CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL C. O. LENZ
VAN 19 JUNI 1984 ( 1 )
Samenvatting
A — De feiten
1. Voorgeschiedenis
a) Beschikking nr. 257/80 van de Commissie
b) Beschikking nr. 2320/81 vande Commissie
c) Beschikking nr. 83/397 van de Commissie
d) Houding van het Groothertogdom
2. Conclusies van partijen
a) Het beroep van verzoeksters
b) De exceptie van verweerster
c) De tegenargumenten van verzoekster
B — In rechte
1. Toepasselijkheid van het EGKS-Verdrag, met name artikel 95
2. Ontvankelijkheid van het beroep op grond van het EGKS-Verdrag
3. Ontvankelijkheid van het beroep op grond van artikel 173 EEG-Verdrag
a) „rechtstreeks geraakt”
aa) Relevante rechtspraak
bb) Feitelijke situatie
b) „individueel geraakt”
aa) Relevante rechtspraak
bb) Feitelijke situatie
c) „rechtsbescherming zonder leemten”
C — Conclusie
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A — De feiten
Ik heb thans mijn opvatting te kennen te geven over de ontvankelijkheid van een beroep van vijf Luxemburgse gemeenten tegen de Commissie. Het beroep is gericht tegen beschikking nr. 83/397/EEG, EGKS van de Commissie van 29 juni 1983 inzake de steun die de Luxemburgse regering voornemens is aan de ijzer- en staalindustrie te verlenen (PB L 227 van 1983, blz. 29). Deze beschikking verklaart staatssteun aan staalondernemingen verenigbaar met de goede werking van de gemeenschappelijke markt op voorwaarde dat onder meer bepaalde produktiecapaciteiten voor staal worden verminderd. Op het grondgebied van de verzoekende gemeenten zijn staalondernemingen gevestigd.
1. Voorgeschiedenis
De voorgeschiedenis van de bestreden beschikking kan worden samengevat als volgt:
a)
Op 1 februari 1980 stelde de Commissie beschikking nr. 257/80 tot instelling van communautaire bepalingen voor specifieke steunmaatregelen ten behoeve van de ijzer- en staalindustrie vast (PB L 29 van 1980, blz. 5). Zij ging ervan uit, dat met het oog op de aanpassing van de produktiecapaciteit van de staalindustrie aan de vraag en het herstel van de concurrentiepositie van deze sector specifieke steunmaatregelen van de Lid-Staten noodzakelijk waren. Zij baseerde haar bevoegdheid op artikel 95, eerste en tweede alinea, EGKS-Verdrag.
Artikel 1 van de beschikking bepaalde, dat specifieke steun ten behoeve van de staalindustrie, door een Lid-Staat of uit staatsmiddelen gefinancierd, verenigbaar kon worden geacht met de gemeenschappelijke markt, wanneer hij aan de bepalingen van beschikking nr. 257 voldeed en in overeenstemming met de in die beschikking bepaalde procedures ten uitvoer werd gelegd.
Artikel 2 vermelde de voorwaarden waaraan steun ten behoeve van investeringen moest voldoen. Daarin was onder meer sprake van de „omvang van de herstructurering” en van door de Commissie op te stellen „criteria voor de herstructurering”.
Artikel 3 bepaalde, welke met de sluiting van staalondernemingen verband houdende kosten voor steun in aanmerking kwamen.
Artikel 4 bevatte criteria voor steun ter vergemakkelijking van de werking van bepaalde ondernemingen. Eén van die criteria was, dat de steun een integrerend deel van een herstructureringsprogramma moest vormen.
Artikel 5 had betrekking op noodsteun die noodzakelijk was om het hoofd te bieden aan acute sociale problemen.
Artikel 6 tenslotte bepaalde, dat de Commissie tijdig van elk voornemen tot verlening van steun in kennis moest worden gesteld en dat de betrokken Lid-Staat de voorgenomen maatregelen slechts ten uitvoer [mocht] leggen na goedkeuring door de Commissie en in overeenstemming met de door deze gestelde voorwaarden.
b)
Omdat de crisis in de staalindustrie inmiddels nog scherpere vormen had aangenomen en de noodzakelijke herstructurering en aanpassing van de capaciteiten nog niet waren bereikt, werd op 7 augustus 1981 — eveneens op grond van artikel 95 EGKS-Verdrag — beschikking nr. 2320/81 (PB L 228 van 1981, blz. 14) vastgesteld, die zowel specifieke steun (voornamelijk gericht op het verlenen van hulp aan staalondernemingen) als niet-specifieke steun in het kader van algemene of regionale regelingen betreft en van toepassing is tot 31 december 1985.
Artikel 1 bepaalt, dat alle steun ten behoeve van de staalindustrie, door een Lid-Staat of uit staatsmiddelen gefinancierd, verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kan worden geacht, indien hij aan de bepalingen van de artikelen 2 tot 7 voldoet, en dat hij alleen in overeenstemming met de in de beschikking aangegeven procedures ten uitvoer mag worden gelegd.
Volgens artikel 2 is steun verenigbaar met de gemeenschappelijke markt, indien de begunstigde ondernemingen herstructureringsprogramma's uitvoeren die tot een vermindering van de produktiecapaciteiten leiden; dergelijke steun moest uiterlijk op 1 juli 1983 worden goedgekeurd en mag in beginsel niet meer worden uitgekeerd na 31 december 1985.
Artikel 3 vermeldt de voorwaarden waaraan steun ten behoeve van investeringen moet voldoen. Daarbij is onder meer sprake van de omvang van de herstructurering.
Artikel 4 betreft de met de sluiting van staalondernemingen verband houdende kosten die voor steun in aanmerking komen.
In artikel 5 zijn de criteria voor steun ter vergemakkelijking van de werking van bepaalde ondernemingen vastgesteld; deze moet onder meer onlosmakelijk deel uitmaken van een herstructureringsprogramma als omschreven in artikel 2.
Artikel 6 heeft betrekking op noodsteun die noodzakelijk is om het hoofd te bieden aan acute sociale problemen.
Artikel 7 bepaalt, welke doelstellingen moeten worden nagestreefd met steun voor research- en ontwikkelingsprojecten.
Artikel 8 tenslotte legt wederom de verplichting op, de Commissie tijdig in kennis te stellen; die kennisgeving moest uiterlijk op 30 september 1982 plaatsvinden en de voorgenomen maatregelen mogen slechts ten uitvoer worden gelegd na goedkeuring door de Commissie en in overeenstemming met de door deze gestelde voorwaarden.
c)
Op deze grondslag werd, zoals gezegd, op 29 juni 1983 de thans in geding zijnde beschikking inzake de steun die de Luxemburgse regering voornemens is aan de ijzer- en staalindustrie te verlenen, vastgesteld (PB L 227 van 1983, blz. 29). In de considerans wordt uiteengezet, wat aan de vaststelling van de beschikking voorafging. In januari 1981 stelde de Luxemburgse regering de Commissie in kennis van haar voornemen, steun te verlenen aan haar staalindustrie; na onderzoek kwam de Commissie tot de conclusie, dat de voorgestelde capaciteitsvermindering ontoereikend was; daarop wijzigde de Luxemburgse regering haar herstructureringsplan en bood zij een aanzienlijker vermindering van de capaciteit aan warmgewalste produkten aan; in juli 1982 tenslotte keurde de Commissie onder bepaalde voorwaarden toekenning van een gedeelte van de steun goed, waarna de Luxemburgse regering in augustus 1982 verklaarde, met die voorwaarden in te stemmen.
Nog steeds volgens de considerans meldde de Luxemburgse regering in september 1982 aanvullende steunmaatregelen ten behoeve van haar staalindustrie aan; na onderzoek kwam de Commissie tot de conclusie, dat het gewijzigde herstructureringsplan geen nieuwe tegenprestaties inhield die de goedkeuring van extra steunmaatregelen konden rechtvaardigen; daarop paste de Luxemburgse regering in maart 1983 haar aanmelding van september 1982 in dier voege aan, dat zij als tegenprestatie voor een reeks maatregelen betreffende investerings- en bedrijfssteun een nieuwe nettocapaciteitsvermindering van 60000 ton warmgewalste produkten aanbood; de Commissie was echter van oordeel, dat naast die capaciteitsvermindering de capaciteiten voor warmgewalste produkten nog eens met 410000 ton moesten worden verminderd.
Van de eigenlijke bepalingen van de beschikking, die volgens artikel 8 tot het Groothertogdom Luxemburg is gericht, moet met name artikel 1 worden aangehaald, dat bepaalt dat de daarin met name genoemde investerings- en bedrijfssteun verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, voor zover aan de voorwaarden en modaliteiten van de artikelen 2 tot en met 5 wordt voldaan. Artikel 2 bepaalt, dat de begunstigde ondernemingen naast de reeds voorgestelde capaciteitsvermindering van 60000 ton een bijkomende vermindering van ten minste 410000 ton warmgewalste produkten ten uitvoer moeten brengen, dat zij de lijst van de te sluiten installaties met de sluitingsdata vóór 31 januari 1984 ter kennis van de Commissie moesten brengen en dat de capaciteitsverminderingen vóór 31 december 1985 moeten plaatsvinden. Volgens artikel 4 tenslotte mag de steun eerst worden uitgevoerd, nadat de Commissie heeft vastgesteld dat aan de voorwaarden van de artikelen 2 en 3, of aan een toereikend gedeelte ervan, is voldaan.
d)
In het Groothertogdom Luxemburg werd op 1 juli 1983 een wet betreffende maatregelen ter bevordering van de herstructurering en de modernisering van de staalindustrie vastgesteld. Daarbij werd de Luxemburgse regering onder meer gemachtigd, in 1983 en 1984 steun uit te keren aan de Luxemburgse staalondernemingen (artikel 1), tot een bepaald bedrag in te tekenen op converteerbare obligaties of aandelen van de Luxemburgse staalindustrie (artikel 2) en tot een bepaald maximum maatschappelijke aandelen in de vennootschap Sidmar te verwerven (artikel 3). Voor de overige bepalingen van de wet — die niets over sluiting van bedrijfsvestigingen bevatten — verwijs ik naar de in het Mémorial van 1 juli 1983 gepubliceerde tekst.
Vermeld zij ook, dat de Luxemburgse regering de Commissie op 27 januari 1984 meedeelde, welke bedrijven zouden worden gesloten. Daaruit en uit het antwoord van de Commissie van 27 februari 1984 blijkt, dat Arbed in het kader van een samenwerkingsovereenkomst met Cockerill Sambre (goedgekeurd door de Belgische en Luxemburgse regering) ten laatste begin 1985 de walsgroep voor warmgewalst breedband in Dudelange definitief zal stilleggen (hetgeen neerkomt op een capaciteitsvermindering van 745000 ton, waarvan 250000 ton ten goede moet komen aan Cockerill Sambre).
2. Standpunten van partijen
a)
Verzoeksters menen, dat de vastgestelde sluitingsvoorwaarden te vergaan, omdat daarbij met name niet voldoende rekening is gehouden met de vóór 1980 uitgevoerde herstructureringen en het belang van de staalindustrie voor de Luxemburgse economie. Zij hebben bij het Hof beroep ingesteld tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 29 juni 1983 en zo nodig niet-toepasselijkverklaring van beschikking nr. 2320/81.
b)
Volgens de Commissie is dit beroep niet-ontvankelijk. Daarom heeft zij het Hof krachtens artikel 91, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering om een uitspraak over de door haar opgeworpen exceptie verzocht.
Het beroep is niet-ontvankelijk op grond van het EGKS-Verdrag, omdat verzoeksters duidelijk geen ondernemingen in de zin van artikel 48 van dit Verdrag zijn. Maar ook het EEG-Verdrag biedt geen beroepsmogelijkheid. De bestreden beschikking is immers niet tot de verzoekende gemeenten maar, zoals ík reeds zei, tot het Groothertogdom Luxemburg gericht. In een dergelijk geval vereist artikel 173 EEG-Verdrag evenwel, dat de betrokkene rechtstreeks en individueel is geraakt; zulks hebben de verzoekende gemeenten niet kunnen bewijzen.
c)
Verzoeksters brengen daartegen in de eerste plaats in, dat alleen het EEG-recht, meer bepaald artikel 173 EEG-Verdrag, relevant is. De beschikking kon alleen op grond van de artikelen 92 en volgende EEG-Verdrag worden vastgesteld; in de in de beschikking vermelde beschikkingen nrs. 257/80 en 2320/81 wordt immers gezegd dat deze werden vastgesteld omdat „de Gemeenschap zich ... geplaatst [zag] voor een niet in het Verdrag voorzien geval”, en het staat ook vast dat de Commissie bij de vaststelling van de beschikking — overeenkomstig het bepaalde in artikel 6 van beschikking nr. 257/80 en artikel 8 van beschikking nr. 2320/81 — de procedure van artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag heeft gevolgd.
Gesteld echter dat de beschikking tegelijkertijd op het EEG-recht en het EGKS-recht berust, is het voldoende dat zij naar EEG-recht vatbaar is voor beroep, omdat het gedeelte van de beschikking dat binnen de EGKS-sfeer valt, onlosmakelijk is verbonden met het gedeelte dat binnen de EEG-sfeer valt. Verzoeksters verwijzen in dit verband naar's Hofs arrest in zaak 230/81 (Luxemburg t. Europees Parlement) ( 2 ).
Volgens verzoeksters lijdt het echter geen twijfel, dat de beschikking hen rechtstreeks en individueel raakt. De ondernemingen waarvan een capaciteitsvermindering wordt verlangd, hebben alleen vestigingen in de verzoekende gemeenten. De verdwijning of inkrimping daarvan treft bijgevolg de gemeenten in hun eigen belangen (die niet mogen worden gelijkgesteld met de belangen van hun inwoners als groep), al was het maar door daling van de belastinginkomsten. Voorts kan ten betoge dat verzoeksters niet rechtstreeks zijn geraakt, niet worden aangevoerd, dat volgens de bestreden beschikking nog beslissingen moesten worden getroffen door de Luxemburgse regering — aan wie slechts machtiging was verleend — en door de betrokken ondernemingen. Wie de zaken nuchter bekijkt, moet erkennen dat die beslissingen om voor de hand liggende dwingende economische redenen onvermijdelijk waren, zo er al niet van moet worden uitgegaan dat zij in werkelijkheid reeds bij voorbaat vaststonden, waarop onder meer de omstandigheid wijst, dat reeds zeer kort na de vaststelling van de bestreden beschikking, namelijk op 1 juli 1983, een Luxemburgse wet werd uitgevaardigd. Subsidiair voeren verzoeksters voorts aan, dat ongetwijfeld ook op grond van het EGKS-Verdrag beroep openstaat, waartoe zij steunen op artikel 31, dat bepaalt: „Het Hof verzekert de eerbiediging van het recht bij de uitleg en toepassing van dit Verdrag en deszelfs uitvoeringsvoorschriften.”
Β — In rechte
Mijns inziens beschikt in deze discussie de Commissie over de sterkste argumenten en is haar exceptie derhalve gegrond.
1.
In de eerste plaats vergissen verzoeksters zich, wanneer zij menen dat de artikelen 92 en volgende EEG-Verdrag de enige rechtsgrondslag van de bestreden beschikking vormden.
Indien in de algemene beschikkingen nrs. 257/80 en 2320/81 (die in de bestreden beschikking mede als rechtsgrondslag zijn genoemd), wordt gezegd dat de Gemeenschap zich voor een niet in het Verdrag voorzien geval zag geplaatst, dan wordt daarmee gezinspeeld op artikel 95 EGKS-Verdrag, dat bepaalt:
„In de gevallen, niet in dit Verdrag voorzien, waarin een beschikking of aanbeveling van de Hoge Autoriteit noodzakelijk blijkt tot het verwerkelijken, in de gemeenschappelijke markt voor kolen en staal en overeenkomstig de bepalingen van artikel 5, van een der doelstellingen van de Gemeenschap zoals deze zijn omschreven in de artikelen 2, 3 en 4, kan zij een dergelijke beschikking geven of aanbeveling doen met instemming van de Raad, bij eenstemmigheid bepaald en na raadpleging van het Raadgevend Comité.”
Voornoemde algemene beschikkingen zijn dus op deze grondslag vastgesteld, zodat het ontegenzeglijk om rechtshandelingen in het kader van het EGKS-Verdrag gaat. Bovendien is, zoals wij hebben gezien, in de bestreden beschikking het EGKS-recht zelfs van overwegend belang. (Dit kan onder meer worden vastgesteld aan de hand van de aanmeldingsdata — 90 % van de steun waarop de beschikking betrekking heeft, bestaat in specifieke steunmaatregelen en slechts 10 % in algemene steunregelingen, welke laatste — gelijk in voornoemde algemene beschikkingen uitdrukkelijk wordt gesteld — op grond van artikel 67 EGKS-Verdrag in samenhang met de artikelen 92 en 93 EEG-Verdrag moeten worden beoordeeld).
Bijgevolg kan stellig niet het standpunt worden verdedigd, dat voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep alleen het EEG-recht beslissend is, omdat het EGKS-recht geen rechtsgrondslag voor de bestreden beschikking bood.
2.
Geheel duidelijk is ook, dat voor de gemeenten die de procedure aanhangig hebben gemaakt, geen beroep openstaat op grond van het EGKS-Verdrag. Het door hen aangevoerde artikel 31 bevat slechts een algemene omschrijving van de aan het Hof opgedragen taken. Het regelt daarentegen niet de procesbevoegdheid, aangezien daaromtrent — gelijk het stelsel van het EGKS-Verdrag duidelijk maakt — geen algemene bepaling bestaat, maar veeleer van de in het bijzondere geval nauwkeurig omschreven beroepsmogelijkheden moet worden uitgegaan.
Bekijkt met echter artikel 33 EGKS-Verdrag, de enige bepaling waarop een beroep tegen een beschikking als thans in het geding is kan worden gebaseerd, dan is het duidelijk dat volgens de tweede alinea daarvan uitsluitend voor ondernemingen en ondernemersverenigingen in de zin van artikel 48 beroep openstaat; daartoe behoren de gemeenten stellig niet. In zoverre zij in hun belangen zijn geraakt, moet men bijgevolg wel tot de conclusie komen, dat het EGKS-recht hun alleen rechtsbescherming kan verlenen via de Lid-Staat waartoe zij behoren.
3.
Verzoeksters kunnen ook niet op het EEG-Verdrag steunen, aangezien in casu kennelijk niet is voldaan aan de door artikel 173, tweede alinea, van dit Verdrag aan beroepen van niet-geadresseerden verbonden voorwaarde, dat dezen rechtstreeks en individueel moeten zijn geraakt.
a)
Met betrekking tot het criterium „rechtstreeks geraakt” werd er in de conclusie in zaak 25/62 (Jurispr. 1963, blz. 248) ( 3 ) terecht op gewezen, dat dit niets heeft te zien met de intensiteit waarmee de betrokkene wordt geraakt, maar dient te worden verstaan in het kader van het door het Verdrag geschapen systeem en van de structuur van de gemeenschapsordening, die ter verwerkelijking van bepaalde doeleinden de medewerking der Lid-Staten behoeft.
aa)
Nu betekent dit niet — gelijk in de rechtspraak reeds duidelijk is gesteld —, dat telkens wanneer ter uitvoering van een bestreden gemeenschapshandeling nog nationale handelingen nodig zijn, het uitgesloten is dat niet-geadresseerden door die gemeenschapshandeling rechtstreeks worden geraakt. Dit is stellig niet het geval, wanneer nationale autoriteiten over geen beoordelingsvrijheid beschikken, maar de gemeenschapshandeling eenvoudig ten uitvoer hebben te leggen (zoals in de gevoegde zaken 41-44/70 ( 4 ), waarin het ging om in het kader van vrijwaringsmaatregelen te treffen beslissingen over de verlening van invoervergunningen; in zaak 92/78 ( 5 ), betreffende een in het kader van een inschrijving voor de verkoop van rundvlees genomen beschikking tot vaststelling van een minimumverkoopprijs, die alle inschrijvers raakte; of in zaak 113/77 ( 6 ), die betrekking had op een in het kader van een anti-dumpingprocedure gegeven beschikking over de inning van waarborgsommen). Dit is ook niet het geval, wanneer aan een Lid-Staat machtiging is verleend en die machtiging — zoals in zaak 62/70 ( 7 ), betreffende van de communautaire behandeling uitgesloten goederen — bijvoorbeeld betrekking heeft op reeds ingediende aanvragen om een uitvoervergunning en de gemachtigde instantie duidelijk heeft gemaakt, dat zij de aanvragen zal afwijzen, zodra de Gemeenschap haar daartoe zal hebben gemachtigd.
bb)
Wij mogen echter niet uit het oog verliezen, dat wij in casu voor een geheel andere feitelijke situatie staan, zodat de aangevoerde rechtspraak niet daarop kan worden getransponeerd, maar veeleer een parallel moet worden getrokken met de in zaak 123/77 ( 8 ) en in de gevoegde zaken 103-109/78 ( 9 ) behandelde gevallen (zoals bekend ging het in het eerste geval om de beperking gedurende één jaar van de invoer van motorrijwielen uit Japan in Italië, in het tweede om de aan de Franse Republiek verleende machtiging om de voor ondernemingen in overzeese departementen geldende basisquota voor suiker te verminderen). Want zelfs aangenomen dat het geen twijfel leed, dat de Luxemburgse regering van de machtiging tot verlening van steun aan de staalindustrie gebruik zou maken en ook de begunstigde ondernemingen — omdat zij belang hadden bij de steun en daartoe om economische redenen waren gedwongen — de vastgestelde voorwaarden (sluiting van vestigingen) zouden nakomen, kan toch niet worden ontkend, dat volgens de bestreden beschikking de lijst van de te sluiten installaties eerst eind januari 1984 moest worden meegedeeld (welke termijn, zoals wij hebben gezien, ook ten volle door de Luxemburgse regering is benut) en volgens artikel 2, lid 1, van de bestreden beschikking de verlangde „tegenprestatie” — te weten de capaciteitsvermindering — ook „door andere ondernemingen [kon] worden geleverd”. Dat dit niet slechts een theoretische betekenis had, blijkt juist uit het onderhavige geval, waarin Arbed een zodanige prestatie heeft geleverd ten gunste van een Belgische onderneming. Bijgevolg stond bij de vaststelling van de beschikking geenszins vast, welke bedrijven zouden worden gesloten (gelijk de Commissie heeft aangetoond, kon in ieder geval ook aan twee andere walsgroepen voor warmgewalst breedband in andere gemeenten worden gedacht). In feite bleef een andere vestiging die voor sluiting in aanmerking kwam, dit lot uiteindelijk bespaard, omdat zij later levensvatbaar bleek. Derhalve kan er geen sprake van zijn, dat de gemeenten op wier grondgebied de voor sluiting in aanmerking komende bedrijven zich bevinden, rechtstreeks door de beschikking van de Commissie werden getroffen (in werkelijkheid was dit eerst het geval na een latere beslissing van de ondernemingen). Wij kunnen niet aannemen, dat de gemeenten toen aan die voorwaarde voldeden, omdat het thans daadwerkelijk tot stillegging van bedrijven komt; nu het om de ontvankelijkheid van een beroep in rechte gaat, moet voor de vraag op welke wijze iemand wordt geraakt, immers worden uitgegaan van de situatie bij de vaststelling van de bestreden beschikking (of althans bij het verstrijken van de beroepstermijn), en niet van de situatie zoals zij zich later, tijdens de procedure in rechte of zelfs eerst bij de uitspraak van de rechterlijke beslissing, voordoet.
b)
Er bestaat ook gegronde twijfel — hierop behoef ik, gelet op de conclusie waartoe het voorgaande leidt, niet in het bijzonder in te gaan —, of de verzoekende gemeenten individueel geraakt kunnen worden geacht. Sedert het arrest in zaak 25/62 ( 10 ) (waarnaar onder meer nog in het arrest in zaak 231/82 ( 11 ) werd verwezen) is duidelijk, welke voorwaarden daarvoor gelden: relevant is, of een beschikking een niet-geadresseerde „betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke [hem] ten opzichte van ieder ander karakteriseert en [hem] derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat.”
aa)
Volgens het Hof (arrest 88/76) ( 12 ) gold dit bijvoorbeeld voor ondernemingen die in het bezit waren van vóór een bepaald tijdstip afgegeven exportcertificaten met vaststelling vooraf van restituties, ten aanzien van een handeling waarbij hun het recht op annulering van die certificaten werd ontnomen (omdat zij immers uit hoofde van een feitelijke situatie ten opzichte van ieder ander waren gekarakteriseerd en op soortgelijke wijze als een geadresseerde geïndividualiseerd). Volgens het Hof (gevoegde zaken 239 en 275/82) ( 13 ) was dit niet het geval voor — door anti-dumpingrechten getroffen — importeurs, omdat zij, anders dan de exporteurs of producenten in het in de beschikking bedoelde derde land, niet door de beschikking waren geviseerd (omdat hun specifieke situatie niet in aanmerking was genomen).
bb)
In casu mag niet uit het oog worden verloren, dat de verzoekende gemeenten door de bestreden beschikking slechts onrechtstreeks worden geraakt. In die positie — waarvoor de gevolgen van de beschikking voor hun economische en financiële situatie bepalend zijn — bevinden zich echter nog heel wat anderen, zoals werknemers die ingevolge de capaciteitsvermindering hun arbeidsplaats verliezen, afnemers en toeleveranciers van de te sluiten bedrijven en handelaren in gemeenten waar de door de sluiting getroffen werknemers wonen. In deze optiek kan bezwaarlijk worden gesteld, dat de verzoekende gemeenten — op soortgelijke wijze als een geadresseerde — individueel door de beschikking van de Commissie worden geraakt.
c)
Ik zou hieraan tenslotte nog willen toevoegen, dat men ook niet tot een andere conclusie kan komen op grond van de overweging, dat het Luxemburgse recht niet de mogelijkheid biedt, rechtstreeks op te komen tegen de reeds genoemde, op grond van de beschikking van de Commissie vastgestelde, Luxemburgse wet, en dat derhalve — in overeenstemming met het Verdrag betreffende de rechten van de mens alsmede met algemene rechtsbeginselen — naar een zo ruime uitlegging van artikel 173 EEG-Verdrag zou moeten worden gestreefd, dat een rechtsbescherming zonder leemten wordt gewaarborgd.
Er bestaan weliswaar arresten waarin bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van beroepen op grond van artikel 173 EEG-Verdrag op de nationale rechtsmiddelen wordt gewezen die tegen — op gemeenschapshandelingen aansluitende — nationale handelingen kunnen worden aangewend (dit was onder meer het geval in zaak 123/77, de gevoegde zaken 239 en 275/82 en zaak 231/82, reeds aangehaald) ( 14 ). Hieruit kan echter — en in dit verband zij eraan herinnerd, dat in zaak 113/77 ( 15 ) de verwijzing naar nationale rechtsmiddelen als niet ter zake dienend werd verworpen — stellig niet de conclusie worden getrokken, dat voor de vraag of iemand zich tot het Hof van Justitie kan wenden in beginsel bepalend is, of het nationale recht beroepsmogelijkheden biedt of niet. Artikel 173 EEG-Verdrag is een bepaling van gemeenschapsrecht, die niet uitdrukkelijk naar het nationale recht verwijst en derhalve voor de gehele gemeenschap op uniforme wijze, dus ook zonder inachtneming van de door het nationale recht geboden rechtsbescherming, moet worden uitgelegd.
Gesteld dat het juist is, dat de verzoekende gemeenten op grond van het Luxemburgse recht niet tegen de sluiting van bedrijven op hun grondgebied kunnen opkomen (mogelijkerwijs krijgt men een te enge kijk op de zaak, wanneer men alleen rekening houdt met voornoemde wet, waarop wellicht nog uitvoeringsbesluiten moeten volgen), dan moet, veeleer dan daaruit conclusies te trekken voor de uitlegging van het gemeenschapsrecht, het Luxemburgse recht worden geacht onvoldoende rechtsbescherming te bieden.
C —
Mitsdien stel ik, concluderend, voor, de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid gegrond te verklaren, het beroep van de vijf Luxemburgse gemeenten niet-ontvankelijk te verklaren en hen overeenkomstig de conclusies van de Commissie in de kosten van het geding te verwijzen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
( 2 ) Arrest van 10. 2. 1983, zaak 230/81, Luxemburg t. Europees Parlement, Jurispr. 1983, blz. 255.
( 3 ) Arrest van 15. 7. 1963, zaak 25/62, Plaumann, Jurispr. 1963, blz. 205, conclusie, blz. 237.
( 4 ) Arrest van 13. 5. 1971, gevoegde zaken 41-14/70, International Fruit Company e. a., Jurispr. 1971, blz. 411.
( 5 ) Arrest van 6. 3. 1979, zaak 92/78, Simmenthal, Jurispr.1979, blz. 777.
( 6 ) Arrest van 29. 3. 1979, zaak 113/78, Toyo, Jurispr. 1979, blz. 1185.
( 7 ) Arrest van 23. 11. 1971, zaak 62/70, Bock, Jurispr. 1971, blz. 897.
( 8 ) Arrest van 16. 3. 1978, zaak 123/77, UNICME, Jurispr. 1978, blz. 845.
( 9 ) Arrest van 16. 1. 1979, gevoegde zaken 103-109/78, Usines de Beauport e. a., Jurispr. 1979, blz. 17.
( 10 ) Arrest van 15. 7. 1963, zaak 25/62, Plaumann, Jurispr. 1963, blz. 205, conclusie blz. 237.
( 11 ) Arrest van 14. 7. 1983, zaak 231/82, Spijker, Jurispr. 1983, blz. 2559.
( 12 ) Arrest van 31. 3. 1977, zaak 88/76, NV „Suiker Export”, Jurispr. 1977, blz. 709.
( 13 ) Arrest van 21. 2. 1984, gevoegde zaken 239 en 275/82, Allied Corporation e. a., Jurispr. 1984, blz. 1005.
( 14 ) Arrest van 16. 3. 1978, zaak 123/77, UNICME, Jurispr. 1978, blz. 845. Arrest van 21. 2. 1984, gevoegde zaken 239 en 275/82, Allied Corporation e. a., Jurispr. 1984, blz. 1005. Arrest van 14. 7. 1983, zaak 231/82, Spijker, Jurispr. 1983, blz. 2559.
( 15 ) Arrest van 29. 3. 1979, zaak 113/77, Toyo, Jurispr. 1979, blz. 1185.
Full & Egal Universal Law Academy