CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. O. LENZ
van 28 februari 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A.
In de procedure wegens verdragsschending, waarin ik vandaag stelling neem, gaat het om de vraag of de Italiaanse Republiek op juiste wijze de verplichtingen is nagekomen die voortvloeien uit verordening nr. 1360/78 van de Raad van 19 juni 1978 betreffende producentengroeperingen en unies van producentengroeperingen ( 1 ).
Na een langdurige wetgevingsprocedure — de eerste voorstellen van de Commissie gaan terug tot het jaar 1967 — heeft de Raad op 19 juni 1978 genoemde verordening vastgesteld, waardoor structurele agrarische problemen in bepaalde gebieden van de Gemeenschap zouden moeten worden opgelost. Het doel ervan was, de afzet van een aantal landbouwprodukten in Italië, in bepaalde gebieden van Frankrijk alsmede in België te verbeteren. Hiertoe moest de oprichting van producentengroeperingen (en verenigingen daarvan) worden gestimuleerd. De „stimulans” bestond hierin, dat een gedeelte van de oprichtings- en bedrijfskosten van de producentengroeperingen voor rekening van de Lid-Staten zou komen; een deel van die steun — tussen 25 en 50 % — zou weer aan de Lid-Staten moeten worden vergoed door het Europese Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw. De verordening regelt in detail de erkenning van de producentengroeperingen, hun activiteit alsmede hun financiering. In artikel 6, lid 3, van de verordening vinden wij de opdracht aan de gemeenschapsorganen om bepaalde uitvoeringsbepalingen vast te stellen; volgens artikel 19 van de verordening zijn de Lid-Staten verplicht de Commissie in kennis te stellen van de door hen vastgestelde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die op de uitvoering van de verordening betrekking hebben.
Op 20 oktober 1978 heeft verweerster wet nr. 674, „betreffende producentengroeperingen”, vastgesteld. Artikel 1, lid 1, van deze wet luidt: „La presente legge ha lo scopo di integrare il regolamento del consiglio delle Communità europee del 19 giugno 1978, n. 1360, ...” De wet is dus bedoeld ter aanvulling van verordening nr. 1360/78. Het gaat hier om een raamwet, daar volgens het Italiaanse staatsrecht de regeling van de betrokken onderwerpen tot de bevoegdheid van de regio's en de twee autonome provincies behoort. Aan de in de raamwet vervatte opdracht om nadere regels te stellen, is in de loop van de tijd door de meerderheid der regio's voldaan; op het tijdstip van de terechtzitting in deze zaak ontbraken echter nog uitvoeringswetten in twee gebiedsdelen (Valle d'Aosta en Friuli) en in de twee autonome provincies (Bolzano en Trento).
Verzoekster heeft aan de verplichting om uitvoeringsbepalingen vast te stellen, voldaan door de vaststelling van de verordeningen nrs. 2083/80 ( 2 ) en 2084/80 ( 3 ) beide van 31 juli 1980.
Wij hebben dus te doen met een ingewikkeld stelsel van regels op verscheidene niveaus :
1)
verordening nr. 1360/78 van de Raad van 19 juni 1978;
2)
de verordeningen nrs. 2083/80 en 2084/80 van de Commissie van 31 juli 1980;
3)
wet nr. 674 van 20 oktober 1978, en
4)
de Italiaanse regionale wetten, die intussen in 17 regio's zijn vastgesteld.
Verzoekster verwijt verweerster nu, enerzijds te veel en anderzijds te weinig geregeld te hebben. In het bijzonder is zij van mening, dat verweerster de krachtens verordening nr. 1360/78 van de Raad op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, doordat zij
—
in wet nr. 674 en in de regionale uitvoeringswetten andere voorwaarden voor de erkenning van producentengroeperingen en voor de intrekking van deze erkenning heeft gesteld dan die welke in de verordening van de Raad zijn genoemd,
—
in de regionale wetten bepalingen handhaaft op gebieden die vallen onder de uitsluitende bevoegdheid van de Gemeenschap alsook bepalingen die een herhaling zijn van de gemeenschapsvoorschriften, en
—
voor een gedeelte van haar grondgebied niet de voor de tenuitvoerlegging van de verordening van de Raad noodzakelijke voorschriften heeft vastgesteld.
B.
Naar mijn gevoelen gaat het in beroep om vier problemen, die ik na elkander zal behandelen:
1)
de verenigbaarheid van de Italiaanse bepalingen betreffende de erkenning van producentengroeperingen en de intrekking daarvan met het gemeenschapsrecht;
2)
de overneming van enkele bepalingen van gemeenschapsrecht in de Italiaanse wetten;
3)
het ingebreke blijven van bepaalde regionale wetgevers;
4)
het bijzondere probleem van de vaststelling van uitvoeringsregelingen door de regionale raad van Piemonte.
1. De verenigbaarheid van de Italiaanse bepalingen betreffende de erkenning van producentengroeperingen en de intrekking daarvan met het gemeenschapsrecht
a)
De artikelen 4 tot 7 van verordening nr. 1360/78 regelen de erkenning van producentengroeperingen door de Lid-Staten. Artikel 6, lid 1, sub c, verplicht de producentengroeperingen in hun statuten de soort van activiteit die zij uitoefenen, te regelen. Deze bepaling biedt daarbij aan de producentengroepering de keuze tussen twee hoofdsoorten van activiteiten:
—
activiteiten op regelgevend gebied: de producentengroepering stelt regels met betrekking tot de aanvoer en de afzet, met inachtneming waarvan haar leden hun produkten verkopen; de producentengroepering controleert de naleving daarvan;
—
activiteiten op economisch gebied: de producentengroepering treedt zelf op de markt op.
De economische activiteit van de producentengroepering kan drie verschillende vormen aannemen. De gemeenschapsregeling bepaalt dat de producentengroeperingen hun produkten afzetten hetzij
1)
in naam en voor rekening van de leden, hetzij
2)
voor rekening van de leden, maar in eigen naam, hetzij
3)
in eigen naam en voor eigen rekening.
Volgens de gemeenschapsverordening zijn de producentengroeperingen vrij, de handelingsvormen te kiezen die zij wensen.
Artikel 2, lid 2, van de Italiaanse wet nr. 674 bevat voorts bepalingen betreffende de dwingend voorgeschreven inhoud van de statuten van de producentengroeperingen. Deze moeten „onder meer” bepalen:
„ ...
4)
dat de groepering huishoudelijke reglementen vaststelt, produktie- en afzetprogramma,s opstelt en, als vertegenwoordigster van haar leden, overeenkomstensluit... betreffende de verkoop, ... de opslag en de afzet van de produkten.
...
8)
dat zij de oprichting van coöperatieve ondernemingen... bevordert” ...
Verzoekster acht deze regeling niet verenigbaar met verordening nr. 1360/78. Zij is van mening, dat de Italiaanse bepalingen restrictiever zijn dan de gemeenschapsbepalingen. Waar ingevolge de Italiaanse wet de statuten van de producentengroeperingen dwingend moeten voorschrijven, dat de producentengroepering overeenkomsten sluit als vertegenwoordigster van haar leden, zouden de economische handelingsvormen van de producentengroeperingen worden beperkt tot de eerste van de drie in de gemeenschapsverordening gegeven mogelijkheden, want daar de beide andere mogelijkheden niet uitdrukkelijk zijn vermeld, zouden zij uitgesloten zijn. Daar de Italiaanse wet de activiteiten van de producentengroeperingen tot in detail regelt, zou men niet kunnen aannemen dat andere handelingsmogelijkheden zijn toegestaan.
Tegen deze opvatting voert verweerster aan, dat wet nr. 674 de activiteit van producentengroeperingen geenszins volledig regelt. Dit zou reeds blijken uit de tekst van artikel 2, volgens hetwelk in de statuten van de producentengroeperingen onder meer die en die bepalingen moet zijn opgenomen. Het zou de producentengroeperingen vrij staan, ook andere bepalingen in hun statuten op te nemen. In het bijzonder zou het niet uitgesloten zijn dat producentengroeperingen kiezen voor de beide andere in de gemeenschapsverordeningen genoemde handelingsvormen. Dat een producentengroepering ook in eigen naam op de markt kan optreden, zou van zelf spreken. Daarentegen zou het niet voor de hand liggen, dat zij kan optreden in naam van haar leden, en daarom moest een machtiging daartoe in de statuten worden opgenomen. Overigens zouden de producentengroeperingen niet verplicht zijn, juist deze handelingsvorm te kiezen; zij zouden enkel verplicht zijn, statutair in het vereiste instrumentarium te voorzien, zodat zij, wanneer dat nodig is, het ook kunnen gebruiken.
Ik geloof dat hier twee problemen uit elkaar moeten worden gehouden. Enerzijds gaat het om de vraag, of de verplichting om een bepaalde handelingsvorm in de statuten op te nemen, verenigbaar is met artikel 6 van de verordening; aan de andere kant rijst de vraag, of door de uitdrukkelijke vermelding van een bepaalde handelingsvorm in wet nr. 674 andere handelingsvormen daadwerkelijk worden uitgesloten.
De verplichting om de producentengroepering machtiging te verlenen als vertegenwoordigster van haar leden op te treden, lijkt mij inderdaad in strijd met de gemeenschapsverordening. Indien een producentengroepering immers kiest voor een van beide andere in de gemeenschapsverordening voorziene handelingsvormen en de in artikel 2, lid 2, sub 4, van wet nr. 674 bedoelde vorm niet in haar statuten opneemt, kan haar naar Italiaans recht de erkenning worden onthouden, hoewel zij volgens verordening nr. 1360/78 recht daarop heeft. Hiertegen valt ook niet in te brengen, dat deze verplichting uitsluitend van formele aard is en de producentengroeperingen niet dwingt van deze handelingsvorm gebruik te maken. De statuten regelen immers in principe de betrekkingen tussen de producentengroepering en haar leden. De Italiaanse regeling dwingt de leden om aan de groepering een machtiging te geven die zij misschien liever niet willen geven en die voor alles door het gemeenschapsrecht niet wordt geëist. In zoverre moet aan verzoekster worden toegegeven, dat de Italiaanse regeling inderdaad restrictiever is dan de gemeenschapsregeling.
Wat de uitsluiting van de andere economische handelingsvormen betreft, kan ik de opvatting van verzoekster echter niet volgen. Terecht heeft verweerster erop gewezen, dat de regeling van artikel 2, lid 2, van wet nr. 674 niet volledig is. Dit zou reeds volgen uit de door de wet gebruikte woorden, en verder zou de mogelijkheid de beide andere handelingsvormen te kiezen, blijken uit het rechtskarakter van de producentengroepering. Tegenover dit betoog stelt verzoekster de systematiek van de wet; doordat zij vele detailpunten regelt, zou zij de indruk wekken een volledige regeling te zijn.
Wij hebben hier te maken met twee verschillende uitleggingen van nationaal recht. Wanneer nu de betrokken nationale regering een alleszins plausibele uitlegging van haar nationale recht geeft, dient het Hof deze uitlegging voor de juiste te houden. Het is niet voldoende, dat verzoekster tegenover deze uitlegging enkel een andere, tegengestelde uitlegging plaatst. Zij zou met krachtiger argumenten moeten komen, bijvoorbeeld met verwijzingen naar de nationale rechtspraktijk of naar rechterlijke beslissingen. Verzoekster heeft echter toegegeven dat zij zulke argumenten niet heeft.
Tot slot wil ik nog kort ingaan op de in artikel 2, lid 2, sub 8, van wet nr. 674 neergelegde verplichting om de oprichting van coöperatieve ondernemingen en andere vormen van samenwerking te bevorderen. Zo'n activiteit moge alleszins zinvol zijn, toch vind ik in de gemeenschapsverordening geen grond om deze dwingend in de statuten van de producentengroeperingen op te nemen en er de erkenning van de producentengroeperingen van afhankelijk te maken.
b)
Uit wat ik tot dusver heb gezegd, volgt vanzelf mijn antwoord op de vraag of de Italiaanse regeling inzake de intrekking van de erkenning van producentengroeperingen met het gemeenschapsrecht verenigbaar is. Artikel 4 en 5 van wet nr. 674 schrijven intrekking van de erkenning voor indien de producentengroepering herhaaldelijk ernstig inbreuk maakt op de bepalingen van het gemeenschapsrecht en het nationale recht. Krachtens deze bepaling is intrekking van de erkenning ook mogelijk indien inbreuk wordt gemaakt op nationale bepalingen die zelf in strijd zijn met het gemeenschapsrecht. Ik denk hierbij aan de twee voorwaarden voor erkenning, die ik zoeven als in strijd met het gemeenschapsrecht heb aangemerkt.
Wat ik hiervoor met betrekking tot de Italiaanse nationale wettelijke regeling inzake de erkenning van producentengroeperingen en de intrekking daarvan heb gezegd, geldt mutatis mutandis ook voor de regionale wetten ( 4 ) die die bepalingen hebben overgenomen of ernaar verwijzen.
2. De overneming van enkele bepalingen van gemeenschapsrecht in de Italiaanse wetten
Verzoekster maakt er verder bezwaar tegen, dat in bepaalde ter uitvoering van wet nr. 674 vastgestelde regionale wetten bepalingen uit verordening nr. 1360/78 zijn overgenomen. Dit zou ontoelaatbaar zijn, omdat daardoor onduidelijkheid ontstaat over de geldigheid en het rechtskarakter van deze bepalingen. Verweerster acht dit verwijt ongegrond; in de eerste plaats zou de overneming van bepaalde regels van gemeenschapsrecht in de regionale wetten maar in zeer geringe mate zijn geschied; in de tweede plaats zouden de Italiaanse instanties en gerechten zich er ten volle van bewust zijn, dat het recht inzake de producentengroeperingen inhoudelijk op het gemeenschapsrecht berust.
Zowel in het met redenen omkleed advies, als in het verzoekschrift voert verzoekster dit bezwaar aan tegen een reeks van Italiaanse regionale wetten, maar als voorbeeld noemt zij enkel de wet van de regio Lombardia van 19 november 1980. Gezien het belang van het met redenen omkleed advies voor de afbakening van het onderwerp van geschil, ben ik van mening dat uitsluitend de genoemde wet van de regio Lombardia in dit verband moet worden getoetst. Wegens de onduidelijkheid van verzoeksters middel acht ik toetsing van de wetgeving van de overige regio's — voor zover deze bestaat — ontoelaatbaar. Een dergelijke toetsing zou ook inbreuk maken op verweersters recht van verweer, daar zij op dit punt uitsluitend is ingegaan op de rechtstoestand in Lombardia.
Inderdaad treft men in de artikelen 3 en 4 van de Lombardische regionale wet enkele regels aan uit de artikelen 5 en 6 van verordening nr. 1360/78. In verband met het arrest van het Hof van 7 februari 1973 in zaak 39/72 ( 5 ) acht ik een dergelijke handelwijze van een nationale wetgever ontoelaatbaar. Ik veroorloof mij rechtsoverweging 17 te citeren :
„dat de Italiaanse regering daarmede tot misverstand inzake het rechtskarakter der toepasselijke voorschriften... aanleiding heeft gegeven; dat de verordeningen immers, volgens de artikelen 189 en 191 van het Verdrag, als zodanig in elke Lid-Staat rechtstreeks toepasselijk zijn en alleen op grond van hun bekendmaking in het Publikatieblad der Gemeenschappen... in werking treden; dat daarom iedere wijze van uitvoering die aan de rechtstreekse werking van de verordeningen der Gemeenschap in de weg zou staan en aldus hun gelijktijdige en uniforme toepassing in de gehele Gemeenschap in gevaar zou brengen, met het Verdrag in strijd is”.
Het Hof kwam tot deze opvatting bij de toetsing van een Italiaanse verordening, waarbij was bepaald dat door haar de bepalingen van een gemeenschapsverordening „geacht werden te zijn gerecipieerd”. Wanneer een dergelijke globale overneming van bepalingen van een gemeenschapsverordening in het nationale recht reeds niet is toegestaan, dan is het des te minder toegestaan alleen maar hier en daar enkele passages van een gemeenschapsverordening in het nationale recht over te nemen. Om de rechtsonzekerheid waartoe een dergelijke handelwijze kan leiden, nog te verduidelijken, wil ik erop wijzen, dat zowel de gemeenschapswetgever als de nationale wetgever te allen tijde kan besluiten wijziging te brengen in geldende rechtsregels. Indien dan het gemeenschapsrecht en het nationale recht ook inhoudelijk van elkaar zouden afwijken, zou de particulier niet meer weten waaraan hij zich heeft te houden.
3. Het ingebreke blijven van bepaalde regionale wetgevers
Verordening nr. 1360/78 is op 26 juni 1978 in werking getreden; zij is toepasselijk sedert de inwerkingtreding van de verordeningen nr. 2083/80 en 2084/80 op 8 augustus 1980. Wet nr. 674 van de Italiaanse Republiek dateert van 20 oktober 1978, maar aan het einde van de mondelinge behandeling van deze zaak moest worden vastgesteld dat op dat moment uitvoeringswetten nog ontbraken in twee regio's, namelijk Valle d'Aosta en Friuli en in de twee autonome provincies Trentino en Bolzano.
Het mag op het eerste gezicht verwondering wekken dat voor de uitvoering van een verordening die in al haar onderdelen verbindend is en rechtstreeks in iedere Lid-Staat geldt, nationale uitvoeringsregels nodig zijn. Dit is des te verwonderlijker, omdat verordening nr. 1360/78 noch concreet in het kort aangeeft welke maatregelen moeten worden genomen, noch bepaalt wanneer dat uiterlijk dient te geschieden. Artikel 19 van de verordening legt de Lid-Staten enkel de verplichting op, verslag uit te brengen over de toepassing van de verordening. Toch valt bij lezing van de afzonderlijke bepalingen van de verordening te constateren, dat nationale uitvoeringsbepalingen nodig zijn. Zo kunnen bijvoorbeeld volgens artikel 5, lid 2, van de verordening de betrokken Lid-Staten de kring van leden van de producentengroeperingen verruimen. Volgens artikel 6, lid 1, sub h, kan controle van de boekhouding van de producentengroeperingen worden voorgeschreven; volgens artikel 10 van de verordening mag de steun voor de drie jaren volgend op de datum van erkenning, in vijf jaar worden uitgekeerd. Dit alles maakt nadere uitvoeringsbepalingen noodzakelijk. Verder moet worden geregeld — en de reeds vastgestelde Italiaanse regionale wetten hebben dat gedaan -, wie voor de erkenning van de producentengroeperingen bevoegd is en welke bescheiden bij een aanvraag tot erkenning moeten worden gevoegd. Tenslotte moeten de instanties worden aangewezen die de in artikel 10 bedoelde steun moeten betalen. Zolang al die punten niet wettelijk zijn geregeld, kan verordening nr. 1360/78 ondanks haar rechtstreekse toepasselijkheid in de praktijk geen werking hebben.
Daar verordening nr. 1360/78 geen tijdstip noemt waarop de nationale uitvoeringsbepalingen er hadden moeten zijn, blijft nog te onderzoeken, wanneer die maatregelen op zijn laatst getroffen hadden moeten zijn. Wat men hiervoor ook kiest — het tijdstip waarop verordening nr. 1360/78 in werking moest treden, of het laatst mogelijke tijdstip na hetwelk de in artikel 10 van de verordening bedoelde steun had moeten worden betaald —, op het moment waarop het beroep is ingesteld, was de termijn waarbinnen de Italiaanse wetgever had moeten handelen, verstreken. Daar hij dit voor bepaalde delen van zijn grondgebied niet heeft gedaan, moet worden vastgesteld dat verweerster in zoverre niet het nodige heeft gedaan om de krachtens verordening nr. 1360/78 op haar rustende verplichtingen in volle omvang na te komen.
4. Het bijzondere probleem: de vaststelling van uitvoeringsregelingen door de regionale raad van Piemonte
In verband met de Italiaanse regionale wetgeving maakt verzoekster nog bezwaar tegen artikel 12 van de wet van de regio Piemonte van 22 april 1980. Volgens deze bepaling stelt de regionale raad bij verordening uitvoeringsbepalingen vast inzake de gemeenschappelijke normen voor produktie en afzet, de minimum oppervlakte bebouwde grond, het minimum aantal leden van de producentengroepering, de bepaling van de betrokken produkten en de vaststelling van de voor steun in aanmerking komende kosten. Verzoekster ziet hierin een aantasting van de regelgevende bevoegdheid die de gemeenschapsorganen ingevolge de artikelen 6, lid 3, en 11, lid 3, van verordening nr. 1360/78 toekomt. Verweerster daarentegen wijst op de omstandigheid, dat het bij deze regelgevende bevoegdheid uitsluitend gaat om de bevoegdheid tot het vaststellen van regionale bepalingen ter uitvoering van communautaire uitvoeringsvoorschriften. Dat zou reeds blijken uit de tekst van de bepaling, die uitdrukkelijk verwijst naar de bevoegdheden van de gemeenschapsorganen ingevolge artikel 6, lid 3, van verordening nr. 1360/78.
Men zou in deze zinsnede, die verplicht tot eerbiediging van de bevoegdheden der Gemeenschap ingevolge artikel 6, lid 3, van verordening nr. 1360/78, een regel met subsidiaire werking kunnen zien. Ik neig echter tot de opvatting, dat deze bepaling om meer dan een reden zelfstandige betekenis heeft. In de eerste plaats heeft de regio Piemonte haar wet vastgesteld op een tijdstip waarop de door de organen van de Gemeenschap vast te stellen uitvoeringsbepalingen van artikel 6, lid 3, van de verordening er nog niet waren. Deze uitvoeringsbepalingen hadden binnen zes maanden na inwerkingtreding van de verordening moeten zijn vastgesteld, dus vóór 26 december 1978. De verordeningen van verzoekster echter dateren zoals wij weten pas van 31 juli 1980. De wetgever van de regio Piemonte kon dus nog niet precies weten, welke uitvoeringsmaatregelen eventueel nodig zouden zijn. Men kan hem toch niet verwijten dat hij zich de mogelijkheid heeft verschaft om uitvoeringsmaatregelen vast te stellen, nadat de gemeenschapsorganen in strijd met artikel 6, lid 3, van verordening nr. 1360/78 de toepassing van deze verordening meer dan een jaar vertraagd hadden. Voorts moet erop worden gewezen, dat het in artikel 12 van de regionale wet van Piemonte gaat om een regelgevende bevoegdheid die moet worden uitgeoefend met inachtneming van de besluiten van de organen van de Gemeenschap. Het zou te ver gaan, in deze regelgevende bevoegdheid een toeëigening van bevoegdheid door de regio Piemonte te zien. Wanneer wij in aanmerking nemen, dat de regelgevende bevoegdheid van de regio Piemonte en de regelgeving door de gemeenschapsorganen chronologisch parallel lopen, kan er eerst dan sprake zijn van schending van het Verdrag, wanneer de regio Piemonte van haar regelgevende bevoegdheid gebruikt maakt op een wijze die strijdig is met verordening nr. 1360/78 en de twee uitvoeringsverordeningen van verzoekster. Verzoekster heeft daaromtrent echter niets gesteld. Overigens is de stelling van verzoekster, dat de uitvoeringsverordeningen de Lid-Staten geen enkele ruimte voor eigen beslissingen laten, niet juist. Zo verleent in ieder geval artikel 2 van verordening nr. 2083/80 hun de bevoegdheid, de minimum omvang van producentengroeperingen bij afwijking van het normale geval vast te stellen. Althans hier vinden wij dus nog ruimte voor nationale regelgeving.
5.
Tot slot wil ik nog kort ingaan op een probleem dat in de schriftelijke en mondelinge procedure uitvoerig is behandeld, maar dat mij niet van doorslaggevend belang schijnt te zijn.
Verweerster heeft zich onder meer verdedigd met de opmerking, dat zij de regio's bij circulaire erop heeft gewezen, dat het gemeenschapssrecht voorrang heeft en dat bepalingen van wet nr. 674, die in strijd zouden kunnen zijn met verordening nr. 1360/78, niet mogen worden toegepast. Ik betwijfel of zulke circulaires van de regering rechtens van belang kunnen zijn voor de met het stellen van regels belaste organen van de regio's en de autonome provincies, daar het mij niet mogelijk lijkt door administratieve aanwijzingen af te wijken van de besluiten van de nationale wetgever. Van wezenlijk belang lijkt mij echter de omstandigheid, dat deze circulaires tenminste in zoverre hun doel niet hebben bereikt als ook enkele regionale wetten schendingen van het Verdrag (door „overneming” van gemeenschapsrecht) behelzen.
C.
Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging:
1)
vast te stellen dat verweerster de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens verordening (EEG) nr. 1360/78 van de Raad van 19 juni 1978 betreffende producentengroeperingen en unies van producentengroeperingen
—
doordat zij in wet nr. 674 van 20 oktober 1978 en in de regionale uitvoeringswetten andere voorwaarden heeft gesteld voor de erkenning van producentengroeperingen en unies van producentengroeperingen alsmede voor de intrekking van de erkenning heeft gesteld dan die welke in verordening (EEG) nr. 1360/78 van de Raad zijn genoemd,
—
doordat zij in de regionale wetten bepalingen heeft gehandhaafd die een herhaling zijn van de gemeenschapsvoorschriften, en
—
doordat zij voor een gedeelte van haar grondgebied niet de voor de tenuitvoerlegging van verordening (EEG) nr. 1360/78 van de Raad noodzakelijke uitvoeringsbepalingen heeft vastgesteld;
2)
het beroep voor het overige te verwerpen;
3)
verweerster in drie vierden en verzoekster in een vierde van de kosten te verwijzen.
( *1 ) Vertaald uit het Duits.
( 1 ) PB 1978, L 166, biz. 1.
( 2 ) PB 1980, L 203, biz. 5.
( 3 ) PB 1980, L 203, biz. 9.
( 4
)
A.
Erkenning:
1)
Lombardia, Regionale wet nr. 96 van 19 november 1980, GURI 1981, biz. 482, artikel 3, lid 2, sub c;
2)
Piemonte, Regionale wet nr. 27 van 22 april 1980 GURI 1980, biz. 7873, artikel 3, sub 6 (verwijzing naar wet nr. 674);
3)
Toscana, Regionale wet nr. 77 van 29 mei 1980, GURI 1980, biz. 9567, artikel 2 (verwijzing);
4)
Sicilia, Regionale wet nr. 81 van 6 mei 1981 GURI 1981, biz. 4419, artikel 3 (verwijzing);
5)
Umbria, Regionale wet nr. 42 van 1 juli 1981 GURI 1981, biz. 5777, artikel 2 (verwijzing);
6)
Emilia-Romagna, Regionale wet nr. 28 van 4 september 1981, GURI 1981, biz. 6254, artikel 2 (verwijzing);
7)
Venetië, Regionale wet nr. 57 van 10 september 1981, GURI 1982, biz. 2273, artikel 2 (verwijzing);
8)
Marche, Regionale wet nr. 42 van 19 december 1981, GURI 1982, biz. 3482, artikel 2 (verwijzing);
9)
Puglia, Regionale wet nr. 7 van 1 februari 1982, GURI 1982, biz. 3215, artikel 2, lid 2, sub 5 (verwijzing);
10)
Abruzzi, Regionale wet nr. 28 van 13 mei 1982, GURI 1982, biz. 6145, artikel 2, sub a (verwijzing);
11)
Campania, Regionale wet nr. 29 van 27 mei 1982, GURI 1982, biz. 6263, artikel 4 (verwijzing).
B.
Intrekking van de erkenning:
1)
Venetië, Regionale wet nr. 57, artikel 3;
2)
Publia, Regionale wet nr. 7, artikel 5, sub 1 ;
3)
Emilia-Romagna, Regionale wet nr. 28, artikel 5;
4)
Sicilia, Regionale wet nr. 81, artikel 5;
5)
Campania, Regionale wet nr. 29, artikel 11 ;
6)
Piemonte, Regionale wet nr. 258, artikel 3, sub 9 (verwijzing naar wet nr. 674);
7)
Toscana, Regionale wet nr. 77, artikel 6 (verwijzing);
8)
Lombardia, Regionale wet nr. 96, artikel 6, sub 4 (verwijzing);
9)
Umbria, Regionale wet nr. 42, artikel 5 (verwijzing);
10)
Marche, Regionale wet nr. 42, artikel 4 (verwijzing);
11)
Abruzzi, Regionale wet nr. 28, artikel 5 (verwijzing).
( 5 ) Arrest van 7 februari 1973, zaak 39/72, Commissie/Italië, Jurispr. 1973, blz. 101, 113.
Full & Egal Universal Law Academy