CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 10 APRIL 1984 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
Hans Moser, van Duitse nationaliteit, woont in de Bondsrepubliek Duitsland. Hij zou graag onderwijzer willen worden. Hij heeft met goed gevolg het eerste staatsexamen afgelegd. Onderwijzer kan hij echter slechts worden nadat hij stage heeft gelopen en is geslaagd voor het tweede staatsexamen. Voor zijn stage verzocht hij om een aanstelling als tijdelijk ambtenaar, dan wel als arbeidscontractant. Door de instanties van het Land Baden-Württemberg werd zijn aanvraag afgewezen, op grond dat zijn trouw aan de democratische beginselen van de Bondsrepubliek werd betwijfeld. Als reden hiervoor werd genoemd, dat hij lid is van de Duitse communistische partij en geruime tijd openlijk aan haar activiteiten had deelgenomen.
Tegen die weigering stelde Moser beroep in bij het Arbeitsgericht. In de eerste plaats voerde hij aan, dat de weigering in strijd is met het nationale recht, alsmede met de Europese conventie voor de bescherming van de rechten van de mens. Tijdens de procedure rees de vraag, of de weigering van de Duitse instanties in strijd is met het gemeenschapsrecht. Het Arbeitsgericht achtte een beslissing van het Hof van Justitie noodzakelijk om vonnis te kunnen wijzen.
Het heeft het Hof dan ook drie vragen gesteld. Met de eerste wil het vernemen, of iemand in Mosers situatie een werknemer is in de zin van artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag; met de tweede, of, indien dat het geval is, een weigering om hem in dienst te nemen, een discriminatie op grond van nationaliteit vormt, wat betreft de overige arbeidsvoorwaarden, in de zin van deze bepaling; met de derde, of de weigering om hem in dienst te nemen wegens zijn lidmaatschap van de Duitse communistische partij, een inbreuk vormt op artikel 48, lid 3, sub a en b, van het Verdrag.
In limine litis voerde de Bondsrepubliek aan, dat dit verzoek waarschijnlijk metontvankelijk was, daar het Arbeitsgericht kennelijk dwaalde met betrekking tot de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht, en dat het Hof die vragen dan ook niet behoefde te beantwoorden. Zij baseerde zich op de zaken 13/68, Salgoil (Jurispr. 1968, blz. 631) en 244/80, Foglia t. Novello (Jurispr. 1981, blz. 3045).
Volgens mij dient het verzoek echter niet op die gronden te worden afgewezen. De uitspraak van het Hof in de zaak-Fogliat t. Novello kan niet zo worden uitgelegd, dat zij ook geldt voor een zaak als de onderhavige, zelfs niet indien, zoals de Bondsrepubliek Duitsland voor het Hof heeft betoogd, de vraag op een misverstand berust of kort en slechts op een enkele manier kan worden beantwoord. Dit lijkt mij namelijk geen grond om te weigeren de vraag te beantwoorden, indien de nationale rechter heeft gezegd zo'n antwoord noodzakelijk te achten. Het beantwoorden van een vraag die de rechter noodzakelijk acht, is het fundamentele doel van artikel 177.
In de onderhavige zaak is het mogelijk en wenselijk om in het antwoord op zodanige wijze in te gaan op de aan de vragen ten grondslag liggende premissen, dat de problemen van gemeenschapsrecht worden opgelost.
Moser erkent, dat enige arresten van het Hof een situatie betroffen waarin een werknemer het recht op vrij verkeer had proberen uit te oefenen. Hij stelt evenwel dat de Lid-Staten het hun onderdanen mogelijk moeten maken om in hun eigen land gebruik te maken van de in het Verdrag neergelegde vrijheden. Volgens mij is deze stelling niet aanvaardbaar.
Artikel 48 betreft het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap. Het verbiedt Lid-Staten werknemers die in die Lid-Staat willen werken, te discrimineren op grond van hun nationaliteit. Het is enkel relevant wanneer een werknemer het recht op vrij verkeer binnen de Gemeenschap heeft uitgeoefend of proberen uit te oefenen. Het geldt niet voor situaties die geheel in de interne sfeer van een Lid-Staat liggen en die geen enkele band hebben met de door het gemeenschapsrecht bedoelde situaties.
Dit blijkt zeer duidelijk uit de arresten van het Hof in de zaken-Saunders (zaak 175/78, Jurispr. 1979, blz. 1129), Knoors (zaak 115/78, Jurispr. 1979, blz. 399) en in de recente zaak-Morson en Jhanjan (gevoegde zaken 35 en 36/82, Jurispr. 1982, blz. 3723). Hieruit volgt, dat de onderdaan van een Lid-Staat, die niet heeft gepoogd als werknemer gebruik te maken van het recht van vrij verkeer binnen de Gemeenschap, geen rechten aan artikel 48 van hec Verdrag kan ontlenen in de staat waar hij woont.
Gelet op de in de verwijzingsbeschikking genoemde feiten, is dat Mosers situatie, aangenomen althans dat hij als werknemer in de hierbedoelde zin moet worden aangemerkt. Zijn onderhavige vorderingen vloeien voort uit het feit dat hij in zijn eigen Lid-Staat, waar hij woont, niet werd tewerk gesteld en geen onderwijzersopleiding mocht volgen. Het verschil dat volgens Moser bestaat tussen iemand in zijn situatie en bijvoorbeeld de door hem genoemde warme bakkers, is volgens mij een zuiver interne aangelegenheid waar het gemeenschapsrecht buiten staat. Dit geldt ook, voor zover Moser later niet in staat mocht zijn om — wanneer hij zulks mocht proberen — in andere Lid-Staten op basis van een in de Bondsrepubliek Duitsland behaald diploma werk als onderwijzer te krijgen.
Het gedetailleerd onderzoek van artikel 48, leden 2 en 3, waartoe de vragen aanleiding hadden kunnen geven, is in deze omstandigheden overbodig.
Mitsdien geef ik in overweging, op het verzoek om een prejudiciële beslissing te antwoorden, dat een onderdaan van een Lid-Staat tegenover die staat geen beroep op artikel 48 EEG-Verdrag kan doen, wanneer hij in die staat woont en niet heeft geprobeerd gebruik te maken van het recht van vrij verkeer binnen de Gemeenschap.
De nationale rechter doet uitspraak over de kosten van partijen in het hoofdgeding; de kosten van de Commissie en de Bondsrepubliek kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy