CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
G. F. MANCINI
van 25 oktober 1984 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
Opnieuw wordt het Hof om uitlegging verzocht van verordening nr. 1798/75 van de Raad van 10 juli 1975 betreffende de invoer met vrijstelling van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor voorwerpen van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard (PB L 184 van 1975, blz. 1). In wezen gaat het om de vraag, wat moet worden verstaan onder de uitdrukking „wetenschappelijke instrumenten en apparaten”, die in artikel 3, lid 1, van deze verordening voorkomt. Het Hof wordt met name verzocht vast te stellen, welke bijzondere kenmerken bepalend zijn voor de „wetenschappelijke” aard van een activiteit, en in de tweede plaats of enkel instrumenten en apparaten die uitsluitend voor wetenschappelijke activiteiten bestemd zijn, als „wetenschappelijk” zijn aan te merken.
In 1978 voerde de Gesamthochschule Duisburg uit de Verenigde Staten een computersysteem in de Bondsrepubliek Duitsland in, „microprocessor-ontwikkelingssysteem” (Mikroprozessor-Entwicklungssystem) genaamd, voor gebruik in het kader van een onderzoekproject betreffende signaaldetectie volgens niet-parametrische methoden. De importrice verzocht het bevoegde douanekantoor (München-Mitte) om vrijstelling van douanerechten. Deze werd in eerste instantie, zij het voorlopig, verleend, doch nadat het douanekantoor de zaak door de „Zolltechnische Prüfungs- und Lehranstalt München” had laten onderzoeken, kwam het op zijn beslissing terug en vorderde het van de Gesamthochschule ruim DM 2000 wegens douanerechten en rond DM 250 wegens omzetbelasting bij invoer. Het motiveerde zijn beschikking met de overweging, dat het apparaat in feite niet van wetenschappelijke aard was, omdat het voor velerlei doeleinden kon worden gebruikt die niet de kenmerken bezitten die een werkzaamheid tot een „wetenschappelijke” bestempelen.
De importrice stelde hierop beroep in bij het Finanzgericht München, dat de behandeling van de zaak bij beschikking van 26 september 1983 schorste en het Hof om uitlegging verzocht van de uitdrukking „wetenschappelijke instrumenten en apparaten” in de oorspronkelijke versie van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1798 van de Raad van 10 juli 1975. Het stelde meer in het bijzonder vier vragen :
„1)
Bevat artikel 3, lid 3, eerste streepje, van verordening nr. 1798/75 — zoals gewijzigd bij verordening nr. 1027/79 van 8 mei 1979 — een juiste uitlegging van het begrip ‚wetenschappelijke instrumenten en apparaten’ als bedoeld in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1798/75 — in de oorspronkelijke versie —, en is bedoeld voorschrift derhalve ook voor de periode vóór haar inwerkingtreding op 1 januari 1980 inhoudelijk bepalend te achten ?
Zo ja,
2)
Geldt dit ook voor de uitlegging van het begrip ‚objectieve technische kenmerken’ in artikel 5, lid 1, van verordening nr. 2784/79 van 12 december 1979?
3)
Hoe moet het begrip ‚wetenschappelijke activiteiten’ als bedoeld in artikel 3, lid 3, eerste streepje, van verordening nr. 1798/75 — zoals gewijzigd bij verordening nr. 1027/79 — worden uitgelegd ? Vallen daaronder behalve het zuiver wetenschappelijk en toegepast onderzoek, ook werkzaamheden waarbij met behulp van wetenschappelijke kennis en met gebruikmaking van wetenschappelijke methodes produkten, technieken en procédés worden ontwikkeld of verbeterd, en is het daarbij van belang of deze activiteiten in of buiten wetenschappelijke instellingen worden verricht ? Welke andere maatstaven zijn eventueel beslissend voor de afbakening tussen wetenschappelijke activiteiten en andere werkzaamheden ?
Zo de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord :
4)
Volgens welke criteria moet worden bepaald of een instrument of apparaat, gelet op zijn objectieve kenmerken, bijzonder geschikt is voor zuiver wetenschappelijk onderzoek ?”
2.
De eerste vraag betreft de uitlegging van de uitdrukking „wetenschappelijke instrumenten en apparaten”. Het Finanzgericht wil weten of de definitie daarvan in artikel 1, lid 3, eerste streepje, van verordening nr. 1027/79 van 8 mei 1979 (PB L 134 van 1979, blz. 1) kan worden beschouwd als een „juiste” (of „relevante”) uitlegging van verordening nr. 1798/75 en bijgevolg ook geldt voor feiten als de onderhavige, die hebben plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van deze bepaling.
Er zij aan herinnerd, dat de oorspronkelijke versie van verordening nr. 1798/75 de betrokken uitdrukking niet precies definieerde. In navolging van het akkoord van Florence inzake de invoer van voorwerpen van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard, dat in 1950 op initiatief van de UNESCO tot stand kwam (Recueil des Traites des Nations Unies, vol. 131, blz. 26 e.V.), bepaalde artikel 3, lid 1, van de oorspronkelijke versie slechts dat „de invoer van... wetenschappelijke instrumenten en apparaten, die uitsluitend worden ingevoerd voor het onderwijs of zuiver wetenschappelijk onderzoek, met vrijstelling van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief geschiedt, wanneer:
a)
zij bestemd zijn;
—
hetzij voor openbare instellingen of instellingen van openbaar nut, wier voornaamste bezigheid het onderwijs of het wetenschappelijk onderzoek is, en voor diensten die onder een openbare instelling of een instelling van openbaar nut ressorteren en wier voornaamste bezigheid het onderwijs of het wetenschappelijk onderzoek is;
—
hetzij voor particuliere wetenschappelijke of onderwijsinstellingen die als zodanig toestemming hebben van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten om deze goederen vrij van rechten in te voeren,
en wanneer
b)
geen instrumenten of apparaten van overeenkomstige wetenschappelijke waarde in de Gemeenschap worden vervaardigd”.
Verder bepaalde het derde lid van dit artikel, dat onder „zuiver wetenschappelijk onderzoek” moest worden verstaan onderzoek dat voor niet-commerciële doeleinden wordt verricht.
Naar aanleiding van een verzoek van de Nederlandse Tariefcommissie om uitlegging van deze bepaling overwoog het Hof, dat „de... termen ‚wetenschappelijk instrument of apparaat’ een instrument of apparaat aanduiden dat objectieve eigenschappen be-'zit welke het in het bijzonder geschikt maken voor het verrichten van zuiver wetenschappelijk onderzoek”. Het Hof merkte hierbij op, „dat daar een zodanige bestemming objectief moet worden beoordeeld, uitsluitend met het oog op deze eigenschappen, de omstandigheid dat het instrument of apparaat in de industrie of elders voor commerciële doeleinden wordt gebruikt, op zichzelf niet noodzakelijkerwijs uitsluit dat het een wetenschappelijk karakter heeft in de zin van de verordening... en bijgevolg in aanmerking kan komen voor de... vrijstelling van douanerechten, indien tevens aan de overige hiertoe gestelde voorwaarden wordt voldaan” (arrest van 2 februari 1978, zaak 72/77, Universiteitskliniek Utrecht, Jurispr. 1978, blz. 189).
Eerst bij verordening nr. 1027/79 werd de betrokken uitdrukking nauwkeurig gedefinieerd. Volgens artikel 1, lid 3, eerste streepje, wordt hieronder verstaan een instrument of apparaat dat „vanwege zijn objectieve technische kenmerken en de resultaten welke ermee bereikt kunnen worden, uitsluitend of hoofdzakelijk geschikt is voor de verwezenlijking van wetenschappelijke activiteiten”.
Deze definitie voegt mijns inziens echter niets relevants toe aan de conclusies die reeds door uitlegging van de oude tekst konden worden getrokken, en door het Hof ook zijn getrokken. In arrest 72/77 verklaarde het Hof, zoals gezegd, dat het instrument de objectieve eigenschappen moet bezitten welke het in het bijzonder geschikt maken voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. Vergeleken met deze vereisten is het enige nieuwe van de verordening van 1979 het vereiste dat de kenmerken „technisch” zijn, doch dit adjectief ligt reeds in de door het Hof gebruikte adjectieven besloten. Ik kan werkelijk geen kenmerken van een apparaat bedenken, die bij objectieve beoordeling worden vastgesteld en bestemd zijn voor het verrichten van wetenschappelijke activiteiten, welke niet tevens noodzakelijkerwijs technisch zijn.
Dit is nog niet alles. Het Hof zelf heeft nog onlangs bij een beoordeling van de eerste versie van verordening nr. 1798/75 niet uitgesloten, dat men voor de uitlegging hiervan beroep zou kunnen doen op de gewijzigde versie van 1979 (arrest van 10 november 1983, zaak 300/82, Gesamthochschule Essen, Jurispr. 1983, blz. 3643). Ik concludeer hieruit, dat de eerste vraag van de verwijzende rechter bevestigend moet worden beantwoord: de definitie van artikel 1, lid 3, eerste streepje, van de verordening van 8 mei 1979 is een „relevante uitlegging” van verordening nr. 1798/75.
3.
In de tweede vraag wordt het Hof verzocht uit te leggen, wat moet worden verstaan onder de uitdrukking „objectieve technische kenmerken” in artikel 5 van verordening nr. 2784/79 van de Commissie van 12 december 1979 (PB L 318 van 1979, blz. 32). Ook hier wil het Finanzgericht weten, of de in deze bepaling gegeven definitie van dit begrip „bepalend” moet worden geacht voor de periode vóór de inwerkingtreding van de verordening.
Laatstgenoemde bevat uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1798/75. Aanvankelijk waren deze in een andere verordening neergelegd, namelijk verordening nr. 3195/75 van de Commissie van 2 december 1975 (PB L 316 van 1975, blz. 17); deze is nu juist vervangen door de door de Duitse rechter genoemde verordening, om rekening te kunnen houden met de wijzigingen die door verordening nr. 1027/79 in de basisverordening waren aangebracht. In verband met de eerste vraag heb ik al iets gezegd over de omstreden formulering. Deze kwam, zoals bekend, in de oorspronkelijke versie van verordening nr. 1798/75 niet voor; zij werd geïntroduceerd in de definitie van „wetenschappelijk instrument of apparaat”, die in verordening nr. 1027/79 opduikt.
Volgens artikel 5, lid 1, van verordening nr. 2784/79 wordt onder „objectieve technische kenmerken” van een wetenschappelijk instrument of apparaat verstaan „de kenmerken die voortvloeien uit de bouw van genoemd instrument of apparaat of uit de wijzigingen die in vergelijking met een instrument of apparaat van een gangbaar type daarin zijn aangebracht waardoor het prestaties kan leveren van hoog niveau die niet vereist zijn voor industrieel of commercieel gebruik. Wanneer op grond van de objectieve technische kenmerken het niet mogelijk is om op ondubbelzinnige wijze vast te stellen of een instrument of apparaat als... wetenschappelijk... moet worden beschouwd, wordt nagegaan voor welke doeleinden de instrumenten of apparaten van het soort waarvoor de invoer met vrijstelling wordt gevraagd, in de Gemeenschap gewoonlijk worden gebruikt. Wanneer uit dit onderzoek blijkt dat dit instrument... voornamelijk wordt gebruikt voor de verwezenlijking van wetenschappelijke activiteiten, wordt het aangemerkt een wetenschappelijk karakter te bezitten.”
Zoals de Commissie terecht opmerkt, behelzen deze criteria geen regeling die van de regeling van verordening nr. 1798/75 afwijkt. Het is logisch en blijkt ook in de praktijk, dat het vermogen om hoge prestaties te leveren het wezenskenmerk is van instrumenten of apparaten die voor het onderwijs of het wetenschappelijk onderzoek worden gebruikt (zoals artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1798/75 in de oorspronkelijke versie bepaalt) ofwel (in de woorden van het Hof bij de uitlegging van deze bepaling in zaak 72/77) „in het bijzonder geschikt [zijn] voor het verrichten van zuiver wetenschappelijk onderzoek”.
Artikel 5 van verordening nr. 2784/79 verschaft dus relevante criteria voor de uitlegging van het in de oorspronkelijke versie van verordening nr. 1798/75 voorkomende begrip „objectieve technische kenmerken”. Bovendien zijn deze criteria zo ruim, dat er daarnaast geen plaats is voor verdere beoordelingsfactoren voor de periode vóór het van kracht worden van deze bepaling.
4.
