CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
C. O. LENZ
van 29 november 1984 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In de onderhavige ambtenarenzaak is de vraag gerezen of de anciënniteit van een ambtenaar die, na met succes te hebben deelgenomen aan een algemeen vergelijkend onderzoek, overgaat van categorie B naar categorie A, moet worden vastgesteld volgens de statutaire regels betreffende bevordering dan wel volgens die betreffende aanwerving.
1. De feiten kunnen worden samengevat als volgt:
Verzoeker, Bernard Michel, geboren in 1945, is sedert 1975 ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Hij was eerst adjunct-assistent in de rang B 4 en werd in 1979 tot assistent in de rang B 3 bevorderd. Naast zijn werkzaamheden volgde verzoeker colleges aan het Instituut voor Hoger Onderwijs „Lucien Cooremans”, te Brussel, die hij in 1977 heeft afgesloten met het diploma Handels- en Consulaire Wetenschappen en de graad van „geagregeerde voor het hoger middelbaar onderwijs handelswetenschappen”.
Na met succes te hebben deelgenomen aan algemeen vergelijkend onderzoek COM/A/325 van de Commissie aan de hand van schriftelijke bewijsstukken en een examen voor de vorming van een reserve van administrateurs voor de rangen 7 en 6 van categorie A (PB C 233 van 1981, blz. 21), werd verzoeker, die destijds in salaristrap 4 van rang B 3 was ingedeeld, bij besluit van de Commissie van 11 mei 1983 per 1 mei van dat jaar benoemd tot administrateur in de rang A 7, salaristrap 1. Dit besluit was onder meer gebaseerd op de artikelen 1, 2, 29 en 30 Ambtenarenstatuut alsmede op het besluit van de Commissie van 10 maart 1971 betreffende de maatstaven voor de indeling bij wisseling van categorie, zoals gewijzigd bij besluit van 7 januari 1976 („indelingscriteria categoriewisseling”).
Luidens deze besluiten wordt iedere ambtenaar die in een ambt van een loopbaan van een hogere categorie wordt aangesteld, ingedeeld in de aanvangsrang van die loopbaan. Op de voet van artikel 46, lid 1, van het Statuut is voorts bepaald, dat de betrokken ambtenaar in deze rang een anciënniteit geniet die gelijk is aan of onmiddellijk hoger ligt dan de in zijn oude rang bereikte theoretische salaristrap.
Verzoeker kwam met een in de vereiste vorm en binnen de gestelde termijn ingediende administratieve klacht op tegen zijn indeling — overeenkomstig deze criteria — in salaristrap 1 van rang A 7. Hij voerde in hoofdzaak aan dat hij, nu hij had deelgenomen aan een „extern” vergelijkend onderzoek, dezelfde rechten en voordelen diende te hebben als de kandidaten die nog geen gemeenschapsambtenaar waren. Krachtens artikel 5 van het besluit van de Commissie van juni 1973 inzake de criteria voor de indeling in rang en salaristrap bij aanwerving (indelingscriteria aanwerving), moet bij een beroepservaring van een bepaalde duur evenwel een extra salarisanciënniteit worden toegekend. Overeenkomstig deze bepaling zou hij, gelet op zijn beroepservaring na het behalen van zijn universitair diploma in 1977, in salaristrap 4 van rang A 7 moeten worden ingedeeld.
De Commissie heeft bij besluit van 20 september 1983 deze klacht afgewezen, in hoofdzaak op grond dat verzoekers aanstelling was aan te merken als een overgang naar een andere categorie en niet als een eerste aanwerving.
Op 14 december 1983 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen dit afwijzend besluit; kort samengevat concludeert hij tot nietigverklaring ervan en tot een verklaring voor recht, dat hij, overeenkomstig de indelingscriteria bij aanwerving, ten aanzien van zijn salarisanciënniteit dezelfde aanspraken heeft als nieuw aangeworven kandidaten. Verzoeker verzoekt voorts, de Commissie te gelasten zijn beroepservaring vanaf het behalen van zijn universitair diploma in aanmerking te nemen, subsidiair hem met inachtneming van voormelde aspecten opnieuw in te delen.
2. Met betrekking tot deze vorderingen wil ik het volgende opmerken:
2.1. De vordering tot nietigverklaring van de indeling in salaristrap 1 van rang A 7, overeenkomstig de indelingscriteria categoriewisseling
2.1.1.
Volgens verzoeker is de indeling in salaristrap 1 overeenkomstig de indelingscriteria categoriewisseling in strijd met het beginsel van gelijke behandeling van ambtenaren van een zelfde categorie, zoals neergelegd in artikel 5, lid 3, van het Statuut. Volgens dit beginsel zouden voor alle deelnemers aan een algemeen vergelijkend onderzoek dezelfde indelingscriteria hebben te gelden. Waar evenwel ingevolge deze indelingscriteria, die onder meer op artikel 32 van het Statuut gebaseerd zijn, een bijzondere beroepservaring de van buiten de instellingen aangetrokken kandidaten een extrasalarisanciënniteit oplevert, zou dit niet het geval zijn voor de ambtenaren die reeds in dienst van de Gemeenschap zijn en die volgens de indelingscriteria categoriewisseling worden behandeld. Daar deze indelingscriteria niet mogen afdoen aan de bindende regelen van het Ambtenarenstatuut, zou verzoekers indeling in salaristrap moeten geschieden overeenkomstig de indelingscriteria aanwerving.
a)
Met betrekking tot dit argument moet in de eerste plaats worden opgemerkt, dat de indelingscriteria aanwerving onbetwistbaar op de thans geldende statutaire bepalingen betreffende aanwerving gebaseerd zijn, terwijl de indelingscriteria categoriewisseling hun grondslag vinden in de artikelen van het Statuut, die betrekking hebben op bevordering, met name in artikel 46. Bijgevolg zijn laatstgenoemde criteria slechts dan ten onrechte op verzoekers geval toegepast, wanneer zijn aanstelling tot administrateur in de rang A 7 niet volgens de regeling van de artikelen 45 en 46 van het Statuut betreffende bevordering had mogen geschieden, doch enkel overeenkomstig artikel 32, dat deel uitmaakt van het hoofdstuk „Aanwerving”.
b)
Anders dan verzoeker meent, kan het feit dat zijn overgang van categorie B naar categorie A volgens de bevorderingsregeling is behandeld, niet onwettig worden geacht op grond van de omstandigheid dat verweerster in de aankondiging van vergelijkend onderzoek alsook in andere gestandaardiseerde, op het normale algemeen vergelijkend onderzoek afgestemde documenten, naar verzoekers zeggen de indruk heeft gewekt dat het om een „aanwerving” ging. Het bestreden besluit van 11 mei 1983 is evenmin gebrekkig te achten omdat het onder meer op de artikelen 29 en 30 van het Statuut is gebaseerd. Die bepalingen schrijven enkel voor, welke procedure bij het bezetten van vacatures moet worden gevolgd, doch geven geen antwoord op de vraag die ons thans bezighoudt, namelijk volgens welke regels in gevallen als het onderhavige de indeling in salaristrap dient te geschieden.
c)
De enige manier om het antwoord op die vraag te vinden, is afbakening van de respectieve werkingssfeer van artikel 32 en van de artikelen 45 e.v. van het Statuut.
Die afbakening heeft het Hof reeds verricht in zaak 17/83 (arrest van 12 juli 1984, Angelidis, Jurispr. 1984, blz. 2907), waarin het uitspraak moest doen over de indeling in salaristrap van een ambtenaar die eerst tijdelijk functionaris in de rang A 7 was en vervolgens werd aangesteld als ambtenaar in de rang A 5. In zijn arrest overwoog het Hof, dat de bepalingen betreffende bevordering ertoe strekken, de doorstroming in de loopbaan te regelen van de personeelsleden van de Gemeenschap, die op het tijdstip van hun bevordering reeds ambtenaar zijn. Artikel 32 is daarentegen bedoeld om de statutaire positie te regelen van functionarissen die na een aanwervingsprocedure voor het eerst als gemeenschapsambtenaar worden aangesteld.
Ofschoon in deze uitspraak niet met zoveel woorden wordt gezegd, hoe het geval van een ambtenaar moet worden behandeld die, na aan een algemeen vergelijkend onderzoek te hebben deelgenomen, overgaat naar de naasthogere categorie, kan er toch uit worden afgeleid, dat artikel 32 alleen al op grond van zijn bewoordingen — het spreekt van de aangestelde ambtenaar — niet direct van toepassing is op het onderhavige geval.
d)
De thans aan de orde zijnde overgang van verzoeker van rang B 3 naar rang A 7 na zijn deelneming aan een algemeen vergelijkend onderzoek, is — zoals verzoeker terecht betoogt — geen bevordering in de zin van artikel 45, lid 1, van het Statuut. Bij een bevordering immers gaat de ambtenaar, aldus voormelde bepaling, over naar de eerstvolgende hogere rang van zijn categorie. In zaak 227/83 (Moussis, Jurispr. 1984, blz. 3133, 3147) ging het om een dergelijk geval. In mijn desbetreffende conclusie van 21 juni 1984 heb ik de stelling verdedigd, dat het feit dat een ambtenaar deelneemt aan een algemeen vergelijkend onderzoek, de continuïteit van zijn loopbaan niet in die zin kan onderbreken, dat zijn beroepservaring, die bij zijn aanvankelijke indeling reeds in aanmerking is genomen, andermaal kan worden meegeteld.
e)
Direct relevant voor de onderhavige zaak is daarentegen artikel 45, lid 2, naar luid waarvan „de overgang van een ambtenaar naar... een hogere categorie alleen kan plaatsvinden na een vergelijkend onderzoek.” Daar deze bepaling evenwel, afgezien van het vereiste van een vergelijkend onderzoek, geen rechtsgevolg behelst, kan men — zoals verzoeker — er een verwijzing in lezen naar de artikelen 29 e.v. — die onder meer in een vergelijkend onderzoek voorzien — met inbegrip van de artikelen 31 en 32, dan wel — zoals de Commissie doet — ze aldus uitleggen, dat zij in afwijking van artikel 45, lid 1, voor de genoemde gevallen een vergelijkend onderzoek voorschrijft, doch zonder te derogeren aan de in artikel 46, geregelde indeling in salaristrap.
aa)
De plaats van deze bepaling in de systematiek van het Statuut, en de bewoordingen van de regels betreffende bevordering lijken mij evenwel eerder voor de opvatting van de Commissie te pleiten. Zo mag men niet uit het oog verliezen, dat de betrokken bepaling een onderdeel is van artikel 45, waarin de voorwaarden en het effect van een bevordering zijn geregeld, en dat onmiddellijk wordt gevolgd door artikel 46, betreffende de rechtsgevolgen van dit opklimmen in rang. Had de wetgever voor de in artikel 45, lid 2, bedoelde gevallen deze rechtsgevolgen anders willen regelen, dan had hij dat ter wille van de duidelijkheid van de wet in zijn woordkeuze tot uitdrukking kunnen en moeten brengen.
Tenslotte blijkt ook uit de bewoordingen van dit artikel in alle taalversies, dat artikel 46 zowel op de in lid 1 als op de in lid 2 van artikel 45 bedoelde gevallen van toepassing is. Terwijl volgens artikel 45, lid 1, bevordering aanstelling in de eerstvolgende hogere rang van een categorie meebrengt, wordt in lid 2 van dit artikel gesproken van de overgang van een ambtenaar naar een hogere categorie. Te oordelen naar de tekst ervan, is artikel 46 kennelijk voor beide gevallen bedoeld; naar het in dat artikel immers heet, geniet de in een hogere rang aangestelde ambtenaar de aldaar nader omschreven anciënniteit.
bb)
Dat deze zorgvuldig gecoördineerde formulering niet aan het toeval of aan een redactionele fout te wijten is, blijkt tenslotte uit artikel 15 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen. In de eerste alinea van dit artikel heet het, dat de tijdelijk functionaris aanvankelijk wordt ingedeeld overeenkomstig artikel 32 van het Statuut.
Wordt de tijdelijk functionaris evenwel bij wege van een avenant bij zijn aanstellingsovereenkomst tewerk gesteld in een ambt dat overeenkomt met een hogere rang dan die waarin hij is aangesteld, dan wordt hij naar luid van de tweede alinea van dit artikel „ingedeeld overeenkomstig artikel 46 van het Statuut.”
Had het in de bedoeling van de wetgever gelegen, dat de beroepservaring van een personeelslid van de Gemeenschappen in geval van tewerkstelling in een hoger ambt opnieuw moest worden geëvalueerd, dan zou juist bij tijdelijke functionarissen de verwijzing naar de bevorderingsregel van artikel 46 zonder meer onverklaarbaar zijn geweest in verband met de mogelijkheid de overeenkomst te wijzigen.
Uit deze bepaling volgt mijns inziens duidelijk, dat volgens de wil van de wetgever, ter wille van de gelijkheid vati behandeling van alle personeelsleden der Gemeenschappen, hun beroepservaring in beginsel slechts eenmaal, en wel bij indiensttreding, overeenkomstig artikel 32, dat een discretionaire bevoegdheid toekent, in aanmerking wordt genomen. Bij contractueel overeengekomen tewerkstelling in een hoger ambt dient evenwel de berekeningswijze van artikel 46 van het Statuut te worden toegepast. Dit heeft dan echter zeker ook te gelden voor de hogere indeling van ambtenaren, voor wie — anders dan voor „andere” personeelsleden — ingevolge het Statuut een loopbaan openstaat, waarvoor ingevolge artikel 5, lid 3, van het Statuut in beginsel steeds dezelfde voorwaarden moeten gelden. Vooral wanneer de beroepservaring gedeeltelijk in dienst van de Gemeenschappen is verworven, zou het meermaals in aanmerking nemen ervan na deelneming aan een algemeen vergelijkend onderzoek over het algemeen niet beantwoorden aan het doel van artikel 5, lid 3. De indeling van verzoeker overeenkomstig de indelingscriteria categoriewisseling, die in hoofdzaak op de bevorderingsregels van het Statuut zijn gebaseerd, — stuit derhalve niet op principiële bezwaren.
Het zou wellicht anders zijn, wanneer een bepaalde beroepservaring, die voor een specifieke functie (bijvoorbeeld bij de talendienst) niet in aanmerking kon worden genomen, voor een andere functie (bijvoorbeeld bij de administratie) alleszins relevant is en dus in aanmerking moet worden genomen. In casu wijst evenwel niets erop, dat iets dergelijks het geval is.
2.1.2.
Bij dit alles blijft echter nog te onderzoeken, of deze bepalingen, gelijk verzoeker meent, wegens schending van het gelijkheidsbeginsel niet mogen worden toegepast, wanneer ambtenaren daardoor slechter worden gesteld dan „externe” kandidaten die aan hetzelfde vergelijkend onderzoek deel hebben genomen en wier beroepservaring overeenkomstig artikel 32, tweede alinea, respectievelijk de indelingscriteria aanwerving wordt beoordeeld.
Volgens de Commissie kan dit beginsel slechts betekenen dat, enerzijds, voor alle deelnemers aan een algemeen vergelijkend onderzoek dezelfde examenvoorwaarden moeten gelden, en anderzijds dat deelnemers die in dezelfde situatie verkeren, in dezelfde rang respectievelijk salaristrap moeten worden ingedeeld. Daar echter de situatie van een ambtenaar verschilt van die van een externe kandidaat, zou een verschillende indeling geen schending opleveren van het beginsel van gelijke behandeling.
a)
Met betrekking tot dit betoog moet principeel worden opgemerkt, dat de toepassing van de bevorderingsregels op deelnemers aan een vergelijkend onderzoek, die reeds gemeenschapsambtenaar zijn, kan — doch niet per se moet — leiden tot hun achterstelling in vergelijking met externe kandidaten, die overeenkomstig de regels betreffende aanwerving worden ingedeeld. Als ik het goed zie, kunnen zich evengoed gevallen voordoen waarin de toepassing van artikel 46 op ambtenaren die reeds een hoge rang respectievelijk een hoge salaristrap hebben, dezen een voorsprong geeft op externe kandidaten, die ingevolge artikel 32, tweede alinea, hoogstens in salaristrap 3 kunnen worden ingedeeld.
b)
Een verschillende behandeling is evenwel, zoals nu juist blijkt uit de verschillen tussen de regels betreffende aanwerving en die betreffende bevordering, in overeenstemming met de bedoeling van het Statuut. Dat daarbij geen sprake is van schending van het beginsel van gelijke behandeling van ambtenaren van dezelfde loopbaan, heeft meer bepaald te maken met het feit dat de situatie van deelnemers aan een vergelijkend onderzoek, die reeds ambtenaar zijn, in meer dan één opzicht verschilt van die van kandidaten die voor het eerst in gemeenschapsdienst treden.
Met dit verschil wordt al rekening gehouden in artikel 29, lid 1, van het Statuut, volgens hetwelk het tot aanstelling bevoegd gezag alvorens ter voorziening in vacatures over te gaan tot een algemeen vergelijkend onderzoek, eerst een onderzoek moet instellen naar de mogelijkheden van bevordering of overplaatsing binnen de instelling, van een vergelijkend onderzoek binnen de instelling, en naar de verzoeken tot overgang van ambtenaren van andere instellingen der Europese Gemeenschappen. Voor ambtenaren die reeds in gemeenschapsdienst zijn, kan, aldus artikel 1, lid 1, sub g, van bijlage III bij het Statuut, anders dan voor de andere sollicitanten, de leeftijdsgrens worden verhoogd.
Tenslotte dienen ingevolge artikel 34 van het Statuut alle externe kandidaten, met uitzondering van ambtenaren in de rangen A 1 en A 2, vóór hun aanstelling in vaste dienst een proeftijd te volbrengen. Anders dan verzoeker meent, kan zulk een proeftijd evenwel niet worden verlangd van ambtenaren die reeds in vaste dienst zijn.
Deze statutair geregelde bevoordeling van ambtenaren rechtvaardigt mijns inziens dat zij zich in beginsel moeten neerleggen bij een mogelijke benadeling — in het uiterste geval twee salaristrappen — ten gevolge van de toepassing van de bevorderingsregeling.
c)
Zoals de Commissie terecht opmerkt, verschilt verzoekers situatie in dat opzicht ook van die van de verzoeker in zaak 9/81 (arrest van 6 oktober 1982, Williams, Jurispr. 1982, biz. 3301). Die zaak onderscheidde zich van de onderhavige doordat het daar ging om aanwerving op verschillende voorwaarden van personeel bij een nieuw opgerichte instelling van de Gemeenschappen. Voor de van buiten de gemeenschapsinstellingen aangeworven ambtenaren golden interne indelingsregels, die in die vorm niet bij andere gemeenschapsinstellingen bestonden. De verzoeker, die met behoud van zijn graad van een andere gemeenschapsinstelling was overgenomen en later werd bevorderd, werd ingedeeld met toepassing van artikel 46 van het Statuut. Aangezien de aangestelde ambtenaren dus onder verschillende voorwaarden in gemeenschapsdienst waren getreden, verklaarde het Hof, dat de in die zaak als verweerster optredende instelling, zich ter rechtvaardiging van de minder gunstige behandeling van de verzoeker ten onrechte had beroepen op artikel 46, dat enkel dan met het beginsel van gelijke behandeling verenigbaar is wanneer de loopbanen vanaf bet begin op eenvormige wijze zijn geregeld. Deze beslissing wettigt derhalve niet de conclusie, dat artikel 46 op gronden van gelijke behandeling niet kan worden toegepast op ambtenaren die na deelneming aan een vergelijkend onderzoek zijn aangesteld in een rang van een hogere categorie.
2.2. De vorderingen met betrekking tot bet in aanmerking nemen van verzoekers beroepservaring
Daar naar mijn opvatting verzoeker op grond van de indelingscriteria categoriewisseling terecht is ingedeeld in salaristrap 1 van de rang A 7, behoef ik nog slechts volledigheidshalve kort in te gaan op de overige vorderingen van verzoeker. Hij concludeert dat het Hof zou verklaren voor recht, dat de beroepservaring die hij sedert het behalen van zijn diploma hoger onderwijs heeft verworven, ten volle in aanmerking moet worden genomen; subsidiair, dat het Hof verweerster zou gelasten hem dienovereenkomstig opnieuw in te delen.
Het Hof heeft onder meer in zaak 190/82 (arrest van 1 december 1983, Blomefield, Jurispr. 1983, blz. 3981) erop gewezen, dat in het kader van artikel 32, tweede alinea, het tot aanstelling bevoegd gezag nopens alle aspecten die bij de erkenning van vroegere beroepservaring van een aangeworven ambtenaar een rol kunnen spelen, een ruime beoordelingsvrijheid bezit, zowel met betrekking tot de aard en de duur ervan als ten aanzien van de mate waarin er verband bestaat tussen die ervaring en de met betrekking tot de te vervullen functie te stellen eisen. Wat het gebruik betreft dat van die beoordelingsvrijheid wordt gemaakt, staat het volgens vaste rechtspraak niet aan het Hof om zich in de plaats van het tot aanstelling bevoegd gezag te stellen. Indien het Hof verzoekers standpunt bijtreedt, dat de vaststelling van zijn salaristrap overeenkomstig artikel 32 van het Statuut had moeten geschieden, dan zou het dus het indelingsbesluit nietig moeten verklaren met verwerping van het beroep voor het overige, waarna het bevoegde gezag verzoekers beroepservaring opnieuw zou moeten beoordelen.
3.
Concluderend geef ik het Hof evenwel in overweging, het beroep ongegrond te verklaren en overeenkomstig de artikelen 69, paragraaf 2, en 70 van het Reglement voor de procesvoering elk van beide partijen in de eigen kosten te verwijzen.
( *1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy