CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
van 8 november 1984 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
Bij wet van 15 mei 1981, waarbij de artikelen 1639aa tot en met 1639dd aan het Burgerlijk Wetboek werden toegevoegd, is in Nederland uitvoering gegeven aan richtlijn nr. 77/187 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan (PB L 61 van 1977, blz. 26). Evenmin als de richtlijn noemt de wet met zoveel woorden de overgang van ondernemingen die failliet zijn verklaard of waaraan surséance van betaling is verleend.
Aanvankelijk stelde de Nederlandse regering zich op het standpunt, dat de wet van toepassing was op dergelijke ondernemingen, en de directeuren van de gewestelijke arbeidsbureaus, wier toestemming naar Nederlands recht vereist is voor een rechtsgeldig ontslag van een werknemer wegens overtolligheid, ontvingen richtlijnen van die strekking.
Later ontstond twijfel, of dit wel de bedoeling was van de richtlijn en van de wet.
Deze kritiek bracht de Nederlandse regering ertoe, de zaak opnieuw te bezien. De conclusie waartoe de regering op grond van deze heroverweging kwam, is neergelegd in een brief van de minister van Justitie van 6 april 1983 aan de voorzitter van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.
Hierin huldigde eerstgenoemde de opvatting, dat noch de richtlijn, noch de artikelen 1639aa — 1639dd van het Burgerlijk Wetboek van toepassing waren op gefailleerde ondernemingen of ondernemingen waaraan surséance van betaling was verleend. In een circulaire van 17 mei 1983 stelde de minister van Sociale Zaken de directeuren van de gewestelijke arbeidsbureaus onder meer op de hoogte van dit nieuwe standpunt van de regering en verzocht hij hun dit standpunt in acht te nemen.
De eisende vakbond en vakcentrale maakten daarop bij de president van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage een procedure in kort geding aanhangig tegen de Staat der Nederlanden, waarin zij vorderden dat dat deel van de circulaire van 17 mei 1983, waarin de adressaten werd verzocht om „bij de toetsing van ontslagyergunningsaanvragen in geval van faillissement en surséance van betaling geen acht te slaan op de artikelen 1639aa e.v. BW”, zou worden ingetrokken of buiten effect gesteld of buiten toepassing worden verklaard. Naast een aantal aan het Nederlandse recht ontleende argumenten voerden verzoeksters aan, dat de circulaire onverenigbaar was met richtlijn nr. 77/187.
Naar aanleiding daarvan deed de Haagse president het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 177 EEG-Verdrag. De voorgelegde vraag is praktisch gelijk aan de eerste vraag van de nationale rechter in zaak 135/83, H.B.M. Abels Bestuur van de Bedrijfsverenigingvoor de Metaalindustrie en de Electrotechnische Industrie.
Op de in mijn conclusie in de zaak Abels aangevoerde gronden, waarnaar ik hier verwijs, ben ik van oordeel dat op de onderhavige vraag een antwoord moet worden gegeven van de volgende strekking:
Richtlijn nr. 77/187 van de Raad is niet van toepassing op de overgang van een onderneming, vestiging of onderdeel daarvan, wanneer de onderneming of de eigenaar van de vestiging in staat van faillissement is verklaard of aan hem definitieve surséance van betaling is verleend.
De nationale rechter heeft te beslissen over de kosten van de partijen in het hoofdgeding; de kosten van de overige partijen die in deze procedure zijn opgetreden komen niet voor vergoeding in aanmerking.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy