CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. F. MANCINI
van 19 maart 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
In de zaken 174, 175, 176, 233, 247 en 264/83 heeft de Derde kamer van het Hof zich bij zes interlocutoire arresten van 4 juli 1985 uitgesproken over de door de verwerende instellingen opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid en heeft het de beroepen naar het voltallige Hof verwezen voor de beslissing ten gronde, en in het bijzonder over de vraag of vanwege de vertraging bij de uitbetaling van de salarissen van verzoekers rente verschuldigd is, en zo ja hoeveel en met ingang van welke datum.
Tijdens de zojuist geëindigde terechtzitting zijn geen punten naar voren gebracht die mij zouden kunnen afbrengen van het standpunt dat ik in mijn conclusie van 31 januari 1985 in opgemelde zaken naar voren heb gebracht. De juistheid van dit standpunt wordt veeleer versterkt door de nuttige uiteenzetting van de raadsman van partij Ammann en anderen over het Belgische recht.
2.
Ik herhaal daarom wat ik het Hof op 31 januari 1985 in overweging heb gegeven, namelijk om:
a)
de salarisafrekening van verzoekers over de maand 1982 nietig te verklaren op grond dat de verwerende instellingen, uitvoering gevend aan 's Raads verordening nr. 3139/82, in strijd met de artikelen 16, lid 1, en 17, lid 1, van bijlage VII, waarnaar in artikel 62, eerste alinea, van het Statuut wordt verwezen, geen rekening hebben gehouden met de vertraging waarmede de krachtens die verordening verschuldigde bedragen zijn betaald; voorts de besluiten tot afwijziging van de klachten van verzoekers nietig te verklaren;
b)
de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en de Commissie te veroordelen om over de salarisachterstallen die krachtens verordening nr. 3139/82 moesten worden uitbetaald, moratoire interessen op de voet van 6% 's jaars te betalen, vanaf de data waarop die achterstallen hadden moeten worden betaald en tot aan de dag der werkelijke betaling, en wel vanaf 15 februari 1981 over de achterstallen betrekking hebbende op het tweede halfjaar 1980, en, wat de overige betreft, vanaf de datum waarop zij ingevolge verordening nr. 3139/82 verschuldigd zijn geworden;
c)
de beroepen voor het overige te verwerpen;
d)
overeenkomstig hetgeen is voorzien voor gevallen waarin partijen over en weer op bepaalde punten in het ongelijk gesteld zijn, compensatie der proceskosten te gelasten.
( *1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy