CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL C. O. LENZ
VAN 21 JUNI 1984 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
Deze ambtenarenzaak betreft de vraag of, wanneer een voor een algemeen vergelijkend onderzoek geslaagde ambtenaar naaide onmiddellijk hogere rang van een hogere categorie overgaat, de artikelen 45 e.v. van het Statuut, betreffende de bevordering, of de artikelen 31 e.v., betreffende de aanwerving, moeten worden toegepast.
A —
De feiten, die uitvoerig zijn beschreven in het rapport ter terechtzitting, kunnen worden samengevat als volgt:
Verzoekster, mevrouw Sophie Moussis, is Griekse. In 1961 behaalde zij in Griekenland een. universiteitsdiploma in de economische en politieke wetenschappen en in 1962 een diploma van het Centre européen universitaire te Nancy. Van 1963 tot 1968 werkte zij voor het Centrum voor economische planning en research te Athene.
Na een stage werkte zij vanaf 1968 als deskundige voor de Commissie. In 1971 werd Moussis als tijdelijk functionaris in rang A 7 bij het directoraat-generaal Landbouw tewerkgesteld. Na te zijn geslaagd voor een vergelijkend onderzoek, werd zij eerst in augustus 1972 als ambtenaar op proef en vervolgens in mei 1973 als ambtenaar in vaste dienst in rang A 7 aangesteld. In 1975 werd zij tot rang A 6 bevorderd.
Na te hebben deelgenomen aan een algemeen vergelijkend onderzoek voor Griekse onderdanen, werd Moussis door de Commissie bij besluit van 8 juni 1982 per 1 juni van dat jaar als hoofdadministrateur in rang A 5, salaristrap 3, aangesteld.
Op 11 januari 1983 verzocht Moussis krachtens artikel 90, lid 1, van het Statuut het indelingscomité, haar indeling opnieuw te onderzoeken met inachtneming van het in maart 1981 ter kennis van het personeel gebrachte besluit van de Commissie van 1973 inzake de criteria voor de indeling in rang en salaristrap bij aanwerving (hierna: indelingscriteria) en haar de rang A 4 toe te kennen. Dit verzoek werd bij brief van 20 januari 1983 onder verwijzing naar haar bevordering afgewezen.
Nadat ook de daartegen krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut tijdig ingediende administratieve klacht bij besluit van de Commissie van 14 juli 1983 was afgewezen, heeft Moussis op 6 oktober 1982 beroep ingesteld. Zij vraagt het Hof, verweersters besluit tot afwijzing van 14 juli 1983 nietig te verklaren en verweerster te gelasten, verzoekster met inachtneming van de indelingscriteria van 1973 opnieuw in te delen.
B —
Over deze vorderingen zou ik het volgende willen opmerken.
1. Ontvankelijkheid van het beroep
a)
Verweerster werpt de niet-ontvankelijkheid op. Zij wijst erop, dat volgens artikel 91, lid 2, van het Statuut een beroep slechts ontvankelijk is, indien bij het tot aanstelling bevoegde gezag tegen de bezwarende handeling eerst een administratieve klacht is ingediend in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut, en binnen de aldaar gestelde termijn. Als bezwarende handeling zou echter de in het besluit van de Commissie van 8 juni 1982 vervatte en op 18 juni daaropvolgende ter kennis van verweerster gebrachte indeling in rang A 5 moeten worden beschouwd. Verweerster zou daartegen binnen de in artikel 90, lid 2, genoemde termijn van drie maanden geen klacht hebben ingediend.
Verzoekster brengt hiertegen in wezen in, dat zij ervan uitging, dat het tot aanstelling bevoegde gezag ongeacht de in artikel 90, lid 2, genoemde termijnen gehouden is, op een klacht in te gaan. De bepalingen van het Statuut betreffende de klachtprocedure en de rechtsbescherming zouden tenslotte ook tot doel hebben, dat gegronde bezwaren van ambtenaren uit de weg worden geruimd. Bijgevolg zou zij terecht krachtens artikel 90, lid 1, dat geen termijnen vaststelt, om herziening van haar indeling hebben verzocht. In zoverre zou de klachtprocedure binnen de termijnen hebben plaatsgevonden. Verweerster zou overigens op geen enkel tijdstip tijdens de klachtprocedure de niet-ontvankelijkheid hebben opgeworpen en daarmee de regelmatigheid van die procedure hebben erkend.
b)
In verband met dit geschilpunt moet worden opgemerkt, dat volgens artikel 91, lid 2, Ambtenarenstatuut een beroep slechts ontvankelijk is, indien men zich van tevoren overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut en binnen de aldaar gestelde termijn tot het tot aanstelling bevoegde gezag heeft gewend met een klacht tegen het bezwarende besluit en op deze klacht een uitdrukkelijk of stilzwijgend besluit tot afwijzing is genomen. Deze termijn heeft tot doel, de mogelijkheid tot betwisting in de tijd te beperken, zodat ingevolge het verstrijken ervan het betrokken besluit definitief wordt. Zoals verweerster terecht aanvoert, is hij derhalve van openbare orde en kan hij niet naar believen van partijen worden ingeroepen.
Wordt na het verstrijken van deze termijn een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut ingediend, dat ertoe strekt een bezwaar uit de weg te ruimen, dan is de afwijzing van dit verzoek door het tot aanstelling bevoegde gezag naar haar aard slechts een confirmatoire handeling, die volgens's Hofs vaste rechtspraak in beginsel niet op zichzelf vatbaar is voor beroep. Werd de afwijzing van een dergelijk verzoek als een nieuwe bezwarende handeling in de zin van artikel 90, lid 2, beschouwd, dan zou door de indiening van zo'n verzoek, die niet aan een termijn is gebonden, de bij artikel 90, lid 2, van het Statuut vastgestelde termijn steeds kunnen worden omzeild.
Het Hof heeft derhalve onder meer in de arresten van 12 juli 1973 (zaak 28/72, Tontodonati, Jurispr. 1973, blz. 779), 6 oktober 1982 (zaak 9/81, Williams, Jurispr. 1982, blz. 3301) en 1 december 1983 (zaken 190/82, Blomefield, en 343/82, Michael, Jurispr. 1983, blz. 3981 en 4023) verklaard, dat een ambtenaar slechts een nieuw onderzoek naar zijn ambtelijke positie kan vragen, indien zich na het verstrijken van de klachttermijn nieuwe feiten hebben voorgedaan die voor verzoeker van bezwarende aard zijn. Als zo'n nieuw feit beschouwde het Hof onder meer de bekendmaking in maart 1981 van de indelingscriteria van de Commissie van 1973.
Verzoekster verzocht op 11 januari 1983 om wijziging van het haar op 18 juni 1982 ter kennis gebrachte indelingsbesluit, nadat de termijn voor het indienen van een klacht tegen deze handeling, waardoor zij zich bezwaard achtte, reeds was verstreken. Op dat ogenblik was de bekendmaking in maart 1981 van de indelingscriteria geen nieuw feit dat een reden had kunnen zijn om verzoeksters ambtelijke positie opnieuw te onderzoeken. Het door het tot aanstelling bevoegde gezag op 20 januari 1982 genomen besluit tot afwijzing van verzoeksters verzoek moet derhalve objectief gezien worden beschouwd als een handeling die het indelingsbesluit van 8 juni 1982 eenvoudig bevestigde en niet van dien aard was, dat verzoekster daardoor opnieuw kon worden bezwaard. Bijgevolg moeten ook de daartegen ingediende administratieve klacht en het beroep tegen het besluit van 14 juli 1983 tot afwijzing van die klacht als tardief worden beschouwd.
c)
Ook kan verzoeksters argument niet worden aanvaard, dat uit het aanstellingsbesluit van 6 juni 1982 niet duidelijk bleek, dat dit een bezwarend karakter had, omdat het in de eerste plaats diende om haar mee te delen, dat zij na een algemeen vergelijkend onderzoek op een bepaalde post als ambtenaar was aangesteld. Uit bedoeld besluit blijkt immers duidelijk, dat verzoekster was aangesteld als hoofdadministrateur in rang A 5, salaristrap 3. Ook het door verzoekster subsidiair aangevoerde motiveringsgebrek kan aan dit bezwarende karakter niet afdoen.
d)
Anders dan verzoekster meent, is verweersters recht om voor het Hof de niet-ontvankelijkheid op te werpen ook niet teloorgegaan door de omstandigheid, dat verweerster verzoekster tijdens de administratieve fase niet attent heeft gemaakt op de onjuistheid van haar handelswijze. Zoals reeds gezegd, heeft het Hof de ontvankelijkheid van een beroep ambtshalve te onderzoeken. Voorts bestaat er, gelijk verweerster terecht opmerkt, geen rechtsregel volgens welke de niet-ontvankelijkheid niet meer kan worden opgeworpen, wanneer zulks niet reeds tijdens de precontentieuze fase van de procedure is geschied. Tenslotte moet men het ook met verweerster eens zijn, dat er uit het oogpunt van een gezond administratief beleid geen bezwaar tegen kan worden gemaakt, dat het tot aanstelling bevoegde gezag in eerste instantie met feitelijke argumenten op een verzoek van een ambtenaar antwoordt en zich niet alleen op vormvoorschriften beroept.
Mitsdien moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
2. De gegrondheid van het beroep
Gelet op deze mijns inziens voor de hand liggende conclusie, meen ik nog slechts subsidiair en zeer in het kort op de gegrondheid van het beroep te moeten ingaan.
a)
Verzoekster meent dat zij, nu zij voor een algemeen vergelijkend onderzoek is geslaagd, recht heeft op toepassing van de indelingsregels van de artikelen 31 en 32 van het Statuut en van artikel 3 van de indelingscriteria. Toepassing van de bepalingen van het Statuut betreffende de bevordering zou tot gevolg hebben, dat zij nadeliger wordt behandeld dan de externe sollicitanten die aan hetzelfde vergelijkend onderzoek hebben deelgenomen en wier beroepservaring volledig in aanmerking is gekomen. Indien een keuze mogelijk is tussen de bepalingen van het Statuut betreffende de aanwerving en die betreffende de bevordering, zou in geval van twijfel de voor de betrokken ambtenaar gunstigste regeling moeten worden toegepast.
b)
Verweerster brengt daartegen — mijns inzien terecht — in, dat elke sollicitant slechts éénmaal kan worden aangesteld als ambtenaar in de zin van artikel 1 van het Statuut. Bij die gelegenheid wordt hij in een bepaalde rang en een bepaalde salaristrap ingedeeld op grond van de artikelen 31 en 32 van het Statuut en. met inachtneming van de indelingscriteria van de Commissie van 1973. Overgang van een in een bepaalde rang ingedeelde ambtenaar naar de eerstvolgende hogere rang kan daarentegen, gelijk in casu is geschied, alleen plaatsvinden op grond van de artikelen 45 e.v. van het Statuut betreffende de bevordering. Deze regels berusten, gelijk ik in mijn conclusie in de zaak Angelidis (zaak 17/83, conclusie van 21. 6. 1984) heb uiteengezet, op het beginsel van de gelijke behandeling van ambtenaren van dezelfde categorie of groep, zoals neergelegd in artikel 5, lid 3, van het Statuut. Werd bij de overgang van een ambtenaar naar een hogere rang van deze regels afgeweken, dan zou dit leiden tot ongelijke behandeling van alle andere ambtenaren ten aanzien van de loopbaan.
c)
Hieraan wordt niet afgedaan door de omstandigheid, dat verzoekster aan een algemeen vergelijkend onderzoek heeft deelgenomen. Gelijk verweerster terecht aanvoert, verlangt het beginsel van gelijke behandeling van alle deelnemers aan een vergelijkend onderzoek slechts, dat voor alle sollicitanten gelijke examenvereisten gelden, maar niet dat de geslaagden die aan verschillende voorwaarden voldoen, in dezelfde rang worden ingedeeld. Verzoekster, die reeds als ambtenaar aan een algemeen vergelijkend onderzoek heeft deelgenomen, verkeert in beginsel in een andere positie dan alle andere deelnemers die voordien niet als ambtenaar in dienst van de Gemeenschap stonden. Dit blijkt niet in het laatst ook hieruit, dat verzoekster na haar aanstelling als hoofdadministrateur in rang A 5, salaristrap 3, niet meer de door artikel 34 van het Statuut voorgeschreven proeftijd behoefde te volbrengen. De Commissie heeft verzoekster reeds tijdens de administratieve procedure daarop attent gemaakt. In zoverre moge ik naar mijn uiteenzettingen in mijn conclusie in voornoemde zaak Angelidis verwijzen. Het verschil tussen deze zaak, waarin ik voor toepassing van de bepalingen van het Statuut betreffende de aanwerving heb gepleit, en het onderhavige geval is onder meer hierin gelegen, dat in eerstgenoemde zaak aan verzoeker, die eerst tijdelijk functionaris was geweest, de hoedanigheid van ambtenaar in vaste dienst was toegekend en hij bij die gelegenheid niet in de eerstvolgende hogere rang, maar in de tweede volgende rang was ingedeeld.
Op grond van het vorenoverwogene moet het beroep derhalve ook als ongegrond worden beschouwd.
C —
Concluderend stel ik mitsdien voor, het beroep te verwerpen en overeenkomstig de artikelen 69, paragraaf 2, en 70 van het Reglement voor de procesvoering elke partij in haar eigen kosten te verwijzen.
( 1 ) Vertaald uil het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy