CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
van 27 februari 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In de onderhavige zaak vordert de Helleense Republiek nietigverklaring van verordeningen nrs. 1615 en 1618/83 van de Commissie (PB 1983, L 159, blz. 48 respectievelijk 52), in zoverre daarbij de voor het verkoopseizoen 1983/1984 uit te keren produktiesteun voor in Griekenland geproduceerd tomatenconcentraat en perziken op siroop is vastgesteld.
Verordening nr. 516/77 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten (PB 1977, L 73, blz. 1) is gewijzigd bij verordening nr. 1152/78 van de Raad (PB 1978, L 144, blz. 1), waarbij in eerstgenoemde verordening een reeks artikelen is ingevoegd betreffende de verlening van steun ter zake van contracten tussen producenten van groenten en fruit en bedrijven die op basis daarvan bepaalde verwerkte produkten, waaronder tomatenconcentraat en perziken op siroop, produceren. Doel van deze regeling was, de concurrentiepositie van deze produkten van landen van de Gemeenschap, waarvan de prijzen toentertijd „aanzienlijk hoger” waren dan die van derde landen, te versterken door het mogelijk te maken, deze produkten te produceren tegen een lagere prijs dan die welke het resultaat zou zijn van de betaling van een lonende prijs aan de producenten van de verse produkten. De steun moest worden uitgekeerd aan de verwerkende bedrijven nadat de verwerking had plaatsgevonden, voor zover aan de gestelde voorwaarden was voldaan (artikel 3 ter, leden 4 en 5). Een van deze voorwaarden was, dat de door de verwerkende bedrijven aan de producenten betaalde prijs niet lager mocht zijn dan een overeenkomstig artikel 3 bis, lid 3, vastgestelde minimumprijs.
Het bedrag van de steun moest worden vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 ter. Lid 1 van dit artikel bepaalt: „Het bedrag van de steun wordt zodanig vastgesteld dat het verschil tussen de prijzen van de communautaire produkten en die van de produkten uit derde landen wordt overbrugd”. Lid 2 bepaalt: „Voor de bepaling van de prijs van de communautaire produkten wordt met name rekening gehouden met: a) de in artikel 3 bis bedoelde minimumprijs; b) de verwerkingskosten, zonder rekening te houden met de bedrijven die de hoogste onkosten hebben”.
Bij de eerste prijsvaststelling moest de prijs van de produkten uit derde landen worden bepaald op basis van de in de internationale handel toegepaste prijzen. Daarna moest bij de bepaling van de prijs van deze produkten rekening worden gehouden met vorenbedoelde prijzen en met de prijs franco grens bij invoer in de Gemeenschap (artikel 3 ter, lid 3).
Artikel 3 quater bepaalt, dat het steunbedrag en de minimumprijs door de Commissie moeten worden vastgesteld volgens de procedure van het comité van beheer, zoals geregeld door artikel 20 van de basisverordening. In de jaren volgende op de toetreding van Griekenland tot de Gemeenschap, heeft de Commissie de minimumprijs en het bedrag van de steun voor de betrokken produkten respectievelijk vastgesteld bij verordeningen nrs. 1963/81 (PB 1981, L 192, blz. 16), 1585/82 (PB 1982, L 178, blz. 20) en 1618/83 (PB 1983, L 159, blz. 52).
Voor perziken op siroop was in artikel 6, lid 2, van elk van deze verordeningen per 100 kg, inclusief onmiddellijke verpakking, een forfaitair, in Ecu uitgedrukt bedrag vastgesteld voor (a) alle Lid-Staten behalve Griekenland, (b) Griekenland. Aldus was in verordening nr. 1618/83, thans in geding, dit bedrag vastgesteld op respectievelijk (a) 29,93 Ecu en (b) 14,06 Ecu.
Voor tomatenconcentraat geldt een ingewikkelder regeling. Artikel 1, lid 2, van elk van de drie voornoemde verordeningen stelt het steunbedrag vast per 100 kg, inclusief onmiddellijke verpakking, tomatenconcentraat met een drogestofgehalte van ten minste 28% maar minder dan 30% en verpakt in hoeveelheden van ten minste 1,5 kg (het „referentieprodukt”), volgens een systeem ingesteld voor het verkoopseizoen 1978/1979, zij het op basis van een ander referentieprodukt (verordening nr. 1515/78 van de Commissie, PB 1978, L 178, blz. 61).
Voor het referentieprodukt worden weer verschillende bedragen vastgesteld voor (a) alle Lid-Staten behalve Griekenland, (b) Griekenland. In verordening nr. 1618/83 bedroegen deze respectievelijk (a) 47 Ecu en (b) 30,78 Ecu.
Bij verordening nr. 1610/78 (PB 1978, L 188, blz. 19) zijn ter zake van de steunregeling evenwel aanvullende bepalingen vastgesteld. In deze verordening werd het volgende overwogen: „... voor tomatenpasta moet, op grond van de verschillen inzake concentratie en verpakking, het bedrag van de steun bij de produktie worden vastgesteld voor een produkt waarvan de handelskenmerken zijn omschreven; ... voorts moeten coëfficiënten worden vastgesteld die op bedoeld bedrag worden toegepast om rekening te houden met de verschillen met name ten opzichte van de concentratie en de verpakking.” Coëfficiënten werden vastgesteld voor de berekening van het steunbedrag voor tomatenconcentraat met een hoger of lager drogestofgehalte dan het referentieprodukt en verpakt in verschillende hoeveelheden.
In de considerans van verordening nr. 1962/81 van de Commissie (PB 1981, L 192, blz. 13) werd gesteld: „... bij de toepassing van de coëfficiënten... is gebleken dat voor de laagste en voor de hoogste concentraties coëfficiënten moeten worden vastgesteld die in sterkere mate zijn gekoppeld aan het drogestofgehalte van de betrokken produkten; ... voor de toepassing van voornoemde coëfficiënten op de betrokken produkten moet naar gelang van de verpakking een maximumverhouding worden vastgesteld tussen het nettogewicht en het gewicht inclusief onmiddellijke verpakking”. Bij deze verordening werd een gewijzigde coëfficiëntentabel ingevoerd voor het verkoopseizoen 1981/1982. Coëfficiënten werden vastgesteld voor de berekening (op basis van een percentage van het met 100 gelijkgestelde steunbedrag voor het referentieprodukt) van het steunbedrag voor tomatenconcentraat met een hoger of lager drogestofgehalte dan het referentieprodukt en verpakt in hoeveelheden van minder dan 1,5 kg.
Wat de verkoopseizoenen 1982/1983 en 1983/1984 betreft, werd in verordeningen nrs. 1602/82 en 1615/83 van de Commissie (PB 1982, L 179, blz. 16, respectievelijk 1983, L 159, blz. 52) overwogen, dat de ervaring had aangetoond dat deze coëfficiënten moesten worden gehandhaafd, en werd dezelfde coëfficiëntentabel overgenomen.
Het feit dat voor Griekenland enerzijds en voor de overige Lid-Staten anderzijds, zowel voor perziken op siroop als voor het referentieprodukt voor tomatenconcentraat verschillende bedragen zijn vastgesteld, is een gevolg van de Akte betreffende de toetreding van Griekenland.
Artikel 59 van deze Akte, voor zover relevant, bepaalt dat voor verwerkte produkten op basis van tomaten of perziken, die onder verordening nr. 516/77 vallen, de prijzen in Griekenland aan die in de overige landen van de Gemeenschap worden aangepast in zeven jaarlijkse etappes, volgens de aldaar vastgestelde procedure. Voorts stelt artikel 103 van de Akte de bepalingen vast die in deze gevallen van toepassing zijn ter zake van de betrokken steunregeling. Met name bepaalt artikel 103, lid 3:
„Het bedrag van de in Griekenland toegekende communautaire steun wordt zodanig vastgesteld dat het verschil tussen het peil van de prijzen van de produkten uit derde landen, vastgesteld uit hoofde van artikel 3 ter, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 516/77 en het peil van de prijzen van Griekse produkten dat is vastgesteld met inachtneming van de in lid 2 bedoelde minimumprijs en de in Griekenland geldende verwerkingskosten zonder dat de ondernemingen met de hoogste kosten in aanmerking worden genomen, wordt gecompenseerd. Deze steun mag evenwel niet hoger zijn dan de steun die in de Gemeenschap in haar huidige samenstelling wordt toegekend”.
Tot aan de eerste prijsaanpassing moest de minimumprijs worden vastgesteld op de grondslag van de prijzen die in Griekenland werden betaald aan de producenten voor het voor verwerking bestemde produkt en die waren geconstateerd gedurende een nader te bepalen representatieve periode onder het voordien geldende nationale stelsel, en indien deze minimumprijs afweek van de gemeenschappelijke prijs, moest de prijs in Griekenland aan het begin van elk verkoopseizoen worden gewijzigd volgens de regels neergelegd in artikel 59.
Op 31 maart 1983 deelde de Griekse regering in antwoord op een verzoek van de Commissie van 8 mei 1983 haar raming mee van de voor het verkoopseizoen 1982/1983 in Griekenland geldende verwerkingskosten, op grond waarvan de steun voor 1983/1984 moest worden berekend. Gesteld werd, dat op basis van de gegevens verstrekt door 36 verwerkende bedrijven, die 84,96% van de Griekse produktie vertegenwoordigden, de kosten voor de verwerking van tomaten tot tomatenconcentraat DR 45,19 per kg bedroegen. Dit cijfer was als volgt opgebouwd: DR 4,71 voor het vervoer; DR 28,83 voor de produktie; DR 6 voor beheerskosten; en DR 6,15 voor financiële lasten.
Tegelijkertijd raamde de Griekse regering de verwerkingskosten voor perziken op siroop op DR 42,75 per kg. Dit cijfer omvatte: DR 1,33 voor het vervoer; DR 31,01 voor de produktie; DR 5,54 voor beheerskosten; en DR 4,87 voor financiële lasten. Deze cijfers berustten op gegevens verstrekt door 42 verwerkende bedrijven, die 94,44% van de Griekse produktie vertegenwoordigden.
De Commissie aanvaardde deze cijfers niet, maar ging uit van een bedrag van DR 39,64 per kg voor het als referentieprodukt geldende type tomatenconcentraat en van een bedrag van DR 39,76 per kg voor perziken op siroop. Tot eerstgenoemd cijfer kwam zij door het bedrag van DR 33,28, dat de verwerkingskosten in 1981/1982 vertegenwoordigde, te vermeerderen met 19,1%, hetgeen volgens haar overeenkwam met het op dat ogenblik in Griekenland geldende inflatiepercentage. Nergens is gesuggereerd, dat voor de berekening van de verwerkingskosten voor perziken op siroop een andere methode zou zijn gehanteerd dan de vorenbeschrevene.
Wezenlijk uitgangspunt van het betoog van de Griekse regering is artikel 103 van de Toetredingsakte. In de eerste plaats wordt gesteld, dat het prijspeil van Griekse produkten los van dat in andere Lid-Staten moet worden bepaald. Dit is ongetwijfeld juist. Voorts wordt gesteld, dat het prijspeil van Griekse produkten moet worden vastgesteld door de in lid 2 van dit artikel bedoelde minimumprijs te vermeerderen met de in Griekenland geldende verwerkingskosten en vervolgens de prijzen in derde landen van het aldus verkregen totaal af te trekken. In wezen is dit juist, aangezien de minimumprijs en de verwerkingskosten moeten worden vastgesteld, doch het betekent niet, dat de prijsvaststelling een nauwkeurige, zuiver rekenkundige bewerking is, want de Commissie moet „het peil” van de prijzen in Griekenland vaststellen „met inachtneming” (in de Franse versie: „compte tenu notamment”) van de minimumprijs en de verwerkingskosten, zodat zij bij de bepaling van „het peil” op basis van deze cijfers over een zekere beoordelingsruimte beschikt.
Wat dit aspect van de zaak betreft, is het eigenlijke voorwerp van het geschil niet de berekening van de „minimumprijs” noch het peil van de prijzen in derde landen, maar de berekening van de „in Griekenland geldende verwerkingskosten” en dus „het peil van de prijzen van Griekse produkten”, en het steunbedrag dat wordt verkregen door de prijzen in derde landen van de Griekse prijzen af te trekken. Anders dan de verzoekende partijen in gevoegde zaken 194-206/83, die Griekse verwerkende bedrijven zijn, betwist de Griekse regering in limine de vastgestelde prijs, zowel voor het als referentieprodukt geldende type tomatenconcentraat als voor perziken op siroop.
Wat de andere Lid-Staten betreft, hield de Commissie ter zake van de steun voor 1983/1984 naar het schijnt rekening met de door de Lid-Staten voor de verkoopseizoenen 1981/1982 en 1982/1983 opgegeven verwerkingskosten. In gevallen waarin de voor laatstgenoemd verkoopseizoen opgegeven cijfers ten opzichte van eerstgenoemd verkoopseizoen een proportionele verhoging te zien gaven die hoger was dan het geldende inflatiepercentage, werden de cijfers voor 1981/1982 vermeerderd met het inflatiepercentage. Op grond daarvan werd dan voor de negen Lid-Staten één gemiddeld kostencijfer berekend.
De Griekse regering betoogt, dat in het geval van Griekenland de daadwerkelijk geldende verwerkingskosten voor elk verkoopseizoen op basis van nauwkeurige cijfers moeten worden vastgesteld en dat een eenvoudig op een globaal inflatiepercentage gebaseerde aanpassing ten opzichte van het vorige verkoopseizoen onaanvaardbaar is.
Mijns inziens moet de Commissie op grond van artikel 103 de „geldende verwerkingskosten” trachten vast te stellen, dat wil zeggen de daadwerkelijk gedragen kosten, ook al moeten deze tot een gemiddelde worden herleid. Te dien einde mag zij de Griekse regering vragen om het nodige statistische materiaal bijeen te brengen. De Commissie is niet verplicht om deze cijfers zonder meer te aanvaarden. Vindt zij ze onaanvaardbaar, dan mag zij daarnaar een onderzoek instellen, maar mijns inziens heeft zij niet het recht om ze te verwerpen zonder de Griekse regering of de verwerkende bedrijven de gelegenheid te bieden, in te gaan op die punten waarmee de Commissie niet akkoord gaat. In casu zouden de cijfers onnauwkeurig zijn geweest, maar niets wijst erop, dat om nadere toelichtingen is gevraagd of dat deze, indien daarom was verzocht, niet zouden zijn verstrekt. Indien om een dergelijke verduidelijking was gevraagd en de Commissie in alle redelijkheid tot de conclusie was gekomen, dat de cijfers (DR 45,19 voor de verwerkingskosten voor tomaten en DR 42,75 voor de kosten voor perziken) niet met de werkelijkheid strookten, dan had zij het recht gehad om als maatstaf voor de raming van de verwerkingskosten voor het betrokken verkoopseizoen het inflatiepercentage te nemen, want er moet duidelijk een grens worden gesteld aan de verplichting voor de Commissie om de opgegeven cijfers op hun juistheid te toetsen. In casu komt het mij evenwel voor, dat de Commissie een fout heeft begaan door zich zowel voor tomatenconcentraat als voor perziken op siroop eenvoudig op het inflatiepercentage te baseren, zonder de Griekse regering of de verwerkende bedrijven de gelegenheid te bieden, de Commissie van de juistheid van de opgegeven cijfers te overtuigen. Bijgevolg moeten mijns inziens de artikelen 1, lid 2, en 6, lid 2, van de verordening nietig worden verklaard, in zoverre zij betrekking hebben op het voor Griekenland vastgestelde steunbedrag.
De Griekse regering stelt subsidiair, dat het inflatiepercentage op het relevante tijdstip in werkelijkheid 21% bedroeg, en niet 19,1%. De Commissie heeft hiertegen ingebracht, dat laatstgenoemd cijfer was opgegeven door de ter zake van dergelijke statistieken bevoegde Griekse instanties. Aangezien de Griekse regering dit niet heeft betwist, meen ik dat de Commissie zich op dit cijfer mocht baseren, gesteld dat zij het recht had om voor de vaststelling van de kostenverhoging de methode van het inflatiepercentage te hanteren.
Vervolgens betwist de Griekse regering de coëfficiënten vermeld in bijlage I bij verordening nr. 1602/82, die krachtens verordening nr. 1615/83 van toepassing waren tijdens het verkoopseizoen 1983/1984. Aanvankelijk maakte zij bezwaar tegen de methode van vaststelling van coëfficiënten als zodanig, stellende dat de kosten voor de produktie van concentraat van geval tot geval moeten worden beoordeeld, rekening houdende met de verschillen in gehalte en in grootte van de verpakking. Naar ik heb begrepen, heeft zij dit argument laten varen, mijns inziens terecht, want de vaststelling van coëfficiënten is wellicht de meest geschikte wijze om in de verordeningen het steunbedrag te bepalen dat voor de verschillende concentraten en verpakkingsvormen moet worden uitgekeerd. Uiteindelijk komt het betoog van de Griekse regering erop neer, dat de toepassing van dezelfde coëfficiënten op alle Lid-Staten, Griekenland daaronder begrepen, in strijd is met artikel 103 van de Toetredingsakte, omdat de situatie van Griekenland apart moet worden bekeken. Vanzelfsprekend zou dit niet van belang zijn, indien de vastgestelde coëfficiënten de juiste uitwerking hadden, maar volgens de Griekse regering was dit voor Griekenland niet het geval. Bovendien zou de toegepaste methode in strijd zijn met artikel 7 juncto artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag.
Dit argument geldt enkel voor tomatenconcentraat, aangezien voor perziken geen coëfficiënten zijn vastgesteld.
Uitgangspunt van het betoog van de Griekse regering is, dat de verwerkingskosten hoger zijn in Griekenland dan in de overige landen van de Gemeenschap, zodat de toepassing van dezelfde coëfficiënten op Griekenland tot gevolg had, dat de aan Griekse producenten uitgekeerde steun op onrechtmatige wijze werd verminderd. Voorts zouden de verwerkingskosten onvermijdelijk hoger worden naarmate de verpakking kleiner wordt, en in werkelijkheid zou de pondsverpakking het meest courant zijn. Dus: hoe kleiner de verpakking, hoe groter de distorsie en derhalve de discriminatie ten opzichte van Griekse producenten.
De Commissie beweert niet, dat de toegepaste coëfficiënten een weergave waren van de reële verwerkingskosten in Griekenland. Zij voert daarentegen aan, dat deze coëfficiënten algemene gelding hebben en dus „objectief” zijn en dat daarmee slechts een gedeeltelijke compensatie wordt beoogd. Voorts stelt zij, dat zij zich daarvoor heeft gebaseerd op de coëfficiënten die worden toegepast in Portugal, welk land zij in dit verband op gelijke voet stelt met Griekenland, zonder evenwel te beweren, dat deze coëfficiënten identiek zijn met die welke in Portugal worden toegepast.
Voorts steunt de Commissie op artikel 2 van de Toetredingsakte, dat onder meer bepaalt, dat de besluiten van de instellingen van de Gemeenschappen verbindend zijn voor Griekenland. Volgens de Commissie betekent dit, dat Griekenland de gemeenschapsverordeningen heeft te accepteren zoals zij bij de toetreding bestonden, en met name niet de in verordening nr. 1610/78 van de Commissie vastgestelde grondslag kan betwisten.
Dit laatste argument gaat mijns inziens niet op. Vroegere besluiten van de instellingen gelden onder de voorwaarden voorzien in de Toetredingsakte. Bij de verdere toepassing ervan moet derhalve het bepaalde in artikel 103 in acht worden genomen.
Dit artikel ziet — uitsluitend — op de in Griekenland geldende verwerkingskosten. Juist zoals de voor het referentieprodukt vastgestelde kosten moeten zijn gerelateerd aan de in Griekenland voor dat produkt geldende kosten, gelijk de Commissie in haar verweerschrift heeft erkend, moeten mijns inziens de in Griekenland geldende kosten tot uiting komen in de kosten vastgesteld voor tomatenconcentraat met een ander drogestofgehalte en verpakt onder een ander gewicht. Er bestaat geen bezwaar tegen dat voor de bepaling van deze kosten een systeem van coëfficiënten wordt gebruikt, maar dan moet het om coëfficiënten gaan die een weergave zijn van de kosten in Griekenland, die niet per se dezelfde zijn als in de rest van de Gemeenschap. De Griekse regering betoogt, dat ingevolge een aantal factoren, waaronder de noodzaak om grondstoffen of afgewerkt verpakkingsmateriaal te importeren, de kosten voor kleinere verpakkingsvormen in Griekenland hoger waren dan elders in de Gemeenschap. De voor 1983/1984 geldende coëfficiënten, die werden overgenomen van verordening nr. 1962/81, werden op algemene wijze vastgesteld voor de gehele Gemeenschap, en er zijn geen aanwijzingen, dat de verwerkingskosten in Griekenland voor andere produkten dan het referentieprodukt opnieuw werden bezien en dat uit een dergelijk onderzoek bleek, dat juist deze coëfficiënten een weergave waren van de kosten in Griekenland voor kleinere verpakkingsvormen en andere gehalten. Het verschil tussen de steun toegekend aan Griekenland en die toegekend aan andere Lid-Staten (welke laatste op grond van artikel 103 het plafond vormt) mag dan niet zeer groot zijn wanneer het wordt uitgedrukt in drachme, verhoudingsgewijs is het een belangrijk verschil, en in totaal kunnen daarmee aanzienlijke bedragen zijn gemoeid.
Bijgevolg is mijns inziens de Commissie de krachtens artikel 103 van de Toetredingsakte op haar rustende verplichtingen niet nagekomen en moet verordening nr. 1615/83 nietig worden verklaard, in zoverre daarbij de coëfficiënten voor Griekenland zijn vastgesteld. De geldigheid van verordening nr. 1618/83, die uitsluitend het referentieprodukt betreft, wordt hierdoor niet aangetast.
Weinig overtuigend daarentegen vind ik het subsidiaire argument van de Griekse regering, dat de toepassing van dezelfde coëfficiënten op Griekenland in strijd is met de artikelen 7 en 40, lid 3, EEG-Verdrag. Waar de beweerde discriminatie tussen producenten tevens discriminatie op grond van de nationaliteit oplevert, is artikel 40, lid 3, eigenlijk een toepassing in concreto van het algemene beginsel van artikel 7 (arrest van 13 december 1984, zaak 106/83, Sermide, Jurispr. 1984, blz. 4209, r.o. 28). Ik ben het eens met de Commissie waar zij stelt, dat gedurende de overgangsperiode artikel 103 van de Toetredingsakte in dit verband in de plaats is gekomen van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag. Artikel 40, lid 3, is tijdens de overgangsperiode van toepassing, doch slechts in zoverre de bepalingen van de Toetredingsakte niet uitdrukkelijk of stilzwijgend daarvan afwijken. In werkelijkheid zet artikel 103 van de Toetredingsakte artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag voor de duur van de overgangsperiode opzij, juist omdat op grond daarvan de kosten van de Griekse verwerkende bedrijven los van de in de overige negen Lid-Staten geldende kosten moeten worden bepaald.
Een verder argument van de Griekse regering is, dat de toepassing van dezelfde coëfficiënten op Griekenland als op de overige Lid-Staten in de considerans van de verordeningen onvoldoende is gemotiveerd, zodat deze verordeningen niet aan de vereisten van artikel 190 EEG-Verdrag voldoen. Ofschoon in de eerdere verordening waarbij het systeem van coëfficiënten is ingevoerd, de redenen voor de keuze van dit systeem voldoende duidelijk zijn uiteengezet, bevatten de betrokken verordeningen niets waaruit blijkt, waarom diezelfde coëfficiënten ook op Griekenland kunnen of moeten worden toegepast of dat de door artikel 103 van de Toetredingsakte voorziene procedure is gevolgd. Indien het feit dat de coëfficiënten voor Griekenland dezelfde waren als voor andere Lid-Staten, op het toeval berustte, had dit duidelijk moeten worden verklaard, en indien er andere gronden waren om deze coëfficiënten in het kader van artikel 103 op Griekenland toe te passen, hadden deze in verordening nr. 1615/83 moeten worden vermeld, zodat zij op hun juistheid hadden kunnen worden getoetst. Deze conclusie geldt andermaal niet voor verordening nr. 1618/83, omdat zij geen betrekking heeft op coëfficiënten.
Voorts maakt Griekenland bezwaar tegen de door de Commissie voor haar berekeningen gehanteerde monetaire methode. Voor elk produkt waarvoor de steunregeling gold, werden de valuta's van de betrokken Lid-Staten, Griekenland daaronder begrepen, omgerekend in de valuta van één Lid-Staat, in casu in Italiaanse groene lires voor wat de grondstoffen betreft, en in Italiaanse lires voor wat de verwerkingskosten betreft. Aanvankelijk voerde de Commissie als reden daarvoor aan, dat Italië het land was met de grootste produktie van het betrokken produkt, maar toen de Griekse regering in repliek daartegen inbracht, dat Griekenland de grootste producent van perziken op siroop was, verklaarde de Commissie, dat zij de Italiaanse lire had gekozen omdat Italië de grootste producent van verwerkte groenten en fruit was, terwijl zij voor druiven de Griekse drachme en voor pruimen de Franse frank had gekozen omdat deze twee landen de enige producenten van deze produkten waren.
Mijns inziens had de Commissie het recht, en was het in ieder geval praktisch, misschien zelfs essentieel, om bij haar berekeningen voor de negen Lid-Staten met één valuta te werken ten einde tot een gemeenschappelijke basis te komen. Ik zie niet in waarom zij een fout zou hebben begaan door diezelfde valuta ook voor de berekening van de Griekse steun te hanteren, zodat op een bepaald ogenblik alle cijfers in dezelfde valuta waren uitgedrukt. Bovendien moest de Commissie de prijs in derde landen in dezelfde valuta omzetten als voor andere doeleinden werd gebruikt, ten einde de aftrekking juist te kunnen verrichten. Zolang daadwerkelijk het land met de grootste totale produktie werd gekozen (hetgeen ik, ook al is de Commissie van standpunt veranderd, wel wil aanvaarden), maakt het ook geen enkel verschil, dat aan de valuta van dat land de voorkeur werd gegeven boven die van het land met de grootste produktie van de betrokken fruitsoort. Ofschoon ik hetgeen de Commissie heeft aangevoerd ten betoge dat het haar niet mogelijk was geweest om over de gehele lijn met Ecu te werken, niet overtuigend vind, is mijns inziens dan ook niet aangetoond, dat de Commissie rechtens een fout zou hebben begaan door de kosten in lire te berekenen en vervolgens het resultaat van die berekening om te zetten in Ecu ten einde de steun in die maat te kunnen uitdrukken en uitkeren.
Meer problemen stelt het tweede argument dat de Griekse regering in dit verband aanvoert. De taak van de Commissie bestond erin, steun vast te stellen voor het verkoopseizoen 1983/1984, dat zowel voor tomatenconcentraat als voor perziken begon op 1 juli en eindigde op 30 juni. Aangezien het bedrag van de steun moest worden vastgesteld vóór het begin van het verkoopseizoen (artikel 3 ter, lid 6, van verordening nr. 516/77), moesten ook de kosten vóór het begin van het verkoopseizoen worden bepaald. Volgens artikel 103 van de Toetredingsakte waren de verwerkingskosten die „geldende in” Griekenland. Niemand heeft aangevoerd, dat een poging had moeten worden ondernomen om de vermoedelijke kosten in 1983/1984 te ramen. Partijen zijn er steeds van uitgegaan dat het correct was, de verwerkingskosten voor het verkoopseizoen 1982/1983 te bepalen, die nog geldig waren op het ogenblik waarop de vaststelling moest plaatsvinden. Zoals wij hebben gezien, nam de Commissie de cijfers van 1981/1982 als uitgangspunt en verhoogde ze met het inflatiepercentage om de kosten voor 1982/1983 te berekenen. Deze berekening vond kennelijk plaats in april 1983, maar in ieder geval niet later dan 15 juni 1983, toen verordening nr. 1618/83 werd vastgesteld. Om de Griekse kosten in Italiaanse lires om te zetten hield de Commissie de op de dag van de kostenberekening geldende wisselkoers drachme/lire aan.
Volgens de Griekse regering was dit in beginsel verkeerd en had de Commissie de wisselkoers in aanmerking moeten nemen die gold op het ogenblik waarop de kosten waren ontstaan, en niet die van de dag waarop de berekening werd verricht. Anders zou geen volledige gelijkheid tot stand komen tussen de kosten uitgedrukt in de ene en in de andere valuta. In casu zou de handelwijze van de Commissie ernstige gevolgen hebben gehad voor de Griekse verwerkende bedrijven, omdat de drachme tussen 1982 en juni 1983 van 20,45 tot 17,19 lire was gedevalueerd, zodat de Griekse kosten werden omgerekend tegen 3,26 lire per drachme minder dan het geval had behoren te zijn. Bovendien zou dit ten opzichte van de Griekse verwerkende bedrijven tot een met de artikelen 7 en 40, lid 3, EEG-Verdrag strijdige discriminatie hebben geleid omdat, ook al was de voor 1983/1984 aan de Griekse verwerkende bedrijven verleende steun 6,7% hoger dan in 1982/1983, de aan verwerkende bedrijven in andere Lid-Staten verleende steun in 1983/1984 7,3% hoger was dan in 1982/1983.
De Commissie voert aan, dat het correct is, de wisselkoers aan te houden die geldt op de dag waarop de berekening wordt verricht, omdat anders andere financiële factoren gedurende een bepaalde tijd zouden worden vervalst. Bovendien zou deze methode gemakkelijk op alle Lid-Staten kunnen worden toegepast en toelaten om eventuele discrepanties die anders zouden ontstaan, glad te strijken.
Het is evident dat het ondoenbaar is om, gelijk de Griekse regering op een gegeven ogenblik kennelijk bepleitte, alle kosten te verwerken naarmate zij ontstaan, en ze dan om te rekenen op basis van de op het ogenblik van hun ontstaan geldende wisselkoers. Evenzo is het onmogelijk om te trachten, de vermoedelijke wisselkoers tijdens het betrokken verkoopseizoen te ramen.
Hoewel dit zeker niet eenvoudig is, moet zoveel mogelijk worden getracht om een praktisch hanteerbare en niet te omslachtige berekeningsmethode te vinden en er tegelijkertijd voor te zorgen, dat de cijfers betreffende de geldende kosten niet worden vervalst door de wisselkoers die wordt toegepast. Had de Commissie de reële kosten over het verkoopseizoen 1982/1983 in aanmerking genomen en een gemiddelde voor dat seizoen berekend, dan zou het mijns inziens correct zijn geweest om het gemiddelde van de bij voorbeeld op de eerste van elke maand geldende wisselkoersen of de tussen de hoogste en laagste koers van het jaar gelegen middenkoers als uitgangspunt te nemen. Dit is echter niet wat de Commissie heeft gedaan. Naar ik begrijp, beschouwde zij 19,1% als het juiste inflatiepercentage op de dag waarop zij haar berekeningen verrichtte. In werkelijkheid was dit het inflatiepercentage over de periode van twaalf maanden, eindigend in december 1982, maar het werd tijdens de vergadering van het comité van beheer nog steeds als geldig aanvaard door de vertegenwoordiger van Griekenland. De bedoeling was dus om veeleer dan van een gemiddelde van de kosten en van de inflatiepercentages over het betrokken verkoopseizoen, van de juiste kosten in de lente van 1983 uit te gaan. Aangezien deze als geldende kosten werden beschouwd, had de Commissie mijns inziens in het kader van haar beoordelingsbevoegdheid het recht om zich op de geldende wisselkoers te baseren, ook al was het resultaat uiteindelijk geen volkomen exacte weergave van de reële kosten over het verkoopseizoen. Het is jammer, dat deze wisselkoers werd beïnvloed door een devaluatie, maar anderzijds is het niet uitgesloten, dat het inflatiepercentage in het begin van het verkoopseizoen 1982/1983 lager was (zodat het resultaat van de berekening, voor wat de in die periode ontstane kosten betreft, mogelijkerwijs evenrediglijk hoger was), en dat de devaluatie in ieder geval in het inflatiepercentage tot uiting kwam.
Ofschoon ik moet toegeven dat het betoog van de Griekse regering mij aanvankelijk zeer aannemelijk leek, meen ik derhalve, dat in dit verband niet het bewijs is geleverd van een schending van artikel 103 van de Toetredingsakte. Aangezien voor andere Lid-Staten op dezelfde wijze en ongeveer op hetzelfde ogenblik inflatiepercentages en wisselkoersen zijn toegepast, is mijns inziens ook geen sprake geweest van onrechtmatige discriminatie ten opzichte van Griekse producenten of verwerkende bedrijven.
De Griekse regering voert voorts aan, dat de betwiste verordeningen in ieder geval niet hadden mogen worden vastgesteld volgens de procedure van het comité van beheer. Zulks zou in strijd zijn met artikel 103, lid 3, van de Toetredingsakte. Niets in deze bepaling wijst er echter op, dat de procedure van het comité van beheer niet mag worden toegepast. Er kan integendeel uit worden afgeleid, dat behoudens in gevallen waarin de Toetredingsakte zulks uitdrukkelijk uitsluit, gebruik moet worden gemaakt van het voor het beheer van de gemeenschappelijk marktordeningen gecreëerde instrumentarium. Voorts heeft de Griekse regering niets aangevoerd wat haar stelling zou kunnen staven. Bijgevolg moet dit argument mijns inziens worden verworpen.
Tot staving van de vordering tot nietigverklaring van deze verordeningen is ook een beroep gedaan op artikel 3, sub f, juncto artikel 40 EEG-Verdrag. Mijns inziens zijn in dit verband geen deugdelijke argumenten aangevoerd.
Ik meen evenwel, dat om voornoemde redenen de artikelen 1, lid 2, en 6, lid 2, van verordening nr. 1618/83 van de Commissie nietig moeten worden verklaard, in zoverre zij betrekking hebben op het voor Griekenland vastgestelde bedrag van de produktiesteun. Verordening nr. 1615/83 van de Commissie moet nietig worden verklaard, in zoverre zij betrekking heeft op de coëfficiënten die moeten worden toegepast op de produktiesteun voor in Griekenland geproduceerd tomatenconcentraat.
De door Griekenland gemaakte kosten moeten ten laste van de Commissie worden gelegd.
( *1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy