegd gezag uiterst moeilijk was om een post in haar loopbaan te vinden die weinig eisen aan haar gezichtsvermogen stelt, en zij zelfs heeft erkend dat een dergelijke post een „wonder” zou zijn, meende zij die twee voorstellen niet te moeten aanvaarden.
Uit een en ander volgt, dat verzoekster het tot aanstelling bevoegd gezag niet kan verwijten, dat het te lang heeft gewacht om haar een nieuwe, aan haar gezondheidstoestand aangepaste functie voor te stellen. Mitsdien ben ik van mening, dat de dienstfouten die zij het tot aanstelling bevoegd gezag verwijt, niet zijn bewezen.
Mocht het Hof niettemin een andere mening zijn toegedaan, dan dient nog te worden onderzocht of verzoekster door die fouten inderdaad schade heeft geleden. Verzoekster stelt dat haar gezondheid is verslechterd doordat het tot aanstelling bevoegd gezag haar overplaatsing naar een meer passende functie op de lange baan heeft geschoven.
Ik kan mij niet bij verzoeksters opvatting aansluiten : het bewijs — met name bij wege van een medisch deskundigenonderzoek — van deze verslechtering en van het verband met het aan het Parlement verweten getalm, is niet geleverd. Het rapport van de medische commissie, waarin een invaliditeit van slechts 7 % is vastgesteld, bevat terzake niets wat verzoeksters opvatting zou kunnen staven. Er is verder ook geen enkel bewijs voor een oorzakelijk verband dat, anders dan verzoekster meent, niet op grond van een vermoeden kan worden aangenomen.
Concluderend geef ik het Hof in overweging:
1)
Het beroep niet ontvankelijk te verklaren;
2)
Subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;
3)
Overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering elk der partijen in de eigen kosten te verwijzen.
( *1 ) Vertaald uit hei Frans.
( 1 ) Artikel 19 van de door het Europees Parlement op 27 januari 1977 vastgestelde regeling voor de verzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten.
Full & Egal Universal Law Academy