CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
van 15 november 1984
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Voorwerp en middelen van het beroep
1.1. Het voorwerp van het beroep.
In deze derde Turnerprocedure voor Uw Hof vraagt verzoekster om vernietiging van de beslissing van het Commissielid C. Tugendhat van 29 oktober 1982 (in zijn hoedanigheid van beoordelaar in beroep) over het haar betreffende beoordelingsrapport met betrekking tot de periode van 1 juli 1977 tot 30 juni 1979. Gedurende de eerste 13 maanden van deze beoordelingsperiode had zij gewerkt onder de leiding van dr. Semiller en gedurende de laatste 11 maanden onder leiding van dr. Siddons. Een verzoek om vergoeding van geleden schade heeft verzoekster pas in een later stadium van de procedure ingediend. Daar dit verzoek aldus klaarblijkelijk niet ontvankelijk is, kan het verder buiten beschouwing blijven.
1.2. Het behng van de beoordelingsperiode
De gegeven preciseringen over de beoordelingsperiode zijn om twee redenen van groot belang beoordeling van deze zaak.
In de eerste plaats ontstond tijdens het tweede deel van deze periode een conflict tussen verzoekster enerzijds en de directeurgeneraal Personeelszaken en algemeen beheer anderzijds over een haar eerst voorgestelde en na haar gemotiveerde afwijzing van dit voorstel op 4 mei 1979 opgelegde overplaatsing naar een nieuw op te richten „medisch-sociale sector”. Op 20 mei 1980 volgde daarop een ambtshalve en eveneens tegen de wil van verzoekster door de Commissie besloten overplaatsing naar een ander directoraatgeneraal. Deze beide beslissingen werden door Uw Hof bij arrest van 9 juli 1981 (zaken 59/80 en 129/80, Jurispr. 1981, blz. 1883) wegens misbruik van bevoegdheid vernietigd. Zoals uit mijn verdere analyses zal blijken, zijn de gronden, waarop Uw Hof misbruik van bevoegdheid aannam in de eerste Turnerprocedure van rechtstreeks belang voor de beoordeling van de onderhavige zaak.
In de tweede plaats zijn de gegeven preciseringen over de beoordelingsperiode van belang voor de beoordeling van de stukken die dr. Semiller tijdens de mondelinge behandeling op Uw verzoek heeft overgelegd. Deze stukken betreffen zijn oordeel over verzoekster en de wijze waarop hij dit oordeel kenbaar maakte. Tot en met haar antwoord op een vraag uwerzijds na de pleidooien in eerste instantie heeft de Commissie zoals U weet gesteld, dat genoemde stukken niet in haar bezit waren. Het is onbegrijpelijk dat zelfs na Uw schriftelijke vraag terzake vóór de mondelinge behandeling de Commissie het blijkbaar niet opportuun heeft geacht uit eigen beweging dr. Semiller te verzoeken deze stukken te produceren. Zij maken thans echter een nauwkeurige reconstructie mogelijk van het verloop van de beoordelingsprocedure. Het verzuim van de Commissie om dr. Semiller tijdens de schriftelijke procedure of althans na Uw schriftelijke vragen terzake om nadere inlichtingen te verzoeken maakte het uiteraard niet mogelijk in het rapport ter terechtzitting reeds een nauwkeurig overzicht van de gang van zaken te geven. Ik zal daarom in paragraaf 3 van deze conclusie betrekkelijk veel ruimte aan de analyse van deze gang van zaken moeten besteden.
1.3. De door verzoekster aangevoerde middelen
Verzoekster voert twee middelen aan ter ondersteuning van haar beroep. In de eerste plaats stelt zij schending van de voorgeschreven beoordelingsprocedure, in het bijzonder door aanzienlijke overschrijding van de daarvoor gestelde termijnen. Gelet op Uw rechtspraak terzake van dergelijke termijnoverschrijdingen (zie zaken 10 en 47/80, Di Pillo, Jurispr. 1973, blz. 763, rechtsoverweging 5 ; 175/80, Tither, Jurispr. 1981, blz. 2345, rechtsoverweging 13 en vooral 98/81, Munk, Jurispr. 1982, blz. 1155, rechtsoverweging 8) zal dit middel niet tot vernietiging van het beoordelingsrapport kunnen leiden. Daar de opgetreden vertraging bij de beoordeling in beroep in casu, zoals nog zal blijken, eerder tot voordeel dan tot benadeling van verzoekster heeft gestrekt, kan deze vertraging als zodanig ook geen schade aan verzoekster hebben berokkend. Voor vergoeding van de door de vertraging veroorzaakte schade, zoals in Uw arrest in de zaak Di Pillo onder omstandigheden nodig geacht, kan derhalve in casu ook geen aanleiding bestaan. Andere ter adstructie van het eerste middel aangevoerde grieven zijn echter van groter belang. Ik zal op dit middel derhalve nog nader terugkomen, na de feitelijke gang van zaken aan de door de Commissie uitgevaardigde uitvoeringsvoorschriften van artikel 43 van het Statuut te hebben getoetst.
In haar tweede middel stelt verzoekster vergissingen in de waarderingswijze, die in het aangevochten beoordelingsrapport zijn vervat. Centraal staat in dit middel het verwijt, dat de Commissie uit Uw geciteerde arrest van 9 juli 1981 in de interne beroepsprocedures over haar beoordeling in eerste instantie niet de juiste gevolgtrekkingen heeft getrokken. Dit centrale verwijt wordt echter ondersteund door een reeks van grieven over onder meer het gebrek aan objectiviteit en onpartijdigheid in de gevolgde procedure (als gevolg van de tijdens de beoordelingsperiode ontstane conflictsituatie), het niet raadplegen van dr. Semiller, de onverenigbaarhied van de veel slechtere beoordeling tijdens de beoordelingsperiode (in vergelijking met de voorafgaande periode) met de juist tijdens deze periode aan haar toegekende promotie en talrijke onderdelen van het beoordelingsrapport.
Verzoekster betwist ook de mogelijkheid van beoordeling van een medicus door een niet-medicus. Daar deze wijze van beoordeling het onvermijdelijk gevolg is van de organisatie van de beoordelingsprocedure en ook als zodanig nog geen objectiviteit bij de beoordeling uitsluit, acht ik deze grief echter slechts van secundair belang. Voor een meer volledige samenvatting van de grieven van verzoekster ter ondersteuning van haar tweede middel en voor een samenvatting van de verweermiddelen van de Commissie terzake verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting. De betekenis van de andere genoenide grieven kan slechts in het licht van het verloop van de beoordelingsprocedure en van Uw arrest van 9 juli 1981 worden beoordeeld. Ik zal er derhalve nog uitvoerig op terugkomen.
Als onderdeel van het tweede middel bevat het verzoekschrift tenslotte het verwijt van misbruik van bevoegdheid op gronden die, behalve met de voorafgaande grieven, ten nauwste verband houden met de gronden, waarop Uw Hof in de eerste procedure-Turner misbruik van bevoegdheid heeft vastgesteld. Ook op deze belangrijke grief zal ik derhalve nog nader terugkomen.
2. De beoordelingsrichtlijnen
Ingevolge artikel 3 van de op 27 juli 1979 ter uitvoering van artikel 43 van het Statuut door de Commissie vastgestelde en in casu toegepaste beoordelingsrichtlijnen (relevante uittreksels in bijlage 1 van de repliek) dienen de diensthoofden van andere diensten, waarin de beoordeelde tijdens de beoordelingsprocedure te werk is of was tewerkgesteld, door de beoordelaar vóór zijn beoordeling geraadpleegd te worden. Zij moeten voorts het beoordelingsrapport voor gezien tekenen en kunnen er opmerkingen over maken als zij het met de beoordelaar eens zijn.
Ingevolge artikel 5 van de richtlijnen dient de beoordeling nauwkeurig en uitsluitend op de beoordelingsperiode betrekking te hebben. Iedere wijziging in de analytische beoordeling in vergelijking met de voorafgaande beoordeling dient gemotiveerd te worden.
Ingevolge artikel 6 stelt de beoordelaar zijn beoordelingsrapport op en zendt dit binnen een vastgestelde termijn toe aan de beoordeelde. Binnen 15 dagen na die mededeling heeft hij een dialoog met de beoordeelde, wijzigt eventueel het rapport en zendt het opnieuw aan de beoordeelde, die het dan binnen 15 dagen voor gezien moet tekenen, onder toevoeging eventueel van opmerkingen en het verzoek tot beoordeling in beroep.
Ingevolge artikel 7 van de richtlijnen dient de beoordelaar in beroep onder meer de eerste beoordelaar en de beoordeelde te horen en is hij ook verplicht tot alle andere nuttige raadplegingen over te gaan. Blijkens punt B.9.3.1. van de richtlijnen is ten aanzien van laatstgenoemde verplichte raadplegingen in het bijzonder gedacht aan de (in artikel 3 bedoelde) andere of vroegere chefs van de beoordeelde en aan andere personen die door de eerste beoordelaar geraadpleegd zijn. Het dwingende karakter van deze raadpleging wordt ook in de door het Commissielid Tugendhat ondertekende inleidende opmerkingen tot de uivoeringsvoorschriften onderstreept.
3. De belangrijkste fases uit de beoordelingsprocedure en de inhoud van het aangevochten besluit
Op grond van de ontbrekende stukken die tijdens de mondelinge behandeling eindelijk met goedvinden van verweerster doo de chef van verzoekster tijdens het eerste deel van de beoordelingsperiode (dr. Semiller) zijn overgelegd, kunnen de voor de beoordeling van deze zaak belangrijkste fases uit de beoordelingsprocedure thans als volgt worden samengevat.
3.1.
Op 15 januari 1981 zendt de directeurgeneraal Personeelszaken en algemeen beheer als beoordelaar aan de vroegere chef van verzoekster het door de toenmalige chef van verzoekster, maar nog niet door hemzelf ondertekende beoordelingsrapport toe, met het verzoek dit te ondertekenen. In afwijking van artikel 3 van de richtlijnen wordt de vroegere chef (dr. Semiller) dus niet geraadpleegd. In de analytische beoordeling van verzoekster bevat dit rapport onder de „compétence”-rubriek één oordeel „très bon” (voor noodzakelijk kennis), drie oordelen „bon” en twee oordelen „passable” („rapidité dans l'exécution du travail” en „adaptation aux exigences du service”). Onder de rubriek „Conduite dans le service” bevat het rapport één oordeel „bon” (voor verantwoordelijkheidsgevoel), twee oordelen „passable” (voor „sens de l'initiative” en „relations humaines”) en één oordeel „laisse à désirer”. Uit vergelijking met het voorgaande rapport (waarin verzoekster voor de eerste twee rubrieken de hoogst mogelijke en lovend toegelichte beoordelingen verkreeg en voor de derde rubriek de beoordeling „normaal” (die in de nieuwe opzet met „bon” correspondeert), blijkt, dat de beoordeling over vrijwel de gehele linie ten ongunste van verzoekster is gewijzigd. In strijd met artikel 5 van de richtlijnen wordt echter geen enkele motivering van deze afwijkingen in de analytische beoordeling gegeven. In de samenvattende algemene beoordeling wordt gesteld : „Fonctionnaire possédant une bonne formation et une bonne expérience médicale. Elle ne s'adapte malheureusement pas au travail en équipe, qui nécessite une esprit de collaboration avec ses collègues médecins dans son service et au sein du Collège médical, ni aux exigences administratives inévitables dans un service médical, elle n'a pu s'adapter aux tâches nouvelles et importantes qui lui ont été confiées.”
3.2.
Op 17 januari antwoordt dr. Semiller, dat hij de beoordeling in de huidige formulering niet kan ondertekenen, „weil meines Erachtens nicht nur Widersprüche in der Benotung und der allgemeinen Beurteilung vorhanden sind, sondern die Notation auch in erheblichem Gegensatz zur vorherigen Beurteilung steht”.
3.3.
Na in de tussenliggende periode met verlof geweest te zijn, stuurt dr. Semiller op9 april 1981„auf Ihre Anfrage” aan de secretaresse van de beoordelaar een nadere toelichting op zijn eerdere antwoord. Op het eerste gezicht lijkt het dus, dat hij thans alsnog geraadpleegd werd conform de richtlijnen. Hij geeft deze nadere toelichting in de vorm van een invulling van de analytische rubrieken en van een algemeen oordeel over de periode van 1 juli 1977 tot 31 juli 1978, gedurende welke hij chef van verzoekster was. Deze vorm lijkt inderdaad de meest nuttige vorm om het gevraagde advies te formuleren. In de analytische rubrieken krijgt verzoekster van hem in de rubriek „compétence” twee oordelen „très bon”, vier oordelen „bon” en geen oordeel, dat lager uitvalt. In de rubriek „rendement” kent hij één oordeel „très bon” en drie oordelen „bon” toe en wederom geen lagere waarderingen. In de rubriek „conduite dans Ie service” geeft hij twee oordelen „très bon”, één oordeel „bon” en slechts één oordeel „passable”. In zijn eindoordeel stelt hij : „Très bonne expérience professionelle. Exécute avec grande satisfaction des tâches qui lui ont été confiées dans le cadre de la médecine préventive”.
3.4.
Blijkbaar heeft de eerste beoordelaar geweigerd met het in deze vorm uitgebrachte oordeel van de vroegere chef van verzoekster rekening te houden en heeft hij ook niet nodig geacht dit voordeel in het persoonsdossier van betrokkene te doen opnemen. Anders lijkt moeilijk te verklaren, dat blijkens het op 30 april 1981 (dus 3 weken later) door de beoordelaar ondertekende beoordelingsrapport op geen enkele wijze rekening is gehouden met het oordeel van dr. Semiller over het eerste deel van de beoordelingsperiode. Aan het op 15 januari 1981 aan dr. Semiller ter ondertekening toegezonden rapport blijkt namelijk na diens op de aangegeven wijze uitgebrachte advies niets te zijn gewijzigd. Dr. Semiller werd blijkens zijn niet weersproken verklaring ter zitting ook niet mondeling door de beoordelaar geraadpleegd. Ook aan de twee dagen vóór zijn ondertekening door de beoordelaar door dr. Semiller op het rapport geplaatste aantekening, dat deze zich voor de periode van 1 juli 1977 tot 31 juli 1978 noch met de analytische waardering, noch met de algemene waardering van verzoekster kon verenigen heeft de beoordelaar geen enkel gevolg verbonden. De Commissie heeft de mededelingen van dr. Semiller in zijn ter zitting overgelegde brief van 23 maart 1984 aan de directeurgeneraal Personeelszaken en algemeen beheer die bovenstaande reconstructie van de gang van zaken ondersteunt, ook niet weersproken. In deze brief wordt gesteld, dat hem in antwoord op zijn per 9 april 1981 aan de beoordelaar toegezonden oordeel over het eerste deel van de beoordelingsperiode (van de zijde van de beoordelaar) werd medegedeeld, dat geen andere beoordeling in overweging kon worden genomen. Hem bleef daarop niets anders over dan zijn afwijkende mening op het formulier te vermelden. Ook alleen door deze reconstructie van de gang van zaken op dit onderdeel kan worden verklaard, dat het oordeel van dr. Semiller over betrokkene niet in het persoonsdossier werd opgenomen. Vooruitlopend op mijn beoordeling van de zaak merk ik op dat mij dit, indien de beoordelaar het oordeel vn dr. Semiller, conform het in diens brief van 23 maart 1984 gestelde, wèl ontvangen heeft, in evidente strijd lijkt met artikel 26, sub a), van het Statuut. Op — mijns inziens minder aannemelijke — alternatieve verklaringen voor de verdwijning van het op 9 april 1981 door dr. Semiller verzonden oordeel over betrokkene zal ik bij de beoordeling van de zaak nog terugkomen.
3.5.
Over de volgende stadia van de beoordelingsprocedure vindt U in het verroekschrift en de bijlagen 4 e.v. daarvan alle van belang zijnde bijzonderheden. Ik volsta derhalve met de volgende kanttekeningen terzake.
Op 9 juni 1981 verzocht verzoekster, onder bestrijding van het beoordelingsrapport om de in artikel 6 van de beoordelingsrichtlijnen voorgeschreven dialoog en subsidiair om voorlegging van het rapport aan de beoordelaar in beroep (bijlage 4). In afwijking van genoemd artikel 6 en ook na een eerste rappel (bijlage 5), een voorlopige afwijzing van het verzoek om een dialoog (bijlage 6) en een tweede en derde rappel van verzoekster (bijlagen 7 en 8), heeft deze dialoog nooit plaatsgevonden. Het door de Commissie in haar verweerschrift gereleveerde gesprek tussen beoordelaar en beoordeelde in september 1980 kan onmogelijk als een toepassing van artikel 6 worden beschouwd, daar blijkens mijn weergave van de gang van zaken toen nog geen beoordelingsrapport bestond. Op 14 december 1981 richtte verzoekster zich vervolgens persoonlijk tot de beoordelaar in beroep, met het dringend verzoek vóór 23 december 1981 een beslissing in beroep te nemen (bijlage 9). Op 15 februari 1982 deelde de beoordelaar in beroep vervolgens aan verzoekster zijn beslissing mede (bijlage 11 verzoekschrift). Niet weersproken is de mededeling van dr. Semiller ter zitting, dat de beoordelaar in beroep het in afwijking van artikel 7 niet nuttig heeft geacht dr. Semiller te horen. Hoewel in deze beslissing enkele wijzigingen in haar voordeel waren opgenomen, achtte verzoekster zich daardoor niet bevredigd. Zij heeft derhalve conform artikel 7, derde alinea, van de beoordelingsrichtlijnen haar beoordelingsrapport aan het „comité paritaire des notations” met haar opmerkingen doen voorleggen (bijlage 12). Blijkens hetgeen dr. Semiller onweersproken ter zitting heeft medegedeeld, heeft ook deze paritaire commissie het niet nodig geacht, dr. Semiller persoonlijk te horen. Wel betreurde de commissie het in zijn advies van 22 oktober 1982 uitdrukkelijk, dat dr. Semiller de redenen van zijn afwijkend oordeel niet had toegelicht (bijlage 13). Als opgemerkt had hij deze redenen wel degelijk uitvoerig toegelicht, maar dat kon de paritaire commissie niet weten. Op 29 oktober 1982 deelde de beoordelaar in beroep vervolgens aan verzoekster mede, dat hij in dit — overigens alleen feitelijke constateringen en geen gemotiveerd oordeel bevattende — advies geen aanleiding zag zijn beslissing op 15 februari te wijzigen. Blijkbaar heeft hij ook in de opmerking van de commissie over het ontbreken van een nadere toelichting van de zijde van dr. Semiller geen aanleiding gezien, deze alsnog te horen. Het is deze definitieve beslissing van de beoordelaar in beroep, waarvan verzoekster vernietiging vraagt. Ik zal op de inhoud van deze beslissing derhalve nog afzonderlijk ingaan. Bijlage 15 van het verzoekschrift houdt het uitvoerig gemotiveerde bezwaarschrift van verzoekster ingevolge artikel 90 van het Statuut in. De bezwaren, die in dit bezwaarschrift naar voren zijn gebracht, vindt men alle terug in het beroepschrift bij Uw Hof, zodat ik daarop niet uitvoerig behoef in te gaan. Van enig afzonderlijk belang acht ik echter, dat verzoekster in haar bezwaarschrift uitdrukkelijk stelt, dat het niet normaal is dat een beoordelingsrapport niet herzien wordt in het licht van de na opstelling daarvan door Uw Hof in het arrest van 9 juli 1981 vastgestelde onregelmatigheden. In een addendum van het bezwaarschrift gaat verzoekster akkoord met het opmerke,-lijke voorstel van de directeurgeneraal Personeelszaken en algemeen beheer van 24 oktober 1983 om in verband met Uw arrest van 9 juli 1981 niet over te gaan tot een beoordeling over de eerstvolgende beoordelingsperiode (van 1 juli 1979 tot 30 juni 1981) (bijlage 16). Verzoekster verbindt aan dit akkoord echter de voorwaarde, dat ook het aangevochten beoordelingsrapport over de periode waarop het bezwaarschrift betrekking heeft, niet langer de maanden mei en juni 1979 zal omvatten. Op 3 juni 1983 aanvaardt de directeurgeneraal Personeelszaken en algemeen beheer laatstgenoemde voorwaarde, maar baseer overigens op genoemd addendum de veronderstelling, dat verzoekster haar bezwaarschrift intrekt. Hij vraagt in dezelfde brief om bevestiging van de aanvaarding van zijn aldus geamendeerde voorstel van 24 januari en van de intrekking van het bezwaarschrift (bijlage 17). Daar genoemde veronderstelling inderdaad geen enkele basis vindt in het vermelde addendum van verzoekster, gaat verzoekster begrijpelijkerwijze niet over tot de gevraagde bevestiging. Haar bezwaarschrift wordt vervolgens op 25 augustus 1983 door de Commissie afgewezen (bijlage 15 bis).
De bijlagen 15-17 zijn naar mijn oordeel niet uitsluitend van belang voor de ontvankelijkheid van het beroep (die niet bestreden is). Het valt in de afwijzing van het bezwaarschrift door de Commissie namelijk ook op, dat deze geen aandacht besteedt aan twee belangrijke nieuwe feiten, waarvan het eerste (Uw arrest van 9 juli 1981) zich voordeed na de beoordeling in eerste instantie en het tweede (de door de directeurgeneraal Personeelszaken en algemeen beheer conform bijlagen 16 en 17 van het verzoekschrift gedane voorstellen) na de beoordeling in beroep. Daar het bezwaarschrift van deze twee nieuwe feiten wel melding maakt, terwijl alleen het eerste nieuwe feit vermeld was in verzoeksters opmerkingen ter attentie van de paritaire commissie, is de vaststelling in de voorlaatste alinea van de afwijzing van de klacht door de Commissie in strijd met de feiten. In deze alinea stelt de Commissie, dat zij heeft vastgesteld, dat de argumenten in haar bezwaarschrift geen enkel nieuw element bevatten in vergelijking met de opmerkingen die zij op 1 maart 1982 aan de paritaire commissie had voorgelegd. Het nieuwe feit van de inkorting van de beoordelingsperiode na1 maart 1982 is naar mijn oordeel zelfs van zeer groot belang. Juist in deze geschrapte laatste twee maanden van de beoordelingsperiode lag immers de duidelijkste feitelijke grondslag voor de relatief ongunstige beoordeling van verzoekster (het door Uw Hof in het arrest van 9 juli 1981 vernietigde besluit tot haar taakverandering, aan welke taakverandering zij zich volgens haar beoordelaar onvoldoende had aangepast).
Aan dit door Uw Hof vernietigde besluit van 4 mei 1979 was een periode van conflicten over haar nieuwe taken met haar nieuwe chef vooraf gegaan, die tenminste een aanzienlijk deel van de periode bedroeg, gedurende welke zij onder die nieuwe chef had gewerkt. Bij de beoordeling was blijkens de eerder vermelde feiten geen rekening gehouden met het grotere deel van de beoordelingsperiode gedurende welke verzoekster onder leiding van dr. Semiller had gewerkt. Onder deze omstandigheden had de Commissie zich naar mijn oordeel behoren af te vragen of door de aanvaarde inkorting van de beoordelingsperiode en de daarvoor aangevoerde motieven (met name Uw arrest van 9 juli 1981) niet de gehele beoordeling op losse schroeven was gesteld. Daar de afwijzing van het bezwaarschrift ex artikel 90 geen deel uitmaakt van het voorwerp van het verzoekschrift, zal ik aan deze vraag echter in het vervolg van mijn conclusie geen verdere aandacht schenken.
Tenslotte moet ik dan in dit chronologisch oyerzich nog vermelden de ter zitting in kopie overgelegde brief van dr. Semiller van 23 maart 1984, waarin hij in antwoord op een nota van de directeur- generaal Personeelszaken en algemeen beheer van 6 januari 1984 de chronologie van zijn opmerkingen tijdens de beoordelingsprocedure geeft. Het is volstrekt onbegrijpelijk, dat ook deze — in verband met de procedure voor Uw Hof — gevraagde brief zoek is geraakt. Bij het zoekraken van het antwoord had men toch minstens een rappel kunnen verwachten.
3.6. De inhoud van het aangevochten besluit
In zijn bij zijn aangevochten besluit van 29 oktober 1982 gehandhaafde herzieningsbesluit ten aanzien van de beoordeling in eerste instantie heeft de beoordelaar in beroep in de rubriek „compétence” het oordeel „passable” voor de subrubriek „jugement” vervangen door „bon”. Een zelfde waarderingsverhoging bracht hij aan voor de beoordeling van de snelheid in de uitvoering van de taken in de rubriek „rendement”, maar hij handhaafde de beoordeling „passable” voor het belangrijke punt „adaptation aux exigences du service”. De beoordeling van de subrubriek „sens du travail en équipe” in de rubriek „dienstgedrag” verhoogde hij van „laisse à désirer” tot „passable”. Verzoekster werd dus (in afwijking van het advies van dr. Semiller, die als eerder opgemerkt niet geraadpleegd werd door de beoordelaar in beroep) voor vijf subrubrieken van de analytische beoordeling ook in beroep beoordeeld met „passable”. Van bijzonder belang is daarnaast de gewijzigde algemene beoordeling. Gehandhaafd is het volgende deel van de algemene beoordeling in eerste instantie : „Fonctionnaire possédant une bonne formation et une bonne expérience médicale. Elle ne s'adapte malheureusement pas au travail en équipe, qui nécessite un esprit de collaboration avec ses collègues médecins dans son service et au sein du Collège médical, ni aux exigences administratives inévitables dans un service médical”. Ik teken daarbij aan, dat deze handhaving zonder meer van dit onderdeel van de beoordeling door de eerste beoordelaar inconsistent lijkt met de in de analytische rubriek aangebrachte hogere waardering van verzoeksters „sens du travail en équipe”.
Het tweede onderdeel van de algemene beoordeling in eerste instantie wordt door de beoordelaar in beroep geschrapt. Ik breng in herinnering, dat dit onderdeel luidde : „A la suite de la réorganisation du Service médical, elle n'a pas pu s'adapter aux tâches nouvelles et importantes qui lui ont été confiées”. Ik merk bij deze schrapping in de eerste plaats op, dat deze vermoedelijk verband houdt met Uw arrest van 9 juli 1981 in de eerste Turnerprocedure en met name met de overwegingen 70 en 71 in dit arrest, die juist op deze nieuwe taken betrekking hebben. Genoemde overwegingen luiden als volgt :
„Uit dit alles volgt dat, gelet op de omstandigheden, het optreden van de Commissie ten aanzien van verzoekster niet vrij is van willekeur. Voor de meningsverschillen tussen verzoekster en haar hiërarchieke meerderen, waarvan men de realiteit niet kan ontkennen, had een oplossing moeten worden gezocht door een objectief onderzoek en niet door oneigenlijke maatregelen die bedoeld waren verzoekster zonder opgave van werkelijke redenen uit haar functie te verwijderen met voorbijgaan aan haar op een eervolle staat van dienst bij de communautaire administratie berustende professionele belangen.
Het middel ontleend aan misbruik van bevoegdheid is dus klaarblijkelijk gegrond ten aanzien van alle jegens verzoekster getroffen maatregelen, dat wil zeggen zowel ten aanzien van het besluit van de directeurgeneraal Personeelszaken en algemeen beheer van 4 mei 1979, om verzoekster binnen de Medische dienst voor het personeel te Brussel nieuwe werkzaamheden op te dragen, als ten aanzien van het overplaatsingsbesluit van 20 mei 1980. Deze besluiten moeten bijgevolg nietig worden verklaard.”
In de tweede plaats merk ik bij deze schrapping op, dat daarmede niet consistent is, dat de beoordeling „passable” in de analytische beoordeling van het aanpassingsvermogen zonder meer gehandhaafd werd. Belangrijker is echter de vaststelling, dat de wraking van de handelwijze van de Commissie en haar diensten in de genoemde overwegingen in feite betrekking had op een groot deel van de periode, gedurende welke verzoekster onder leiding van haar nieuwe chef werkte. Daar het beoordelingsrapport in feite, als eerder opgemerkt, het daaraan voorafgaande grotere deel van de beoordelingsperiode, gedurende welke verzoekster onder de leiding van dr. Semiller werkte, buiten beschouwing liet, had de beoordelaar in beroep dienen te beseffen, dat het arrest in feite het gehele beoordelingsrapport op losse schroeven stelde. Ik verwijs daarvoor naar de overwegingen 52-69 van het arrest. Daarbij dient ook bedacht te worden, dat ook het door de beoordelaar in beroep gewijzigde beoordelingsrapport nog op de gehele periode van 1 juli 1977 tot 30 juni 1979 betrekking heeft. De schrapping van de maanden mei en juni 1979 uit deze periode heeft, als eerder uiteengezet, pas tijdens de interne administratieve beroepsprocedure ex artikel 90 van het Statuut plaatsgevonden, zonder dat de Commissie daaraan zelf reeds de juiste gevolgen heeft verbonden.
In plaats van de geschrapte passage heeft de beoordelaar in beroep tenslotte de volgende nieuwe passage aan de algemene beoordeling toegevoegd: „Cependant, au vu de l'ensemble de la période couverte par la notation, de ses mérites antérieurs et du niveau de sa formation professionnelle, le Dr. Turner a été retenue par la Commission pour une promotion au grade A/4 dans le courant de 1978.” Bij deze nieuwe passage teken ik aan, dat daarmede niet consistent lijkt, dat de analytische beoordeling op een aanzienlijk lager niveau dan bij de vorige beoordeling werd gehandhaafd.
4. Conclusie
4.1.
Het overzicht van de op grond van de nieuwe gegevens (overgelegd ter terechtzitting) gereconstrueerde gang van zaken bij de beoordelingsprocedure met de daarbij vastgestelde afwijkingen van de door de Commissie vastgestelde uitvoeringsvoorschriften van artikel 43 van het Statuut spreekt naar mijn oordeel voldoende voor zichzelf om de beoordeling van de door verzoekster aangevoerde midddelen eenvoudig te maken. De evidente afwijkingen van deze voorschriften zijn des te ernstiger, nu zij in eerste instantie voor rekening kwamen van de directeurgeneraal Personeelszaken en algemeen beheer en in tweede instantie voor rekening van het Commissielid, dat de inleidende opmerkingen bij de uitvoeringsvoorschriften ondertekende. In deze inleidende opmerkingen wordt onder meer het verplichte karakter van de voorgeschreven dialoog tussen beoordelaar en beoordeelde en de verplichte (aan de beoordeling) voorafgaande raadpleging van de vroegere chef van de beoordeelde onderstreept. Bovendien wordt in de laatste alinea van de tweede bladzijde van deze inleidende opmerkingen (bijlage 15 ter van het verzoekschrift) onderstreept, dat de geest en de beginselen van deze voorschriften nauwkeurig en methodisch moeten worden gevolgd. Van de beoordelaars in eerste en in tweede instantie had men in verband met hun bijzondere verantwoordelijkheid voor de juiste toepassing van de richtlijnen stellig mogen verwachten, dat zij ten aanzien van deze scrupuleuze en methodische naleving van de voorschriften een voorbeeld aan de andere diensten zouden hebben gegeven. Blijkens het feitelijke overzicht van de gang van zaken hebben zij echter zelfs de letter van de onder hun bijzondere verantwoordelijkheid opgestelde voorschriften op wezenlijke punten niet nageleefd. Voor de in Uw rechtspraak gehanteerde beoordelingscriteria terzake van de beoordelingsprocedure verwijs ik in het bijzonder naar rechtsoverweging 20 van Uw arrest in de zaken Grassi (gevoegde zaken 6 en 97/79, Jurispr. 1980, blz. 2141).
4.2.
Met betrekking tot het, op grond van nieuwe feiten later nog gepreciseerde eerste middel van verzoekster (formele onregelmatigheid) acht ik op grond van de vastgestelde feiten met name de volgende grieven feitelijk gegrond :
a)
In strijd met artikel 3 van de richtlijnen hebben de opsteller van het beoordelingsrapport in eerste instantie en de beoordelaar zelf in eerste instantie geweigerd de chef van verzoekster gedurende het eerste en langste deel van de beoordelingsperiode voorafgaand te raadplegen. Een door hem desondanks overgelegd gedetailleerd oordeel over die eerste periode heeft de beoordelaar in eerste instantie naast zich neergelegd. Zelfs in het onwaarschijnlijke geval, dat hij dit oordeel niet ontvangen zou hebben, blijft de conclusie overeind, dat de beoordelaar de genoemde eerdere chef niet werkelijk heeft geraadpleegd, maar hem uitsluitend de gelegenheid heeft gegeven achteraf zijn niet-akkoord gaan met het rapport op dit rapport aan te tekenen. Het verweer van de Commissie, dat het oordeel van die vroegere chef slechts op een deel van de beoordelingsperiode betrekking had, moet worden verworpen, omdat dit deel eveneens door de beoordeling gedekt werd. Bij verschil van mening tussen de twee directe chefs van verzoekster tijdens de beoordelingsperiode, had van de beoordelaar in eerste instantie verwacht moeten worden, dat hij zich zelf voor de gehele periode een oordeel zou vormen na een gesprek met beide chefs. In feite heeft hij het oordeel van de chef over het tweede deel van de beoordelingsperiode (dat zonder raadpleging van de chef over de eerste periode was opgesteld) zonder meer overgenomen.
b)
In strijd met artikel 5 van de richtlijnen heeft de beoordeling in eerste instantie aldus niet alleen in feite slechts op het tweede deel van de beoordelingsperiode betrekking, maar zijn bovendien de talrijke afwijkingen in de analytische beoordeling, in vergelijking met de voorafgaande beoordelinsperiode, niet of hoogstens zeer globaal in de samenvattende algemene beoordeling gemotiveerd.
c)
In strijd met artikel 6 van de uitvoeringsvoorschriften heeft, ondanks een uitdrukkelijk verzoek daartoe, geen dialoog tussen beoordelaar en beoordeelde na opstelling van het beoordelingsrapport in eerste instantie plaatsgevonden. Dit verzuim is echter hersteld door de beoordelaar in beroep, zodat het verder buiten beschouwing kan blijven, nu het beroep alleen op de beoordeling in beroep betrekking heeft.
d)
In strijd met artikel 7 van de richtlijnen heeft daarentegen ook de beoordelaar in beroep en dit ondanks diens aantekening op het beoordelingsrapport, de chef van verzoekster over het eerste en grootste deel van de beoordelingsperiode niet geraadpleegd. Dit is in casu des te ernstiger te achten, nu het verplichte karakter van deze raadpleging juist in de door de tweede beoordelaar persoonlijk ondertekende inleiding tot de uitvoeringsvoorschriften (bijlage 15 ter verzoekschrift, eerste bladzijde) is onderstreept en ook overigens een elementaire waarborg voor objectieve en onpartijdige beoordeling in beroep moet worden geacht. Zelfs nadat de paritaire commissie hem op het belang van het oordeel van de vroegere chef had gewezen, heeft de beoordelaar geen aanleiding gezien alsnog tot deze raadpleging over te gaan. Hij heeft ook geen kennis kunnen nemen van het schriftelijk uitgebrachte oordeel van die vroegere chef, daar dit als opgemerkt (in duidelijke strijd met artikel 26, sub a), van het Statuut zelf) niet in het persoonsdossier werd opgenomen.
e)
De opgetreden en door verzoekster terecht gegispte vertraging van 22 maanden in de beoordelingsprocedure heb ik al eerder op grond van Uw eerdere rechtspraak irrelevant voor Uw Hof geacht. Bovendien heb ik terzake van de in casu wel zeer grote vertraging opgemerkt, dat niet valt in te zien, dat deze vormfout als zodanig verzoekster benadeeld heeft.
Het verweer van de Commissie terzake van genoemde vormfouten, dat verzoekster niet zou hebben aangetoond dat zij daardoor zou zijn benadeeld, acht ik slechts ten aanzien van de grieven, behandeld onder c) en e) gegrond. De vormfouten, vermeld onder a) en b) zijn door de beoordelaar in beroep niet hersteld. Dit is stellig mede het gevolg van de door hem zelf begane vormfout d). Redelijkerwijze moet worden aangenomen, dat vooral het niet raadplegen in beroep van de vroegere chef van verzoekster de beoordeling in beroep sterk ten nadele van verzoekster heeft beïnvloed. Met name op grond van de grieven onder a), b) en d), in onderlinge samenhang beschouwd, ben ik concluderend van oordeel, dat aan de beoordelaar in beroep zodanig wezenlijke vormfouten moeten worden verweten, dat reeds op die grond zijn aangevochten beslissing van 29 oktober 1982 moet worden vernietigd.
4.3.
Het tweede middel van verzoekster (vergissingen in de waardering — in de terminologie van Uw geciteerde Grassi-arrest kennelijke dwaling ten aanzien van de feiten — en misbruik van bevoegdheid) acht ik op grond van de weergegeven gang van zaken bij de beoordeling eveneens gegrond. Reeds door het oordeel van de chef van verzoekster over het eerste deel van de beoordelingsprocedure niet te vragen en feitelijk derhalve buiten beschouwing te laten, heeft ook de beoordelaar in beroep zijn beoordeling in feite slechts op het oordeel van de chef van verzoekster over het tweede en conflictueuze gedeelte van de beoordelingsperiode gebaseerd. Raadpleging van de chef over het eerste en grotere deel van de beoordelingsperiode had op zich zelf reeds waarschijnlijk tenminste tot het nastreven van een gemiddelde tussen de beoordelingen van de twee chefs geleid. Ernstiger acht ik intussen de vergissing, dat de beoordelaar in beroep zich niet gerealiseerd heeft, dat de overwegingen 70 en 71 van Uw arrest van 9 juli 1981 in feite de gehele feitelijke grondslag ontnemen aan de — grotendeels door hem overgenomen — relatief ongunstige beoordeling in eerste instantie van verzoekster. Het toen door Uw Hof als klaarblijkelijk misbruik van bevoegdheid gekwalificeerde besluit van de directeurgeneraal Personeelszaken en algemeen beheer van 5 mei 1979 was immers het sluitstuk van veel eerder begonnen pogingen van de administratie om verzoekster met nieuwe en niet passende taken te belasten, waarover Uw Hof in de rechtsoverwegingen 52 tot 69 van het arrest een vernietigend oordeel heeft uitgesproken. Ik concludeer dan ook, dat het aangevochten en in feite hoofdzakelijk op die zelfde conflictperiode gebaseerde beoordelingsrapport door hetzelfde in rechtsoverwegingen 70 en 71 van Uw arrest vastgestelde misbruik van bevoegdheid beslissend is beïnvloed en daarmede eveneens een misbruik van bevoegdheid opleven. Overigens acht ik de ook tijdens de beoordeling in beroep begane vormfouten en de mede daardoor ontstane onvolledigheden, dwalingen en interne tegenstrijdigheden, in de beoordeling van de feiten van zodanige zwaarte, dat ik ook de daaruit blijkende graad van onzorgvuldigheid op zich zelf reeds als een misbruik van de aan de beoordelaar in beroep toekomende bevoegdheid zou willen kwalificeren. Daarmede acht ik ook het tweede middel, met inbegrip van het daarin vervatte verwijt van misbruik van bevoegdheid gegrond.
Daar de gereleveerde feiten terzake voldoende voor zich zelf spreken, acht ik het niet nodig op het door de Commissie terzake van het tweede middel gevoerde en in het rapport ter terechtzitting samengevatte verweer uitvoerig in te gaan. Vergelijking van dit verweer met het thans eindelijk gebleken feitelijke verloop van de beoordelingsprocedure weerlegt dit verweer voldoende. Voor zover de Commissie bij het afwijzen van de relevantie van feiten na afloop van de beoordelingsprocedure mede aan Uw arrest van 9 juli 1981 mocht hebben gedacht, laat ik het oordeel over deze opvatting na mijn voorgaande analyses gaarne aan Uw Hof over.
4.4.
De commentaren van partijen op de ter zitting geproduceerde stukken hebben geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten opgeleverd.
In haar schriftelijk commentaar op deze stukken uit de Commissie twijfel over de juridische relevantie van de notitie van 15 januari 1981 van de beoordelaar aan de vroegere chef van verzoekster en van diens reacties van 17 februari en 9 april 1981, waaronder zijn voorstel van beoordeling over de periode gedurende welke hij chef van verzoekster was. De Commissie baseert deze twijfel met name op de omstandigheid, dat deze stukken geen registratienummer dragen en op de omstandigheid, dat het aan de beoordeling voorafgaande advies van de vroegere chef van verzoekster gegeven werd door middel van invulling van de beoordelingsrubrieken van een beoordelingsformulier. Het eerste argument moet naar mijn oordeel verworpen worden. De beoordelingsrichtlijnen bevatten geen voorschrift ten aanzien van de wijze, waarop de voorgeschreven voorafgaande raadpleging van een vroegere chef dient plaats te vinden. Voor een doelmatig gevolg geven aan deze verplichting tot voorafgaande raadpleging zou onder omstandigheden zelfs een mondelinge raadpleging het meest aangewezen kunnen zijn. Zeker nu de voorafgaande „raadpleging” door de directeurgeneraal Personeelszaken en algemeen beheer als beoordelaar in de informele vorm van een handgeschreven notitie plaats vond, kan een antwoord in dezelfde niet geregistreerde vorm van de relevantie van het gegeven oordeel niet afdoen.
Overigens bevestigt dit deel van het commentaar van de Commissie de juistheid van mijn eerdere vaststelling, dat in feite in afwijking van artikel 3 van de richtlijnen, geen werkelijke voorafgaande raadpleging van dr. Semiller plaats vond. Aan de relevantie van diens niettemin medegedeelde voorafgaande oordeel kan evenmin afdoen, dat het in de vorm van een gedetailleerd oordeel over de in het beoordelingsformulier vermelde beoordelingsaspecten werd gegeven. Ik heb al eerder opgemerkt, dat ik de aldus door dr. Semiller gekozen vorm juist bijzonder doelmatig acht en in overeenstemming met het doel van een zinvolle vormgeving van de voorafgaande raadpleging. In haar betoog, dat dr. Semiller slechts het recht had (ná de beoordeling door de beoordelaar) zijn eigen opmerkingen op het beoordelingsrapport te plaatsen, miskent de Commissie, dat artikel 3 van de richtlijnen twee fasen van inschakeling van de vroegere chef van betrokkene kent : zijn voorafgaande raadpleging en zijn oordeel achteraf of in de beoordeling met zijn advies op bevredigende wijze rekening is gehouden. Het op 9 april 1981 door dr. Semiller uitgebrachte advies ligt duidelijk vóór de afsluiting van het beoordelingsrapport en behoort dus tot de voorgeschreven fase van de voorafgaande raadpleging. Ook dit argument van de Commissie bevestigt dus de juistheid van mijn eerdere veronderstelling, dat de beoordelaar de vroegere chef in feite niet vooraf heeft willen raadplegen en met diens niettemin uitgebrachte en voorafgaande oordeel geen rekening heeft willen houden. Tenslotte moet ook het door de Commisie aan het slot van haar commentaar uitgesproken oordeel, dat de beoordelaar in beroep niet verplicht was dr. Semiller zijnerzijds te horen op de eerder in deze conclusie vermelde gronden in casu worden verworpen. De suggestie van de Commissie, dat de aanvechting van deze wezenlijke vormfout niet gedekt zou zijn door de formulering van het eerste middel, moet eveneens worden verworpen, daar de grief van wezenlijke vormfouten in het eerste middel in algemene vorm geformuleerd is (met een niet limitatieve lijst van voorbeelden) en deze concrete vormfout als gevolg van de handelwijze van de Commissie tijdens de beoordelingsprocedure en in de schriftelijke fase van de procedure voor Uw Hof pas tijdens de mondeling behandeling is gebleken.
Ik herinner er aan, dat dr. Semiller toen onweersproken op een vraag mijnerzijds heeft geantwoord, dat hij niet door de beoordelaar in beroep werd gehoord. Uiteraard zou de Commissie in haar schriftelijk commentaar — na het horen van de beoordelaar in beroep — de juistheid van dit antwoord alsnog hebben kunnen bestrijden. Nu dit niet is gebeurd, kan aan het argument van de Commissie, dat dit niet-horen niet bewezen zou zijn, geen grote betekenis worden toegekend. Ook de Commissie acht blijkbaar haar commentaar uitsluitend het beweerde, niet verplichte karakter van deze raadpleging beslissend, maar als opgemerkt, moet dit argument worden verworpen.
4.5.
Concluderend stel ik U voor de middelen van verzoekster op de aangegeven wijze voor gegrond te verklaren, het aangevochten besluit van Commissielid C. Tugendhat van 29 oktober 1982 derhalve nietig te verklaren en de Commissie te veroordelen in de kosten van het geding.
Full & Egal Universal Law Academy