CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. O. LENZ
van 22 januari 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A. In artikel D 18 van de Franse Code des postes et télécommunications (zoals gewijzigd bij decreet van 12 februari 1965) is bepaald, dat voor dagbladen en tijdschriften, die uit een oogpunt van voorlichting, vorming, berichtgeving en ontspanning van algemeen belang zijn, een bijzonder perstarief geldt, dat lager is dan het tarief voor drukwerken en monsters.
In artikel D 21 van deze regeling heet het voorts, dat geheel dan wel gedeeltelijk in het buitenland gedrukte dagbladen en tijdschriften onder het tarief voor gewoon drukwerk vallen. Dit geldt evenwel niet voor Franse uitgaven die in een Lid-Staat van de Europese Gemeenschap worden gedrukt. Van ‚Franse uitgaven’ is sprake, wanneer de uitgever van de betrokken publikatie de Franse nationaliteit bezit en woonplaats in Frankrijk heeft. Voor zulke uitgaven geldt hetzelfde lagere tarief als voor in Frankrijk gedrukte uitgaven. Artikel D 21 bepaalt verder, dat de administratie der posterijen het lagere tarief voor dagbladen en tijdschriften ook kan toestaan voor buitenlandse, in Frankrijk geposte uitgaven, mits het betrokken land op zijn beurt het overeenkomstig zijn interne regeling „voor poststukken van dezelfde categorie” geldende tarief toepast op Franse dagbladen en tijdschriften die op zijn grondgebied worden gepost (wat volgens de Franse regering enkel in België het geval is).
Bij het onderzoek van deze regeling, tezamen met de in de andere Lid-Staţen geldende regelingen, kwam de Commissie tot de conclusie dat de voormelde voorwaarden voor toepassing van het verlaagde tarief niet verenigbaar zijn met het in artikel 30 EEG-Verdrag neergelegde verbod van maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen en met de desbetreffende richtlijn nr. 70/50/EEG van de Commissie van 22 december 1969, inzonderheid artikel 2, lid 3, sub 1 en o, waarin het heet:
„Onder de hierboven genoemde maatregelen” (die op grond van onverenigbaarheid met artikel 30 EEG-Verdrag moeten worden opgeheven) „behoren, onder meer, de maatregelen die:
...
1)
alleen voor de ingevoerde produkten de mogelijkheid geheel of gedeeltelijk uitsluiten om gebruik te maken van de nationale installaties of uitrusting of het gebruik van deze installaties of uitrusting geheel of gedeeltelijk alleen aan de nationale produkten voorbehouden;
...
o)
de invoer afhankelijk stellen van de voorwaarde dat door een of meer Lid-Staten het beginsel van wederkerigheid wordt toegezegd;
...”
De Franse regering is hiervan in 1979 en 1980 schriftelijk in kennis gesteld.
De Franse regering blijft erbij, dat de hierboven weergegeven beoordeling onjuist is. In een brief van juni 1980 stelt zij, dat de aangehaalde bepalingen van de richtlijn niet van toepassing zijn op het Franse perstarief. De door de Commissie gewraakte regeling valt haars inziens ook niet onder het verbod van artikel 30 EEG-Verdrag, omdat de invoer en de verkoop van buitenlandse uitgaven in Frankrijk vrij zijn; bovendien is het ook zeer de vraag, of deze bepaling wel van toepassing is op produkten die dienen ter verspreiding van politieke, sociale en culturele informatie en die daarom niet op een lijn zijn te stellen met goederen.
Door deze argumenten niet overtuigd, verzocht de Commissie de Franse regering in juli 1981 om de regeling van artikel D. 21 van de Code des postes et télécommunications te wijzigen in dier voege, dat de uitgaven van alle Lid-Staten voor het verlaagde tarief in aanmerking zouden komen.
Toen aan dit verzoek geen gevolg werd gegeven, leidde de Commissie bij brief van 19 juli 1982 de procedure van artikel 169 EEG-Verdrag in, waarbij zij zich tot staving van haar opvatting ook beriep op artikel 2, leden 2 en 3, sub k, van haar voormelde richtlijn, die luiden als volgt:
„Met name worden bedoeld de maatregelen die de invoer of de afzet van de ingevoerde produkten, in elk stadium van de verhandeling, afhankelijk stellen van een voorwaarde — anders dan een formaliteit — die alleen voor de ingevoerde produkten geldt of van een andere en moeilijker te vervullen voorwaarde in vergelijking met de voor de nationale produkten gestelde voorwaarde. Tevens worden met name bedoeld de maatregelen waardoor de nationale produkten worden begunstigd of die aan deze laatste, al dan niet onder voorwaarden, een voorkeur anders dan een steunmaatregel, toekennen.
Onder de hierboven genoemde maatregelen behoren, onder meer, de maatregelen die:
...
k)
de aankoop door particulieren alleen van ingevoerde produkten belemmeren, of hen aansporen tot, of een voorkeur toekennen aan, de aankoop van alleen nationale produkten, of die deze aankoop verplicht stellen;
...”
Toen de Franse regering geen gevolg gaf aan de schriftelijke uitnodiging om haar standpunt bekend te maken, bracht de Commissie op 14 maart 1983 overeenkomstig artikel 169 EEG-Verdrag een met redenen omkleed advies uit, en toen de verlangde maatregelen niet binnen de gestelde termijn werden vastgesteld en elke toelichting terzake uitbleef, stelde zij op 9 december 1983 beroep in bij het Hof De Commissie verzoekt het Hof vast té stellen dat de Franse Republiek, door krachtens artikel D. 21 van de Code des postes et télécommunications alleen voor Franse dagbladen en tijdschriften — met uitsluiting van overeenkomstige publikaties uit de andere Lid-Staten, die in Frankrijk worden gepost en verspreid — een verlaagd posttarief toe te staan, de krachtens artikel 30 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
B.
Met betrekking tot dit verzoek — dat de Franse regering ongegrond acht — wil ik het volgende opmerken.
1.
Anders dan in de precontentieuze procedure, heeft de Franse regering voor het Hof niet langer het standpunt verdedigd, dat de produkten die onder het betrokken tarief vallen, gelet op hun rol bij de verspreiding van politieke, culturele en sociale informatie, niet als goederen kunnen worden aangemerkt en dat de bepalingen betreffende het vrije goederenverkeer dus niet van toepassing zijn.
Zoals de Franse regering ter terechtzitting volmondig heeft erkend, is dit standpunt niet verdedigbaar. Zulks blijkt onomstotelijk uit het arrest van 10 december 1968 (zaak 7/68, Commissie/Italiaanse Republiek, Jurispr. 1968, blz. 589), waarin het heet dat de bepalingen betreffende het vrije goederenverkeer van toepassing zijn op alle waren die op geld waardeerbaar zijn en als zodanig het voorwerp van handelstransacties kunnen vormen. Het staat buiten kijf, dat dit bij dagbladen en tijdschriften het geval is.
2.
Met name in het arrest van 11 juli 1974 (zaak 8/74, Dassonville, Jurispr. 1974, blz. 837) heeft het Hof duidelijk gesteld, dat het verbod van artikel 30 zeer ruim moet worden uitgelegd. Als maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking is te beschouwen „iedere handelsregeling der Lid-Staten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren” (r.o. 5). Deze formule staat thans bij de toetsing van invoerbelemmeringen (voor zover niet behorend tot de categorieën douanerechten of steunmaatregelen) centraal.
De reeds aangehaalde richtlijn van de Commissie daarentegen is — aangezien artikel 30 sinds het einde van de overgangsperiode rechtstreeks toepasselijk is — niet meer dan een hulpmiddel bij de uitlegging. Terecht is erop gewezen, dat zij voor het Hof niet bindend is en dat zij meer bepaald geen uitputtende opsomming bevat van alle mogelijke invoerbelemmeringen, zodat het onjuist zou zijn te concluderen dat maatregelen die niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen, geen maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen kunnen zijn.
De rechtspraak laat er voorts geen twijfel over bestaan, dat bij artikel 30 de intensiteit van de handelsbelemmering — is zij bijvoorbeeld „merkbaar”? — zonder belang is. In het arrest van 5 april 1984 (gevoegde zaken 177 en 178/82, Van de Haar, Jurispr. 1984, blz. 1797) heeft het Hof met zoveel woorden beslist, dat artikel 30 geen onderscheid maakt naar gelang de mate waarin de handel wordt belemmerd, en ook van toepassing is, wanneer de belemmering slechts van geringe omvang is en er andere afzetmogelijkheden bestaan.
3.
Het moet dus wel duidelijk zijn, dat de Commissie de Franse regering terecht een verdragsschending verwijt.
Inderdaad moet worden aangenomen, dat de gewraakte regeling de afzet van in andere Lid-Staten vervaardigde drukwerken bemoeilijkt, voor zover deze op Frans grondgebied bij wege van abonnement worden verspreid (de afzet via kiosken, waarvoor geen verschillende voorwaarden gelden, kan buiten beschouwing blijven). Die drukwerken worden namelijk duurder dan Franse uitgaven, hetgeen stellig gevolgen heeft voor de koper, die immers de verzendkosten heeft te dragen. Blijkens de verstrekte gegevens is die prijsstijging geenszins te verwaarlozen: volgens de Commissie bedragen de verzendkosten bij een abonnement 35% van de verkoopprijs in de provincie en 45% te Parijs; op een vraag van het Hof deelde de Franse regering mee, dat het verlaagde tarief naar gelang van het gewicht FF 0,194 tot FF 0,853 bedraagt, terwijl het normale tarief varieert van FF 1,70 tot FF 6,50. Dit kan tot gevolg hebben dat buitenlandse tijdschriften — voor zover zij niet in de losse verkoop zijn — niet meer worden gekocht, een hypothese die volgens de hierboven aangehaalde formulering voldoende grond oplevert voor toepassing van artikel 30; voorts is het mogelijk dat sommige lezers de voorkeur gaan geven aan goedkopere Franse uitgaven. Weliswaar moge bij de keuze tussen verschillende uitgaven niet zozeer de prijs als wel de persoonlijke smaak en een bepaalde culturele of politieke voorkeur doorslaggevend zijn, toch valt een onderlinge substitueerbaarheid van Franse en buitenlandse uitgaven niet in het algemeen uit te sluiten, vooral niet wanneer het gaat om gespecialiseerde tijdschriften, bijvoorbeeld op wetenschappelijk gebied, of wanneer de taal van de uitgave voor de koper niet beslissend is en de koopprijs op zich niet aanmerkelijk verschilt. Anders valt niet goed in te zien — zoals de Commissie terecht opmerkt -, wat de zin is van deze tariefverschillen. Bovendien erkent ook de Franse regering, dat de tariefregeling bedoeld was om bepaalde uitgaven indirect te steunen en ze van een bepaald lezerspubliek te verzekeren.
Tegen deze conclusie kan overigens niet worden ingebracht, dat de prijs van tijdschriften niet afhangt van het posttarief, dat de Franse markt niet het belangrijkste afzetgebied voor buitenlandse tijdschriften is en dat het gewraakte tarief bijgevolg slechts een klein deel der oplagen betreft. Dit berust kennelijk op een misvatting met betrekking tot de door de Commissie gebruikte term „kostprijs”, waarmee niet bedoeld is de door de uitgever berekende prijs (waarin het aandeel van de verzendkosten waarschijnlijk niet erg hoog is), doch de door de koper bij aankoop via de post te betalen prijs.
Evenmin kan worden gesteld, dat het niet om een begunstiging van uitsluitend Franse drukwerken gaat omdat ook buitenlandse uitgaven voor het verlaagde tarief in aanmerking kunnen komen, indien zij voldoen aan de voorwaarden om als Franse uitgaven te worden aangemerkt of indien in hun land van oorsprong ook voor Franse uitgaven een lager tarief geldt. Aan eerstbedoelde voorwaarden voldoen is in feite niet zo gemakkelijk; zij veroorzaken extra kosten en leveren dus moeilijkheden op, die voor in Frankrijk vervaardigde drukwerken niet een zelfde gewicht in de schaal leggen. Wat nu het andere punt betreft, is niet alleen van belang dat desondanks vrijwel uitsluitend Franse tijdschriften onder het verlaagde tarief vallen; gelijk de Commissie terecht heeft opgemerkt, is ook van belang dat de toepassing van invoerbelemmerende maatregelen naar gemeenschapsrecht geen rechtvaardiging kan vinden in de omstandigheid dat andere Lid-Staten soortgelijke maatregelen toepassen.
4.
Ofschoon de aangevoerde argumenten ruimschoots volstaan om het beroep gegrond te verklaren, wil ik ten overvloede erop wijzen, dat de Commissie terecht ook de in deze duidelijke bepalingen van haar richtlijn van 22 december 1969 ter sprake heeft gebracht.
a)
Dit geldt voor artikel 2, lid 2, dat — zoals gezegd — twee soorten maatregelen betreft: ten eerste, maatregelen waarbij alleen de afzet van ingevoerde produkten afhankelijk wordt gesteld van bepaalde voorwaarden of van andere en moeilijker te vervullen voorwaarden dan voor nationale produkten gelden; ten tweede, maatregelen waardoor de nationale produkten worden begunstigd.
Tot deze categorie kan de thans aan de orde gestelde regeling worden gerekend — althans voor zover zij de afzet van uitgaven via de post betreft —, aangezien in dat opzicht de ingevoerde produkten aan minder gunstige voorwaarden zijn onderworpen. Evenzo is sprake van een begunstiging van nationale produkten. In werkelijkheid gaat het er immers niet alleen om — zoals de Franse regering staande houdt —, de kopers op de Franse markt ertoe te brengen een abonnement te nemen in plaats van een tijdschrift bij de krantenkiosk te kopen; dat eventueel ook enkele buitenlandse uitgaven (mits zij aan bepaalde voorwaarden voldoen) voor het verlaagde tarief in aanmerking komen, doet niet eraan af, dat in de eerste plaats binnenlandse produkten worden begunstigd.
b)
Hetzelfde geldt voor artikel 2, lid 3, sub k, waarin sprake is van maatregelen die aansporen tot, of een voorkeur toekennen aan, de aankoop van alleen nationale produkten. Dit is in casu het geval, omdat het voordeel dat in hoofdzaak Franse uitgaven ten goede komst, niet te verwaarlozen is en omdat — althans wat sommige uitgaven betreft — buitenlandse uitgaven stellig door Franse kunnen worden vervangen.
c)
Artikel 2, lid 3, sub o, tenslotte, waarin het gaat om maatregelen die de invoer afhankelijk stellen van de voorwaarde dat door één of meer Lid-Staten het beginsel van wederkerigheid wordt toegezegd, is daarentegen naar de letter ervan niet zonder meer op het onderhavige geval van toepassing; er zijn namelijk geen voorwaarden gesteld die betrekking hebben op de invoer als zodanig.
Toch zijn er goede gronden aanwezig om deze bepaling op overeenkomstige wijze toe te passen op een geval als het onderhavige; op zijn minst mag ervan worden uitgegaan, dat de kerngedachte van de bepaling ook voorschriften zoals artikel D. 21 van de Franse Code des postes et télécommunications omvat.
C.
Concluderend geef ik het Hof in overweging, het door de Commissie ingestelde beroep gegrond te verklaren en vast te stellen dat de Franse Republiek de krachtens artikel 30 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, door krachtens artikel D. 21 van de Code des postes et télécommunications alleen voor Franse dagbladen en tijdschriften — met uitsluiting van overeenkomstige, in Frankrijk geposte en aldaar verspreide publikaties uit andere Lid-Staten — een verlaagd posttarief toe te staan.
Evenzo moet, conform verzoeksters conclusies, de Franse Republiek worden verwezen in de kosten van de procedure.
( *1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy