CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. F. MANCINI
van 31 januari 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Voor de tweede keer binnen enkele weken komt er bij u een probleem ter tafel dat technisch niet eenvoudig is en uit beleidsoogpunt moeilijk ligt: de regeling van schade, veroorzaakt door vertraging bij de uitbetaling van na te betalen salaris waarop het personeel van de Gemeenschappen aanspraak kan maken op grond van de aanpassing van salaris en/of aanpassingscoëfficiënt, in voege als in artikel 65 van het Statuut voorzien.
Aangezien de oplossing die uw Hof heeft gekozen in zijn uitspraken van 15 januari 1985 (zaak 158/79, Roumengous Carpentier e.a.; gevoegde zaken 543, 532, 534, 567, 600, 618 en 660/79, Birke, e.a.; zaak 737/79, Battaglia e.a.), ten dele in de lijn ligt van mijn conclusie van 11 december 1984, mag ik mij thans wel beperken tot de weinige, maar niet onbelangrijke punten van twijfel die het probleem nog lijkt te doen rijzen. De zeer vele argumenten die van de zijde van verzoekers zijn aangedragen, zal ik dan ook niet één voor één bespreken. Die overdaad baart mij trouwens zorgen en brengt mij ertoe alarm te slaan. Het gaat mij daarbij niet om het — te grote — aantal beroepen dat ons telkenjare door de ambtenaren wordt voorgelegd, maar om de redenen waarom zich op de weg naar de rechter steeds meer slechte gewoonten ontwikkelen, en om de onaanvaardbare situatie waartoe die ontwikkeling heeft geleid.
Ik herinner er allereerst aan, dat de wetgever in de artikelen 90 en 91 van het Statuut de ambtenaren van de Gemeenschap een rechtsweg heeft geboden die uit twee onderscheiden, elkander aanvullende fasen bestaat: de eerste, die men in elk geval moet doorlopen, is administratief en speelt zich binnen de instellingen af; daarna komt, eventueel, de fase in rechte, waarin men zich op welbepaalde ontvankelijkheidsvoorwaarden uitsluitend tot dit Hof kan wenden. De ratio van dit stelsel, dat men overigens terugvindt in het publiekrecht van bijna alle moderne staten, is duidelijk: wanneer het geschil voor de rechter komt, moet het zijn gezuiverd van overbodige of te ver gezochte vorderingen of argumenten. Met andere woorden, de precontentieuze fase is bedoeld als een zeer fijne filter, die de voor het Hof aanhangig te maken zaken moeten passeren.
De administratieve fase is vandaag de dag evenwel tot een bureaucratische formaliteit verworden. De ambtenaren dienen hun klachten in op voorgedrukte formulieren; de motivering van het op de klacht te nemen besluit, dat volgens artikel 90 met redenen omkleed moet zijn, is, indien al aanwezig, in laconieke en vage bewoordingen vervat. Waartoe dit leidt, kunnen wij met eigen ogen waarnemen: een stormloop op het Paleis van Justitie die, wat krijgsgehuil en wapenkeur betreft, doet denken aan overvallen van de Sioux op postkoetsen in het oude Wilde Westen. In de zes onderhavige beroepen wordt bij voorbeeld alles gevorderd wat maar mogelijk en denkbaar is: nietigverklaring van besluiten der administratie, niettoepasselijkverklaring van verordeningen, vaststelling van contractuele of niet-contractuele aansprakelijkheid, vergoeding van allerlei schade, veroordeling tot betaling van niet nader gepreciseerde schadeloosstellingen. De aangevoerde middelen schijnen — merkwaardig voorbeeld van juridisch eclecticisme ! — aan elk van die vorderingen zonder onderscheid ten grondslag te kunnen worden gelegd. Hunnerzijds trachten de verwerende instellingen de talloze argumenten van de wederpartijen te ontzenuwen, maar bij gebreke van voorafgaand overleg loopt dat erop uit, dat elk herhaalt wat de anderen reeds hebben opgemerkt.
Wanneer een procedure zo verregaand ontaardt, dient de wetgever op te treden, en anders zal het Hof voor zijn eigen functie in de bres hebben te springen. De iure condendo is er bij voorbeeld iets voor te zeggen, dat van de ambtenaar wordt verlangd dat hij zijn klacht zorgvuldig motiveert, terwijl aan het stilzwijgen van het tot aanstelling bevoegd gezag op een met redenen omklede klacht een ander gevolg zou moeten worden verbonden, namelijk dat stilzwijgen wordt beschouwd als aanvaarding van de klacht (behoudens dat de administratie het intreden van dat gevolg kan opschorten door het Hof om zwaarwegende redenen te verzoeken om verlenging van de termijn waarbinnen het schriftelijke besluit moet worden meegedeeld). Aan de rechters heb ik geen voorstellen te doen. Het is voldoende wanneer zij aan een notoir feit willen denken : in het recht en de administratieve praktijk van tal van landen wordt aan beroepschriften van ambtenaren de eis gesteld dat zij, wat petitum, causa petendi en de verschillende ontvankelijkheidsvoorwaarden betreft, al in de precontentieuze fase zo zorgvuldig mogelijk zijn geformuleerd. Onvoldoende redengeving en onvoldoende specificatie leiden in den regel tot verwerping van het beroep in limine litis.
Dan kom ik thans tot bespreking van de zes zaken.
2.
De feiten. Bij arrest van 6 oktober 1982 in zaak 59/81 (Commissie/Raad, Jurispr. 1982, biz. 3329) heeft het Hof verordening nr. 187/81 van de Raad van 20 januari 1981 (PB 1981, L 21, biz. 18, nadien vervangen door de tekst die in PB 1981, L 130, biz. 26 is gepubliceerd), waarbij de salarissen en pensioenen der ambtenaren en de aanpassingscoëfficiënten met ingang van 1 juli onderscheidenlijk 1 april 1980 werden aangepast, wegens strijd met artikel 65 van het Statuut nietigverklaard. Het Hof besliste voorts dat „de gevolgen van de ... verordeningen betreffende de aanpassing van salarissen ... in stand [dienen] te blijven totdat de Raad de maatregelen zal hebben vastgesteld die hij ter uitvoering van dit arrest gehouden is te nemen.” Van die verplichting heeft de Raad zich gekweten bij verordening nr. 3139/82 van 22 november 1982 (PB 1982, L 331, biz. 1), die terugwerkende kracht had tot eerder genoemde data. Sinds 25 januari 1981, toen de nietigverklaarde verordening in werking was getreden, waren er inmiddels bijna twee jaren verstreken.
De instellingen die in deze zaak als verweerders optreden, betaalden evenwel over het tijdvak 1 juli 1980 — 30 november 1982 de achterstallige bedragen zonder aan de betrokkenen rente te vergoeden over de periode waarin die betaling was uitgebleven. In alle aan uw oordeel onderworpen beroepen wordt van dit gegeven uitgegaan; men bedient zich evenwel ten dele van verschillende middelen.
In de zaken 174/83, 175/83, 176/83, 233/83 en 247/83 verlangen betrokkenen in de eerste plaats nietigverklaring van de salarisafrekening over de maand december 1982, op grond dat er over het bedrag van de daarop opgevoerde nabetaling geen rente is vergoed. Dit met de artikelen 62 en 65 van het Statuut strijdig verzuim wordt niet toegeschreven aan verordening nr. 3139/82, welker geldigheid niet wordt aangevochten. De aansprakelijkheid daarvoor zou berusten bij de verwerende instellingen. Deze zouden voorts, krachtens artikel 215 EEG-Verdrag, moeten worden veroordeeld tot betaling van aanvullende rente wegens de schade welke de Raad aan verzoekers heeft berokkend door willens en wetens een onwettige verordening (die van 20 januari 1981) vast te stellen en de jaarlijkse herziening van de salarissen binnen de bij het Statuut bepaalde termijn achterwege te laten. Deze schade zou bestaan in verlies van koopkracht als gevolg van de ontwaarding van de munteenheid gedurende de periode waarover het verzuim zich heeft uitgestrekt, en zij zou moeten worden vergoed door de te laat uitbetaalde bedragen te vermeerderen met de wettelijke interessen naar Belgisch recht (in augustus 1981 van 8 op 12% gebracht) vanaf de dagen waarop de instellingen ze hadden moeten uitbetalen.
Een andere redenering wordt gevolgd door verzoekers in zaak 264/83. Ook zij wensen de salarisafrekening over december 1982 te zien nietigverklaard, doch wijten de niet-betaling van rente aan verordening nr. 3139/82, die zij dan ook, bij incidentele vordering, niet-toepasselijk verklaard wensen te zien in de zin van artikel 184 EEG-Verdrag. De Raad zou met die verordening weliswaar uitvoering aan 's Hofs arrest in zaak 59/81 hebben gegeven, maar het verlies van koopkracht door de geldontwaarding en de over de verschuldigde bedragen te betalen vertragingsrente buiten beschouwing hebben gelaten, hetgeen een schending oplevert van de artikelen 62 en 65 van het Statuut en van het beginsel van gelijke behandeling. Verzoekers verlangen mitsdien moratoire interessen vanaf de dag waarop de instellingen de achterstallige bedragen hadden moeten betalen, terwijl zij aanspraak maken op een compensatie voor het koopkrachtverlies. Voor de berekening van een en ander refereren zij zich aan 's Hofs oordeel.
3.
Tegen de zes beroepen werpen de verwerende instellingen een aantal verschillend gemotiveerde excepties van niet-ontvankelijkheid op. In de loop van de procedure hebben zij evenwel verklaard aan enkele van die excepties niet langer te willen vasthouden, terwijl zij zich, wat enkele andere excepties betreft, aan uw oordeel hebben gerefereerd; en gelet op uw — door verzoekers overigens juist geciteerde — rechtspraak kan de aldus betoonde soepelheid ook niet ongerechtvaardigd worden genoemd. In één geval liggen de zaken evenwel minder eenvoudig; ik bedoel de exceptie die de Commissie in zaak 264/83 heeft opgeworpen.
Op zichzelf is de niet-ontvankelijkheidsgrond eenvoudig: de verzoekschriften zouden na het verstrijken van de in artikel 91 van het Statuut genoemde termijn van drie maanden bij het Hof zijn ingekomen. Maar het is de repliek van verzoekers die de problemen doet rijzen. Zij stellen dat zij, ofschoon bij diensten van de Commissie in verschillende landen tewerkgesteld, van de aanvang af gezamenlijk zijn opgetreden en klachten volgens een zelfde model hebben ingediend en vervolgens één enkel verzoekschrift, waarin ten laste van dezelfde instelling nietigverklaring van een en dezelfde handeling — en steeds op dezelfde gronden — wordt verlangd. Met andere woorden, zij zouden in feite een collectief beroep hebben ingesteld, en dit zou niet alleen — om redenen van proceseconomie en in het belang van een goede rechtsbedeling — doelmatig, maar stellig ook rechtmatig zijn. Vóór de toelaatbaarheid van zulk een beroep zou spreken dat het nergens wordt verboden, terwijl volgens de rechtspraak één enkel beroep van meer personen geoorloofd is, wanneer de conclusies van partijen betrekking hebben op „handelingen van gelijke inhoud of handelingen welke verzoekers gelijkelijk betreffen” (arrest van 14 juli 1965, gevoegde zaken 18-19/64, Alvino e.a., Jurispr. 1965, blz. 849).
Daarvan uitgaande, betogen verzoekers dat „comme l'examen de la recevabilité, en ce qui concerne notamment le respect du délai de recours, porte sur l'acte procédural luimême et non sur le requérant, on considère que, dès lors que l'acte a été introduit endeça des délais par certains requérants, la requête est recevable dans son ensemble.” In casu zou het zonder meer vaststaan, dat niet slechts sommige, maar de meeste verzoekers hun beroep binnen de statutaire termijn hebben ingesteld; de ontvankelijkheid ervan voor de gehele groep zou daarom niet voor betwisting vatbaar zijn.
Deze redenering faalt. De maior — ontvankelijkheid van bij het Hof ingediende collectieve beroepen — is juist, maar niet de minor: het gaat niet op, dat een inbreuk op de ontvankelijkheidsvoorwaarden door deze of gene verzoeker door de collectieve aard van het beroep zou worden gedekt. Het zij mij toegestaan mijzelf te citeren; in zaak 50/84 (Bensider e.a.) heb ik het volgende gezegd: „Zeker, bij verknochtheid van beroepen worden de procedures gevoegd, dat wil zeggen dat de beroepen te zamen worden geïnstrueerd en behandeld. Maar dat doet niet af aan hun zelfstandigheid: dit blijkt onder meer hieruit, dat de processuele positie van de verschillende verzoekers... autonoom blijft. Wanneer het proces ten aanzien van een hunner wordt beëindigd (bij voorbeeld door diens overlijden of... door afstand van de instantie), heeft dat geen gevolgen voor de anderen.”
Dezelfde beginselen moeten mijns inziens in casu tot toepassing komen. Ook in het kader van een collectief beroep mag de positie van elk der onderscheiden verzoekers ten aanzien van de bestreden handeling niet worden geacht ook die van de anderen te zijn, om het even of die positie gunstig is (bij voorbeeld doordat het beroep tijdig is ingesteld) of ongunstig (bij voorbeeld doordat procesbevoegdheid ontbreekt). Zo gezien, is zulk een beroep een bundel zelfstandige acties, door meerderen bij een enkele akte ingesteld. En passant zij erop gewezen dat ook de raadsman van verzoekers er zo over lijkt te denken, althans hij gedraagt zich alsof dit het geval ware. Om redenen waarin ik liever niet wil treden, heeft hij gewild dat ieder hunner een afzonderlijke procesvolmacht zou ondertekenen, terwijl er volgens zijn standpunt met een enkel, door alle verzoekers getekend mandaat had kunnen worden volstaan.
Ik geloof ook niet dat deze raadsman sterker staat met zijn tweede argument, namelijk dat bij de beoordeling van de ontvankelijkheid in aanmerking zou moeten worden genomen dat overwegingen van proceseconomie en goede rechtsbedeling verzoekers aanleiding hebben gegeven om gezamenlijk op te treden, en dat zij op verschillende standplaatsen zijn tewerkgesteld. Want de goede of slechte redenen die betrokkenen kunnen hebben gehad om gezamenlijk in beroep te komen, kunnen er niet toe leiden dat gebreken welke de processuele positie van de ene of de andere verzoeker aankleven, ook in meerdere of mindere mate gedekt zouden zijn.
In beginsel zal het beroep 264/83 dan ook niet-ontvankelijk moeten worden geacht, voor zover de betrokken verzoekers niet binnen de statutaire termijn in beroep zijn gekomen. Er zij in dit verband evenwel op gewezen, dat partijen ondanks daartoe strekkend verzoek van het Hof geen stukken hebben overgelegd met behulp waarvan de identiteit van de verzoekers die te laat in beroep zijn gekomen, kan worden vastgesteld; verzoekers spreken elkaar ook tegen of zij komen aandragen met — zacht gezegd — zonderlinge alibi's. En dit geldt vooral voor verweerster. Heeft volgens haar exceptie slechts één der 302 verzoekers (H. C. Herold) zich aan de beroepstermijn gehouden, in haar antwoord op een door het Hof gestelde vraag stelt zij, dat „nauwkeurige bestudering” heeft geleerd dat de meeste verzoekers tijdig in beroep zijn gekomen. Slechts 25 hunner zouden te laat zijn geweest, terwijl met betrekking tot twee andere groepen verzoekers de niet-ontvankelijkheid niet zou voortvloeien uit echte bewijzen, maar uit vermoedens verband houdend met de data waarop die verzoekers kennis hadden gekregen van de afwijzing van hun klacht.
De raadsman van verzoekers betwist die data, maar verklaart ook geen andere data te kunnen noemen, en ziet er daarom van af bewijs voor de ontvankelijkheid der beroepen aan te dragen. Na erop te hebben gewezen, dat de op de klachten genomen besluiten nagenoeg alle gedurende de zomervakantie (6-24 juli 1983) waren betekend, verklaart hij, dat „il est impossible... de connaître la situation individuelle de chaque fonctionnaire. Une telle enquête nécessiterait de les interroger personnellement, sans que pour autant ils se souviennent exactement de la date de réception de la décision de rejet de leur réclamation”.
In deze ongewone, ja paradoxale omstandigheden, moet ik
a)
op grond van de overweging, dat het grondbeginsel dat de termijnen van de artikelen 90 en 91 van het Statuut „van openbare orde zijn en niet ter beschikking van partijen en van de rechters staan” (arrest van 12 juli 1984, zaak 227/83, Moussis), in ieder geval moet worden gehandhaafd,
b)
met name in aanmerking nemend dat men volgens artikel 91, lid 2, van het Statuut in een beroep voor het Hof slechts kan worden ontvangen wanneer er een uitdrukkelijk of stilzwijgend besluit tot afwijzing van de klacht is genomen en het beroep tijdig is ingesteld,
c)
rekening houdend met het feit dat in casu onmogelijk de dies a quibus kunnen worden vastgesteld waarop de uitdrukkelijke of stilzwijgende afwijzing van honderden klaagschriften de beroepstermijnen heeft doen ingaan, zodat er niets anders opzit dan alle verzoekers het voordeel van de twijfel te laten, contre coeur tot ontvankelijkheid van het in zaak 264/83 ingestelde beroep concluderen.
Van de overige door de instellingen opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid heeft de eerste op alle verzoekschriften betrekking; gesteld wordt dat de salarisafrekeningen, waarmee eenvoudig uitvoering zou zijn gegeven aan verordening nr. 3139/82, niet kunnen worden nietig verklaard. De tweede exceptie betreft alleen de door verzoekers in zaak 264/83 incidenteel ingeroepen onwettigheid; verweerster meent dat verzoekers hiermede, zonder zich aan de vormvoorschriften en termijnen van artikel 173 EEG-Verdrag te storen, in feite op nietigverklaring van genoemde handeling uit zijn.
Zoals ik in het begin al zei, hebben wij hier van doen met argumenten die geen steek houden en door het Hof al eerder zijn verworpen. Ik volsta met te verwijzen naar's Hofs arrest van 19 januari 1984 in zaak 262/80 (Andersen e.a.), waarin het volgende te lezen staat:
a)
„Ie bulletin de rémunération... constitue un acte faisant grief et susceptible de faire l'objet... d'un recours. La circonstance que l'institution concernée ne fait qu'appliquer les règlements en vigueur est sans pertinence à cet égard”;
b)
„l'article 184 du traité CEE est l'expression d'un principe général assurant à toute partie le droit de contester par voie incidente, en vue d'obtenir l'annulation d'une décision qui lui est adressée, la validité des actes réglementaires qui forment la base juridique de celle-ci”.
4.
Hiermede ben ik toegekomen aan een bespreking van de zaak ten gronde. Zoals wij zagen, vorderen verzoekers dat de hun met nagenoeg twee jaar vertraging uitbetaalde bedragen zouden worden vermeerderd met moratoire en compensatoire interessen. Wij bevinden ons hier dus op het terrein van de geldelijke verbintenissen, dat wil zeggen een toch al oneffen gebied van het privaatrecht (door een Duitse civilist „Alpengebiet des Schuldrechts” genoemd), waar de voor de hedendaagse economieën kenmerkende monetaire instabiliteit alles nog ingewikkelder heeft gemaakt. In de rechtsorde der Gemeenschap is deze materie niet specifiek geregeld; er zijn evenwel enkele statutaire bepalingen die, indien onbevangen gelezen, tot oplossing van ons probleem kunnen bijdragen.
Dat probleem kan kort en goed als volgt worden geformuleerd: is er een regel waaraan een recht op interessen kan worden ontleend ? En zo ja, hoe en wanneer moet dat recht dan worden geacht te ontstaan ? Verzoekers zeggen dat het antwoord op deze vragen volledig in de artikelen 62 en 65 van het Statuut kan worden gevonden. Maar dat lijkt mij niet juist.
Die twee bepalingen noemen immers de elementen (basissalaris, gezinstoelagen enzovoort) waaruit de bezoldiging der ambtenaren is opgebouwd (artikel 62), alsook de voorwaarden waaronder de Raad tot aanpassing van de bezoldigingen en tot wijziging van de aanpassingscoëfficiënt heeft over te gaan (artikel 65). Maar dat alles heeft met de omstreden interessen, gevorderd op grond van de vertraging waarmee de verschuldigde bedragen zijn uitbetaald, en geenszins omdat die bedragen op zichzelf onjuist zouden zijn vastgesteld, volstrekt niets uitstaande. Ingevolge de artikelen 62 en 65 is de Raad alleen gehouden het niveau der bezoldigingen vast te stellen; hij kan echter niet — althans niet in dat verband (en ik herhaal althans, want in een ander verband kan hij dat uiteraard wel) — de modaliteiten vaststellen voor de betaling van de bezoldigingen in geval van vertraging. Anders gezegd, de Raad is te dezen wetgever en geen schuldenaar.
Soortgelijke overwegingen gelden wanneer het gaat om degenen die ingevolge het Statuut verplicht zijn de bezoldigingen uit te betalen. Waar in de artikelen 62 en 65 wordt bepaald hoe de bezoldigingen moeten worden berekend, doch niet hoe zij moeten worden betaald, bieden zij geen grondslag voor de stelling dat de instelling in geval van vertraging tot betaling van supplementaire rente gehouden is. Sterker nog: worden de bezoldigingen te laat betaald, dan is de instelling niet alleen niet verplicht de door de Raad vastgestelde bedragen te wijzigen, zij mag dat ook niet. Dit bewijst mijns inziens artikel 63 van het Statuut, volgens hetwelk „de bezoldiging... wordt uitgekeerd in Belgische franken” en „wordt uitbetaald in de valuta van het land waar de ambtenaar zijn functie uitoefent”.
Met betrekking tot de door de Gemeenschap te betalen salarissen wordt hier kennelijk het nominalistisch beginsel gehuldigd. Wat die regel inhoudt, is bekend: als Titius op 15 februari 1981 aan Caius 1000 frank had te betalen, bedraagt zijn schuld ook vandaag 1000 frank. Dat men door vandaag te betalen te laat betaalt, dat wil zeggen na de dag waarop betaald had moeten worden, en dat die 1000 frank tussen februari 1981 en vandaag in waarde zijn gedaald of gestegen, is volstrekt zonder belang. Voor en na geldt: tot numeri tot nummi; het nominalistisch beginsel wist de tijdfactor uit of, om het preciezer te zeggen, schermt de schuld tegen de tijdfactor af.
5.
Het middel ontleend aan schending van de artikelen 62 en 65, moet derhalve worden verworpen, omdat het irrelevant is zowel met betrekking tot de vordering tot nietigverklaring van de salarisafrekeningen als voor de exceptie van onwettigheid van verordening nr. 3139/82. Maar hiermee is ons probleem niet opgelost. Reeds in het Romeinse recht (Ulpianus: qui tardius solvit minus solvit: D. 50, 16, 12, 1) werd erkend, dat niet-tijdige betaling de crediteur een schade toevoegt die hem moet worden vergoed. Houdt het EEG-Verdrag ook zulk een erkenning in ? Getoetst aan de algemene beginselen en op grond van enige statutaire bepalingen, moet deze vraag mijns inziens in bevestigende zin worden beantwoord.
In de artikelen 16, lid 1, en 17, lid 1, van bijlage VII, waarnaar artikel 62, eerste alinea, van het Statuut verwijst, is onderscheidenlijk bepaald dat op de 15e van elke maand de bezoldiging voor de lopende maand aan de ambtenaar wordt uitbetaald en dat de hem verschuldigde bedragen worden uitbetaald op de plaats en in de valuta van het land waar hij zijn functie uitoefent. Het kan niet anders, zo lijkt mij, of er moet op de niet-nakoming van een zo nauwkeurig, ja zo star omschreven verplichting een sanctie staan, en wanneer het om te late betaling gaat, kan het niet anders of die sanctie bestaat in de verplichting tot betaling van moratoire interessen.
In casu gaat het juist om die situatie. Over het feit dat het na te betalen salaris met vertraging is uitbetaald, zijn partijen het volstrekt eens; men kan dus zonder aarzelen zeggen dat voormelde voorschriften zijn geschonden. Anderzijds zijn alleen de verwerende instellingen tot betaling van die bedragen verplicht, en het ligt daarom voor de hand dat de ambtenaren zich tot hen hebben gewend om de rente te verkrijgen waarop zij recht menen te hebben. De instellingen wensen dat recht echter niet te erkennen; zij stellen dat hun van die vertraging geen verwijt valt te máken; dat zij, voor wat de moratoire interessen betreft, door verzoekers niet in gebreke zijn gesteld; en dat, zo die interessen al verschuldigd zouden zijn — quod non —, verzoekers ze op willekeurige wijze berekenen.
Houden deze argumenten steek ? Laten wij ze eens bezien. De artikelen 16 en 17 van bijlage VII leren ontegenzeglijk dat de verplichtingen der verweerders: a) vatbaar zijn voor onmiddellijke vereffening (dat wil zeggen, het bedrag ervan staat vast); b) een brengschuld zijn (d.w.z. aan het domicilie van de crediteur moeten worden voldaan); c) aan een peremptoire termijn gebonden zijn (na ommekomst waarvan zij opeisbaar zijn). In mijn conclusie van 11 december 1984 heb ik aangetoond dat een schuldeiser in omstandigheden als de onderhavige voor de vaststelling dat de schuldenaar in gebreke is — en om hem te kunnen aanspreken -, geen initiatieven behoeft te ontplooien en niet tot bewijslevering gehouden is: „Het verzuim treedt automatisch in op het ogenblik waarop de verplichting had moeten zijn nagekomen (dies interpelkt pro hornine)”. De verplichting tot betaling van interessen vloeit voort uit het enkele objectieve feit der te late betaling, zodat niet behoeft te worden bewezen dat de schuldenaar van het verzuim een verwijt valt te maken.
Mijn standpunt is dus duidelijk: de argumenten der verweerders falen. Minder duidelijk is de gedachtengang van de arresten van 15 januari 1985, die, vrees ik, wel eens tot verontrustende ontwikkelingen aanleiding zouden kunnen geven. Het Hof veroordeelde de instellingen om over de reeds uitbetaalde salarisachterstallen moratoire interessen op de voet van 6% 's jaars te betalen, zulks met de precisering dat die interessen moesten worden berekend vanaf de dag waarop de klacht was ingediend, of vanaf de data waarop die achterstallen opeisbaar waren geworden, indien deze data na eerstgenoemd tijdstip vielen. Met het eerste gedeelte van deze beslissing kan ik mij geheel verenigen (bij mijn weten had het Hof nog nimmer een recht op interessen uitsluitend wegens vertraging toegekend), maar wat het tweede onderdeel betreft, de dies a quo van de interessen, kan ik mij in de door uw Hof gekozen oplossing niet vinden.
Ik herhaal dat het arrest twee mogelijke data noemt: de dag van de klacht en de dag waarop de verschuldigde bedragen opeisbaar waren geworden. Nemen wij de eerste. In de arresten van 15 december 1982 (interlocutoir ten opzichte van die van 1985) heeft het Hof, zij het in een context die materieel en processueel van de onderhavige verschilt, niet van dat criterium willen weten, daar men dan in een absurde situatie zou zijn beland; het „zou betekenen dat een ambtenaar die zich benadeeld acht door de vertraging waarmee de Raad tot wijziging van de aanpassingscoëfficiënt overgaat, op straffe van niet-ontvankelijkheid niet alleen een gehele reeks klachten, wellicht zelfs enkele jaren lang, moet indienen, maar ook een reeks beroepen bij het Hof moet instellen” (Jurispr. 1982, blz. 4379). Dit lijkt mij een heel verstandige opmerking en ik zie niet in, waarom zij ook niet zou moeten gelden voor het tijdstip waarop de interessen beginnen te lopen wegens te late betaling van bedragen die, zoals in casu het geval is, stellig als onmiddellijk vereffenbaar en opeisbaar zijn aan te merken.
Hieraan zij toegevoegd, dat wanneer men de dies a quo van de interessen met het tijdstip van de klacht doet samenvallen, de door verordening nr. 3139/82 gewilde retroactiviteit van de aanpassingen goeddeels teniet wordt gedaan; en ten slotte dient te worden bedacht, dat wanneer men het recht op interessen van het indienen van een klacht afhankelijk stelt, men van honderden ambtenaren (maar het kunnen er duizenden worden) de vervulling van een nutteloze formaliteit verlangt. Op grond van het arrest van 15 januari 1985 zouden de instellingen het recht van elk hunner in ieder geval moeten erkennen.
Maar is het dan niet logischer om ervan uit te gaan, dat voor een debiteur als waarom het hier gaat, een debiteur die zijn verplichting zeer wel kent en weet waar en wanneer deze moet worden nagekomen, een aanmaning om te betalen niet nodig is ? Het beginsel dies interpellât pro hornine wordt trouwens in het recht van vele Lid-Staten erkend, zo bij voorbeeld in het Duitse recht (§ 284, tweede alinea, BGB), in het Italiaanse (artikel 1219 Codice civile), in het Griekse (artikel 341 Burgerlijk Wetboek), in het Nederlandse (artikel 6.1.8.8. NBW, vgl. artikel 1279 BW) en in het Deense (artikel 3, lid 1, van wet nr. 638 van 21 december 1977). Ook kan niet worden gezegd dat het in het Engelse recht niet geldt, al laat Section 35 A van de Supreme Court Act 1981 het aan de geadieerde rechter over om, al naar de omstandigheden van het geval, te bepalen wanneer de moratoire interessen gaan lopen.
Alleen in België, Luxemburg en Frankrijk wordt dus voor en na het beginsel van voorafgaande formele ingebrekestelling gehuldigd. Maar ook de Franse wetgever is voor dilatoire manoeuvres der schuldenaren beducht en hij bindt er de strijd mee aan door enerzijds de wettelijke moratoire interessen op grondslag van het bankdisconto vast te stellen, en anderzijds te bepalen dat in geval van veroordeling „le taux de l'intérêt légal est majoré de cinq points„ (wet van 11 juli 1975, nr. 75-619, artikel 3). Vooral deze laatste bepaling heeft een sterk dissuasief effect. De communautaire rechter kan er echter niet mee werken; wel staat hem het niet minder ingrijpende, maar oudere en meer algemeen erkende beginsel ten dienste, dat de mora solvendi automatisch ingaat.
Laat ons nu overgaan tot bespreking van het tweede criterium dat in de arresten van 15 januari 1985 ter vaststelling van de dies a quo der moratoire intéressen werd aanvaard. Volgens uw Hof is een precedent te vinden in het arrest van 20 maart 1984 in de gevoegde zaken 75 en 117/82 (Razzouk en Beydoun, Jurispr. 1984, blz. 1509). De verwijzing naar dat arrest lijkt mij evenwel niet zeer ter zake dienend. In de zaak-Razzouk achtte het Hof bepaalde statutaire voorschriften wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel onwettig, waarin het aanleiding vond de pensioenaanspraken van de weduwnaar van een ambtenares te erkennen. Het was dus logisch dat het Hof, de Commissie veroordelend tot betaling van bedragen verschuldigd op grondslag van een nieuw subjectief recht en om die reden onzeker met betrekking tot het an en het quantum, moratoire interessen toekende „vanaf het tijdstip waarop de pensioenbedragen betaalbaar zijn geworden” indien dat tijdstip viel na de dag waarop de klacht was binnengekomen.
In casu gaat het evenwel, evenals in de zaken waarin op 15 januari 1985 uitspraak is gedaan, om bedragen, verschuldigd krachtens een verplichting van de instellingen, die, zoals wij zagen, niet nauwkeuriger omschreven had kunnen zijn; bovendien zijn die bedragen vatbaar voor onmiddellijke vereffening en sedert 15 februari 1981 opeisbaar, dat wil zeggen met ingang van de eerste betaaldag voor de salarissen na de inwerkingtreding van verordening nr. 187/81. Weliswaar heeft het Hof die verordening nietig verklaard en de Raad daarmee genoodzaakt de daarbij vastgestelde salarisschaal met terugwerkende kracht te wijzigen, doch dit is van geen enkel belang voor de op 15 februari ingetreden gevolgen; anders gezegd, het verhindert niet dat de ambtenaren juist op die datum — en op geen andere — recht verkregen op uitbetaling van de salarisachterstallen.
6.
Een laatste opmerking. Zoals onder 2 gezegd, wensen verzoekers naast moratoire interessen ook vergoeding van de grotere schade die zij hebben geleden door de muntontwaarding gedurende de hierbedoelde periode. Ik meen mij niet te moeten verdiepen in de vraag of zulke bedragen naar hun aard als compensatoire interessen zijn te beschouwen, en niet te moeten ingaan op de vele argumenten waarvan verzoekers zich ten deze bedienen. Zij mogen in abstracto juist zijn, maar zij verliezen hun gewicht wanneer de betrokkene geen bewijs aandraagt voor de schade die hij stelt te hebben geleden.
Anders dan de door te late betaling veroorzaakte schade, kan schade als gevolg van devaluatie niet ope legis worden vastgesteld, ook niet wanneer zij met een te late nakoming van een geldelijke verbintenis samenhangt. Zij moet worden bewezen en zoals ik in mijn conclusie van 11 december reeds opmerkte, is dat bewijs niet gemakkelijk te leveren: de schuldeiser kan niet volstaan „met de overlegging van statistieken en de inroeping van feiten van algemene bekendheid”, doch moet „bewijzen dat hij de hem verschuldigde bedragen, zo hij ze op tijd had ontvangen, zou hebben belegd in niet aan devaluatie onderhavige goederen”. Maar noch tijdens de schriftelijke noch tijdens de mondelinge behandeling is ook maar een begin van bewijs daarvoor geleverd.
7.
Op grond van een en ander geef ik uw Hof in overweging om, rechtdoende in de zaken 174/83, 175/83, 176/83, 233/83, 247/83 en 264/83:
a)
de salarisafrekening van verzoekers over de maand december 1982 nietig te verklaren op grond dat de verwerende instellingen, uitvoering gevend aan 's Raads verordening nr. 3139/82, in strijd met de artikelen 16, lid 1, en 17, lid 1, van bijlage VII, waarnaar in artikel 62, eerste alinea, van het Statuut wordt verwezen, geen rekening hebben gehouden met de vertraging waarmede de krachtens die verordening verschuldigde bedragen zijn betaald; voorts de besluiten tot afwijzing van de klachten van verzoekers nietig te verklaren;
b)
de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en de Commissie te veroordelen om over de salarisachterstallen die krachtens verordening nr. 3139/82 moesten worden uitbetaald, moratoire interessen op de voet van 6% 's jaars te betalen, vanaf de data waarop die achterstallen hadden moeten worden betaald en tot aan de dag der werkelijke betaling, en wel vanaf 15 februari 1981 over de achterstallen betrekking hebbende op het tweede halfjaar 1980, en, wat de overige betreft, vanaf de datum waarop zij ingevolge verordening nr. 3139/82 verschuldigd zijn geworden;
c)
de beroepen voor het overige te verwerpen;
d)
overeenkomstig hetgeen is voorzien voor gevallen waarin partijen over en weer op bepaalde punten in het ongelijk gesteld zijn, compensatie der proceskosten te gelasten.
( *1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy