CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. DARMON
van 6 februari 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In het onderhavige beroep wegens niet-nakoming van verdragsverplichtingen verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen, dat artikel 121-10 van de Belgische wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering (Belgisch Staatsblad van 1-2 november 1963, blz. 10555), zoals gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 (Belgisch Staatsblad van 15 augustus 1980, blz. 9463, artikel 161, blz. 9514), onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht.
Deze bepaling, in werking getreden op 1 oktober 1980, voorziet in een inhouding op de wettelijke ouderdoms-, rust-, anciënni-teits- en overlevingspensioenen van alle gerechtigden; de opbrengst wordt gestort aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (artikel 121-10, vierde alinea). Artikel 33 van verordening nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 141, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2864/72 van de Raad van 19 december 1972, PB 1972, L 306) luidt als volgt:
„Het orgaan van een Lid-Staat dat een pensioen of rente verschuldigd is en dat een wettelijke regeling toepast waarin is bepaald, dat voor rekening van een pensioenof rentetrekker bijdragen of premies worden ingehouden om de kosten van de prestaties bij ziekte en moederschap te dekken, is gemachtigd deze bedragen, berekend overeenkomstig de betrokken wettelijke regeling, in te houden op het pensioen of de rente welke dit orgaan verschuldigd is, voor zover de prestaties krachtens de artikelen 27, 28, 28 bis, 29, 31 en 32 voor rekening van een orgaan van bedoelde Lid-Staat komen.”
Met andere woorden: een dergelijke inhouding op het pensioen is enkel mogelijk in het geval van sociaal verzekerden die van het betrokken verzekeringsorgaan uitkeringen ontvangen met het oog waarop de inhouding plaatsvindt. Daarentegen is inhouding niet toegestaan wanneer de uitkeringen niet worden gedaan, door het orgaan van de Lid-Staat waar de inhouding geschiedt. In deze situatie verkeren nu juist de sociaal verzekerden die in een andere Lid-Staat dan België wonen en krachtens de artikelen 27-32 van verordening nr. 1408/71 uitkeringen ontvangen van het bevoegde orgaan van de Lid-Staat waar zij wonen. Door artikel 121-10 van de Belgische wet op laatstbedoelde pensioentrekkers toe te passen, wordt inbreuk gemaakt op het in artikel 33 van verordening nr. 1408/71 neergelegde beginsel.
2.
De Belgische regering betwist niet, dat de toepassing van de gewraakte Belgische wettelijke regeling op alle sociaal verzekerden, ongeacht in welke Lid-Staat zij wonen, inbreuk maakt op artikel 33 van verordening nr. 1408/71.
Ter terechtzitting deelde zij mee, dat twee maatregelen zouden worden genomen om daaraan een eind te maken:
—
in de eerste plaats zou het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering ervan in kennis worden gesteld dat bedoelde bepaling niet meer moest worden toegepast op in een andere Lid-Staat wonende gepensioneerden;
—
in de tweede plaats zou een ontwerp van wet worden ingediend dat, met afwijking van de op het gebied van de sociale zekerheid geldende verjaringstermijn van drie jaar, de betrokken sociaal verzekerden de mogelijkheid zou bieden om terugbetaling te verzoeken van de sedert 1 oktober 1980 ingehouden bijdragen, waarbij de termijn om zulks te doen zou ingaan op de dag van inwerkingtreding van de wijzigingswet.
3.
Ik acht het niet nodig om in het kader van deze niet-nakomingsprocedure een oordeel uit te spreken over de zojuist genoemde regeling. Ik stel enkel vast, dat de terecht gewraakte situatie tot op heden onveranderd voortbestaat. De Belgische regering wijt de vertraging bij de aanpassing aan artikel 33 aan moeilijkheden
bij de keuze en de uitwerking van de nationale wijzigingsmaatregelen. Dienaangaande kan ik volstaan met te herinneren aan de vaste rechtspraak van het Hof, volgens welke „een Lid-Staat zich ter rechtvaardiging van de niet-nakoming der verplichtingen en de niet-inachtneming der termijnen welke uit de communautaire verordeningen voortvloeien, niet op nationale voorschriften of praktijken mag beroepen” (zaak 30/72, Commissie/Italië, Jurispr. 1.973, blz. 161, r.o. 11, en recent, met betrekking tot een richtlijn, zaak 279/83, Commissie/Italië, 4 oktober 1984, r.o. 4).
4.
Concluderend geef ik het Hof in overweging vast te stellen, dat het Koninkrijk België de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 33 van verordening nr. 1408/71 van de Raad, door de bepalingen van artikel 120-10 van de wet van 9 augustus 1963, zoals gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1980, onveranderd te handhaven, zonder te voorzien in een uitzondering teri behoeve van gemeenschapsonderdanen die in een andere Lid-Staat wonen.
( *1 ) Vertaald uil het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy