CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
van 26 juni 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Op 7 april 1978 maakte de heer Leussink, een ambtenaar van de Commissie, een dienstreis. Hij reisde in een auto die eigendom was van de Commissie en die bestuurd werd door een andere ambtenaar van de Commissie. Op een gegeven moment verloor de bestuurder de macht over het voertuig, dat enkele malen over de kop sloeg en tot stilstand kwam tegen een verkeersbord. Dit gebeurde op de autosnelweg bij Würse-len-Broichweiden in de Bondsrepubliek Duitsland. Leussink liep zware verwondingen op, waaronder verschillende schedel- en ribfracturen, inwendig letsel in het onderlijf en een longcontusie welke uitliep op een infectie, verlies van het rechteroog, deformatie van de linker oogkas, verlies van reuk- en smaakzin, vermindering van de kracht in zijn linkerarm en verlies van 6 cm2 schedelsubstantie. Hij lag gedurende drie maanden in coma.
Op grond van artikel 73 Ambtenarenstatuut en van de Regeling voor de verzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten (hierna: de Regeling) deelde de Commissie Leussink op 19 november 1982 mee dat, naar de vaststellingen van de arts van de Commissie, zijn letsel een blijvende invaliditeit van 50% opleverde.
Op 5 april 1983 diende Leussink bij de Commissie een verzoek om schadeloosstelling in tot een bedrag van 5 miljoen BFR voor immateriële schade. Aangezien hij geen. antwoord ontving, diende hij op 3 november 1983 een klacht in, doch ook deze bleef onbeantwoord.
Bij memorandum van 25 april 1984 werd hem meegedeeld, dat de arts van de Commissie de graad van zijn blijvende gedeeltelijke invaliditeit had herzien en op 65% had gesteld. Hiermee niet tevreden, verzocht Leussink om een advies van de Medische commissie, bedoeld in artikel 23 van de Regeling.
Het beroepschrift in zijn zaak (zaak 136/84) werd ingediend op 23 mei 1984. Daarin vordert hij nietigverklaring van het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn verzoek en van zijn klacht in de zin van het Ambtenarenstatuut, een bedrag van 5 miljoen BFR ter zake van de door het ongeval veroorzaakte immateriële schade, vermeerderd met 12% rente per jaar vanaf 5 april 1983 tot de dag van betaling, alsmede veroordeling van de Commissie in de proceskosten. Aangezien zijn salaris en zijn medische kosten zijn betaald, is er geen sprake van geldelijk verlies.
In wezen stelt hij zich op het standpunt, dat de invaliditeitsuitkering uit hoofde van de Regeling hem onvoldoende compensatie biedt voor de tragische gevolgen van het ongeval voor zijn beroeps-, gezins- en maatschappelijk leven. Zijn persoonlijkheid is veranderd. In de werksfeer heeft hij zijn zelfvertrouwen en alle hoop op bevordering verloren. De persoonlijke relaties met zijn vrouw en kinderen hebben ernstig geleden. Sociale contacten en sport zijn voor hem onmogelijk geworden, lekker eten en drinken zeggen hem niets meer.
Zaak 169/83 is aanhangig gemaakt is door zijn vrouw uit eigen hoofde en door hen beiden als wettelijke vertegenwoordigers van hun vier kinderen, waarvan er inmiddels echter één (Monica) meerderjarig is geworden en de zaak uit eigen hoofde voortzet. Zij verzoeken het Hof aan mevrouw Leussink 3 miljoen BFR en aan ieder van de kinderen BF 1 miljoen toe te kennen (vermeerderd met 12% rente per jaar vanaf 5 april 1983 tot de dag van betaling), met verwijzing van de Commissie in de kosten; verder vorderen zij nietigverklaring van de stilzwijgende afwijzing van hun eveneens op 5 april 1983 ingediende verzoek en de daarop gevolgde klacht, beide strekkende tot betaling van een schadevergoeding en beide onbeantwoord gebleven.
Hun zaak is het spiegelbeeld van de zijne; ook zij hebben immateriële schade geleden ten gevolge van het ongeval van hun echtgenoot en vader. Zij hebben geen normale gezinsrelaties meer en gedurende een bepaalde periode heeft Leussink hen zelfs verlaten om elders te gaan wonen, en reageerde hij negatief of zelfs agressief op zijn vrouw. De kinderen zijn lichamelijk of psychisch ziek geweest of hebben problemen gehad op school.
De twee zaken zijn voor de mondelinge behandeling en het arrest gevoegd.
Zaak 136/84
Leussink baseert zijn vordering op vier grondslagen :
a)
het Ambtenarenstatuut en in het bijzonder artikel 24;
b)
de algemene zorg- en bijstandsplicht van de werkgever tegenover zijn werknemer;
c)
het rechtsbeginsel dat elk onrechtmatig handelen of nalaten door de administratie in de uitoefening van haar functies („faute de service”) grond oplevert voor een vordering tot vergoeding van de schade welke door het onrechtmatig handelen of nalaten is geleden;
d)
artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag.
De Commissie stelt, dat het beroep niet-ontvankelijk is, aangezien het hetzelfde onderwerp heeft als de vordering tot schadeloosstelling uit hoofde van het Ambtenarenstatuut, ten aanzien waarvan de procedure op de datum van instelling van het beroep nog niet was afgewikkeld.
In feite is deze procedure inmiddels afgewikkeld nadat het beroep was ingesteld en vóór de terechtzitting. Bij brief van 20 november 1985 deelde de Commissie Leussink mee, dat de Medische commissie de graad van zijn blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid op 75% had gesteld; hij heeft een kunstoog gekregen, dat periodiek moet worden vervangen; hij moet gedurende drie jaar onder medische en psychiatrische behandeling blijven, en zijn gezondheidstoestand zal „in de toekomst geen echte verbetering” te zien geven. In de brief werd de 75% uitgesplitst; zij omvatte mede 10% voor psychische en immateriële schade. Op grond daarvan werd hem een aanvullend bedrag van 967206 BFR uitgekeerd, waardoor de totale vergoeding die hem gedurende deze jaren uit hoofde van de Regeling ter zake van zijn invaliditeit was betaald, op 7254042 BFR kwam.
Blijft de vraag, of het beroep niet-ontvankelijk is, op grond dat artikel 73 Ambtenarenstatuut elke andere vordering tot vergoeding van immateriële schade uitsluit. De Commissie betoogt dat de situatie analoog is aan die in het Franse recht, dat een „forfait de pension” toekent dat in de plaats komt van de aanspraak op schadevergoeding. Het verlies van de kans op een groter bedrag bij wege van schadevergoeding wordt gecompenseerd door de omstandigheid dat de eiser geen onrechtmatigheid behoeft te bewijzen. Volgens de Commissie vloeit dit voort uit het stelsel van het Ambtenarenstatuut en de Regeling.
Het Ambtenarenstatuut en de Regeling bevatten geen uitdrukkelijke bepaling ter zake. Ofschoon er wat te zeggen valt voor het argument dat de ambtenaar het voordeel heeft dat hij geen onrechtmatigheid hoeft te bewijzen, en dat hij weet op welke grondslag schadevergoeding wordt toegekend, geloof ik toch niet, dat het Ambtenarenstatuut en de Regeling, door in een schadeloosstelling te voorzien, impliciet alle verdere vorderingen uitsluiten. Mijns inziens zijn er aanwijzingen voor het tegendeel.
In de eerste plaats zijn de uitkeringen uit hoofde van artikel 73 Ambtenarenstatuut gebaseerd op een percentage van het basissalaris van de ambtenaar. Bij blijvende algehele invaliditeit is de uitkering gelijk aan acht maal het basissalaris over de twaalf maanden voorafgaande aan het ongeval: bij gedeeltelijke invaliditeit wordt een percentage van dat bedrag uitgekeerd, berekend op grondslag van de voor bijzondere kwetsuren vastgestelde schaal. Het gevolg hiervan is dat een ambtenaar met een hoge rang (bij voorbeeld A 1) veel meer schadevergoeding ontvangt dan een ambtenaar met een lage rang (bij voorbeeld D 1).
De regeling is stellig betrekkelijk royaal en in de meeste gevallen zal de vergoeding zelfs voor een ambtenaar van lage rang adequaat zijn, in die zin dat de uitkering gelijk is aan wat betaald zou zijn indien een vordering tot schadevergoeding mogelijk was geweest. Wanneer evenwel twee personen vergoeding van immateriële schade vorderen voor identiek letsel (in tegenstelling tot de schadeloosstelling uit hoofde van het Ambtenarenstatuut), zouden zij in beginsel hetzelfde bedrag moeten ontvangen; hun schadevergoeding zou niet verschillend mogen zijn enkel omdat hun salaris verschillend is. Het komt mij dan ook voor, dat indien aansprakelijkheid voor een onrechtmatige daad kan worden aangetoond, er in beginsel beroep tot schadevergoeding openstaat, zodat het Hof erop kan toezien, dat er een passende schadevergoeding wordt betaald. Het resultaat ervan kan zijn, dat de Al-ambtenaar uit hoofde van een vordering tot schadevergoeding niet meer ontvangt dan hij bij wege van schadeloosstelling krachtens de Regeling zou ontvangen, maar dat de schadeloosstelling van de Dl-ambtenaar tot het passende niveau wordt „aangevuld”. Indien de reële waarde van de salarissen daalt, is dat nog een reden waarom het Hof een residuele bevoegdheid zou moeten hebben om in daarvoor in aanmerking komende gevallen aanvullende schadevergoeding toe te kennen.
Ook lijkt de Regeling er duidelijk van uit te gaan, dat de betaling van schadeloosstelling een schadevordering tegen derden niet uitsluit. Zo dient het slachtoffer ingevolge artikel 8 van de Regeling de Gemeenschappen te subrogeren in al zijn rechten en vorderingen tot het bedrag van de in de Regeling voorziene uitkeringen, schadeloosstellingen en vergoedingen. Voor het meerdere behoudt hij zijn eigen rechten. Evenzo is het slachtoffer ingevolge artikel 9 bij voorrang gerechtigd tot de bedragen die worden betaald door een derde die door de ambtenaar en door de instelling waartoe hij behoort, in rechte is aangesproken, en wel tot dat gedeelte van de bedragen dat bij de uit hoofde van artikel 73 Ambtenarenstatuut betaalde uitkeringen zal moeten worden bijgeteld om de schadeloosstelling op te trekken tot het bedrag „dat is vastgesteld door het gerecht waarvoor de zaak was aanhangig gemaakt”. De omstandigheid dat de ambtenaar aanspraken heeft uit hoofde van een bijdrageplichtig verzekeringsstelsel, is mijns inziens onvoldoende grond om uit te sluiten dat hij schadevergoeding kan vorderen van de instelling waarbij hij in dienst is, zoals hij wel van een derde zou kunnen vorderen.
Ik meen dan ook dat het stelsel van het Ambtenarenstatuut en de Regeling niet in de weg staat aan een vordering tot schadevergoeding, ook al is er een schadeloosstelling uit hoofde van artikel 73 Ambtenarenstatuut betaald. Het spreekt vanzelf dat door toewijzing van schadevergoeding naast de uit hoofde van artikel 73 toegekende schadeloosstelling, geen overcompensatie mag plaatsvinden; boven deze schadeloosstelling mag de schade enkel worden vergoed voor zover dat nodig is om tot de juiste schadevergoeding te komen.
Evenmin kan worden gezegd, dat bij vergelijking van het recht van de Lid-Staten een algemeen beginsel kan worden gevonden dat een dergelijke vordering uitsluit. De praktijk van de Lid-Staten loopt te ver uiteen : sommige verbieden extra schadevergoeding, andere staan het toe en weer andere hebben geen ongevallenverzekering die vergelijkbaar is met die van artikel 73 Ambtenarenstatuut.
Ik zou derhalve het argument van de Commissie dat het beroep in zijn geheel niet-ontvankelijk is, willen afwijzen.
Anderzijds lijkt op basis van's Hofs arresten in de zaken 9/75 (Meyer-Burckhardt, Jurispr. 1975, blz. 1171), 48/76 (Reinarz, Jurispr. 1977, blz. 291) en 131/81 (Berti, Jurispr. 1982, blz. 3493) te kunnen worden gesteld, dat aangezien de vordering voornamelijk voortvloeit uit de dienstverhouding, zij niet op grond van artikel 215 EEG-Verdrag kan worden ingesteld, doch enkel op grorid van artikel 179 EEG-Verdrag en de artikelen 90 en 91 Ambtenarenstatuut, ofschoon dit „in wezen geen verschil maakt, want het is duidelijk dat het Hof in gedingen ex artikel 179 evenzeer bevoegd is schadevergoeding toe te kennen als in gedingen ex artikel 178” (advocaat-generaal Warner in zaak 9/75, Meyer-Burckhardt, Jurispr. 1975, blz. 1188).
Aangezien de beginselen welke gelden voor een op niet-contractuele aansprakelijkheid gebaseerd beroep gelijk zijn, ongeacht of dit beroep berust op artikel 179 EEG-Verdrag dan wel op de artikelen 178 en 215, ben ik van mening dat de door partijen op grond van artikel 215 aangevoerde argumenten in het kader van artikel 179 moeten worden beoordeeld. Het is dus duidelijk, dat, zoals advocaat-generaal Warner in de zaak-Meyer-Burckhardt zei (Jurispr. 1975, blz. 1189), een verzoeker, wil zijn schadevordering slagen, drie dingen moet aantonen: 1. dat hij schade heeft geleden; 2. dat die schade is veroorzaakt door een gedraging van de gedaagde instelling; en 3. dat die gedraging onrechtmatig was. Waar het Hof volledige rechtsmacht heeft, kan het de schadevergoeding toekennen die het billijk en juist acht (zie bij voorbeeld de gevoegde zaken 10 en 47/72, di Pillo, Jurispr. 1973, blz. 763).
Ter terechtzitting erkende verzoeker, dat hij een onrechtmatigheid moest bewijzen en dat hij zich niet op een beginsel inzake risicoaansprakelijkheid kan beroepen. Ik geloof dat hij daarin gelijk heeft. Of er echter inderdaad aansprakelijkheid bestaat, moet naar gemeenschapsrecht worden beslist. Het door de Commissie op basis van artikel 215 aangevoerde argument, dat ik behandel alsof het op artikel 179 is gebaseerd, te weten dat dit punt volgens Duits recht — de lex loci delicti — moet worden beslist, lijkt mij onjuist. Er kan geen sprake zijn van renvooi naar het Duitse recht, wanneer de vordering op grond van het Verdrag zelf is ingesteld.
Het lijdt geen twijfel dat Leussink in casu schade heeft geleden. Waar het op aankomt, is dus of een onrechtmatig handelen van de Commissie is aangetoond en of de schade door dit handelen is veroorzaakt.
Naar mijn mening diende de Commissie tegenover haar ambtenaren een redelijke zorg te betrachten toen zij de dienstauto te beschikking stelde; zij zou aansprakelijk zijn, indien kan worden aangetoond dat zij bij de keuze en het onderhoud van de auto of de onderdelen daarvan niet met de nodige zorg te werk is gegaan of indien de bestuurder van de auto — een personeelslid van de Commissie — onzorgvuldig heeft gereden.
De Duitse instanties hebben vastgesteld, dat het ongeval te wijten was aan het feit dat het loopvlak van de achterband losliet waardoor de lucht ontsnapte, met het gevolg dat de auto, die toen met een snelheid van ongeveer 140 km per uur reed, slipte en over de kop sloeg. Het technisch rapport over het ongeval noemde zes mogelijke oorzaken voor het loslaten van het loopvlak:
1)
rijden met een band met te lage spanning;
2)
rijden met een hogere snelheid dan waarvoor de band was ontworpen;
3)
roestvorming door technische gebreken in het stalen karkas;
4)
te geringe schuifspanning van het rubbermengsel;
5)
mechanische beschadiging van de staalgordel;
6)
verkeerde combinatie band — velg.
Tijdens de schriftelijke behandeling is niet gesteld dat de bestuurder van de auto een fout zou hebben gemaakt. Ter terechtzitting is gezegd dat er vóór het ongeval een geluid is gehoord dat de bestuurder had moeten waarschuwen voor een mogelijk gevaar. Maar daarop kan verzoeker zich niet beroepen, en in elk geval is er geen bewijs voor.
Vervolgens wordt gezegd, dat de betrokken band niet was goedgekeurd door de constructeur van de auto en dus ook niet door de Duitse autoriteiten. Ik acht dit niet voldoende als bewijs voor een gebrek aan zorg, aangezien er niets is waaruit blijkt dat de constructeurs dit type band hebben afgekeurd. Het gebruikte type was een „sneeuwband voor gebruik in de winter”. Voor mij is er geen schending van de zorgplicht wanneer een dergelijke band op 7 april nog niet is vervangen, aangezien het blijkbaar gebruikelijk is om de banden een week later te verwisselen, en de auto in elk geval in meer dan één Lid-Staat van de Gemeenschap werd gebruikt. Er is geen bewijs dat het in de gegeven omstandigheden gevaar kon opleveren.
Vervolgens wordt gezegd dat het wellicht een gecoverde band is geweest; dit zou zijn op te maken uit foto's die na het ongeval van de auto zijn gemaakt. De Commissie verklaart dat zij geen gecoverde banden gebruikt. Of dit nu juist is of niet, de bewering lijkt mij te vaag en onbewezen. Evenmin zijn er aanwijzingen dat 140 km per uur bij de onderstelde bandenspanning een te hoge snelheid was.
Anderzijds wordt gesteld dat het loopvlak van de rechter achterband van de auto heeft losgelaten. Normaliter gebeurt dit niet indien de nodige zorgvuldigheid wordt betracht bij de keuze, inspectie en het onderhoud van de band. Ik vat verzoekers argument in die zin op, dat een schending van de zorgplicht aannemelijk is, dat bij een behoorlijke inspectie van de band waarschijnlijk zou zijn gebleken dat het loopvlak defect was, en dat dit bij een behoorlijke inspectie vóór de dag van het ongeval zou zijn ontdekt, zelfs wanneer het door de bestuurder tijdens het rijden niet zou zijn bemerkt. De Commissie heeft niets aangevoerd wat de aannemelijkheid van dit argument zou kunnen weerleggen, dat in de schriftelijke memories toch wel duidelijk is voorgedragen. Had zij verklaard wanneer de band was gekocht, door wie hij was geleverd, wanneer er inspecties hadden plaatsgevonden en met welk resultaat, dan had zij dit „prima facie” argument zeer wel kunnen afweren. Een verklaring van de garage of van een deskundig ambtenaar van de Commissie, die de onderhouds- of inspectiewerkzaamheden had uitgevoerd, zou daartoe waarschijnlijk hebben volstaan. Zij heeft echter niets dergelijks gedaan en dus bestaat die aannemelijkheid nog steeds.
Tussen partijen staat vast, dat het lichamelijk letsel het gevolg is van het ongeval, maar dat geldt niet voor het psychisch letsel en het verlies van levensvreugde. De Commissie verwijst daartoe naar enkele korte bemerkingen in het medisch rapport over problemen die Leussink vóór het ongeval had met zijn chef en met zijn vrouw. Dit lijkt mij onvoldoende om aan te nemen dat de persoonlijkheidstrekken die nu bij Leussink worden aangetroffen, ook voordien aanwezig waren. In ieder geval staat het voor mij buiten kijf, dat deze trekken, zo zij al niet door het ongeval zijn veroorzaakt, er wel ernstig door zijn versterkt. Het oorzakelijk verband tussen het gebrek aan zorg en het letsel staat naar mijn mening vast.
Vervolgens verklaart verzoeker dat de door hem gestelde schade volledig buiten de schadeloosstelling uit hoofde van het Ambtenarenstatuut en de Regeling valt en dat hij derhalve recht heeft op volledige schadevergoeding terzake. Hij beroept zich daarvoor op het onderscheid in het Belgisch recht tussen psychische schade (gedekt door de Regeling) en morele schade, die niet onder de Regeling valt.
De Commissie verklaart dat de vergoedingen in casu zijn toegekend zowel uit hoofde van artikel 12 als uit hoofde van artikel 14 van de Regeling, juncto artikel 73 Ambtenarenstatuut, en dat artikel 12 weliswaar betrekking heeft op een invaliditeit die het arbeidsvermogen vermindert, doch dat artikel 14 vergoeding van schade als hier in geding toestaat.
Verzoekers argument op dit punt kan ik niet aanvaarden. Ingevolge artikel 14 van de Regeling kan een vergoeding worden toegekend voor „elke blijvende verwonding of verminking die, zonder het arbeidsvermogen van de ambtenaar te verminderen, een aantasting vormt van zijn lichamelijke integriteit en een onmiskenbare nadelige invloed uitoefent op zijn sociale betrekkingen”. Mijns inziens moeten daaronder mede worden verstaan de gederfde levensvreugde en de moeilijkheden in de persoonlijke en maatschappelijke betrekkingen als gevolg van het ongeval, die in deze zaak zijn gesteld. De Commissie betoogt, dat blijkens zaak 152/77 (Mej. Β., Jurispr. 1979, biz. 2819) de in artikel 73 Ambtenarenstatuut bedoelde invaliditeitsuitkering niet beperkt is tot de financiële gevolgen van een ongeval. Het stond de Commissie dan ook vrij om Leussink voor het hier bedoelde verlies schadeloos te stellen op grond van het Ambtenarenstatuut en artikel 14 van de Regeling. Zoals duidelijk blijkt uit het laatste onderdeel van de hierboven bedoelde opsplitsing van de erkende invaliditeit van 75%, heeft zij dat ook gedaan ook al las zij, toen het cijfer van 65% werd aanvaard, de verwijzing van de arts naar „fysieke” schade per abuis als „psychische” schade.
Aangezien geen schadevergoeding wordt gevorderd voor het gederfde salaris dat verzoeker in de toekomst na een bevordering zou hebben ontvangen, of met betrekking tot het veroorzaakte zuiver lichamelijke letsel, is de vraag dus, of het bedrag van 967206 BFR een passende vergoeding vormt voor de hierbedoelde letsels. De Commissie betwist de eis van 5 miljoen BFR, op grond dat zij „eenzijdig” is en niet op een berekening is gebaseerd. Ik zie niet in, hoe dat bedrag iets anders dan een raming zou kunnen zijn; de vraag is alleen of bijna 1 miljoen voldoende is of dat 6 miljoen (1 miljoen plus 5 miljoen) te veel is.
In dit soort zaken is de bepaling van het juiste bedrag nooit gemakkelijk, vooral omdat er maar weinig desbetreffende uitspraken van de gemeenschapsrechter zijn. Ik zou ervan uit willen gaan, dat bepaalde elementen in de 75% (bij voorbeeld verlies van een oog, stoornis van reuk- en smaakzin) iets omvatten wat onder de door verzoeker gestelde „morele schade” valt, geheel los van de 10% „psychische
en immateriële schade”. Anderzijds lijken de verstoring van zijn gezinsleven, de derving van levens- en arbeidsvreugde in het algemeen, en de andere gestelde psychische en persoonlijkheidsstoringen (die in het dossier zijn beschreven en waarvan ik het niet nodig of wenselijk vind om ze in detail in deze conclusie te noemen) mij wel ernstig. Ik geloof niet, dat zij adequaat zijn gedekt door de vergoeding krachtens de verzekeringsregeling. De andere toegekende vergoedingen in aanmerking genomen, ben ik van mening, dat een schadevergoeding voor „psychische en immateriële schade” in de buurt van 3 miljoen BFR zou moeten liggen. Na aftrek van de 967206 BFR die verzoeker als schadeloosstelling krachtens de verzekeringsregeling heeft ontvangen, acht ik een schadevergoeding van 2 miljoen BFR in casu billijk en passend.
Verzoekers vordering krachtens artikel 24 Ambtenarenstatuut aanvaard ik niet. Mijns inziens stelt de Commissie terecht, dat dit artikel enkel toepasselijk is op vorderingen tegenover derden.
Omdat Leussink slaagt in zijn vordering tot schadevergoeding, acht ik het niet noodzakelijk om de stilzwijgende afwijzing van zijn verzoek van 5 aprii 1983 of van zijn klacht van 3 november 1983 nietig te verklaren.
Zaak 169/83
De Commissie aanvaardt, dat deze vordering ontvankelijk is. De gestelde onrechtmatigheid is op dezelfde grondslagen gebaseerd. De Commissie betwist echter het bestaan van een onrechtmatig handelen en van een oorzakelijk verband tussen het ongeval en de schade. In elk geval is volgens haar de gestelde schade van het soort dat door het Ambtenarenstatuut wordt gedekt, zodat elke verdere vordering van de gezinsleden is uitgesloten.
Anders dan Leussinks beroep, lijkt mij dit beroep terecht gebaseerd te zijn op de artikelen 178 en 215 EEG-Verdrag, aangezien het de zelfstandige schade van het gezin betreft en niet een geschil is tussen een ambtenaar en zijn instelling. Ik geloof ook niet, dat het niet-ontvankelijk is op de gronden die geleid hebben tot de niet-ontvankelijkverklaring in de gevoegde zaken 114, 115, 116 en 117/79 (Fournier, Jurispr. 1980, blz. 1529). In die zaken hield het beroep van het gezin voornamelijk verband met het gedrag van een instelling, waardoor de ontwikkeling van Fourniers loopbaan nadelig was beïnvloed. Het Hof zag dat als een poging tot omzeiling van de procedures waarmee kan worden opgekomen tegen de tewerkstellingsvoorwaarden van een ambtenaar. In dit geval gaat het om een vordering tot vergoeding van volstrekt afzonderlijke schade, bestaande in de verstoring van het gezinsleven, waaronder het gezin als gevolg van het ongeval te lijden heeft.
Ik ben niet geneigd, dit beroep als niet-ontvankelijk te beschouwen.
Ik wil aannemen, dat het gezin inderdaad te maken heeft gehad met de gestelde verstoring van het gezinsleven, met psychische problemen en met moeilijkheden op school. Uit niets valt op te maken dat dit overdreven is. Ook is het duidelijk dat hun problemen een gevolg zijn van de uitwerking die het ongeval op Leussink heeft gehad, welk ongeval zelf weer is te wijten aan de schending door verweerster van haar zorgplicht. Anderzijds dacht ik niet, dat het gemeenschapsrecht erkent, of zou moeten erkennen, dat schadevergoeding moet worden toegekend voor alle gevolgen waarvan men kan zeggen dat zij een indirect uitvloeisel zijn van een onrechtmatige daad. Weliswaar kunnen rechtstreekse en onmiddellijke gevolgen voor een dergelijke vergoeding in aanmerking komen, doch dit geldt niet voor wat in feite de consequenties van dergelijke gevolgen zijn. Ergens moet een grens worden getrokken waar de aansprakelijkheid van verweerster eindigt. Voorbij die grens zijn de gevolgen te ver verwijderd. In casu is de schade welke het gezin stelt te hebben geleden, niet een gevolg van het plichtsverzuim of van het ongeval. Zij is een uitvloeisel van de gevolgen die het ongeval voor Leussink had. Ik acht de gestelde schade niet van die aard, dat zij kan leiden tot niet-contractuele aansprakelijkheid als bedoeld in de artikelen 178 en 215 EEG-Verdrag. Zij is mijns inziens te ver verwijderd. Ik zou het beroep dan ook als ongegrond willen afwijzen.
Interessen
Leussink vordert interessen op de voet van 12%'s jaars vanaf 5 april 1983, de datum waarop hij zijn verzoek om de schadevergoeding die hij thans in rechte vordert, bij de Commissie heeft ingediend. Er is geen andere datum genoemd als die waarop de interessen zouden moeten ingaan, ofschoon andere data denkbaar zijn: de dag van het ongeval (7 april 1978), de dag waarop volgens het rapport van de Medische commissie het letsel zich had geconsolideerd (4 oktober 1980), de dag van de klacht ex artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut (3 november 1983), de dag waarop het beroep bij het Hof is ingesteld (23 mei 1984), of de dag van de uitspraak in de onderhavige zaak. Geen van deze data lijkt vanzelfsprekend.
Wat vorderingen ex artikel 73 Ambtenarenstatuut betreft, dient volgens de rechtspraak de verzoeker aan te tonen, dat de vertraging bij de betaling yan de vergoeding een onrechtmatig handelen of nalaten door de schadeveroorzakende instelling vormt (zaak 101/74, Kurrer, Jurispr. 1976, blz. 259; zaak 115/76, Leonardini, Jurispr. 1978, blz. 735, en zaak 152/77, Mej. Β., Jurispr. 1979, blz. 2819).
Hier gaat het echter niet om een aanspraak op schadeloosstelling uit hoofde van het Ambtenarenstatuut, doch om een beroep tot schadevergoeding, zodat deze rechtspraak niet zonder meer toepasselijk is. Was zulks wel het geval, dan heeft de Commissie volgens mij niet onrechtmatig gehandeld in de wijze waarop zij het geld gedurende de betrokken jaren heeft uitbetaald op basis van de medische adviezen waarover zij beschikte.
In beroepen tot schadevergoeding krachtens de artikelen 178 en 215 EEG-Verdrag heeft het Hof beslist dat de verplichting om interessen te betalen ontstaat op de datum van het arrest, van het Hof waarin de verplichting tot schadevergoeding wordt vastgesteld (gevoegde zaken 64 en 113/76, 167 en 239/78, 27, 28, 45/79, Dumortier, Jurispr. 1979, blz. 3091 en blz. 3118), ofschoon deze zaak mijns inziens niet mede geldt voor het geval waarin geld ten onrechte niet is uitbetaald op de datum dat het had moeten worden uitbetaald.
Ik acht de datum van het arrest niet de meest bevredigende ingangsdatum. Indien het Hof vaststelt dat er aansprakelijkheid is, had de verzoeker recht op schadevergoeding. Wanneer een verzoeker ook na de datum waarop hij zijn beroep bij het Hof instelt, nog op zijn schadevergoeding moet wachten, dan vind ik het in verband met de onvermijdelijke duur van de rechtszaak weinig gelukkig dat hij geen rente over het geld ontvangt, ook al kan hij, juist omdat hij pas door het instellen van het beroep de zaak bij het Hof aanhangig maakt, zich er niet over beklagen dat hij geen rente krijgt over de periode vóór die datum. Ik zou dan ook de datum van instelling van het beroep bij het Hof als een billijke en passende datum willen aanmerken — in casu dus 23 mei 1984.
Wat de rentevoet betreft, verlangt verzoeker 12%. Zijn beroep is opgesteld op 16 mei 1984. Op die datum, en tot 31 juli 1985, bedroeg de wettelijke rente in België 12%. Per 1 augustus 1985 is zij echter tot 10% verlaagd (Koninklijk Besluit van 17.7.1985, Belgisch Staatsblad van 23.7.1985). Thans zou naar Belgisch recht dus ten hoogste 10% kunnen worden gevorderd. Op de zaak is echter niet het Belgisch recht, doch het autonome gemeenschapsrecht van toepassing, en het staat dus aan het Hof het naar zijn oordeel passende percentage vast te stellen. Dit percentage dient mijns inziens in overeenstemming te zijn met de financiële realiteit van dit moment en ik merk op, dat het Hof zich reeds bereid heeft getoond om een ander dan het lange tijd toegepaste rentepercentage van 6% te hanteren; in zaak 131/81 (Berti, arrest van 14 februari 1985) heeft het namelijk de gevorderde 12% toegewezen. In zaak 118/84 (Commis-sie/Royal beige NV, arrest ván 20 juni 1985) heeft het Hof rente toegekend op de voet van 8%. Ofschoon dat niet een schadevordering betrof, acht ik het daar toegepaste percentage in de huidige omstandigheden passend, ook al kan men zeggen dat in de toekenning van schadevergoeding de waardevermindering van het geld tussen de datum van het beroep en de datum van het arrest al tot uitdrukking komt. Het lijkt mij wenselijk dat in de communautaire sfeer een zelfde rentevoet wordt gehanteerd, of het nu om schadevergoeding dan wel om schulden gaat. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, het rentepercentage in deze zaak op 8% te bepalen.
Kosten
De Commissie dient mijns inziens Leussinks kosten te betalen. In het beroep van mevrouw Leussink en de kinderen is artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering niet van toepassing. Dit artikel is eerder evenwel analogisch toegepast, bij voorbeeld in. zaak 12/84 (Kypreos, arrest van 27 maart 1985). Mijns inziens dient in het door het gezin ingestelde beroep elk der partijen haar eigen kosten te dragen.
Bijgevolg geef ik het Hof in overweging:
1)
het beroep in zaak 169/83 te verwerpen met verwijzing van elk der partijen in de eigen kosten;
2)
in zaak 136/84 de verzoeker een schadevergoeding van 2 miljoen BFR toe te kennen, vermeerderd met 8% rente vanaf 23 mei 1984, met verwijzing van de Commissie in de kosten.
( *1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy