CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN 30 MEI 1984
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1. Inleiding
1.1.
Het bodemgeschil, dat de Tariefcommissie aanleiding heeft gegeven U een prejudiciële vraag te stellen betreft de weigering van vrijstelling van invoerrechten voor een apparaat „JEOL-Electron Microscope, model JEM 200 CX”, dat uit Japan in de Gemeenschap is ingevoerd. Het wetenschappelijk karakter van dit apparaat is niet omstreden. Evenmin is omstreden, dat het apparaat in casu uitsluitend bestemd is voor onderwijsdoeleinden of zuiver wetenschappelijk onderzoek in een openbare instelling of instelling van openbaar nut. Ingevolge artikel 3, lid 1, sub a), van de ter uitvoering van de U reeds uit vele procedures bekende Unesco-overeenkomst van Florence vastgestelde verordening nr. 1798/75, zoals gewijzigd in artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1027/79, komt het apparaat dus in zoverre in aanmerking voor invoer met vrijstelling van douanerechten. Ingevolge artikel 3, lid 1, sub b), van genoemde verordening is een tweede voorwaarde voor een zodanige vrijstelling echter, dat „geen instrumenten of apparaten van overeenkomstige wetenschappelijke waarde in de Gemeenschap worden vervaardigd”. Deze tweede voorwaarde, alsmede de in de Commissieverordening (EEG) nr. 2784/79 (PB L 318 van 1979, blz. 32) vastgelegde procedurevoorschriften terzake van genoemde vrijstellingen staan in de onderhavige procedure centraal.
1.2.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, van laatstgenoemde verordening kon de Nederlandse bevoegde autoriteit in casu zelfstandig beslissen over de onderwerpelijke aanvraag van het Interfacultair Instituut Electronenmicroscopen van de Rijksuniversiteit te Groningen. Nadat verzoeker tegen een negatieve beslissing van de bevoegde administratieve autoriteit op 23 januari 1981 in beroep was gegaan bij de Tariefcommissie, heeft de Nederlandse regering echter, na overleg met verzoeker, op 3 april 1981 de Commissie verzocht — speciaal met het oog op de invoer van het onderhavige apparaat — nogmaals te onderzoeken of in de Gemeenschap een gelijkwaardig apparaat wordt gefabriceerd. Aanleiding voor dit verzoek was kennelijk, dat de afwijzing van het verzoek door de bevoegde Nederlandse autoriteiten was gebaseerd op beschikking nr. 80/772/EEG van de Commissie van 18 juli 1980 (PB L 221 van 1980, blz. 20). In die beschikking was hetzelfde apparaat aan de orde, maar zij had betrekking op een andere aanvraag. Aangezien dergelijke aanvragen worden beoordeeld op grond van het specifieke onderzoek waarvoor het betrokken apparaat is bestemd, was het denkbaar, dat de specifieke onderzoekbestemming van het apparaat in de aanvraag van de Rijksuniversiteit te Groningen wèl een vrijstelling zou rechtvaardigen. Met name zou kunnen blijken, dat het in de Gemeenschap vervaardigde apparaat „EM 400” van Philips voor het betrokken onderzoek niet „van overeenkomstige wetenschappelijke waarde” was als het ingevoerde Japanse apparaat. Op 25 mei 1981 nam de Commissie, ditmaal op verzoek van België, beschikking nr. 81/415/EEG (PB L 158 van 1981, blz. 24), waarin de toelating van bedoeld apparaat met douanevrijstelling om dezelfde reden als in de beschikking van 8 juli 1980 werd geweigerd. Op 8 oktober 1981 nam de Commissie, na de in artikel 7, lid 5, van verordening nr. 2784/79 bedoelde groep deskundigen te hebben gehoord, haar beschikking nr. 81/843/EEG, waarop de U voorgelegde prejudiciële vraag betrekking heeft.
De prejudiciële vraag luidt als volgt: „Heeft de Commissie het begrip ‚van overeenkomstige wetenschappelijke waarde’, zoals dat voorkomt in artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1798/75, in haar beschikking van 8 oktober 1981 (nr. 81/843/EEG) op de juiste wijze geïnterpreteerd en toegepast?” De Tariefcommissie heeft er in de overwegingen van haar uitspraak onder meer op gewezen dat verzoeker onweersproken heeft gesteld dat voor het onderzoek op zijn Instituut een elektronenmicroscoop noodzakelijk is die een versnellingsspanning van 200 kV bezit, aan welk vereiste het apparaat van Philips niet voldoet. Zij overweegt voorts dat het door verzoeker bestreden oordeel van de Commissie in de beschikking niet nader is gemotiveerd, terwijl verweerder (de Inspecteur der invoerrechten en accijnzen te Groningen) zich op het standpunt heeft gesteld dat hij slechts tot taak heeft de beschikking uit te voeren.
1.3.
Voor verdere bijzonderheden over de relevante voorschriften, de feiten en de procedure voor de nationale rechter, alsmede over de door de Nederlandse regering, de Italiaanse regering en de Commissie ingediende schriftelijke opmerkingen volsta ik op deze plaats van mijn betoog in hoofdzaak met verwijzing naar het rapport ter terechtzitting. Van de ingediende schriftelijke opmerkingen acht ik hier in de eerste plaats van belang de uitvoerig toegelichte opvatting van de Italiaanse regering, dat de beschikking voldoende gegevens moet bevatten omtrent de redenen voor de goedkeuring of de afwijzing van de vrijstelling, zodat zij kan dienen als aanwijzing voor de behandeling van andere soortgelijke gevallen en tevens om in ieder bijzonder geval de juistheid van de overwegingen van de beschikking te toetsen. In de tweede plaats ben ik met de Commissie van oordeel dat het bij de in casu gestelde vraag niet gaat om de al of niet juiste interpretatie of toepassing van artikel 3 van verordening nr. 1798/75, doch om de geldigheid van de onderhavige beschikking, gezien de wijze waarop de Commissie daarin het begrip „van overeenkomstige wetenschappelijke waarde” heeft geïnterpreteerd en toegepast.
1.4.
In zijn arrest van 27 september 1983 in de, met de onderhavige zaak intussen niet op alle relevante punten vergelijkbare, zaak 216/82 (Universität Hamburg t. Hauptzollamt Hamburg-Kehrwieder, Jurispr. 1983, blz. 2771) heeft Uw Hof reeds gesteld, dat het Hof de inhoud van een door de Commissie conform het advies van (de groep deskundigen in het kader van) het Comité Douanevrijstellingen gegeven beschikking „slechts aan de kaak kan stellen bij een klaarblijkelijke fout — feitelijk of rechtens — of bij misbruik van bevoegdheid” (rechtsoverweging 14). De voornaamste relevante verschillen tussen deze Hamburgse zaak en de onderhavige zaak lijken mij de volgende. In de eerste plaats blijkt in de Hamburgse zaak uit het in het arrest vermelde verslag van de vergadering van het Comité Douanevrijstellingen, dat de gebruikers op dat tijdstip geacht werden wel de gelijkwaardigheid van de als gelijkwaardig aangemelde Nederlandse apparaten, maar niet die van de eveneens als gelijkwaardig aangemelde Franse apparaten te betwisten. De gelijkwaardigheid van de Franse apparaten werd door de Universiteit Hamburg pas na de beschikking voor de bevoegde Duitse rechter betwist. In een onafhankelijk deskundigenonderzoek, van 1 februari 1982 werd blijkens hetzelfde arrest ook toen echter niet zozeer de gelijkwaardigheid als wel de beschikbaarheid van de Franse apparaten op het tijdstip van aankoop in twijfel getrokken. In de onderhavige zaak is de gelijkwaardigheid van het beschikbare Philips-apparaat daarentegen vanaf de aanvraag steeds betwist. In de tweede plaats vertoont de onderhavige zaak twee procedureverschillen met de Hamburgse zaak, waarvan de relevantie nader moet worden onderzocht. Enerzijds spelen in de onderhavige zaak verschillende rapporten over de gelijkwaardigheid van de belanghebbende communautaire producent een belangrijke rol, zonder dat ten aanzien van deze rapporten een contradictoire procedure werd toegepast. Wel is volgens mededelingen van de Commissie ter terechtzitting tijdens de betrokken vergadering van het Comité voor Douanevrijstellingen mondeling een onafhankelijk deskundigenoordeel over de gelijkwaardigheidsvraag uitgebracht door een deskundige van het communautaire onderzoekcentrum in Ispra, maar het verslag vermeldt daarover niets. Een tweede mogelijk relevant procedureverschil tussen de onderhavige zaak en de Hamburgse zaak is hierin gelegen, dat de procedure van artikel 7, leden 3 tot en met 7, van verordening nr. 2783/79 in casu werd toegepast in een situatie, waarvoor lid 2 van dit artikel duidelijk niet bedoeld is. Genoemd lid 2 betreft namelijk een situatie waar „de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat waar de instelling of organisatie van bestemming is gevestigd, niet in staat is de in lid 1 bedoelde beslissing (in casu over de gelijkwaardigheid) te nemen”. Niet alleen achtte de bevoegde Nederlandse autoriteit zich in casu wel degelijk in staat de beslissing te nemen, maar hij was daartoe ook objectief gesproken in staat, omdat de producent van het beweerdelijk gelijkwaardige produkt in Nederland gevestigd was. Tenslotte heeft die autoriteit terzake ook een beslissing genomen, waarbij zij zich in hoofdzaak baseerde op de eerder vermelde Commissiebeschikking nr. 80/772/EEG in een op het eerste gezicht vergelijkbaar geval. Het verzoek van de Nederlandse regering aan de Commissie om een beslissing in verband met het door verzoekster bij de bevoegde rechter ingestelde beroep had in dit geval derhalve duidelijk de strekking een nadere toetsing uit te lokken over de vraag of de specifieke onderzoekbestemming van het apparaat in het onderhavige geval wellicht een afwijking van de zo juist genoemde beschikking rechtvaardigde. De vraag rijst dan, of de in artikel 7, leden 3 tot en met 7 van de verordening vastgelegde procedure wel passend is voor een dergelijke „quasi-be-roepsprocedure”.
1.5.
Ten behoeve van de toetsing van de onderwerpelijke Commissiebeschikking aan de in Uw arrest in de zaak 216/82 (rechtsoverweging 14) neergelegde criteria zal ik thans achtereenvolgens onderzoeken: 2. de aanvraag van de Rijksuniversiteit Groningen; 3. de door de Commissie gevolgde procedure en 4. de toepasselijkheid van artikel 7, leden 3 tot en met 7 van verordening nr. 2784/79 op het onderhavige geval. In het slotdeel van mijn conclusie zal ik mijn eindoordeel uitspreken.
2. De aanvraag
In de aanvraag om vrijstelling van douanerechten voor de invoer van het betrokken apparaat van 20 augustus 1980 geeft verzoeker in het hoofdgeding als bestemming aan: „wetenschappelijk metaal — en materiaalkundig onderzoek; onderwijs aan studenten Technische Natuurkunde en incidenteel Experimentele Natuurkunde”. Voor een meer uitvoerige omschrijving van de bestemming liet het formulier op deze plaats ook nauwelijks ruimte. Wel was iets meer ruimte aanwezig voor de beantwoording van de vraag naar „de redenen waarom een in de Gemeenschap verkrijgbaar instrument of apparaat niet voor het beoogde onderzoek kan worden gebruikt”. Het antwoord van verzoeker op deze vraag luidde als volgt: „Vergelijkende studies, uitgevoerd op de applicatielaboratoria, respectievelijk van Philips te Eindhoven en JEOL te Londen bewezen verre de superioriteit van de JEM 200 CX van JEOL ten opzichte van de EM 400 van Philips. Deze superioriteit bleek voornamelijk het gevolg te zijn van de versnellingsspanning, welke bij de JEM 200 CX 200 kV bedraagt, tegenover 120 kV bij de EM 400. Voor het beoogde toepassingsgebied: studie van metalen en legeringen, blijkt er maar een enkele juiste keuze te zijn: de JEM 200 CX. Overleg met Philips over mogelijkheden van levering van een EM 400 met 200 kV leidde Philips tot de uitspraak, dat dit niet mogelijk was. In het voorjaar van 1980 is op gelijke gronden als boven vermeld vrijstelling verleend aan de T. H. Twente, afdeling Werktuigbouw.”
In de litigieuze beschikking van de Commissie van 8 oktober 1981 wordt de bestemming van het apparaat op grond van later door verzoeker verstrekte inlichtingen omschreven als „gebruikt te worden bij het microstructureel onderzoek van transformaties en vervormingen van metallieke materialen en legeringen”.
Op grond van de oorspronkelijke aanvraag kon de bevoegde Nederlandse autoriteit stellig menen, dat de eerder geciteerde beschikking van de Commissie van 18 juli 1980 van toepassing was. De bestemming was hier immers op praktisch gesproken vrijwel gelijke wijze aangeduid als in de aanvraag van verzoeker. De door de Commissie uiteindelijk in het onderhavige geval aangehouden omschrijving van de bestemming is iets specifieker dan in laatstgenoemde beschikking, maar aanzienlijk minder specifiek dan de omschrijving van de bestemming in de Belgische aanvraag, waarop beschikking nr. 81/415/EEG van 25 mei 1981 (PB L 158, biz. 24) betrekking had.
Gelet op de tekst van de aanvraag en op artikel 5, tweede lid, tweede gedachtenstreepje, van haar geciteerde verordening kon de Commissie ceteris paribus stellig menen, dat er geen aanleiding was in het onderhavige geval een andere beslissing te nemen dan in de geciteerde twee eerder genomen beschikkingen. Met name behoefde het enkele beroep van verzoeker op de superioriteit van het Japanse apparaat de Commissie geen aanleiding tot een andere beslssing te geven nu verzoeker niet overeenkomstig artikel 5, tweede lid, had aangetoond dat de hogere prestaties „noodzakelijk zijn voor de goede uitvoering van de beoogde specifieke werkzaamheden”. Verzoeker in het hoofdgeding heeft tijdens de procedure voor Uw Hof ook erkend, dat hij het belang van een meer specifieke omschrijving van de bestemming van het apparaat ten tijde van zijn aanvraag niet voldoende heeft onderkend.
3. De door de Commissie in casu gevolgde procedure
Als opgemerkt heeft de Commissie in casu de in artikel 7, leden 3 tot en met 7, van haar verordening toegepast. Uit het overgelegde verslag van de betrokken discussie in het Comité voor Vrijstelling van douanerechten op 9 en 10 juli 1981 en de daarop door de Commissie ter zitting verschafte toelichtingen blijkt:
1.
Dat de Nederlandse delegatie mededeelt, dat de firma Philips terzake van de gelijkwaardigheidsvraag een algemeen rapport heeft opgesteld, waarin zij de argumenten van verzoeker bestrijdt. Genoemd rapport zou zo spoedig mogelijk aan de Commissie worden toegezonden (verslag 14.1). Volgens mededelingen van de Commissie ter terechtzitting werd de inhoud van dit rapport ter vergadering echter wel mondeling uiteengezet.
2.
Dat rekening houdend met de eerder genomen beschikkingen terzake van het onderwerpelijke apparaat het Comité het wetenschappelijk karakter van het apparaat bevestigde (verslag 14.2).
3.
Dat vastgesteld werd, dat apparaten van overeenkomstige wetenschappelijke waarde in de Gemeenschap beschikbaar waren (verslag 14.2, als ter terechtzitting door de Commissie toegelicht).
4.
Dat in het verslag geen melding wordt gemaakt van het oordeel van de aanwezige deskundige van het Onderzoekcentrum in Ispra. Volgens de mededelingen van de Commissie ter terechtzitting zou deze vertegenwoordiger in die vergadering echter wel mondeling zijn voor verzoeker negatief oordeel hebben toegelicht.
5.
Dat weliswaar vertegenwoordigers van de voor douanerechten verantwoordelijke ministeries uit negen Lid-Staten aanwezig waren. De Commissie gaf echter ter zitting toe, dat deze vertegenwoordigers geen wetenschap-pelijk-technische deskundigen waren.
6.
Dat (blijkens de antwoorden van de Commissie op vragen van Uw Hof) het doel van de raadpleging van het bedoelde Comité uitsluitend een feitelijke informatieuitwisseling tussen de Lid-Staten is en dat daarmede met name geen wetenschappelijk-technische beoordeling van de gelijkwaardigheidsvraag wordt nagestreefd.
7.
Dat de Commissie het (blijkens haar antwoorden op vragen van Uw Hof ter zitting) gegeven het feitelijke karakter van de vaststellingen van het Comité en de daarop gebaseerde Commissiebeschikking mogelijk acht, dat de wetenschappelijk-technische juistheid van haar vaststelling van de produktie van apparaten van gelijke wetenschappelijke waarde binnen de Gemeenschap, voor de bevoegde nationale rechter wordt aangevochten, bijvoorbeeld wanneer de Commissie uit zou zijn gegaan van een onjuiste formulering van het onderzoek, vergeleken met de formulering zoals de Rijksuniversiteit Groningen die had gedaan.
8.
Dat grondslag van de besprekingen in het Comité de aanvraag van verzoeker was.
Zowel op grond van de tekst van artikel 7 van de verordening, als op grond van de aldus kort weergegeven gevolgde procedure concludeer ik, dat de consultatieprocedure uitsluitend op uitwisseling van feitelijke inlichtingen was gericht en geen andere institutionele waarborgen voor wetenschappelijk-technische evaluatie van de omstreden gelijkwaardigheid bevatte dan de feitelijke, maar niet in de verordening voorziene aanwezigheid van een deskundige van het onderzoekcentrum in Ispra. Zowel volgens de motivering van de beschikking als blijkens het verslag werd aan diens oordeel geen beslissende betekenis toegekend, hetgeen bij de door de Commissie uiteengezette doelstelling van uitwisseling van feitelijke inlichtingen ook niet zou passen. Dit wordt ook bevestigd door de brief in het dossier, waarbij verzoeker het Philips-rapport kreeg toegezonden door het Nederlandse Ministerie van Financiën, van 22 oktober 1982, waarin gesteld wordt dat „met name de door Philips verstrekte gegevens ... tot de onderhavige beschikking hebben bijgedragen”. Ook is niet gebleken, dat het uitzonderlijke en in lid 2 van artikel 7 niet uitdrukkelijk voorziene „quasi-beroeps”-karakter van de onderhavige raadpleging of procedurele overwegingen inzake de eventuele wenselijkheid van contradictoire behandeling van een dergelijk quasi-beroep tot enigerlei afwijking van de normaal bij toepassing van de leden 3 tot en met 7 gevolgde procedure hebben geleid.
Niettemin zou ik uitsluitend op deze gronden nog niet van „een klaarblijkelijke fout — feitelijk of rechtens”, als bedoeld in rechtsoverweging 14 van Uw geciteerde arrest in de Hamburgse zaak willen concluderen.
4. De toepasselijkheid van artikel 7, leden 3 tot en met 7 van verordening nr. 2784/79 op het onderhavige geval
Met name uit artikel 7, tweede lid, in samenhang met artikel 7, vierde lid, van de betrokken verordening blijkt, dat de procedurevoorschriften van artikel 7, leden 3 tot en met 7, uitsluitend zijn afgestemd op gevallen, waarin een nationale autoriteit nog geen beslissing of uitsluitend een voorlopige vrijstellingsbeslissing heeft genomen. De ratio van deze raadplegingsprocedure is blijkens de door de Commissie tijdens de procedure gegeven toelichtingen en ook blijkens de ervaringen van Uw Hof in andere zaken betreffende de onderwerpelijke mogelijkheid van vrijstelling van douanerechten met name hierin gelegen, dat noch de nationale administraties, noch de Commissie altijd op de hoogte zijn van de vervaardiging van instrumenten of apparaten van dezelfde wetenschappelijke waarde in één van de tien Lid-Staten. Iedere nationale administratie kan daarentegen gemakkelijk nagaan of in zijn Lid-Staat een dergelijk instrument of apparaat wordt vervaardigd. Daar het invoerland bij toepassing van de consultatieprocedure blijkens de genoemde procedureregels geacht wordt een ander land te zijn dan de Lid-Staat, waar het als gelijkwaardig beschouwde apparaat wordt vervaardigd, bevatten de leden 5 en 6 van genoemd artikel 7 in zoverre voldoende procedurele waarborgen voor een contradictoire behandeling. De weergave van de in de Hamburgse zaak gevolgde procedure in het betrokken arrest lijkt de juistheid van deze conclusie te bevestigen. Het invoerland heeft daar kennelijk inderdaad het standpunt van de gebruiker van het apparaat, alsmede de deskundigenrapporten in de discussie ingebracht.
Daarentegen bevat genoemd artikel 7 in het geheel geen waarborgen voor contradictoire behandeling voor een geval als het onderhavige, waarin de belanghebbende producent in de Gemeenschap in dezelfde Lid-Staat is gevestigd, die de zaak aan de Commissie ter beslissing voorlegt. Blijkens het dossier en de mededelingen ter terechtzitting heeft ook in feite geen zodanige contradictoire behandeling plaatsgevonden. Zelfs blijkt uit het dossier, dat verzoeker in het hoofdgeding er pas na de beschikking in geslaagd is de beschikking te krijgen over de door Philips opgestelde rapporten en dus ook uit eigen beweging geen verweerschrift ter zake heeft kunnen indienen. Onder deze omstandigheden ben ik van oordeel, dat bij de voorbereiding van de onderhavige beschikking wezenlijke vormfouten zijn begaan. Op grond van die vormfouten ben ik van oordeel, dat de beschikking ongeldig moet worden verklaard. Ik zou niet zo ver willen gaan tevens van misbruik van bevoegdheid te spreken, doordat de procedure van artikel 7, leden 3 tot en met 7 voor een doel is toegepast, waarvoor deze procedure kennelijk niet bestemd was. Wel acht ik het op zichzelf wenselijk, dat de Commissie bij een eventueel voornemen tot het verder mogelijk maken van voorlegging van dergelijke „quasi-beroepsza-ken” haar verordening zodanig wijzigt, dat voor dergelijke zaken in bijzondere procedurele waarborgen wordt voorzien. Deze wijzigingen zullen dan naast waarborgen voor wetenschappelijk-technische deskundigheid van de te raadplegen groep van deskundigen ook in een contradictoire procedure moeten voorzien. Ik acht echter ook denkbaar dat de Commissie de behandeling van dergelijke quasi-beroepszaken voortaan geheel overlaat aan de bevoegde nationale rechter, hetgeen een contradictoire behandeling zonder meer waarborgt.
5. Conclusie
Gelet op mijn zojuist bereikte conclusie acht ik het niet nodig, afzonderlijk ook nog uitvoerig in te gaan op een eventueel motiveringsgebrek van de beschikking. De beslissende overweging van de beschikking houdt in „dat, op grond van de door de Lid-Staten verzamelde inlichtingen, is gebleken dat apparaten van gelijke wetenschappelijke waarde als genoemd apparaat en geschikt voor hetzelfde gebruik momenteel in de Gemeenschap worden vervaardigd; dat dit in het bijzonder het geval is met het apparaat „EM 400”, vervaardigd door Philips Nederland BV, Boschdijk 525, Eindhoven, Nederland”.
Deze motivering bevestigt, dat alleen feitelijke inlichtingen van de Lid-Staten en niet een eventueel onafhankelijk weten-schappelijk-technisch oordeel over de gelijkwaardigheid een beslissend motief voor de beschikking hebben gevormd. Ook bevestigt deze motivering, dat geen contradictoire behandeling heeft plaatsgevonden ten aanzien van de na de (in de beschikking weergegeven) aanvraag door de belanghebbende producent opgestelde rapporten over de gelijkwaardigheid van zijn produkt. Als opgemerkt staat zelfs vast, dat verzoeker in het hoofdgeding van die rapporten vóór de Commissiebeschikking geen inzage heeft kunnen krijgen. De gebrekkige motivering, waarover de Italiaanse regering in haar memorie behartenswaardige, meer algemene opmerkingen heeft gemaakt, blijkt aldus in het onderhavige geval alleen maar een bevestiging op te leveren van de eerder vermelde wezenlijke vormfouten die bij de voorbereiding van de beschikking zijn begaan.
Ik stel U derhalve op grond van mijn eerdere conclusies voor, op de vraag van de Tariefcommissie als volgt te antwoorden :
„De beschikking van de Commissie van 8 oktober 1981 (nr. 81/843/EEG) is ongeldig, omdat bij de voorbereiding van de daarin gegeven interpretatie en toepassing van artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1798/75 wezenlijke vormfouten zijn begaan.”
Daar de eerder over het betrokken apparaat genomen beschikkingen alleen voor de daarin vermelde specifieke aanvragen golden en tevens door de Commissie ter zitting is bevestigd, dat voor bepaalde soorten onderzoek ook de onderzoekcentra van de Gemeenschap het Philips-apparaat niet gelijkwaardig achten, kan de zaak bij een dergelijk antwoord naar mijn oordeel door de Tariefcommissie zelfstandig worden afgehandeld.
Full & Egal Universal Law Academy