CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL M. DARMON
VAN 30 MEI 1984 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren rechters,
1.
De onderhavige prejudiciële vraag betreft de uitlegging van artikel 40, tweede alinea, eerste zin, van het EEG-Executieverdrag.
Laten wij beginnen met de feiten en het procedureverloop.
De Nederlandse vennootschap P. verkreeg op 20 januari 1982 een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam, waarbij de firma K., gevestigd te Djeddah (Saoedi-Arabië), bij verstek werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van 678095 Saoedische rials, of de tegenwaarde van dit bedrag in dollars, vermeerderd met de wettelijke interessen.
Dit vonnis was uitvoerbaar bij voorraad verklaard, onder de voorwaarde dat P., voor het geval een rechtsmiddel zou worden aangewend, borgtocht of voldoende zekerheid zou aanbieden.
Teneinde dit vonnis in de Bondsrepubliek Duitsland te executeren, waar K. over een banktegoed beschikte, verzocht P. het Landgericht Frankfurt/Main om verlof tot tenuitvoerlegging van het Nederlandse vonnis (artikelen 31 en 32 Executieverdrag).
Zonder K. te hebben opgeroepen te verschijnen (artikel 34 van het Verdrag), weigerde de president van de derde burgerlijke kamer van het Landgericht bij beschikking van 10 januari 1983 het gevraagde exequatur, op grond dat de volgens de artikelen 46, sub 2, en 47, sub 1, van het Verdrag vereiste stukken niet waren overgelegd.
Bedoeld zijn:
„het origineel of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het document waaruit blijkt dat het stuk dat het geding heeft ingeleid aan de niet verschenen partij is betekend of is medegedeeld” (artikel 46, sub 2)
en
„enig document waaruit kan worden vastgesteld dat de beslissing volgens de wet van de Staat van herkomst uitvoerbaar is en betekend is geworden” (artikel 47, sub 1).
Blijkens de beschikking had de president P. een termijn gesteld voor de overlegging van voornoemde stukken (artikel 48), doch was naar zijn oordeel de bewijskracht van de ter terechtzitting overgelegde stukken onvoldoende.
Van deze beslissing heeft P. overeenkomstig artikel 40, eerste alinea, Executieverdrag beroep („Beschwerde”) ingesteld bij het Oberlandesgericht Frankfurt/Main.
Artikel 40, tweede alinea, nu bepaalt:
„De partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gevraagd wordt opgeroepen te verschijnen voor het gerecht bij hetwelk beroep is ingesteld.”
De vraag van het Oberlandesgericht luidt, of deze bepaling „ook” in het onderhavige geval toepassing dient te vinden.
Het Oberlandesgericht zelf meent eigenlijk van niet, en wel om twee redenen die in de twee onderdelen van de prejudiciële vraag zijn weergegeven:
1.
het verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging is uitsluitend afgewezen omdat P. de stukken niet tijdig had overgelegd;
2.
de regeling van artikel 40, tweede alinea, is niet bevredigend wanneer de tenuitvoerlegging moet plaatsvinden in een andere staat dan die waar de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gevraagd woonplaats heeft. Deze partij kan dan veelal gemakkelijk voorzien welk vermogensbestanddeel zal worden geëxecuteerd, en erover beschikken nog voordat beslag is gelegd.
2.
In de eerste plaats moet worden onderzocht of de prejudiciële verwijzing ontvankelijk is.
Artikel 20 van's Hofs Statuut bepaalt dat in de in artikel 177 EEG-Verdrag bedoelde gevallen de griffier van het Hof aan de betrokken partijen kennis geeft van de beslissing van de nationale rechterlijke instantie die de procedure schorst en een beroep doet op het Hof.
In casu heeft K., verweerster in het hoofdgeding, geen kennisgeving van deze beslissing ontvangen. Men meende immers dat zij geen „betrokken partij” in de zin van artikel 20 was, zolang de verwijzende rechter haar buiten de bij hem aanhangige procedure hield.
Deze opvatting wordt door de Commissie gedeeld. Ook ik onderschrijf haar, omdat de vraag van het Oberlandesgericht juist is, of verweerster in het hoofdgeding al dan niet moet worden opgeroepen aldaar te verschijnen, en of zij dus al dan niet „betrokken partij” is. Door K. in kennis te stellen van de verwijzingsbeschikking zou men derhalve zijn vooruitgelopen op's Hofs uitspraak, of in elk geval aan de beslissing van het Oberlandesgericht iedere zin hebben ontnomen.
De laatste opmerking die ik over dit punt wil maken, is dat de verwijzende rechter uitspraak moet doen op het beroep van P. tegen de afwijzende beschikking van het Landgericht van 10 januari 1983. Het Oberlandesgericht doet derhalve uitspraak in hoger beroep, zodat het verzoek aan het Hof berust op de artikelen 2, punt 2 (en niet 3), en 3, lid 2, van het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging van het Verdrag door het Hof van Justitie.
3.
Ik kom nu tot de vraag zelf van het Oberlandesgericht, te weten of onder bepaalde omstandigheden mag worden afgeweken van de regel van artikel 40, tweede alinea, eerste zin, Executieverdrag.
De tekst van artikel 40 laat mijns inziens geen ruimte voor beperkingen. Blijkens dit artikel kan de verzoeker, indien het verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging is afgewezen, beroep instellen, in welk geval, zoals reeds gezegd, „de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gevraagd wordt opgeroepen te verschijnen voor het gerecht bij hetwelk het beroep is ingesteld.”
Tot zover de letter van de bepaling, waarin overigens de geest van het Verdrag goed tot uitdrukking komt, afgaand op het rapport van de heer Jenard, dat destijds tezamen met het ontwerpverdrag aan de regeringen is aangeboden en aldus het officiële commentaar daarop vormt (PB C 59 van 1979, blz. 1).
Jenard beschrijft eerst de grote lijnen van de exequaturprocedure (ibid., blz. 48). Het verzoek wordt tezamen met de vereiste documenten ingediend bij het bevoegde gerecht, hetwelk „op korte termijn uitspraak doet zonder dat de tegenpartij mag worden opgeroepen. In dit stadium is elke mogelijkheid van een procedure op tegenspraak uitgesloten.”
Tegen de beslissing van dit gerecht staan rechtsmiddelen open, en wel:
verzet, te doen door de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd (artikel 36, eerste alinea), dan wel
—
hoger beroep, in te stellen door de verzoeker wiens verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging is afgewezen (artikel 40, eerste alinea).
Zowel het verzet als het hoger beroep worden volgens de regels van de procedure op tegenspraak aangebracht voor de bevoegde rechter (artikel 37, eerste alinea, en 40, tweede alinea). Tegen de op deze rechtsmiddelen gegeven beslissing staat slechts cassatieberoep open, en in de Bondsrepubliek Duitsland slechts het middel van „Rechtsbeschwerde” (artikelen 37, tweede alinea, en 41).
Eenvoudig gezegd, is de exequaturprocedure dus
—
unilateraal in eerste aanleg, en
—
contradictoir indien tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing een rechtsmiddel wordt aangewend.
In zijn commentaar op de artikelen 34, 37, 40 en 41 van het Verdrag verdedigt Jenard het gekozen systeem, waarin zijns inziens is recht gedaan aan zowel
het noodzakelijke verrassingseffect van de exequaturprocedure, als
de eerbiediging van de rechten van de verdediging.
Terwijl dus het Verdrag de rechter die in eerste aanleg over de zaak oordeelt, niet de bevoegdheid toekent „om zelf niet in uitzonderlijke gevallen, uiteenzettingen van de verweerder uit te lokken” (PB C 59 van 1979, blz. 50), wordt, indien het verzoek is afgewezen, de procedure in beroep contradictoir, zowel ter vermijding van „het achtereenvolgens aanwenden van verschillende rechtsmiddelen”, als ter waarborging van de rechten van de verdediging (ibid., blz. 53).
Geest en letter van het Verdrag komen dus met elkaar overeen, hetgeen niet verwonderlijk kan zijn waar het beginsel van hoor en wederhoor een van de fundamentele beginselen van burgerlijk procesrecht is. Daarom dient niet bij de toepassing van dit beginsel een restrictieve uitlegging plaats te vinden, doch bij de uitdrukkelijk daarop gemaakte uitzonderingen.
4.
Ik sluit mij derhalve aan bij het standpunt van de Commissie en van de Duitse regering en geef in overweging, de vraag van het Oberlandesgericht Frankfurt/Main te beantwoorden als volgt:
Ingevolge het bepaalde in artikel 40, tweede alinea, eerste zin, Executieverdrag, moet het gerecht dat kennis neemt van een krachtens dit artikel ingesteld beroep, de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gevraagd, ook oproepen te verschijnen wanneer het verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging enkel is afgewezen op grond dat de stukken niet tijdig zijn overgelegd, en het verlof tot tenuitvoerlegging is gevraagd voor een staat waar de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gevraagd, geen woonplaats heeft.
( 1 ) Vertaald uil het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy