CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
M. DARMON
van 14 februari 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Om een uitspraak te kunnen doen over het door Claudia De Angelis tegen de Commissie ingestelde beroep zal uitlegging moeten worden gegeven aan artikel 4, lid 1, sub a, van bijlage VII bij het Statuut en in het bijzonder van de laatste zin daarvan.
Dit artikel bepaalt:
„1)
Een ontheemdingstoelage... wordt toegekend aan:
a)
de ambtenaar
—
die niet de nationaliteit bezit van de staat op welks grondgebied zijn standplaats is gelegen, en die deze ook nooit heeft bezeten, en,
—
die gedurende een periode van vijf jaar, eindigende zes maanden vóór zijn indiensttreding, niet regelmatig woonachtig is geweest of zijn voornaamste beroepsbezigheden heeft uitgeoefend op het grondgebied in Europa van bedoelde staat. Buiten beschouwing blijven hierbij omstandigheden die voortvloeien uit diensten, verricht voor een andere staat of een internationale organisatie;”
2.
Tot 1981 is deze laatste zin over het algemeen zeer vrij uitgelegd met name ten gunste van echtgenoten en kinderen van ambtenaren van de Gemeenschap die op hun beurt door een van de gemeenschapsinstellingen waren aangeworven.
Wat meer in het bijzonder de echtgenoten betreft hadden de betrokken hoofden van de betrokken administraties tijdens hun drieënzeventigste vergadering van 21 mei 1973 er nota van genomen dat volgens de Commissie,
„de periode gedurende welke de echtgenote in het land van aanstelling heeft verbleven om bij haar echtgenoot te wonen bij de beslissing over toekenning van de ontheemdingstoelage niet in aanmerking dient te worden genomen.” (127e vergadering van de administratie van 21 maart 1980, conclusie 45/80 — document nr. RCA/127.)
In de loop van hun 127e vergadering van 21 maart 1980 hebben zij deze uitlegging bevestigd, door zich op het standpunt te stellen,
„dat het bepaalde in artikel 4, lid 1, sub a, tweede streepje, van bijlage VII, betreffende de voorwaarden inzake de woonplaats, eveneens geldt voor degene die zelf geen beroepsbezigheden uitoefent en wiens verblijf in een bepaald land slechts een gevolg is van het feit dat de echtgenoot in dat land diensten verricht voor een staat of een internationale organisatie” (aangehaalde document).
Dit was het geval toen Claudia De Angelis op 1 december 1982 door de Commissie te Brussel werd aangeworven; zij woonde sedert 1970 in deze stad waarnaar zij haar echtgenoot was gevolgd, die in dienst was getreden bij dezelfde instelling.
Zij kreeg evenwel geen ontheemdingstoelage. In verband met de kritiek in een door de Rekenkamer op 4 februari 1982 aangenomen verslag hadden de betrokken instellingen hun vroegere liberale praktijk beperkt; van deze vroegere praktijk had de Rekenkamer verklaard dat deze kon worden gezien
„en verruiming van de derogane in artikel 4 van bijlage VII bij het Statuut, welke verruiming rechtens alleen via een Statuutwijziging mogelijk zou zijn. (Speciaal verslag van de Rekenkamer betreffende de ontheemdingstoelagen en de toelage voor verblijf in het buitenland, aangenomen op 4 februari 1982, gedateerd op 6 april 1982, blz. 30, punt 67.)
3.
Na de uitdrukkelijke afwijzing van de door Claudia De Angelis ingediende klacht tegen het feit dat de nieuwe gedragslijn op haar was toegepast, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld dat ertoe strekt:
„1)
aan uw oordeel te onderwerpen de salarisstroken betreffende februari 1983 en alle volgende maanden, voor zover uit deze stroken blijkt van verweersters besluit om aan verzoekster de bij artikel 4, lid 1, voorziene ontheemdingstoelage niet toe te kennen;
2)
verweerster te veroordelen, verzoekster de ontheemdingstoelage te betalen vanaf 1 december 1982;
3)
voor zover nodig, nietig te verklaren het op 8 augustus 1983 aan verzoekster meegedeelde uitdrukkelijke besluit tot afwijzing van de door haar op 18 maart 1983 ingevolge artikel 90, lid 2, van het Statuut ingediende klacht;
4)
verweerster veroordelen tot betaling van compensatoire interessen over de achterstallige ontheemdingstoelagen, te rekenen vanaf elke vervaldatum tot aan de datum van werkelijke betaling;
5)
verweerster ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering te verwijzen in alle kosten van het geding, alsmede ingevolge artikel 73 b) van dit reglement in de door partijen in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten, in het bijzonder de reis- en verblijfkosten en het honorarium van een advocaat.”
De Commissie heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep en gevorderd dat verzoekster in de kosten wordt verwezen.
4.
Tot staving van haar vordering stelt Claudia De Angelis dat verweersters besluit om haar geen ontheemdingstoelage toe te kennen in strijd is met
—
de ratio legis van de betreffende bepaling,
—
het beginsel van gelijke behandeling van ambtenaren,
—
het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers.
Deze middelen zal ik een voor een bespreken.
5.
Voor verzoekster is de ontheemdingstoelage bedoeld om de uit de status van vreemdeling voortvloeiende moeilijkheden en ongemakken te compenseren, welke de ambtenaar ondervindt die geen duurzame banden wenst te vestigen met het land waar hij door de hoofden van de internationale organisatie waarbij hij in dienst is, is geplaatst.
Weliswaar sluit de wetgever die personeelsleden die vóór hun indiensttreding duurzame banden hadden gevestigd met het land van hun standplaats, uitdrukkelijk uit van het recht op deze toelage, doch — aldus verzoekster — dit recht op de toelage wordt door dezelfde wetgever uitdrukkelijk toegekend aan de ambtenaar die tijdens het referentietijdvak in het land van zijn standplaats heeft gewoond, doch geen duurzame band met deze staat heeft gevestigd. Verzoekster stelt, dat zij zich in deze laatste situatie bevindt en dat zij enkel haar echtgenoot naar België is gevolgd, zulks omdat zij op grond van de wet daartoe verplicht was op grond van haar persoonlijke status van gehuwde vrouw en omdat zij de eenheid van het gezin wilde bewaren, zonder daarom duurzame banden tot stand te willen brengen met het land waar haar echtgenoot is tewerkgesteld. Zij trekt hieruit de slotsom dat zij zich bij haar indiensttreding bevond in een omstandigheid „die voortvloeit uit diensten, verricht voor een andere staat of een internationale organisatie.”
Dit middel is niet overtuigend. Onder aanhaling van de rechtspraak van het Hof (arresten van het Hof van 20 februari 1975, zaak 21/74, Airola, Jurispr. 1975, blz. 221, r.o. 8; en van 7 juni 1972, zaak 20/71, Sabbatini, Jurispr. 1972, blz. 345, r.o. 8), wijst de Commissie erop dat
„de ontheemdingstoelage is bedoeld om de bijzondere lasten en nadelen te compenseren, die aan de indiensttreding bij de Gemeenschappen zijn verbonden voor ambtenaren die uit dien hoofde (eigen cursivering) genoodzaakt zijn van woonplaats te veranderen”.
Inzake het begrip woonplaats heeft het Hof voor recht verklaard, dat dit de plaats is waar een persoon is gevestigd met de wil hieraan een vast karakter te geven, het „permanente” of „gewone” centrum van de belangen van deze persoon (arresten van 12 januari 1973, zaak 13/73, Angenieux, Jurispr. 1973, blz. 935, r.o. 32; en van 17 februari 1977, zaak 76/76, Di Paulo, Jurispr. 1977, blz. 315).
Weliswaar heb ik het Hof zojuist in zaak 144/84 voorgesteld om te verklaren dat De Angelis voor de bepaling van haar plaats van herkomst haar centrum van belangen heeft te Ischia.
In het onderhavig geding zal ik echter verdedigen, dat zij haar permanente centrum van belangen heeft te Brussel.
Ondanks de gelijkheid van terminologie is dit beslist geen contradictie.
In het arrest van 9 maart 1978 (zaak 54/77, Herpels, Jurispr. 1978, blz. 585, r.o. 31 en 32) heeft het Hof immers reeds geoordeeld, dat de in artikel 7, lid 3, van bijlage VII bij het Statuut gebezigde uitdrukking „plaats van herkomst” die wordt bepaald door het centrum van belangen van de ambtenaar, een technisch begrip is waarvan de functie is om aan te duiden welke plaats in aanmerking moet worden genomen voor de forfaitaire betaling van bepaalde reiskosten van de standplaats naar de plaats van herkomst. Daarin heeft het Hof verklaard, dat het hier gebezigde begrip verschilt van het begrip van de plaats waar de betrokken ambtenaren „voor hun indiensttreding woonachtig waren.” Het Hof maakt dus een onderscheid tussen de begrippen „centrum van belangen”, in de zin van het hiervoorgenoemde artikel 7, en „permanent centrum van belangen”, dat wordt gebruikt om de woonplaats te bepalen.
Claudia De Angelis die ingevolge de in vorengenoemde rechtspraak vastgestelde maatstaven te Brussel woonde, was niet ten gevolge van haar indiensttreding in die stad genoodzaakt van woonplaats te veranderen, en de „bijzondere lasten en nadelen” die hiervan het gevolg zouden zijn en waarvoor vergoeding zou moeten worden gegeven, vermag ik niet te zien.
Bovendien — en de hierover ter terechtzitting door de Commissie gemaakte opmerking lijkt terzake dienend — moet de bepaling volgens welke „de omstandigheden die voortvloeien uit diensten, verricht voor een andere staat of een internationale organisatie” worden opgevat als een uitzondering op de daaraan voorafgaande regel krachtens welke de ambtenaar voor het op de ontheemdingstoelage niet gedurende het referentietijdvak op het grondgebied van de staat waar zijn standplaats is gelegen mag hebben gewoond of beroepswerkzaamheden mag hebben uitgeoefend. Het uitzonderingskarakter van de bepaling is door het Hof erkend in het arrest van 15 januari 1981 (zaak 1322/79, Vutera, Jurispr. 1981, blz. 127, r.o. 8). Zij moet dus noodzakelijkerwijs beperkt worden uitgelegd. Waar de bepaling is voorzien voor de ambtenaren, kan zij zich niet, zonder dat zulks uitdrukkelijk is bepaald, uitstrekken tot hun echtgenoten die eveneens personeelslid van de Gemeenschappen zijn geworden.
Het ingeroepen middel lijkt mij derhalve ongegrond.
6.
Claudia De Angelis voert in de tweede plaats aan, dat de Commissie de toekenning van de ontheemdingstoelage handhaaft voor personeelsleden die zijn aangeworven, toen de betrokken bepaling nog op de oude wijze werd uitgelegd. Waar het om gelijke situaties gaat, zou deze verschillende toepassing van dezelfde tekst het beginsel van gelijke behandeling van amtenaren schenden.
De tegenwerping van de Commissie terzake, die zich tegenover dit middel beroept op het beginsel van de verworven rechten, lijkt mij niet overtuigend.
Dat neemt niet weg dat „niemand te zijnen gunste een beroep kan doen op een ten gunste van een ander begane onwettigheid” (arrest van 9 oktober 1984, zaak 188/83, Witte, Jurispr. 1984, blz. 3465, r.o. 15). Dit tweede middel lijkt mij evenmin gegrond.
7.
Blijft over het middel dat het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers en meer in het bijzonder de bepalingen van de richtlijn van de Raad van 10 februari 1975 zouden zijn geschonden. Claudia De Angelis meent dat de door haar bestreden restrictieve uitlegging leidt tot een discriminatie tussen de mannelijke werknemers enerzijds, die onmiddellijk hun beroepswerkzaamheid kunnen uitoefenen, en de vrouwelijke werknemers anderzijds, die sociaal en cultureel gedwongen zijn hun kinderen op te voeden tot zij naar school gaan en dus vele jaren moeten wachten alvorens zij een loopbaan kunnen beginnen.
Allereerst moet worden opgemerkt dat de richtlijn van 10 februari 1975„betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers” niet van toepassing kan zijn op de onderhavige bepaling, een bepaling van gemeenschapsrecht. Desniettemin mag het Statuut voor de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen niet indruisen tegen het fundamentele beginsel van gelijke beloning voor gelijke arbeid, zoals neergelegd in artikel 119 EEG-Verdrag.
Niemand zal de door verzoekster aangevoerde sociologische en culturele gegevens willen betwisten. Maar er kan geen bezwaar bestaan tegen de tekst van de onderhavige bepaling, noch tegen de nieuwe toepassing die eraan wordt gegeven, omdat zij niet ertoe zouden bijdragen, dat de gevolgen ervan worden verzacht. De bepaling noch de toepassing ervan heeft rechtstreeks of indirect het gestelde discriminatoire karakter ten aanzien van vrouwen in loondienst.
Het Statuut mag geen bepalingen bevatten, die tot ongelijke behandeling leiden. Dit is nog eens beklemtoond in het arrest van 20 maart 1984, (gevoegde zaken 75/82 en 117/82, Razzouk, Jurispr. 1984, blz. 1509). Daarentegen kan men niet eisen dat deze bepalingen eventuele ongelijkheden die voortvloeien uit eerdere omstandigheden moeten corrigeren.
De bestreden bepalingen hebben dus geen situatie in het leven geroepen of verergerd, waarbij zij op het moment waarop zij moesten worden toegepast, mannelijke en vrouwelijke werknemers ongelijk hebben behandeld.
Dit derde middel blijkt dus evenmin als de twee voorgaande middelen gegrond.
8.
Het lijkt derhalve niet nodig, in te gaan op het verzoek tot betaling van compensatoire interessen.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging het beroep te verwerpen en iedere partij in haar eigen kosten te verwijzen.
( *1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy