CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
G. F. MANCINI
VAN 30 MEI 1984 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
In een geding over het recht op kinderbijslag naar Frans recht wordt het Hof om uitlegging gevraagd van artikel 48 EEG-Verdrag en 's Raads verordening Nr. 1408/71 van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op migrerende werknemers. Aanstonds zij gezegd dat volgens de artikelen L 511 en L 524 van de Code de la sécurité sociale kinderbijslag wordt betaald aan eenieder die in Frankrijk woont en ten minste twee, eveneens in Frankrijk wonende kinderen te zijnen laste heeft. In de uitvoeringsvoorschriften is bepaald onder welke voorwaarden een in het buitenland studerend kind als ingezetene is te beschouwen.
De Amerikaanse staatsburger R. Meade woont sinds 1973 met zijn vrouw en beide zonen, die allen de Britse nationaliteit bezitten, te Parijs, waar hij als juridisch adviseur werkzaam is. In 1977 verhuisde de oudste zoon naar Engeland om aan het Radley College te Abingdon verder te studeren. In 1980 bepaalde de ten deze bevoegde instelling, de Caisse d'allocations familiales de la région parisienne, dat aan de voorwaarde voor betaling van bijslag (volgens welke de zoon in Frankrijk moest wonen) niet langer was voldaan; ook de basisvoorwaarden waaronder de zoon als in Frankrijk woonachtig kon worden beschouwd, waren niet langer vervuld; de bijslag werd derhalve niet langer uitgekeerd en van de echtelieden Meade werd de terugbetaling gevorderd van de omstreeks FF 6436 die in het tijdvak maart 1978-januari 1980 onverschuldigd zouden zijn uitgekeerd.
Toen terugbetaling uitbleef, dagvaardde de Caisse het echtpaar Meade om te verschijnen voor de Commission de première instance du contentieux de la sécurité sociale et de la mutualité sociale agricole te Parijs, teneinde voor recht te horen verklaren dat de bijslag moest worden terugbetaald. De Meades verweerden zich met te stellen dat de niet-toekenning van bijslag wanneer een zoon een studie of beroepsopleiding in het buitenland volgt, in strijd was met het vrije verkeer van personen en mitsdien met artikel 48 EEG-Verdrag.
Bij tussenvonnis van 3 juni 1983 schorste genoemde instantie het geding en legde het overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag het Hof de navolgende prejudiciële vraag voor: „Is de Caisse d'allocations familiales ingevolge artikel 48 EEG-Verdrag gerechtigd, terugbetaling te vorderen van de kinderbijslag die aan de ouders is uitbetaald voor hun zoon van Britse nationaliteit, op grond dat deze in Engeland studeert, en de betaling van de kinderbijslag om dezelfde reden te schorsen?”
2.
Op het eerste gezicht vraagt de verwijzende rechter om een uitspraak over de vraag of een beslissing, door een Frans openbaar lichaam op een bepaald punt genomen, zich met het gemeenschapsrecht verdraagt. Maar tot zodanig onderzoek is dit Hof volgens artikel 177 niet bevoegd. Evenwel kan het Hof volgens zijn vaste rechtspraak, met inaanmerkingneming van de door de nationale rechter verstrekte gegevens, aan de vraagstelling het daaraan ten grondslag liggend probleem, de uitlegging van het gemeenschapsrecht betreffende, aflezen. In casu wenst de nationale rechter, blijkens de bewoordingen en de overwegingen van zijn vonnis, in werkelijkheid te worden ingelicht over de personele en materiële toepassingssfeer van de primaire bepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers (artikel 48 e. v. EEG-Verdrag) en van de verordening inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers.
Laat ons beginnen met artikel 48. Daarin wordt het vrije verkeer alleen gewaarborgd aan „werknemers van de Lid-Sta-ten” wie daarmee worden bedoeld, is bekend. Aangezien in de artikelen 48-51 meermaals wordt gesproken over de betrekking der gerechtigden en het Verdrag voor het verkeer van degenen die niet in loondienst werkzaam zijn, andere, zelfstandige, voorschriften geeft, is het duidelijk dat de door ons bedoelde bepaling alleen degenen betreft die in dienstbetrekking werkzaam zijn. Daartoe behoren uiteraard geen studenten: zij nemen niet aan het beroepsleven deel (zie arrest van 1. 12. 1977, zaak 66/77, Kuyken, Jurispr. 1977, blz. 2311). Studenten hebben hoogstens recht op vrij verkeer als ontvangers van bepaalde diensten.
Daarbij komt, dat werknemers in de zin van artikel 48 onderdanen van de Gemeenschap moeten zijn. Dat staat in de bepaling zelf te lezen. In ieder geval lijdt het geen twijfel, dat de auteurs van de Verdragen van Parijs en Rome de vrijheid van verkeer aan onderdanen van de Lid-Staten hebben willen voorbehouden; de artikelen 69 EGKS en 96 Euratom zijn in deze expliciet.
3.
Uit een en ander volgt, dat artikel 48 noch op een onderdaan van een derde land noch op een student kan worden toegepast. In het geding voor de verwijzende rechter gaat het evenwel ook om uitkeringen van sociale zekerheid. Wij dienen derhalve ook verordening nr. 1408/71 — betreffende de sociale zekerheid van migrerende werknemers — in ons onderzoek te betrekken.
Het in deze ter uitvoering van artikel 51 EEG-Verdrag vastgestelde verordening gebruikte begrip begunstigden is ruimer dan dat wat in verband met het recht op vrij verkeer van werknemers moet worden gehanteerd. Het omvat al degenen die onder een (verplichte, facultatieve of vrijwillige) verzekering van een Lid-Staat — in de zin van een stelsel van sociale zekerheid dat op werknemers en zelfstandigen van toepassing is — vallen (artikel 1). Het moet dus gaan om onderdanen van de Lid-Staten (waarmede in een Lid-Staat wonende vluchtelingen en staatlozen worden gelijkgesteld) dan wel om hun gezinsleden en nagelaten betrekkingen (artikel 2). Al weer vallen onderdanen van derde staten en studenten als zodanig niet onder het gemeenschapsrecht — uiteraard: tenzij het nadonale recht de student voor de toekenning van uitkeringen als voorzien in verordening nr. 1408/71, met een werknemer gelijkstelt.
4.
Ter terechtzitting heeft Meade persoonlijk enkele ophelderingen omtrent de arbeidspositie van zijn vrouw verstrekt. Zij zou van 1974 tot 1977 onbezoldigd als secretaresse op het kantoor van haar man hebben gewerkt en sindsdien tegen beloning arbeid verrichten voor een aantal maatschappijen. Volgens Meade had het Franse orgaan haar deswege de in het gemeenschapsrecht bedoelde kinderbijslag moeten betalen.
Zoals bekend mag het Hof zich echter in een procedure krachtens artikel 177 EEG-Verdrag niet over de feiten uitspreken. Het onderzoek naar de juistheid ervan is aan het Hof ontzegd en ligt op de weg van de nationale rechter. Die zal hebben uit te maken of mevrouw Meade ten tijde van de feiten als werkneemster in de zin van artikel 1 van verordening nr. 1408/71 was te beschouwen, zodat zij volgens artikel 73, lid 2, van die verordening voor haar in een andere Lid-Staat woonachtige zoon op bijslag aanspraak kon maken.
5.
Op grond van deze eenvoudige — en onweersproken gebleven — overwegingen geef ik u in overweging de prejudiciële vraag, door de Commission de première instance du contentieux de la sécurité sociale et de la mutualité sociale agricole te Parijs bij interlocutoir vonnis van 3 juni 1983 in de zaak van de Caisse d'allocations familiales de la région parisienne tegen de echtelieden Meade gesteld, te beantwoorden als volgt:
De artikelen 48 e. v. EEG-Verdrag zijn in die zin te verstaan dat het recht op vrij verkeer is voorbehouden aan werknemers die onderdanen van de Lid-Staten zijn, met dien verstande dat alleen voor uitkeringen van sociale zekerheid artikel 2 van verordening nr. 1408/71 bovendien van toepassing is op in een Lid-Staat wonende staatlozen en vluchtelingen.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy