CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL C. O. LENZ
VAN25 OKTOBER 1984 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
In het onderhavig geding gaat het om aanspraken die verzoeker — sinds 1 december 1979 wegens volledige arbeidsongeschiktheid in het genot van een invaliditeitsuitkering wegens de gevolgen van in mei 1977 tijdens zijn dienstverrichting tegen hem gepleegd geweld, te weten kwetsuren aan hoofd en linkerknie — meent te kunnen ontlenen aan artikel 73 van het Statuut juncto de daar bedoelde Regeling voor de verzekering van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten.
Aangezien te dezen reeds eerder werd geprocedeerd (arrest van 14. 7. 1981, zaak 186/80, Suss, Jurispr. 1981, blz. 2041), behoef ik niet alle details te releveren. Volstaan zij met het navolgende.
De door de Commissie aangewezen arts gaf op 25 mei 1979 met betrekking tot de gevolgen van het ongeval een attest af, volgens hetwelk de graad van verzoekers blijvende gedeeltelijke invaliditeit wegens letsel aan ogen, schedel en knie was te stellen op 25 + 10 + 2,25 % (welk percentage, volgens de ons tijdens de mondelinge behandeling toegelichte methode-Balthazar, waarbij de verschillende invaliditeitsgraden niet zonder meer worden opgeteld, een gedeeltelijke invaliditeit van 35 % opleverde).
Overeenkomstig artikel 21 van genoemde Regeling deed de Commissie verzoeker toen op 24 juli 1979 een voorstel toekomen, waarin ervan werd uitgegaan dat de gevolgen van het ongeval volgens de bevindingen van de arts die verzoeker op 18 mei 1979 had onderzocht, op dat tijdstip als geconsolideerd waren te beschouwen, en waarin op grond van een verondersteld invaliditeitspercentage van 34 % werd gesproken over toekenning van een kapitaal als bedoeld in artikel 73, lid 2, sub c, van het Statuut, ten bedrage van BFR 3187129.
Dit voorstel werd geen definitief besluit als bedoeld in artikel 21, derde alinea van de Regeling: binnen de daartoe gestelde termijn, en wel op 7 september 1979, verlangde verzoeker een nader onderzoek door een medische commissie, hij achtte voormelde invaliditeitsgraad, gezien de bevindingen van andere artsen, in verschillend opzicht (niet-inaanmerkingneming van esthetische schade; andere berekening van de uit de knielesie resulterende invaliditeit) te laag. Ook wenste hij zich overeenkomstig artikel 20 der Regeling het in het voorstel genoemde kapitaal bij wijze van voorschot te zien uitbetaald; dit is mogelijk wanneer de invaliditeitsgraad na het medisch onderzoek nog niet kan worden bepaald, doch vaststaat dat hij ten minste 20 % bedraagt.
De Commissie beschikt op 22 oktober 1979 afwijzend op grond van de overweging dat de invaliditeitsgraad, afgezien van de ooglesie, in tweeërlei opzicht nog omstreden was en derhalve door de op wens van verzoeker in te stellen medische commissie moest worden bepaald. Wel werd de uitbetaling gelast van een bedrag, overeenkomende met een invaliditeitsgraad van 25 % (BFR 2343478). Dit standpunt werd bekrachtigd in een brief van 30 januari 1980 (waarin voorts werd erkend dat de invaliditeitsgraad niet overeenkomstig de me-thode-Balthazar moest worden vastgesteld, maar door optelling van de verschillende elementen, zoals verzoeker reeds in een brief van 24 september 1979 had verlangd).
In verband met de instelling van de medische commissie en de afwijzende beschikking op betrokkenes verzoek om uitkering van een aanvullend kapitaal overeenkomend met een invaliditeitsgraad van 12 % — bij wijze van voorschot overeenkomstig artikel 20, derde alinea, der Regeling — kwam het, nadat de door verzoeker op 12 februari 1980 ingediende klacht was afgewezen, tot de voormelde zaak 186/80, waarin het erom ging, of de Commissie de arts die ook het attest van mei 1979 had afgegeven en die als vertrouwensarts van de verzekeraar der Commissie optreedt, in de medische commissie mocht benoemen, of verzoeker recht had op een aanvullend voorschot overeenkomstig artikel 20 der Regeling, overeenkomende met een invaliditeitsgraad van 12 %, en of er, vanaf het tijdstip van consolidering van de gevolgen van het ongeval, moratoire interessen verschuldigd waren.
Hangende die procedure betaalde de Commissie verzoeker alsnog het verlangde aanvullende bedrag, en in zijn arrest (r.o. 23) achtte het Hof van Justitie dit punt van geschil afgedaan. Voor het overige werd de eis verworpen.
De door verzoeker bedoelde medische commissie kwam op 13 juli 1982 bijeen en won het advies van een vierde arts in. Na onderzoek van verzoeker en inzage van alle overgelegde medische documenten (die op de bladzijden 4 en 5 van het rapport van de commissie d.d. 13 juli 1982 staan vermeld) kwam de commissie eenparig tot de slotsom, dat de blijvende gedeeltelijke invaliditeit, wat ogen, linkerknie en uiterlijk, betreft, op 25 % + 8 % +1 % = 34 % was te stellen. De commissie achtte verdere therapeutische behandelingen onnodig en meende dat het letsel als op 1 april 1979 (eerder dan de door de Commissie benoemde arts in mei 1979 juist had geacht) geconsolideerd was te beschouwen.
Een en ander werd verzoeker in een brief van 3 februari 1983 medegedeeld, waarbij te zijner kennis werd gebracht dat het tot aanstelling bevoegd gezag dienovereenkomstig had beslist. Voorts werd verzoeker te verstaan gegeven dat hij, gezien de conclusies van de medische commissie, een te hoog voorschot had ontvangen, zodat hij het verschil ten bedrage van BFR 281218 moest terugbetalen, alsook dat zijn behandeling na 1 april 1979 (door de medische commissie als datum van consolidatie aangehouden) niet als door het ongeval veroorzaakt was te beschouwen, zodat er, gezien artikel 73 van het Statuut, geen vergoeding voor 100 % had mogen worden toegekend; bij de behandeling van toekomstige verzoeken om restitutie van dokterskosten zou dus een correctie ten bedrage van BFR 24992 worden toegepast.
Verzoeker wendde zich vervolgens op 22 april 1983 met een formele klacht tot het tot aanstelling bevoegd gezag, waarin hij bezwaar maakte tegen het rapport van de medische commissie (wat de vastgestelde graad van invaliditeit, de datum van consolidatie der kwetsuren en de noodzaak van verdere behandeling betreft), nietigverklaring van dat rapport vorderde, annulering van het daarop berustende besluit van 3 februari 1983 verlangde en vaststelling van de invaliditeitsgraad en van de datum van consolidatie der kwetsuren overeenkomstig het attest d.d. 4 mei 1982 van een door hem geraadpleegde arts eiste.
Op die klacht werd niet beslist binnen de termijn van artikel 90, lid 2, van het Statuut; pas op 3 oktober 1983 werd de klacht met zoveel woorden afgewezen: verzoeker zou niet hebben bewezen dat de instelling en werkzaamheid van de medische commissie als irregulier waren te beschouwen, en ook zou niet zijn gebleken van redenen waarom het ervoor zou mogen worden gehouden dat de medische commissie, die over vergaande discretionaire bevoegdheden beschikt, in casu tot een onjuist oordeel was gekomen.
Verzoeker vond hierin aanleiding zich op 26 november 1983 tot het Hof van Justitie te wenden, vorderende:
—
dat het rapport van de mesiche commissie zou worden nietigverklaard;
—
dat het besluit van 3 februari 1983 en de afwijzing van zijn klacht zouden worden nietigverklaard,
met verklaring voor recht:
—
dat verzoeker aanspraak mag maken op een invaliditeitsuitkering van 56 %;
—
dat, wat de neurologische gevolgen van het ongeval en de ooglesie onderscheidenlijk de knielesie betreft, 1 april 1979 onderscheidenlijk 5 april 1982 als data van consolidatie zijn te beschouwen;
—
dat de bij betaling van het voorschot aangenomen invaliditeitsgraden in ieder geval als definitief zijn te beschouwen, met last tot een nieuwe expertise ten aanzien van de nog omstreden gevolgen van het ongeval;
—
dat verzoeker behandeling in een thermaalbad behoeft.
In zijn conclusie van repliek vordert verzoeker voorts :
—
veroordeling van de Commissie tot betaling van BRF 50000 krachtens artikel 73 van het Reglement voor de procesvoering;
—
toekenning van vertragingsrenten over het hem ten titel van schadevergoeding toekomende bedrag.
De Commissie acht deze verordeningen ten dele niet-ontvankelijk en in ieder geval ongegrond, en concludeert dienovereenkomstig tot verwerping van het beroep.
Ik zou te dezen als volgt mijn standpunt willen bepalen.
1.
Verzoekers eerste argument is dat het rapport van de medische commissie, waarop het besluit van 3 februari 1983 berust, door vier artsen is vastgesteld en ondertekend, namelijk ook door de arts die de commissie heeft geraadpleegd en die door haar met het onderzoek van verzoekers voortbewegingsorganen werd belast. Door aldus een vierde arts actief bij de rapportage te betrekken — en daarmede tot lid van de commissie te maken —, zou men in strijd hebben gehandeld met artikel 23 van de hiervoor genoemde Regeling, bepalende dat de medische commissie bestaat uit drie artsen en dat door dezen rapport wordt uitgebracht. Genoemd rapport zou dan ook niet op de juiste wijze zijn tot stand gekomen, zodat er een nieuwe expertise dient te worden gelast.
Evenals de Commissie ben ik het met deze redenering niet eens. Van met betrekking tot samenstelling en werkwijze der commissie begane onregelmatigheden (als bedoeld in het arrest van 21. 5. 1981, zaak 156/80, Morbelli, Jurispr. 1981, blz. 1357, r.o. 20) kan geen sprake zijn.
Men bedenke dat de medische commissie niet met een rechterlijke instantie kan worden vergeleken, zodat de voor de samenstelling van een rechterlijk college geldende stringente regels er niet voor geschreven zijn: in de rechtspraak is beslist dat een ambtenaar een door het tot aanstelling bevoegd gezag benoemde arts niet mag wraken, terwijl ook een arts die in een eerder procedurestadium voor het tot aanstelling bevoegd gezag is opgetreden, in de commissie mag worden benoemd (arresten 156/80 en 186/80).
Van wezenlijk belang is voorts dat de medische commissie, in het belang van een juiste beoordeling, voor een bijzonder probleem stellig een specialist in de arm mag nemen en op diens oordeel mag afgaan. Als de commissie dit doet en vervolgens — zoals in casu — eenstemmig tot een bepaald resultaat komt, dan is niet in te zien waarom het aldus door de geraadpleegde arts uitgebrachte eensluidend oordeel zou zijn te beschouwen als een door de onderzochte ambtenaar te wraken schending van wezenlijke vormvoorschriften. Het mag er zonder meer voor worden gehouden, dat een niet door de geraadpleegde arts medeondertekende beslissing van de medische commissie niet anders zou zijn uitgevallen. Door het feit dat vier artsen de te dezen relevante conclusies van het rapport voor hun rekening hebben genomen, kan verzoeker zich niet in zijn belang getroffen achten; de Commissie is veeleer van mening dat dit een extra garantie biedt voor de juistheid van het oordeel der medische commissie.
2.
In de tweede plaats beroept verzoeker zich erop, dat er een voorschot in twee termijnen — voor een invaliditeitsgraad van 25 % en voor een invaliditeitsgraad van 12 % — is betaald. En omdat in artikel 20, derde alinea, van de Regeling alleen betaling voor het onomstreden gedeelte van de invaliditeitsgraad is voorzien, zou men het over een invaliditeitsgraad van 37 %, samengesteld uit de percentages die de door de Commissie benoemde arts in mei 1979 juist heeft geacht, eens zijn geworden. Noch het tot aanstelling bevoegd gezag, noch de medische commissie zou daarop hebben kunnen terugkomen; in geding zou dus alleen nog het omstreden gedeelte van de invaliditeit zijn geweest (namelijk de vraag of de door de knielesie veroorzaakte invaliditeit op meer dan 2 % moet worden gesteld, en of ook de esthetische schade, waarover in het rapport van 25 mei 1979 niet wordt gesproken, in aanmerking moet worden genomen). Na inschakeling van de medische commissie had de blijvende gedeeltelijke invaliditeit dus niet alsnog op 34 % mogen worden gesteld. Veeleer zou, gezien het nog discutabele gedeelte van het rapport van de medische commissie (volgens hetwelk er wegens de knielesie 8 % en wegens esthetische schade 1 % invaliditeit moet worden erkend), het ervoor moeten worden gehouden, dat verzoeker aanspraak kan maken op een vergoeding, berekend over een invaliditeitsgraad van tenminste 44 % (25 % wegens de ooglesie -1- 10 % wegens de schedellesie + 8 % wegens de knielesie + 1 % wegens esthetische schade).
De Commissie heeft dit standpunt met klem weersproken. Principieel stelt zij, dat volgens artikel 20 van de Regeling betaling van een voorschot enkel mogelijk is zolang de invaliditeitsgraad niet definitief is bepaald, dat wil zeggen, vóór de consolidatie van de gevolgen van de kwetsuren. In casu ging het echter om iets anders; immers, blijkens het ontwerpbesluit van de Commissie was de consolidering reeds in mei 1979 voltooid en alleen de afwijzing van het voorstel en de inschakeling van een medische commissie had ertoe geleid, dat de procedure nog niet kon worden afgesloten. De Commissie stelt zich voorts op het standpunt, dat slechts een percentage van 25 % als het niet omstreden gedeelte van de invaliditeitsgraad is te beschouwen. Dit zou ten duidelijkste blijken uit haar brieven van 22 oktober 1979 en 30 januari 1980, waarin er met nadruk op werd gewezen dat de verdere deelpercentages waaruit de totale invaliditeitsgraad is opgebouwd, nog door de medische commissie moesten worden bepaald. Maar het tijdens de behandeling van zaak 186/80 betaalde bedrag zou buiten beschouwing moeten blijven; die betaling zou in feite niet op artikel 20 van de Regeling hebben berust, doch zijn te beschouwen als een verzoenend gebaar, gedaan „sans aucune reconnaissance préjudiciable” en „sous toutes réserves généralement quelconques, et singulièrement sous réserve de l'avis qui sera émis par la Commission médicale et de la décision qui sera prise par l'AIPN au vu de cet avis.” Daarom én omdat de medische commissie niet aan de in mei 1979 gedane medische vaststellingen was gebonden, maar in haar oordeel vrij was, zou er geen aanmerking op kunnen worden gemaakt dat men, na haar uitspraak, tenslotte op een invaliditeitsgraad van slechts 34 % is uitgekomen.
Ik geloof dat de Commissie hierin niet het gelijk aan haar zijde heeft.
—
Om te beginnen vermag de zienswijze dat artikel 20, derde alinea, slechts kan worden toegepast zolang het niet tot consolidatie van de kwetsuren is gekomen, mij niet te overtuigen. Het lijkt mij alleszins redelijk dat er met betrekking tot de niet betwiste fractie van het invaliditeitspercentage ook dan een voorschot wordt toegekend, wanneer men het nog niet eens heeft kunnen worden over het totale percentage, dat door een medische commissie moet worden bepaald, hetgeen soms veel tijd in beslag kan nemen. En het valt niet te ontkennen dat de Commissie in casu artikel 20, derde alinea, van de Regeling heeft toegepast. Zij heeft zich daaraan dus te houden en de daaraan verbonden consequenties te aanvaarden.
—
Wat de in verband met zaak 186/80 verrichte betaling van een aanvullend voorschot, overeenkomend met een invaliditeitsgraad van 12 %, betreft, zij erop gewezen dat „desgevorderd” tot die betaling is overgegaan en dat de Commissie in haar beweerschrift zelf heeft verklaard, dat „le chef de la demande du requérant relative à cette indemnité complémentaire devient ainsi sans objet.” Anderzijds heeft de Commissie met betrekking tot die betaling het eerder genoemde voorbehoud gemaakt, hetgeen ten duidelijkste een inconsequentie inhoudt, die het Hof mijns inziens evenwel heeft verholpen door in rechtsoverweging 23 van arrest 186/80 te overwegen dat de Commissie bedoeld geschilpunt door een aanvullende voorlopige vergoeding heeft opgelost. Dit kan slechts betekenen dat het door de Commissie gemaakte voorbehoud als irrelevant is beschouwd, althans niet in die zin is verstaan dat de kwestie, ten nadele van verzoeker, opnieuw aan de orde zou kunnen komen. Anders dan de Commissie meent, kan het tot oplossing brengen van een geschilpunt ook niet slechts inhouden dat men er een voorlopige regeling voor vindt, doch alleen dat de betrokkene genoegdoening krijgt. Daarvan kan evenwel, bij gebreke van een andere rechtsgrondslag voor de door de Commissie verrichte betaling, slechts worden gesproken zolang men ervan uitgaat dat de betaling het niet-omstreden gedeelte van de invaliditeitsgraad in de zin van artikel 20 der Regeling heeft betroffen, dat wil zeggen het gedeelte waaraan de administratie niet meer mag tornen.
Een invaliditeitsgraad van 37 % mag dan ook worden geacht rechtens te zijn komen vast te staan (in welk verband ook op het verbod van reformatio in peins kan worden gewezen, dat te dezen niet alleen op grond van artikel 22 de Regeling kan worden ingeroepen, doch ook op grond van artikel 23 — de kosten betreffende —, waarin aan de mogelijkheid dat de medische commissie minder ver gaat dan de door het tot aanstelling bevoegd gezag benoemde arts, kennelijk niet gedacht is). Waar het tot aanstelling bevoegd gezag bij de betaling slechts op het attest van 25 mei 1979 kon afgaan, terwijl het bij die arts ingewonnen advies in de brief van 15 oktober 1980 ook met zoveel woorden wordt genoemd, betekent dit voorts dat de percentages van 25 % wegens de ooglesie, 10 % wegens schedelletsel en 2 % wegens de knielesie niet meer konden worden aangevochten. Als niet onomstreden waren hoogstens nog te beschouwen de beoordeling van de esthetische gevolgen van het ongeval en de vraag of de met het knieletsel samenhangende invaliditeit op meer dan 2 % moest worden bepaald; en alleen die vragen had men de medische commissie dienen voor te leggen.
Dit voert tot de slotsom dat aan de vaststellingen van de medische commissie betreffende de neurologische gevolgen van het ongeval rechtens de grondslag heeft ontbroken, zodat zij niet in aanmerking mogen worden genomen. Gaat men er voor het overige van uit, dat er aan het rapport van de medische commissie geen fouten kleven, zodat de voor die commissie gevolgde procedure niet behoeft te worden herhaald (wij komen daarop nog terug), dan zullen wij ons aan de bevindingen betreffende de uit het knieletsel resulterende invaliditeitsgraad (8 %) en de wegens de esthetische gevolgen aan te nemen invaliditeitsgraad (1 %) hebben te houden. Dit zou evenwel betekenen dat verzoeker wegens blijvende gedeeltelijke invaliditeit op een vergoeding van ten minste 44 % aanspraak kan maken. Mocht uw Hof een desbetreffende overweging in het arrest willen opnemen (pas na onderzoek van alle middelen kan echter worden uitgemaakt of daarmede mag worden volstaan), dan zou dit bij mij in een casuspositie als de onderhavige geen bezwaar ontmoeten, ook al dient te worden erkend dat het Hof normaliter tot zulke vaststellingen van medische aard niet geroepen is.
3.
Verzoeker is voorts van mening dat het rapport van de medische commissie, voor zover het knieletsel en de consolidering van dat letsel betreffende en het oordeel inhoudende dat verdere behandelingen in een thermaalbad onnodig zijn te achten, als onjuist is aan te merken en derhalve niet mag worden gebruikt.
Volgens verzoeker heeft de commissie hem slechts een half uur lang oppervlakkig onderzocht (bijzonderheden dienaangaande zijn te vinden op blz. 11 van het verzoekschrift). Hij wijst op rapporten van andere artsen die hij heeft geraadpleegd en die, anders dan de medische commissie, volgens welke het ongeval alleen gevolgen voor linkerknie heeft gehad, een invaliditeitsgraad van 20 % voor beide knieën te zamen aannemen (rapport van dokter Schmitt van 22 december 1981; rapport van dokter Chaumont van 4 mei 1982). Tenslotte brengt verzoeker nog een door het Luxemburgse ministerie van Binnenlandse zaken afgegeven „Invaliditätskarte” ter sprake, die een invaliditeit van 50 % of meer vermeldt. Hem ware derhalve een vergoeding berekend naar een invaliditeit van ten minste 56 %, toe te kennen, althans zou een nieuw onderzoek door een medische commissie moeten worden bevolen.
a)
Met name in deze context, waarin het Hof wordt uitgenodigd een uitspraak op medisch gebied te doen, heeft de Commissie zich, op grond van overwegingen die in 's Hofs arrest 156/80 te vinden zijn, een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. In genoemd arrest, zo zegt zij, is in de eerste plaats overwogen, dat in de Regeling een tweevoudig onderzoek door geneeskundigen ter beoordeling van alle medische vragen is voorzien, waaruit de bedoeling zou spreken met betrekking tot alle vragen van medische aard tot een definitieve beslissing te komen (r.o. 18 en 19). Anderzijds is overwogen dat 's Hofs toezicht zich niet kan uitstrekken tot de eigenlijke medische beoordelingen, die normaliter definitief moeten worden geacht; veeleer heeft het Hof zich bij zijn toezicht te beperken tot vragen betreffende de samenstelling en de regelmatige werking van de medische commissie (r.o. 20).
Een en ander komt mij juist voor en ik zou er hoogstens aan willen toevoegen, dat het Hof hoogstens kan nagaan of de geneeskundigen zich in hun beoordeling kennelijk hebben vergist; dit is ook de mening van de Commissie.
b)
Houdt men zich daaraan, dan kan op de aard van bet onderzoek dat de medische commissie heeft verricht, bezwaarlijk kritiek worden geoefend.
In dit verband zij allereerst gewezen op de overwegingen van het arrest 156/80, volgens welke de medische commissie aard en duur van het persoonlijk onderzoek van verzoeker heeft te beoordelen (r.o. 27), hetgeen wil zeggen dat het daarbij om een medische vraag gaat, waarin het Hof in principe niet mag treden. In de tweede plaats heeft de Commissie met nadruk betoogd dat het onderzoek door de medische commissie redelijk en serieus is geweest, en verzoekers betoog geeft mij geen aanleiding nader op dit punt in te gaan.
c)
Ook met betrekking tot de inhoud van het rapport van de medische commissie is van kennelijke beoordelingsfouten niet gebleken.
Daartoe kan men niet komen aandragen met het feit dat op een door Luxemburgse instanties voor heel andere doeleinden afgegeven invaliditeitskaart een invaliditeit van 50 % of meer wordt vermeld. Het is al evenmin voldoende dat twee door verzoeker geraadpleegde artsen (wier attesten ook aan de medische commissie zijn voorgelegd en, blijkens blz. 4 en 5 van het rapport, ook door die commissie zijn onderzocht) met betrekking tot verzoekers knielesie, wat de invaliditeitsgraad en de voor de consolidatie aan te houden datum betreft, tot een ander resultaat zijn gekomen. Met zulke middelen kan niet worden aangetoond dat het oordeel waartoe de medische commissie (waarin ook een door verzoeker aangewezen arts zitting had) eenstemmig is gekomen, medisch onhoudbaar zou zijn.
d)
Waar verzoeker in verband met de noodzaak van verdere behandeling niets bijzonders heeft aangevoerd, mag het er dan ook voor worden gehouden, dat op het rapport van de medische commissie, voor zover voor het hier besproken middel van belang, geen aanmerking kan worden gemaakt en dat het wel degelijk de grondslag kan vormen voor een besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag. En van redenen waarom het Hof zou kunnen vaststellen dat er van meer dan 44 % invaliditeit moet worden gesproken, dat er voor de consolidatie der kwetsuren een andere datum moet worden aangehouden en dat verzoeker verdere medische behandeling behoeft, is mij in het geheel niet gebleken.
4.
Daarmede ben ik toegekomen aan een bespreking van de door verzoeker in zijn conclusie van repliek gedane nadere vorderingen, daartoe strekkende dat de Commissie krachtens artikel 73 van het Reglement voor de procesvoering zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van BFR 50000 en dat aan verzoeker over het kapitaal dat hij nog tegoed heeft, rente zal worden toegekend.
a)
Over eerstbedoelde vordering, die, waar artikel 73 van het Reglement voor de procesvoering van invorderbare kosten spreekt, 's Hofs beslissing te dien aanzien betreft, kan ik kort zijn.
Uitspraak doende over de kosten, beslist het Hof in beginsel alleen wie de proceskosten heeft te dragen c.q. of, en in hoe-. verre, de ene partij een gedeelte van de aan de andere partij opgekomen kosten heeft te dragen. Op de vraag hoe zulk een kostenliquidatie er heeft uit te zien, kom ik aan het eind van deze conclusie nog te spreken. Het lijkt mij in geen geval juist een bepaald bedrag te noemen. Daarvan kan pas sprake zijn wanneer de uit het arrest vervatte principiële beslissing aanleiding zou geven tot een geschil tussen partijen over de invorderbare kosten, dat, overeenkomstig artikel 74, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering door de bevoegde kamer moet worden uitgewezen.
b)
Verwijzende naar hetgeen ik in de zaak 186/80 heb betoogd, ontmoet een bespreking van de andere eerst bij repliek gedane vordering, gezien de zakelijke samenhang met de hoofdvorderingen, bij mij geen bezwaar.
Ik wil er al aanstonds aan toevoegen, dat verzoekers wens dat hem rente zal worden toegekend over de restsom die hij mijns inziens, gezien het rapport van de medische commissie, tegoed heeft, niet geheel ongegrond voorkomt. Het heeft in ieder geval na het op 14 juni 1981 in zaak 186/80 gewezen arrest — waaruit kon blijken hoe de medische commissie kon zijn samengesteld — een jaar geduurd tot de medische commissie haar rapport uitbracht (juni 1982, waarna het wederom meer dan een half jaar duurde totdat de administratie aan dat arrest — naar ons bleek: onjuiste — consequenties verbond. Er mag dan ook van een onbehoorlijke vertraging als bedoeld in het arrest 156/80 (r.o. 34) worden gesproken. Omdat wij evenwel niet op de hoogte zijn van de redenen die tot de vertraagde rapportage hebben geleid, en de administratie na het uitbrengen van het rapport enige tijd dient te worden gegund (in welk verband ook aan de zomervakantie moet worden gedacht), kan hoogstens een rentevergoeding met ingang van 1 september 1982 in aanmerking komen, tegen een door het Hof in goede justitie te bepalen percentage.
5.
Ik concludeer dat het Hof van Justitie:
a)
zal uitspreken dat het rapport van de medische commissie onjuist is, voor zover daarin een lagere invaliditeitsgraad wordt aangenomen dan tevoren — blijkens de betaling — door de Commissie als onomstreden was aanvaard;
b)
het besluit van 3 februari 1982 zal nietigverklaren, voor zover daarin van een invaliditeitsgraad van 34 % wordt uitgegaan en aan verzoeker is gelast het verschil tussen het met dat percentage overeenkomende kapitaal en het door de Commissie bij wijze van voorschot betaalde bedrag te restitueren;
c)
zal vaststellen dat de wijze waarop de Commissie zich met betrekking tot de vaststellingen van de medische commissie heeft gedragen, verzoeker aanspraak geeft op een met een invaliditeitsgraad van 44 % overeenkomende vergoeding;
d)
zal uitspreken dat over het aan verzoeker nog te betalen, met een invaliditeitsgraad van 7 % overeenkomend kapitaal, een door het Hof in goede justitie te bepalen rente vanaf 1 september 1982 zal worden betaald;
e)
de overige vorderingen zal afwijzen.
Mocht uw Hof in die zin uitspraak doen, dan ware mijns inziens de Commissie in een derde van de aan verzoeker opgekomen proceskosten te verwijzen.
( 1 ) Vertaald uit liet Duits.
Full & Egal Universal Law Academy