De derde vraag heeft betrekking op de uitlegging van het begrip „wetenschappelijke activiteiten” in de zin van artikel 3, lid 3, eerste streepje, van verordening nr. 1798/75, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1027/79. Volgens deze bepaling wordt als „wetenschappelijk” aangemerkt het instrument of apparaat „dat, vanwege zijn objectieve technische kenmerken en de resultaten welke ermee bereikt kunnen worden, uitsluitend of hoofdzakelijk geschikt is voor de verwezenlijking van wetenschappelijke activiteiten”. Het Finanzgericht München wil nu weten of hieronder, naast zuiver en toegepast wetenschappelijk onderzoek, ook activiteiten kunnen vallen waarbij met behulp van wetenschappelijke kennis en met gebruikmaking van wetenschappelijke methodes produkten, technieken en procédés worden ontwikkeld of verbeterd, en of het daarbij van belang is of deze activiteiten in wetenschappelijke instellingen worden verricht.
Uiteraard dwingt een dergelijke vraag het Hof niet om een definitie te geven van het begrip „wetenschap”. Het Hof kan ermee volstaan, aan te geven welke betekenis binnen de context van de regeling inzake douanevrijstelling toekomt aan het begrip wetenschappelijke activiteiten.
Ik heb reeds opgemerkt, dat dit begrip dient voor de vaststelling van het „wetenschappelijke” karakter van een instrument of apparaat. Van een dergelijk karakter is sprake wanneer het instrument „uitsluitend of hoofdzakelijk” geschikt is voor het verrichten van wetenschappelijke activiteiten, waarbij ik aanteken dat deze activiteiten door openbare of particuliere onderwijs- of onderzoekinstellingen moeten worden verricht. Immers bij deze en enkel bij deze bevordert de verlening van de vrijstelling het door de eerste overweging van verordening nr. 1798/75 verlangde „vrije verkeer van ideeën, ... de uitoefening van culturele activiteiten en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek binnen de Gemeenschap”. Daarentegen kan deze faciliteit niet worden verleend wanneer het apparaat voor commerciële doeleinden wordt ingevoerd, zelfs indien men voor het gebruik daarvan over gedegen wetenschappelijke kennis moet beschikken, zoals bij de hoogontwikkelde industriële technologie het geval is.
Indien dit juist is, dient een goede definitie van „wetenschappelijke activiteiten” de nadruk te leggen op de aard van de ontheffingsgerechtigde. De werkzaamheden van onderwijs- en onderzoekinstellingen zijn immers per definitie gericht op de verwerving, verdieping, weergave en verbreiding van wetenschappelijke kennis en zullen in de regel niet, althans niet rechtstreeks, bestaan in het gebruik maken van deze kennis voor de produktie van goederen of het verlenen van diensten. Bovendien zijn het activiteiten waarvoor instrumenten vereist zijn die, ingevolge het bepaalde in artikel 5 van verordening nr. 2784/79, prestaties van hoog niveau kunnen leveren.
5.
Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de vragen die het Finanzgericht München bij beschikking van 26 september 1983 in de zaak Gesamthochschule Duisburg/Hauptzollamt München-Mitte heeft voorgelegd, te beantwoorden als volgt:
1)
Voor de uitlegging van het begrip „wetenschappelijke instrumenten of apparaten” in de oorspronkelijke versie van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1798/75 kan worden teruggegrepen op de definitie die bij verordening nr. 1027/79 in dit artikel is opgenomen. Die definitie is dus ook bepalend voor de beoordeling van feiten die vóór de inwerkingtreding daarvan hebben plaatsgevonden.
2)
Het is geoorloofd om voor de vaststelling van de „objectieve technische kenmerken” van een instrument of apparaat de in artikel 5, lid 1, van verordening nr. 2784/79 genoemde geschiktheid voor het leveren van prestaties van hoog niveau die niet vereist zijn voor industrieel of commercieel gebruik, als criterium te hanteren, zelfs voor de periode vóór de inwerkingtreding van deze bepaling.
3)
Het begrip „wetenschappelijke activiteiten” in artikel 3, lid 3, eerste streepje, van verordening nr. 1798/75, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1027/79, moet aldus worden gelezen dat het de werkzaamheden omvat van een openbare of particuliere onderwijs- of onderzoekinstelling, gericht op het verwerven, verdiepen, weergeven en verbreiden van wetenschappelijke kennis, wanneer de werkzaamheden worden verricht met instrumenten die geschikt zijn voor het leveren van prestaties van hoog niveau.
( *1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy