CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
VAN 4 OKTOBER 1984 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
Aan deze prejudiciële zaak, naar het Hof verwezen door de Supreme Court te Dublin, liggen de volgende feiten ten grondslag.
De vennootschap naar Iers recht Robert Fearon & Co. Ltd. (hierna: Fearon) is eigenaar van een landbouwbedrijf in het Ierse graafschap Cavan. De vijf aandeelhouders zijn Britse onderdanen. Vier van hen wonen in Engeland. De vijfde, die tevens de Ierse nationaliteit heeft, woont in Ierland, maar meer dan drie mijl van het bedrijf.
In casu is de woonplaats van de aandeelhouders van wezenlijk belang. Section 32 (3) van de Land Act 1933, zoals gewijzigd bij Section 35 van de Land Act 1965 bepaalt immers, dat de Irish Land Commission, een openbare instelling met onteigeningsbevoegdheid, van deze bevoegdheid geen gebruik mag maken tegen eigenaars die sinds één jaar op het grondbezit of op minder dan drie mijl daarvandaan wonen, met dien verstande dat, indien de eigenaar een rechtspersoon is, iedere aandeelhouder gedurende een zelfde periode aan dat woonplaatsvereiste moet voldoen.
Daar geen enkele aandeelhouder van Fearon aan dit vereiste voldeed, besloot de Irish Land Commission de vennootschap te onteigenen. In het beroep van laatstgenoemde tegen dit besluit heeft de Supreme Court te Dublin in het Hof de volgende vraag gesteld:
„Wanneer een wet van een Lid-Staat als voorwaarde stelt dat een persoon (niet zijnde een rechtspersoon), die eigenaar is van gronden, gedurende een bepaalde periode op dat grondbezit moet hebben gewoond, moet dan, wanneer de eigenaar van de gronden een rechtspersoon is, artikel 58 aldus worden uitgelegd, dat het verbiedt als voorwaarde te stellen dat elke persoon die een belang heeft in de rechtspersoon, gedurende een dergelijke periode op dat grondbezit moet hebben gewoond?”
2.
Naast Fearon en de Irish Land Commission, verzoekster en verweerster in het hoofdgeding, hebben ook de Ierse regering en de Commissie schriftelijke opmerkingen bij het Hof ingediend.
De Commissie heeft er aan het slot van haar memorie terloops op gewezen, dat artikel 222 EEG-Verdrag „op zichzelf ... volstaat om een ontkennend antwoord op de vraag van de verwijzende rechter te rechtvaardigen.”
Volgens dit artikel „Iaat dit Verdrag de regeling van het eigendomsrecht in de Lid-Staten onverlet.” De Commissie meent dus dat de vraag ontkennend moet worden beantwoord omdat „de regeling betreffende onteigening door de ‚Land Commission’ en de verschillende in dat verband gestelde voorwaarden deel uitmaken van de regeling van het eigendomsrecht in Ierland.”
Ik kan het hier met de Commissie niet eens zijn. Haar uitlegging van artikel 222 is onverenigbaar met de tekst van artikel 54, lid 3, sub e, dat met betrekking tot het recht van vestiging bepaalt:
„De Raad en de Commissie oefenen de taken uit welke hun door bovenstaande bepalingen worden toevertrouwd, met name
...
e)
door de verwerving en de exploitatie mogelijk te maken van op het grondgebied van een Lid-Staat gelegen grondbezit door een onderdaan van een andere Lid-Staat...”
Bovendien botst die uitlegging met een aantal handelingen van de Raad, en met name met het „Algemeen programma voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging” van de Raad van 18 december 1961, dat terzake uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid om „roerende en onroerende goederen en rechten te verwerven, te gebruiken of te vervreemden”, en waarvan bijlage V de landbouw betreft. In titel III, sub A, j, van dit Programma wordt bepaald dat de beperkingen welke „alleen ten aanzien van vreemdelingen ... een minder gunstige behandeling toekennen in geval van nationalisatie, onteigening of vordering”, moeten worden opgeheven.
Ter terechtzitting haalde verzoekster in het hoofdgeding de volgende passage aan uit een conclusie van advocaatgeneraal Capotorti:
„Wat de communautaire verdragen betreft: ik ben van oordeel dat het er, gezien de in artikel 222 van het EEG-Verdrag neergelegde regel, volgens welke het eigendomsrecht in de Lid-Staten ‚onverlet’ wordt gelaten, niet voor mag worden gehouden dat de particuliere eigendom in het recht van de Gemeenschappen met meer waarborgen wordt omringd of juist beperkter wordt opgevat: in werkelijkheid houdt het artikel, daargelaten de beperkingen die met zoveel woorden in sommige verdragsbepalingen, met name in die van het EGKS-Verdrag, besloten liggen, de bevestiging in, dat men in de verdragen geen nieuwe opvatting of regeling van de eigendom aan de Lid-Staten heeft willen opleggen of in de communautaire rechtsorde heeft willen introduceren” (conclusie in zaak 44/79, Hauer, Jurispr. 1979, blz. 3729, 3759-3760).
Daar artikel 222 derhalve niet aldus kan worden uitgelegd, dat de algemene beginselen van gemeenschapsrecht niet van toepassing zijn op de regeling van de eigendom in de Lid-Staten, moet worden onderzocht of zij, zoals Fearon stelt, door bedoelde Ierse wettelijke regeling worden geschonden.
3.
Volgens Fearon is deze wettelijke regeling discriminerend, maakt zij inbreuk op het evenredigheidsbeginsel en leidt zij tot rechtsonzekerheid. Bovendien, aldus Fearon, mag de discussie voor het Hof zich niet beperken tot de uitlegging van artikel 58 EEG-Verdrag en had de Supreme Court, in plaats van te beslissen dat Section 35 van de Land Act 1965 niet onverenigbaar is met de artikelen 40 en 52 van het Verdrag, de door haar (Fearon) in verband met deze twee artikelen opgeworpen vragen aan het Hof moeten voorleggen.
4.
Wat haar middel inzake discriminatie betreft, stelt Fearon dat artikel 58 de Lid-Staten verplicht om aan de in de tweede alinea van dat artikel bedoelde vennootschappen het recht van vestiging te verlenen, dat artikel 52 aan natuurlijke personen toekent.
Ook al bevat Section 35 van de Land Act 1965 geen uitdrukkelijke discriminerende bepaling, in feite discrimineert zij in tweeërlei opzicht:
—
uit hoofde van nationaliteit, aangezien blijkens de parlementaire debatten die aan de goedkeuring van die wet voorafgingen, de wetgever Ierse onderdanen wilde bevoordelen; en
—
meer in het algemeen ten opzichte van vennootschappen, omdat het immers moeilijker is dan in geval van natuurlijke personen, en soms zelfs onmogelijk voor elk van hun aandeelhouders om te voldoen aan het woonplaatsvereiste, ten einde zich met succes tegen onteigening te kunnen verzetten.
Artikel 58, eerste alinea, bepaalt:
„De vennootschappen welke in overeenstemming met de wetgeving van een Lid-Staat zijn opgericht en welke hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Gemeenschap hebben, worden voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk gelijkgesteld met de natuurlijke personen die onderdaan zijn van de Lid-Staten.”
Dit noopt tot twee opmerkingen :
1.
Men kan zich, mét de Commissie van de Europese Gemeenschappen, de Ierse regering en de Irish Land Commission, afvragen of artikel 58 in casu wel relevant is; Fearon is immers niet een vennootschap die in een andere Lid-Staat is opgericht en zich in Ierland wil vestigen, maar een Ierse, reeds in Ierland gevestigde vennootschap.
2.
Artikel 58, dat de afsluiting vormt van hoofdstuk 2 betreffende het recht van vestiging, verwijst — impliciet, maar noodzakelijk — naar de eraan vooraf gaande artikelen en inzonderheid naar artikel 52, hetgeen overigens door de tweede alinea van dit laatste artikel wordt bevestigd.
Deze alinea luidt als volgt:
„De vrijheid van vestiging omvat, behoudens de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het kapitaal, de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld.”
Zoals de Commissie terecht stelt, gaat het hier dus om de vraag of, gelet op de verdragsbepalingen inzake de vrijheid van vestiging, een woonplaatsvereiste kan worden gesteld aan Britse onderdanen die het recht van vestiging ex artikel 52 in Ierland hebben uitgeoefend als aandeelhouders van een Ierse vennootschap.
Deze vraag moet bevestigend worden beantwoord.
Artikel 52 verlangt immers, dat onderdanen van een Lid-Staat, die in een andere Lid-Staat hun recht van vestiging willen uitoefenen, aldaar als eigen onderdanen worden behandeld. Welnu, het vereiste van woonplaats, waardoor men aan het risico van onteigening kan ontkomen, geldt zowel voor natuurlijke personen als voor de aandeelhouders van een rechtspersoon, ongeacht hun nationaliteit. In dit opzicht is de wet naar haar letter dus hoegenaamd niet discriminerend, terwijl een discriminerende praktijk evenmin is aangetoond. Mitsdien kunnen buitenlandse aandeelhouders niet verlangen dat zij, bij wege van positieve discriminatie, van die voorwaarde worden vrijgesteld.
Er is evenmin sprake van discriminatie sensu lato jegens rechtspersonen.
Het is voor een rechtspersoon stellig moeilijker dan voor een natuurlijk persoon aan het woonplaatsvereiste te voldoen, aangezien dit immers voor alle aandeelhouders geldt. Deze moeilijkheid, die ongetwijfeld groter wordt naarmate het aantal aandeelhouders stijgt, houdt echter verband met de aard van een rechtspersoon en niet met enige discriminatie jegens vennootschappen.
Aan de tegengestelde oplossing, waarbij rechtspersonen zouden worden vrijgesteld van het woonplaatsvereiste voor hun aandeelhouders, kleven twee nadelen:
—
natuurlijke personen zouden zich, door een vennootschap op te richten, op bedrieglijke wijze kunnen onttrekken aan de risico's die het niet hebben van woonplaats meebrengt;
—
het zou komen tot een met artikel 58 EEG-Verdrag strijdige discriminatie van natuurlijke personen ten opzichte van rechtspersonen.
5.
De aan schending van de beginselen van evenredigheid en rechtszekerheid ontleende grieven zijn mijns inziens evenmin gegrond. Deze beginselen kunnen immers niet aldus worden uitgelegd, dat zij een nationale wetgever zouden beletten, een onteigeningsregeling als vervat in Section 35 van de Land Act 1965 vast te stellen, die geen discriminatie op grond van nationaliteit inhoudt.
6.
Dan is er nog de verwijzing naar artikel 40.
Dit artikel betreft het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Het bevat geen bepaling en het vormt ook niet de grondslag van een maatregel waarop verzoekster in het hoofdgeding — die overigens zelf erkent dat het gemeenschapsrecht terzake niets uitdrukkelijk bepaalt — zich met goed gevolg zou kunnen beroepen.
7.
Mitsdien concludeer ik, dat het Hof verklare voor recht:
—
Wanneer een wet van een Lid-Staat als voorwaarde stelt dat een natuurlijke persoon die eigenaar is van gronden, gedurende een bepaalde periode op dat grondbezit of op minder dan een bepaalde afstand daarvandaan moet hebben gewoond, om aan onteigening te kunnen ontkomen, dan verbiedt artikel 58 noch enige andere verdragsbepaling te verlangen dat, wanneer de eigenaar een rechtspersoon is, alle vennoten van die vennootschap aan die voorwaarde voldoen.
( 1 ) VcruaM uk het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy