CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN 5 JULI 1984
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1. Inleiding
1.1. Een nieuw vragencomplex
In de onderhavige zaak wordt een geheel nieuw vragencomplex aangesneden met betrekking tot de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1798/75 ter zake van de vrijstelling van douanerechten voor wetenschappelijke instrumenten of apparaten. Dit vragencomplex vloeit voort uit de afzonderlijke voorschriften voor enerzijds wetenschappelijke instrumenten of apparaten (artikel 3, lid 1) en anderzijds „delen, reservedelen en toebehoren, die noodzakelijk zijn voor de werking van de wetenschappelijke instrumenten en apparaten die zelf met vrijstelling van rechten kunnen worden ingevoerd” (artikel 3, lid 2).
1.2. De omvang van bet nieuwe vragencomplex
Globaal gezien omvat dit nieuwe vragencomplex met name de volgende vragen:
a)
Hoe moeten wetenschappelijke instrumenten en apparaten tegenover „delen”, enzovoort daarvan worden afgebakend wanneer er sprake is van complexe, uit verschillende eenheden opgebouwde, wetenschappelijke installaties?
Deze vraag lijkt in de praktijk vooral van belang wanneer deze wetenschappelijke installaties in haar geheel noodzakelijk zijn voor een bepaald zuiver wetenschappelijk onderzoek, maar toch opgebouwd zijn uit bestanddelen die zelfstandige deelfuncties vervullen in dit onderzoek. Wanneer sommige van die bestanddelen wèl en andere niet binnen de Gemeenschap worden vervaardigd, is het voor de praktijk van belang te weten of de gehele installatie als één apparaat moet worden beschouwd dan wel of bepaalde bestanddelen en met name bepaalde, niet binnen de Gemeenschap vervaardigde, bestanddelen zelfstandig als wetenschappelijk instrument of apparaat kunnen worden aangemerkt. In dergelijke situaties is dus enerzijds van belang te weten wat een apparaat is en anderzijds wat slechts een deel, enzovoort van een dergelijk apparaat is. Bij de beantwoording van die vragen komt het uiteraard aan op het vinden van betrekkelijk eenvoudige onderscheidingscriteria, die zich lenen voor praktische hantering door de douanediensten bij de inklaring.
b)
Ook wanneer, zoals in het onderhavige geval, geen sprake is van dergelijke complexe installaties, maar van één apparaat, dat verschillende onderdelen omvat, kan het genoemde onderscheid van praktisch belang zijn. Met name rijst dan echter de vraag of van een (binnen de Gemeenschap vervaardigd) wetenschappelijk apparaat nog wel sprake is, wanneer bepaalde, voor het betrokken onderzoek noodzakelijke onderdelen van dit apparaat juist niet binnen de Gemeenschap worden vervaardigd.
c)
In de derde plaats rijst een gehele serie vragen over de douanerechtelijke behandeling wanneer eenmaal is vastgesteld, dat een bepaald voorwerp níet zelf een wetenschappelijk instrument of apparaat vormt, maar slechts een deel, enzovoort daarvan is als bedoeld in artikel 3, lid 2 van de verordening. Naast de interpretatievragen waartoe artikel 3, tweede lid, aanleiding geeft, kunnen daarbij vragen rijzen over de uitlegging van artikel 3, vierde lid.
1.3. Het concrete geval
Het bodemgeschil, dat aan de in casu gestelde vragen ten grondslag ligt, betreft de vraag, of de door verzoekster ingevoerde „rotoren” en „stappenregeleen-heid”, die voor de betrokken ultracentrifuge (voor het onderzoek naar de verdeling van het moleculair gewicht in synthetische en natuurlijke polymeren) zijn bestemd en op 23 september 1977 werden ingeklaard, op grond van de genoemde verordening zijn vrijgesteld van douanerechten.
Zowel de ultracentrifuge als de genoemde delen daarvan zijn in de verwijzingsbeschikking (blz. 4-7) uitvoerig beschreven. Vast staat, dat in de Gemeenschap tot het tijdstip van invoer noch complete ultracentrifuges, als hier in geding, noch rotoren of stappenregeleenheden werden vervaardigd, die voor de aanwending voor wetenschappelijke doeleinden qua aard of prestatievermogen gelijkwaardig waren aan de ultracentrifuge model E van Beckmann, respectievelijk de ingevoerde rotoren en de ingevoerde stappenregeleenheid (blz. 7, eerste volle alinea van de verwijzingsbeschikking). In zoverre is onderdeel b) van het zojuist uiteengezette vragencomplex aan de orde.
Voorzover onderdelen van de betrokken ultracentrifuge niet zelf als wetenschappelijk instrument of apparaat kunnen worden beschouwd, rijst echter tevens de vraag, in hoeverre deze onderdelen aan de vrijstellingsvereisten (van artikel 3, tweede en vierde lid, van de verordening) voor delen, enzovoort van een wetenschappelijk instrument of apparaat voldoen. In zoverre is dan ook onderdeel c) van het zojuist uiteengezette vragencomplex aan de orde.
1.4. De gestelde vragen
Met het in concreto relevante onderdeel b) van het in abstracto door mij uiteengezette vragencomplex correspondeert het vragencomplex I en met zijn onderdeel c) het vragencomplex II van de verwijzingsbeschikking. Het vragencomplex I is daarin echter zo ruim omschreven, dat daaronder in beginsel ook onderdeel a) van het door mij globaal aangegeven vragencomplex valt te brengen.
De vragen., die het Finanzgericht München u bij beschikking van 6 oktober gesteld heeft, luiden namelijk als volgt:
„I.
Hoe moet het begrip „wetenschappelijke instrumenten en apparaten” als bedoeld in artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1798/75 van 10 juli 1975 (in haar oorspronkelijke versie) worden uitgelegd?
1.
Kunnen daaronder ook voorwerpen vallen die delen, reservedelen of toebehoren van een installatie zijn?
Bij een bevestigend antwoord op vraag 1 :
2.
Vallen onder het begrip „instrumenten en apparaten” produkten van allerlei soort of alleen voorwerpen die zodanig zijn ontworpen, dat daarmee een bepaalde verrichting kan worden uitgevoerd dan wel bepaalde uitwerkingen op andere voorwerpen kunnen worden bereikt? Welke andere criteria zijn in voorkomend geval voor de afbakening, van deze begrippen aan te wenden?
3.
Is bij voorwerpen die delen, reservedelen of toebehoren van een installatie zijn, de eigenschap van instrument of apparaat afhankelijk van de omstandigheid, dat zij te genover deze installatie respectievelijk de andere bestanddelen daarvan
a)
constructief zelfstandig zijn (bij voorbeeld door een eigen behuizing, een eigen bodemplaat e. d.) en/of
b)
een zelfstandige functie bezitten?
Bij een ontkennend antwoord op vraag 3a en een bevestigend antwoord op vraag 3b:
c)
Is bij een deel, reservedeel of toebehoren, dat binnen een installatie een zelfstandige functie vervult, doorslaggevend dat het zelfstandig kan werken, in het bijzonder derhalve naast het eigenlijke werkende deel ook de voorzieningen voor de aandrijving daarvan omvat?
4.
Is voor de wetenschappelijke aard van instrumenten en apparaten die bestanddelen van een installatie zijn, doorslaggevend of deze instrumenten en apparaten op zich beschouwd, in het bijzonder op grond van hun (deel-)functie, voor wetenschappelijke doeleinden dienen, of kan reeds worden gesteld dat zij van wetenschappelijke aard zijn, indien de installatie waartoe zij behoren een wetenschappelijk karakter draagt en zij, op grond dat zij specifieke delen van deze eenheid vormen, alleen te zamen met deze laatste kunnen worden gebruikt en derhalve evenals die eenheid uitsluitend of hoofdzakelijk bij het verrichten van wetenschappelijke werkzaamheden worden ingezet?
II.
Hoe moet artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1798/75 worden uitgelegd?
1.
Betekent de uitdrukking „noodzakelijk zijn voor de werking van de wetenschappelijke instrumenten en apparaten”, dat
a)
de instrumenten en apparaten zonder het betrokken deel, reservedeel of toebehoren niet kunnen functioneren, of gaat het ervan uit dat
b)
de delen of reservedelen respectievelijk toebehoren speciaal voor de betrokken instrumenten en apparaten zijn gebouwd of daaraan zijn aangepast, dat het derhalve om specifieke bestanddelen, reservedelen of toebehoren van deze instrumenten of apparaten gaat?
2.
Betekent de uitdrukking „die zelf met vrijstelling van rechten kunnen worden ingevoerd”, dat de instrumenten en apparaten voor de werking waarvan de delen, reservedelen of het toebehoren noodzakelijk zijn,
a)
zelf zijn of worden ingevoerd, of is het voldoende dat zij
b)
voldoen aan de voorwaarden verbonden aan vrijstelling van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief, zodat artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1798/75 ook van toepassing is, wanneer de bestanddelen van de instrumenten en apparaten gedeeltelijk werden uitgevoerd uit een derde land en gedeeltelijk in de Gemeenschap werden vervaardigd, op voorwaarde dat in de Gemeenschap geen instrumenten en apparaten van dezelfde wetenschappelijke waarde worden vervaardigd als de uit deze delen samengestelde instrumenten en apparaten?”
1.5. Inhoudelijke en procedurele problemen bij de beantwoording van de vragen
Voor de beantwoording van de gestelde vragen zijn naast haar zuiver juridische aspecten ook aspecten van onderzoektechnologie, onderzoekpolitiek, industriepolitiek en handelspolitiek van belang. De zuiver juridische aspecten kunnen moeilijk geheel geïsoleerd behandeld worden, dus zonder met de genoemde andere aspecten rekening te houden. Dit blijkt zowel uit de uitvoerige motivering van de verwijzingsbeschikking als uit de schriftelijke en mondelinge opmerkingen van de Commissie.
Het pertinente karakter van de toelichtingen op de verwijzingsbeschikking en het hoogst ingewikkelde karakter van de gestelde vragen, dat uit die toelichtingen blijkt, doen het gemis voelen aan een contradictoire behandeling.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft ook de Commissie deze afwezigheid van een contradictoire behandeling betreurd. Het ontbreken van voorlichting door deskundigen op het gebied van de onderzoektechnologie maakt het bij voorbeeld onzeker of de Commissie wel gelijk heeft met haar standpunt, dat de gestelde vragen voor 90 % van de praktijkgevallen praktisch zonder belang zijn. Dit standpunt baseert zij op de hypothese, dat in die overgrote meerderheid van de gevallen de criteria van artikel 3, tweede lid van de verordening, op eenvoudige wijze mogelijk zouden maken vast te stellen, of voorwerpen die deel uitmaken van een meeromvattende apparatuur voor vrijstelling van douanerechten in aanmerking komen. Mede wellicht op grond van die werkhypothese is de Commissie ook niet uitvoerig ingegaan op het geheel anders opgezette en tot andere oplossingen tenderende betoog, dat de verwijzingsrechter in de motivering van zijn vragen heeft uitgewerkt. De Commissie heeft dus zelfs de door de tekst van de verwijzingsbeschikking geboden mogelijkheid van contradictoire behandeling niet volledig benut. Dit valt niet alleen in het kader van de door Uw Hof in het kader van artikel 177 nagestreefde vruchtbare dialoog met de verwijzingsrechter te betreuren. Het is ook te betreuren, omdat de Commissie tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk heeft erkend, dat enkele hoekstenen van haar betoog aanvechtbaar zijn, dat wil zeggen dat daarover ook zeer wel andere standpunten kunnen worden verdedigd. Ik zal daarop nog terugkomen.
Ondanks de genoemde inhoudelijke en procedurele obstakels voor een optimale behandeling van de gestelde vragen, zal ik thans achtereenvolgens het eerste en het tweede vragencomplex behandelen, dat in de verwijzingsbeschikking aan de orde is gesteld.
2. Het vragencomplex I uit de verwijzingsbeschikking
2.1. Vraag 1.1
In vraag 1.1 wil de verwijzingsrechter van U weten, of onder het begrip „wetenschappelijke instrumenten en apparaten, als bedoeld in artikel 3, lid 1, van de onderwerpelijke verordening” ook voorwerpen kunnen vallen die delen, reservedelen of toebehoren van een installatie zijn („Teile”, usw. „einer apparativen Einheit bilden”). De Commissie gaat in haar opmerkingen uit van de uit de leden 1 en 2 van artikel 3 blijkende noodzaak van een duidelijke scheiding tussen enerzijds instrumenten en apparaten en anderzijds hiervoor bestemde delen, enzovoort. Zij stelt echter vervolgens vast, dat dit onderscheid praktisch voor het recht op vrijstelling zonder belang is, wanneer de „delen”, enzovoort bestemd zijn voor instrumenten en apparaten die zelf zonder douanerechten worden ingevoerd. In de praktijk zou de vraag derhalve alleen van belang zijn voorzover het instrument of apparaat waarvoor de betrokken voorwerpen als bestanddeel bestemd zijn, zelf niet voor vrijstelling in aanmerking komt, omdat gelijkwaardige instrumenten of apparaten binnen de Gemeenschap worden vervaardigd. Ten einde voor deze — naar het oordeel der Commissie zeldzame — gevallen een gemakkelijk door de douanediensten hanteerbaar criterium te geven, stelt de Commissie met betrekking tot concrete gevallen als in casu aan de orde ( 1 ) voor, vraag 1.1 als volgt te beantwoorden :
„Voorwerpen die bestemd zijn, delen, reservedelen of toebehoren te vormen van een wetenschappelijk instrument of apparaat, dienen niet als wetenschappelijke instrumenten of apparaten in de zin van artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1798/75 te worden behandeld.”
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Commissie op een vraag mijnerzijds toegegeven, dat het zwakke punt in haar argumentatie op dit punt is, dat zij er van uitgaat, dat het betrokken apparaat zelf ondanks het ontbreken van voor het onderzoek wezenlijke onderdelen (die niet in de Gemeenschap worden vervaardigd), toch als een apparaat in de zin van artikel 3 moet worden beschouwd. In de systematiek van de verordening acht ik dit uitgangspunt in hoge mate aanvechtbaar.
In deze systematiek komen onderdelen van die apparaten, die zelf voor vrijstelling in aanmerking komen, in de regel eveneens voor vrijstelling in aanmerking. Het volledige apparaat, dat in het bodemgeding aan de orde is (dus met inbegrip van de twee litigieuze onderdelen) komt stellig voor vrijstelling van douanerechten in aanmerking. Het wordt immers blijkens de verwijzingsbeschikking niet binnen de Gemeenschap vervaardigd. De Commissie heeft dit tijdens de procedure uitdrukkelijk toegegeven. Uit een oogpunt van onderzoekbeleid, industriepolitiek en handelspolitiek lijkt het dan weinig voor de hand te liggen, douanevrijstelling te weigeren voor de invoer van onderdelen die gezamenlijk met de in de Gemeenschap vervaardigde onderdelen het volledige apparaat opleveren, dat voor het betrokken onderzoek nodig is. Aldus zou zelfs onder omstandigheden een premie gesteld worden op het invoeren van het volledige apparaat, hoewel bepaalde onderdelen daarvan ook binnen de Gemeenschap worden vervaardigd. Op blz. 23 van zijn beschikking wijst ook de verwijzingsrechter op deze ruimere samenhang waarin de gestelde vragen dienen te worden bezien. De Commissie heeft tijdens de mondelinge behandeling toegegeven, dat deze ruimere achtergrond ook een andere beantwoording dan door haar voorgesteld, zou kunnen rechtvaardigen.
Ook zuiver begripsmatig acht ik de door de Commissie voorgestelde beantwoording van vraag 1.1 intussen aanvechtbaar. Wanneer ik het volledige apparaat aanduid met x en de wezenlijke litigieuze onderdelen met respectievelijk y en z, lijkt het mij evident, dat x — y — z (dat wil zeggen het apparaatgedeelte, vervaardigd binnen de Gemeenschap) niet gelijkgesteld kan worden met x.
Ten slotte heb ik al opgemerkt, dat de vraagstelling ook betrekking heeft op onderdelen van een wetenschappelijke „installatie” („apparative Einheit”), die uit een groot aantal, constructief meer of minder duidelijk verbonden onderdelen bestaat. Die onderdelen kunnen bovendien al dan niet een zelfstandige wetenschappelijke functie (dan wel een zelfstandige mechanische functie) hebben. Van een zelfstandige wetenschappelijke functie zal onder meer duidelijk sprake zijn, wanneer zij ook in samenhang met installaties met een geheel ander wetenschappelijk onderzoekdoel, dan wel zonder constructieve samenhang met de betrokken installatie voor wetenschappelijk onderzoek kunnen worden gebruikt. Onderdelen met een zelfstandige mechanische functie, die ook voor andere doeleinden dan wetenschappelijk onderzoek kunnen worden gebruikt, zullen naar hun aard nooit als wetenschappelijke instrumenten of apparaten voor vrijstelling van douanerechten in aanmerking komen, omdat zij niet voldoen aan de eerste basisvoorwaarde van artikel 3, eerste lid, van de verordening. Voor onderdelen met een zelfstandige wetenschappelijke functie is de gestelde vraag echter wel degelijk van praktisch belang.
Op grond van mijn voorgaande analyses stel ik voor op vraag 1.1 van de verwijzingsrechter als volgt te antwoorden :
„De enkele omstandigheid, dat voorwerpen, delen, reservedelen of toebehoren van een meer omvattende installatie of apparatuur voor wetenschappelijk onderzoek zijn, sluit nog niet uit, dat zij ook zelf als „wetenschappelijke instrumenten of apparaten” als bedoeld in artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1798/75 van 10 juli 1975 (in haar oorspronkelijke versie) kunnen worden beschouwd.”
2.2. Vragen 1.2, 3 en 4
Op grond van haar antwoord op vraag 1.1 acht de Commissie de andere onderdelen van het vragencomplex I in de verwijzingsbeschikking zonder voorwerp. Bij het door mij voorgestelde antwoord op vraag 1.1 moet aan die andere onderdelen uiteraard wèl aandacht worden besteed.
Op grond van Uw arresten en mijn voorafgaande conclusies in de zaken 300/82 (Gesamthochschule Essen, arrest van 10. 11.1983, Jurispr. 1983, blz. 3643 en 45/83 (Ludwig-Maximilians-Universität München, arrest van 26, 1. 1984, Jurispr. 1984, blz. 267), stel ik voorop, dat daarbij niet beslissend kan zijn of met de betrokken voorwerpen „een bepaalde verrichting kan worden uitgevoerd dan wel bepaalde uitwerkingen, op andere voorwerpen kunnen worden bereikt”. In vraag 1.2 en de daarop op blz. 12-15 van de verwijzingsbeschikking gegeven toelichtingen wordt dus ten onrechte gesuggereerd, dat dit criterium beslissend zou zijn.
Evenmin kan naar mijn oordeel beslissend zijn of de betrokken voorwerpen constructief zelfstandig zijn of een zelfstandige functie bezitten in die zin, dat zij naast het eigenlijke werkende deel ook de voorzieningen voor de aandrijving daarvan bevatten. Deze criteria worden derhalve naar mijn oordeel in vraag 1.3 en de daarop (op blz. 16-18) gegeven toelichtingen eveneens ten onrechte als mogelijk relevante criteria beschouwd. Bij de huidige stand van de techniek lijkt het mij duidelijk, dat constructieve zelfstandigheid als vermeld in vraag 1.3 onder a) afhangt van overwegingen.van rationele constructie en kostenbesparing. Voor de zelfstandigheid van een voorwerp lijken mij haar bruikbaarheid voor uiteenlopende onderzoeken (of andere doeleinden) en haar afzonderlijke leverbaarheid voor uiteenlopende installaties van groter belang. Wanneer een onderdeel van een complexe apparatuur door dezelfde aandrijvingsapparatuur wordt aangedreven als andere onderdelen van die apparatuur (vraag 1.3, onder c), is ook dat primair een zaak van rationele en kostenbesparende constructie.Wanneer men een dergelijk criterium beslissend zou achten voor de zelfstandigheid van een apparaat, zou men ook alle apparaten die met eenzelfde energiebron werken als één onscheidbaar apparaat moeten beschouwen. Met de door de verwijzingsrechter gegeven toelichting ben ik dan ook van oordeel, dat het bij de beoordeling van de zelfstandigheid van een voorwerp uitsluitend aankomt op de zelfstandige functie van het betrokken onderdeel van de wetenschappelijke onderzoeksapparatuur.
Het antwoord, dat op vraag 1.4 moet worden gegeven, lijkt mij dan eveneens evident. Van een wetenschappelijk instrument of apparaat zal slechts gesproken kunnen worden, wanneer het betrokken onderdeel van een wetenschappelijke installatie een zelfstandige wetenschappelijke functie in het betrokken wetenschappelijke onderzoek vervult.
De in de zaak 45/83 aan de orde zijnde speciaal geconstrueerde fles voor het kweken en bewaren van kankercellen, zou geen wetenschappelijk instrument zijn geworden door het enkele feit, dat het constructief tot een onderdeel van een wetenschappelijke apparatuur was gemaakt. Ten aanzien van de in casu aan de orde zijnde stappenregeleenheid komt het Finanzgericht op blz. 19 van zijn toelichting tot een soortgelijke conclusie.
Per saldo blijkt dus uit de toelichting van de verwijzingsrechter, dat de vragen 1.2, 3 en het tweede alternatief in vraag 1.4 in de verwijzingsbeschikking uitsluitend ten doel hebben een volledige opsomming te verschaffen van alle in abstracto denkbare oplossingen. Uit deze „multiple-choice-vraagstelling” (die als universitaire denktest een goed figuur zou slaan), blijkt na eliminatie van de minder geslaagde oplossingen uiteindelijk ook in de gedachtengang van het Finanzgericht zelf slechts één oplossing werkelijk in aanmerking te komen. Dit eenvoudige antwoord op de veelvoudige vraagstelling dient de zelfstandige wetenschappelijke functie van een onderdeel van een meeromvattende wetenschappelijke apparatuur als beslissend criterium aan te geven. Dat van een zelfstandige wetenschappelijke functie van een onderdeel van een meeromvattende installatie gesproken kan worden zal met name betrekkelijk eenvoudig zijn vast te stellen, wanneer dit onderdeel ook geheel zelfstandig, dan wel in samenhang met een ander wetenschappelijk onderzoek of een ander wetenschappelijk apparaat dan in concreto aan de orde voor wetenschappelijk onderzoek kan worden gebruikt. Dat wil zeggen juist in die gevallen, waarin volgens de Commissie het onderscheid tussen enerzijds instrumenten en apparaten en anderzijds delen, enz. daarvan van praktisch belang is, omdat niet altijd aan de voorwaarden van artikel 3, lid 2, wordt voldaan.
Ik stel U derhalve, gelet op mijn voorgaande analyse, voor op de vragen I, subvragen 2, 3 en 4 gezamenlijk, als volgt te antwoorden:
„Voorwerpen, die delen, reservedelen of toebehoren van een wetenschappelijke installatie (apparative Einheit) zijn, dienen met name zelf als wetenschappelijke instrumenten of apparaten te worden beschouwd, wanneer zij hetzij zelfstandig, hetzij ook in samenhang met een ander wetenschappelijk onderzoek of een andere wetenschappelijke of technische apparatuur dan in concreto aan de orde een afzonderlijke wetenschappelijke functie of deelfunctie in zuiver wetenschappelijk onderzoek kunnen vervullen.”
3. Het vragencomplex II uit de verwijzingsbeschikking
3.1. De tekst van het relevante voorschrift
Alle onderdelen van het vragencomplex II van de verwijzingsbeschikking hebben betekking op de tekst van artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1798/75. Deze tekst luidt als volgt:
„Mits het noodzakelijke bewijs wordt geleverd; is de in lid 1 bedoelde vrijstelling van toepassing op delen, reservedelen en toebehoren, die noodzakelijk zijn voor de werking van de wetenschappelijke instrumenten en apparaten die zelf met vrijstelling van rechten kunnen worden ingevoerd”.
3.2. Afwijking tussen de Duitse, Engelse, Franse en Nederlandse taalversies
Zoals uit de verwijzingsbeschikking blijkt, is het slotdeel van de Duitse tekst van deze bepaling restrictiever geformuleerd dan de Nederlandse. De Engelse en de Franse tekst hebben daarentegen dezelfde strekking als de Nederlandse versie. Het komt er dan niet op aan (zoals volgens de Duitse tekst wordt vereist), of de betrokken instrumenten of apparaten daadwerkelijk vrij van douanerechten zijn ingevoerd, maar of een dergelijke invoer zonder douanerechten toelaatbaar zou zijn.
Volgens de Commissie (schriftelijke opmerkingen, blz. 9) heeft de latere verordning (EEG) nr. 1027/79 in alle taalversies duidelijk gekozen voor de strekking van de meer restrictieve Duitse versie van de in casu toepasselijke verordening. De nieuwe verordening van 1979 is echter gebaseerd op een in 1976 goedgekeurde wijziging van de Unesco-overeenkomst. Ik acht het in strijd met elementaire interpretatiebeginselen om een latere wijziging in restrictieve zin van een in casu toepasselijke bepaling te gebruiken om deze bepaling in meer restrictieve zin uit te leggen dan uit de voor de meeste Lid-Staten geldende taalversies daarvan voortvloeit. Zoals de verwijzingsrechter op blz. 23 van zijn toelichting op de gestelde vragen terecht opmerkt, pleiten voorts ook doel en systeem van de onderhavige verordening voor een uitlegging conform de Engelse en Franse versies van artikel 3, lid 2. Daarin is respectievelijk sprake van (instrumenten of apparaten) „which qualify for duty-free admission” en „admissibles eux-mêmes en franchise”. Als opgemerkt heeft de Nederlandse taalversie dezelfde strekking.
Ten overvloede voeg ik hier overigens aan toe, dat ook de nieuwe tekst van artikel 3, lid 2, naar mijn oordeel niet noodzakelijk tot een andere uitlegging dwingt. Het relevante onderdeel a) van die nieuwe tekst maakt de vrijstelling toepasselijk op: „reserveonderdelen, onderdelen of toebehoren specifiek bestemd voor wetenschappelijke instrumenten of apparaten, voorzover deze reserveonderdelen, delen of toebehoren tegelijk met deze instrumenten of apparaten worden ingevoerd of, indien zij later worden ingevoerd, herkenbaar zijn als bestemd voor instrumenten of apparaten die eerder met vrijstelling van rechten of voor vrijstelling van rechten in aanmerking komend zijn toegelaten”. De door mij onderstreepte passage in deze nieuwe tekst lijkt mij ook onder de werking van de nieuwe verordening eenzelfde interpretatie als voor de oorspronkelijke versie door mij verdedigd zeer wel mogelijk te maken. Naast de in de verwijzingsbeschikking en in uw schriftelijke vraag aan de Commissie genoemde argumenten van industriepolitieke en handelspolitieke aard pleiten daarvoor ook de bijzonderheden van het concrete geval. Zoals eerder opgemerkt, staat namelijk vast (en wordt ook door de Commissie toegegeven), dat de volledige apparatuur waarvoor de litigieuze onderdelen bestemd zijn wel voor vrije invoer in aanmerking komt, maar dat deze volledige apparatuur in casu niet vrij ingevoerd is. Tevens heb ik er eerder reeds op gewezen, dat voor het onderzoek wezenlijke onderdelen van een apparaat begripsmatig moeilijk als een onderdeel kunnen worden beschouwd van een onvolledig apparaat, waaraan die onderdelen nog ontbreken en dat zonder die onderdelen niet vrij kan worden ingevoerd, omdat (gesteld al, dat dit onvolledige apparaat toch als een apparaat kan worden beschouwd) binnen de Gemeenschap een aan dit onvolledige apparaat gelijkwaardig produkt wordt vervaardigd. De door de Commissie voorgestelde interpretatie van de nieuwe verordening biedt met name echter geen oplossing voor complexe, uit vele onderdelen bestaande, wetenschappelijke apparaturen, waarvan sommige noodzakelijke onderdelen (die zelf geen wetenschappelijk apparaat vormen) binnen de Gemeenschap worden vervaardigd en andere noodzakelijke onderdelen (die zelf evenmin een wetenschappelijk apparaat vormen) moeten worden ingevoerd. Het lijkt mij duidelijk, dat de doelstelling van het bevorderen van hoogwaardig wetenschappelijk onderzoek conform de laatste internationale stand van de onderzoektechnologie ook een mogelijkheid van vrijstelling van douanerrechten voor dergelijke onderdelen van een complexe apparatuur vereist. De tekst van de nieuwe verordening lijkt mij vrijstelling voor laatstbedoelde onderdelen als opgemerkt niet uit te sluiten. Voor het onderhavige geval behoeft uw antwoord hierop echter niet in te gaan, indien alleen de in casu toepasselijke tekst beslissend wordt geacht.
3.3. Tweede uitleggingsprobleem
De geciteerde tekst van de nieuwe verordening kan als voor belanghebbenden gunstiger regeling volgens algemene interpretatiebeginselen eventueel wèl een rol spelen voor de beantwoording van een ander door de verwijzingsrechter opgeworpen vraagpunt. Dit vraagpunt (vraag ILI) betreft de uitlegging van de uitdrukking „noodzakelijk zijn voor de werking van de wetenschappelijke instrumenten en apparaten” in de in casu relevante tekst van artikel 3, lid 2. De Commissie stelt voor, deze tekst in het licht van de nieuwe verordening aldus uit te leggen, dat van „‚noodzakelijkheid’ in de genoemde zin sprake is, wanneer de betrokken onderdelen speciaal voor het (volledige) apparaat geconstrueerd of daaraan aangepast zijn”. Naar mijn oordeel kan een dergelijke interpretatie onder omstandigheden echter ook juist restrictiever zijn dan door de tekst van de oorspronkelijke versie van artikel 3, lid 2 wordt vereist. Technologisch en taalkundig ligt het naar mijn oordeel meer voor de hand het noodzakelijkheidsvereiste zo uit te leggen, dat de betrokken onderdelen voor een optimale werking van de betrokken volledige apparatuur (voor het beoogde onderzoek) noodzakelijk zijn, hetgeen onder meer, maar niet uitsluitend het geval zal zijn wanneer die onderdelen speciaal voor die volledige apparatuur zijn gebouwd dan wel daaraan zijn aangepast. Ook wanneer die onderdelen tevens bruikbaar zijn voor ander onderzoek of voor andere apparaten dan in het concrete geval aan de orde, is in beginsel echter zeer wel denkbaar dat die onderdelen niettemin voor een optimale werking van de volledige apparatuur noodzakelijk zijn. Een bijkomende aanwijzing voor die noodzakelijkheid zal dan gelegen kunnen zijn in de vaststelling, dat gelijkwaardige onderdelen niet binnen de Gemeenschap worden vervaardigd. Een dergelijke vaststelling wordt echter in artikel 3, lid 2, van de verordening niet als bijkomende voorwaarde voorgeschreven.
3.4. De beantwoording van vraag. ILI
De door de verwijzingsrechter over de uitlegging van artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1798/75 gestelde vragen betreffen uitsluitend de in subparagrafen 3.2 en 3.3 van mijn conclusie behandelde onduidelijkheden. Gelet op de door mij op het vragencomplex I voorgestelde antwoorden is uw antwoord op het vragencomplex II vermoedelijk in casu vooral van belang voor de in geding zijnde „stappenregeleenheid”.
Vraag ILI van de verwijzingsbeschikking kan in het licht van mijn beschouwingen in subparagraaf 3.3 als volgt beantwoord worden:
„De uitdrukking ‚noodzakelijk zijn voor de werking van de wetenschappelijke instrumenten in apparaten’ betekent, dat de betrokken delen, reserveonderdelen of toebehoren voor een werking van het betrokken volledige instrument of apparaat overeenkomstig de laatste internationale stand van de onderzoektechnologie noodzakelijk zijn, hetgeen onder meer, maar niet uitsluitend het geval zal zijn wanneer de betrokken voorwerpen speciaal voor die volledige instrumenten of apparaten zijn gebouwd dan wel daaraan zijn aangepast.”
Aan een dergelijke uitlegging kan ook niet worden tegengeworpen het in het schriftelijke antwoord van de Commissie van 12 april 1984 op uw schriftelijke vraag ingeroepen wederkerigheidsbeginsel. De Gemeenschap is voor haar eigen wetenschapsbeleid, haar eigen industriepolitiek en haar eigen, handelspolitiek uitsluitend zelf verantwoordelijk. Wanneer het streven naar hoogwaardig zuiver wetenschappelijk onderzoek dit medebrengt en overwegingen van industriepolitiek en handelspolitiek haar niet tot een andere conclusie leiden, heeft de Gemeenschap het volle recht verdergaande vrijstellingen te verlenen dan door de betrokken Unesco-overeenkomst dwingend wordt voorgeschreven. Beslissend is dus uitsluitend de tekst van een regeling, zoals deze door de bevoegde gemeenschapsinstellingen na afweging van de genoemde beleidsfacetten is uitgevaardigd.
De door mij voorgestelde uitlegging van de onderhavige tekst lijkt mij op grond van de in uw rechtspraak gebruikelijke interpretatiemethoden de juiste.
3.5. Vraag 11.2
Vraag II.2 van de verwijzingsbeschikking dient in het licht van mijn voorafgaande beschouwingen in subparagraaf 3.2 als volgt te worden beantwoord:
„De uitdrukking ‚die zelf met vrijstelling van rechten kunnen worden ingevoerd’ betekent, dat de betrokken volledige instrumenten of apparaten hetzij zelf met vrijstelling van rechten zijn ingevoerd, hetzij voldoen aan de voorwaarden voor een zodanige vrijstelling, zodat artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1798/75 ook van toepassing is, wanneer de onderdelen van de volledige instrumenten of apparaten gedeeltelijk werden ingevoerd uit een derde land en gedeeltelijk in de Gemeenschap werden vervaardigd, op voorwaarde dat in de Gemeenschap geen instrumenten of apparaten van overeenkomstige wetenschappelijke waarden worden vervaardigd als de uit deze delen samengestelde volledige instrumenten of apparaten.”
Aan deze uitlegging kan noch een latere, eventueel meer restrictieve verordening, noch het wederkerigheidsbeginsel worden tegengeworpen. Dit laatste geldt ook voor deze vraag in het bijzonder, nu uit de considerans en de tekst van de in casu toepasselijke verordening niets blijkt, dat zou kunnen wijzen op een bedoeling deze verordening slechts toe te passen voorzover de andere contracterende partijen in vergelijkbare gevallen eveneens vrijstelling toepassen. Integendeel blijkt uit de eerste overweging van de considerans, dat het communautaire streven het verrichten van wetenschappelijk onderzoek te bevorderen, hoofdmotief voor de regeling is geweest. Uit de derde overweging van de considerans kan voorts uitsluitend een beperking worden afgeleid van de draagwijdte van de vrijstelling voor (volledige) instrumenten of apparaten. Noch uit deze, noch uit enige andere overweging van de considerans van de verordening, noch uit de tekst van die verordening kan daarentegen een streven worden afgeleid ook de vrijstelling voor noodzakelijke onderdelen van een dergelijk instrument of apparaat afhankelijk te maken van het niet verkrijgbaar zijn van gelijkwaardige onderdelen binnen de Gemeenschap of van de vervulling van andere voorwaarden dan in artikel 3, lid 2, van de verordening uitdrukkelijk worden genoemd.
Ten slotte ben ik ook niet onder de indruk geraakt van de argumenten, die de Commissie ontleent aan de — door mij erkende — noodzaak van betrekkelijk eenvoudige praktische hanteerbaarheid van de toepassingscriteria van artikel 3, lid 2. In de regel zal voor de toetsing aan de hier door mij voorgestelde uitleggingscriteria van artikel 3, lid 2 de vaststelling voldoende zijn dat de betrokken onderdelen bestemd zijn voor een meeromvattend apparaat, dat voor universitair onderzoek in gebruik is of waarvoor een order voor zodanig gebruik is geplaatst. Een bijkomend bewijs, dat dit apparaat bovendien ook zelf vrij van invoerrechten is ingevoerd, behoeft daarentegen niet te worden geleverd. De door mij voorgestelde criteria zijn derhalve eerder gemakkelijker dan minder gemakkelijk hanteerbaar dan de door de Commissie voorgestelde criteria.
( 1 ) Mee name laat de Commissie aldus mijn in paragraaf 1.2 van deze conclusie omschreven vragencomplex a) buiten beschouwing, dat echter wel door vraag 1.1 van de verwijzingsrechter mede wordt omvat. De Commissie acht ten aanzien van deze ruimere vraagstelling slechts geval voor geval een antwoord mogelijk. Zij geeft echter in haar schriftelijke opmerkingen toe, dat ook in andere gevallen onduidelijk kan zijn (en dus geval voor geval beoordeeld moet worden) of een voorwerp inderdaad bestemd is deel uit te maken van één bepaald wetenschappelijk apparaat.
Full & Egal Universal Law Academy