CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 7 JUNI 1984 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De Commissie heeft het Hof krachtens artikel 169 EEG-Verdrag verzocht vast te stellen, dat de Italiaanse Republiek heeft nagelaten binnen de gestelde termijn de maatregelen te treffen die nodig zijn om te voldoen aan twee richtlijnen van de Raad. Het betreft de richtlijnen nrs. 78/1026 en 78/1027 van 18 december 1978 (PB L 362 van 1978, blz. 1 en 7).
De eerste richtlijn heeft betrekking op de onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels van dierenarts. De tweede heeft betrekking op de coördinatie van de bepalingen betreffende de werkzaamheden van dierenartsen. Beide richtlijnen dienden binnen twee jaar na kennisgeving in nationaal recht te worden omgezet; de Lid-Staten moesten de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen en de Commissie de tekst van alle belangrijke bepalingen van intern recht meedelen.
Het staat vast dat de richtlijnen op 20 december 1978 bekend werden gemaakt, zodat de termijn om eraan te voldoen op 20 december 1980 verstreek. Voorts wordt niet betwist, dat de Italiaanse regering de Commissie niet binnen deze termijn van de omzetting van de richtlijnen in kennis stelde.
De twee richtlijnen dienen afzonderlijk te worden besproken. De Italiaanse regering betwist niet, dat zij heeft nagelaten de maatregelen te treffen die nodig zijn om aan richtlijn nr. 78/1026 te voldoen. Zij heeft voor het Hof verklaard, dat een ontwerp van wet ter omzetting van deze richtlijn in 1982 bij het parlement was ingediend, doch dat dit bij de ontbinding van het parlement nog niet was goedgekeurd en dat derhalve een nieuw ontwerp moest worden ingediend. Dit ontwerp zou nog steeds in behandeling zijn, maar waarschijnlijk zeer binnenkort worden aangenomen. Nu de Commissie de in artikel 169 voorgeschreven procedureregels heeft gevolgd, komt het mij voor dat haar beroep, voor zover het betrekking heeft op richtlijn nr. 78/1026, moet worden toegewezen.
Met betrekking tot de tweede richtlijn had de Italiaanse regering bij de Commissie de indruk gewekt, dat ook hier een wettekst nodig was om aan de richtlijn te voldoen, waartoe in 1982 eveneens een wetsontwerp bij het parlement zou worden ingediend.
Eerst in haar verweerschrift in de onderhavige zaak heeft de Italiaanse regering evenwel staande gehouden, dat de richtlijn reeds volledig in Italiaans recht is omgezet bij decreet nr. 987 van 23 oktober 1969 (GU nr. 1 van 2. 1. 1970, blz. 2). Volgens de Italiaanse regering dient het beroep derhalve te worden verworpen, voor zover het betrekking heeft op richtlijn nr. 78/1027.
De Commissie geeft toe, dat het Italiaanse decreet op de belangrijkste punten uitvoering geeft aan de richtlijn, doch is van oordeel dat het niet volledig voldoet aan de in de richtlijn voorgeschreven vereisten. Wanneer voor het eerst in het verweerschrift wordt gesteld dat een richtlijn ten uitvoer is gelegd, kan mijns inziens de Commissie, die in haar beroep stelt dat op geen enkel punt aan de richtlijn is voldaan, het Hof verzoeken vast te stellen, dat voor een deel niet aan de richtlijn is voldaan.
Richtlijn nr. 78/1027 is bedoeld om de beroepsopleiding van dierenartsen te coördineren. Zij regelt derhalve een materie die van fundamenteel belang is voor de onderlinge erkenning van nationale diploma's binnen de Gemeenschap. In de considerans wordt overwogen dat „de vergelijkbaarheid van de opleidingen in de Lid-Staten het mogelijk maakt ... de coördinatie op dit gebied te beperken tot de eis van inachtneming van minimumnormen, terwijl de Lid-Staten voor het overige worden vrijgelaten in het organiseren van hun onderwijs”.
Luidens artikel 1, lid 1, van de richtlijn stellen de Lid-Staten de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van dierenarts afhankelijk van het bezit van een diploma of certificaat, dat waarborgt dat de betrokkene gedurende de totale opleidingstijd voldoende kennis heeft verworven van een aantal materies. Het komt mij voor dat het in deze zaak uitsluitend gaat om de vraag, of de Italiaanse Republiek van de betrokkenen verlangt dat zij in het bezit zijn van een diploma dat waarborgt, dat zij die kennis gedurende hun opleidingstijd hebben verworven.
Luidens artikel 1, lid 2, omvat de diergeneeskundige opleiding in totaal tenminste vijf studiejaren theoretisch en praktisch fulltime onderwijs, dat wordt gegeven aan een universiteit of andere instelling en dat ten minste betrekking heeft op de in de bijlage vermelde vakken. In die bijlage, met als opschrift „Studieprogramma voor dierenartsen”, worden 38 vakken opgesomd, onderverdeeld in twee categorieën, basisvakken en specifieke vakken. De bewoordingen van de aanhef van de bijlage zijn wellicht niet zonder belang: „Het studieprogramma dat tot de diploma's, certificaten en andere titels van dierenarts leidt, omvat tenminste de hierna volgende vakken. Het onderwijs in een of meer van deze vakken kan als onderdeel van of in samenhang met de overige vakken worden verstrekt.”
Het Italiaanse decreet van 1969 bevat het studieprogramma voor de verkrijging van het diploma van dierenarts. De in het programma opgenomen vakken zijn onderverdeeld in drie categorieën. Er is verplicht onderwijs in vijf basisvakken en 39 specifieke diergeneeskundige vakken. Daarnaast moeten de studenten uit een lijst van 23 onderwerpen drie keuzevakken volgen.
De Commissie is van oordeel dat het decreet niet aan de richtlijn voldoet, aangezien twee in de richtlijn vermelde vakken in het decreet niet voorkomen; ten aanzien van een derde vak heeft zij dit standpunt heden verlaten. Die twee in de bijlage bij de richtlijn vermelde vakken zijn „levensmiddelenhygiëne en -technologie” en „ethologie en dierenbescherming”.
De Commissie betoogt dat het hier in de richtlijn om twee duidelijk onderscheiden vakken gaat, doch dat zij in het decreet niet uitdrukkelijk worden genoemd. De in de richtlijn vermelde vakken zouden weliswaar gedeeltelijk onder andere benamingen in het decreet zijn opgenomen, maar een duidelijk afgebakende, alles omvattende materie zou ontbreken. Voorts zou de omstandigheid dat enkele vakken in het decreet als keuzevakken zijn vermeld, een duidelijke aanwijzing zijn dat de studenten niet verplicht zijn ze te volgen.
Mijns inziens kan aan de richtlijn worden voldaan, zonder dat de in artikel 1 en in de bijlage vermelde vakken in de nationale wetgeving onder precies dezelfde benamingen worden aangeduid. Een andere indeling van de voorgeschreven vakken is volgens mij evenmin een bezwaar, gelet op de beoordelingsvrijheid van de Lid-Staten, die „worden vrijgelaten in het organiseren van hun onderwijs”. Om aan de richtlijn te voldoen is het naar mijn oordeel echter wel van wezenlijk belang, dat ieder in de bijlage vermeld vak, in de betekenis die het in de huidige stand van de diergeneeskunde heeft, volledig wordt onderwezen. Dit is een absolute vereiste opdat de diploma's in alle landen van de Gemeenschap kunnen worden erkend; het volstaat niet, dat vakken slechts gedeeltelijk worden onderwezen.
Van de twee vakken die thans aan de orde zijn, is het eerste „levensmiddelenhygiëne en -technologie”. Gelet op artikel 1, lid 1, sub f, dient hieronder te worden verstaan een voldoende kennis van de hygiëne en de technologie bij het verkrijgen, vervaardigen en in het verkeer brengen van dierlijke levensmiddelen of levensmiddelen van dierlijke oorsprong die bestemd zijn voor menselijke consumptie. Volgens de Italiaanse regering voldoet het decreet op dit punt aan de richtlijn, doordat in de 18e groep het vak „inspectie en keuring van levensmiddelen van dierlijke oorsprong” voorkomt. Mijns inziens echter wordt hierdoor de in de bijlage bij de richtlijn bedoelde materie niet geheel gedekt.
Het staat vast, dat de lijst van keuzevakken een aantal onderwerpen bevat (zoals „melkhygiëne” en „dierlijke-levensmiddelentechnologie”), die kunnen worden ondergebracht in de ruimere categorie vermeld in de bijlage bij de richtlijn. Nu. het hier echter om keuzevakken gaat, is er geen waarborg dat zij daadwerkelijk worden onderwezen zoals de richtlijn verlangt.
Het tweede bezwaar van de Commissie heeft betrekking op het vak „ethologie en dierenbescherming”. Volgens de Italiaanse regering valt dit onder de vijfde groep verplichte vakken van het decreet, te weten „hygiëne”, „uiterlijke aspecten der dieren”, „ethologie”, „genetica”, en „fokkerij”. Het lijkt mij vrij duidelijk, dat ethologie — waaronder ik de leer van de gedragingen van dieren in hun specifiek leefmilieu versta — en dierenbescherming weinig uit te staan hebben met etnologie en de uiterlijke kenmerken of aspecten van dieren. De Italiaanse regering heeft niet aangetoond, dat dit vak voldoende wordt gedekt door andere in het decreet genoemde vakken.
Bijgevolg acht ik het beroep van de Commissie gegrond en dient het Hof vast te stellen, dat de Italiaanse regering niet heeft voldaan aan richtlijn nr. 78/1026 en richtlijn nr. 78/1027 voor een — zij liet beperkt — deel niet is nagekomen, doordat de vakken „levensmiddelenhygiëne en -technologie” en „ethologie en dierenbescherming” anders dan artikel 1 van de richtlijn verlangt, niet geheel door de in het decreet verplicht gestelde vakken worden gedekt.
Nu derhalve de Commissie, zij het slechts gedeeltelijk, in het gelijk moet worden gesteld, en verweerster eerst naderhand heeft aangevoerd dat aan een richtlijn was voldaan, moet de Italiaanse regering in de door de Commissie gemaakte kosten worden verwezen.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy