CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN 27 SEPTEMBER 1984
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In de onderhavige zaak zijn U twee prejudiciële vragen gesteld door het Finanzgericht Rheinland-Pfalz, Ule senaat, die andermaal het gecompliceerde invoerregime van de gemeenschappelijke marktordening in de sector wijn en de daarmede samenhangende wisselkoersproblemen betreffen. Voor goed begrip van de feiten, ga ik als eerste onderdeel van mijn conclusie in op de toepasselijke wettelijke regelingen.
1. De toepasselijke wettelijke regelingen
De gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt heeft voor een belangrijk deel plaatsgevonden bij verordening nr. 816/70 van de Raad (PB L 99 van 1970, blz. 1). Ten aanzien van de invoer van wijnen van buiten de Gemeenschap geldt als beginsel dat de enkele toepassing van de relevante tariefposten uit het gemeenschappelijk douanetarief een adequate bescherming van de interne markt oplevert. Dit blijkt uit de derde overweging van deze verordening. Om te vermijden dat zich toch verstoringen voordoen tengevolge van abnormaal lage prijzen, worden op basis van alle beschikbare gegevens de zogenaamde aanbodprijzen franco-grens berekend (artikel 9, lid 2). Is deze prijs, verhoogd met de douanerechten, lager dan de referentieprijs, dan wordt een compenserende heffing vastgesteld (artikel 9, lid 3). Op deze algemene regel bestaan twee uitzonderingen, in welke gevallen besloten kan worden geen compenserende heffingen te innen. De eerste betreft het geval waarin derde landen bereid en in staat zijn te garanderen dat voor hun exporten de referentieprijs wordt nagestreefd. In het tweede geval gaat het om de invoer van bepaalde kwaliteitswijnen uit derde landen. In deze uitzondering is voorzien omdat in veel gevallen de kwaliteitswijnen een zodanige prijs hebben dat het gevaar voor onderschrijding van de referentieprijs niet aanwezig is. Beide uitzonderingen (artikel 9, lid 3, 2e en 3e alinea) houden dus in dat de ingevoerde wijnen niet aan het statuut van referentieprijzen en compenserende heffingen zijn onderworpen.
Het systeem van referentieprijzen en compenserende heffingen alsmede de uitzonderingen daarop zijn nader uitgewerkt (krachtens artikel 9, lid 6, van verordening nr. 816/70) in verordening nr.1019/70 van de Commissie (PB L 118 van 1970, blz. 13). In de zesde overweging van deze verordening wordt aangegeven dat het vaststellen van compenserende heffingen voor een aantal likeurwijnen niet gerechtvaardigd is vanwege de prijs daarvan. Dienovereenkomstig somt artikel 4, lid 4, van deze verordening een aantal likeurwijnen op waarvoor deze uitzondering geldt: Portwijn, Madeira, Sherry, Tokayer (Aszu en Szamorodni), Samos en Moscatel de Setúbal.
In de jaren zeventig sloot de Gemeenschap met verschillende derde landen sa-menwerkings- en andere overeenkomsten, welke onder meer douanepreferenties voor de invoer van wijnen uit deze landen inhielden. Door dit type preferenties wordt het gevaar van marktverstoring voor de Gemeenschap door wijninvoer uiteraard groter aangezien de protectie door de douanerechten vermindert. Daarom is bij verordening nr. 2506/75 van de Raad (PB L 256 van 1975, blz. 2) een meldingssysteem ingevoerd. Lid-Staten moeten aan de Commissie alle gevallen melden van invoer van wijn tegen een prijs die lager is dan de communautaire referentieprijs minus de daadwerkelijk geheven douanerechten (de referentieprijs franco grens). Anders geldt de preferentie niet (artikel 3, lid 1).
In de in monetair opzicht zo woelige jaren 1975 en 1976 bleek de toepassing van dit systeem echter op problemen te stuiten. Voor de omrekening van het douanerecht in nationale valuta geldt de algemene regel C 3 van het gemeenschappelijk douanetarief, volgens welke de omrekening dient plaats te vinden op basis van de goudpariteit. Voor de omrekening van de referentieprijzen gelden echter de representatieve wisselkoersen („groene” koersen) krachtens verordening nr. 475/75 van de Raad (PB L 52 van 1975, blz. 28). Aangezien de referentieprijs franco grens volgens verordening nr. 2506/75 gelijk is aan de communautaire referentieprijs minus de daadwerkelijk geheven douanerechten, stuit een uniforme vaststelling van het eerste prijsbegrip op moeilijkheden indien voor de omrekening van de douanerechten de voor de landbouwsector niet meer realistische oude muntpariteiten worden aangehouden. Dienovereenkomstig besloot de Raad bij verordening nr. 1167/76 (PB L 135 van 1976, blz. 42), de representatieve koers ook voor de omrekening van de douanerechten toe te passen. ( 1 ) Dit vond plaats door de bij de basisverordening nr. 816/70 behorende bijlage, waarin de relevante post 22.05 C van het GDT nader is uitgewerkt, te vervangen door een nieuwe bijlage. Deze bijlage voorziet in een voetnoot c, waarin de afwijking van de algemene regel C 3 van het GDT is neergelegd, welke voetnoot al dan niet achter de betreffende posten in deze bijlage is vermeld. Het blijkt dat deze voetnoot c niet is vermeld bij de likeurwijnen opgesomd in artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1019/70, welke ik boven besproken heb. Dienovereenkomstig geldt voor de omrekening van de douanerechten op deze wijnen dus wel de oude muntpariteit. De representatieve koers werd op deze wijnen pas van toepassing verklaard bij verordening nr. 2842/76 van de Raad (PB L 327 van 1976, blz. 6). Voor de betrokken wijnen gold derhalve in de periode van 17 mei 1976 (toepassing van verordening nr. 1167/76) en 16 december 1976 (toepassing van verordening 2842/76) niet de representatieve koers.
2. Het geschil en de prejudiciële vragen
In de bovengenoemde periode voerde Racke in totaal 217507 liter Tokayer likeurwijn in onder tariefpost 22.05 C III b) 2 van het GDT. Het invoerrecht bedraagt in dat geval 12 RE/hl. Het douanekantoor berekende, door toepassing van de IMF-pariteit (1 RE = 3,66 DM) het invoerrecht op DM 43,92 per hl. Racke meende echter dat de representatieve koers van toepassing was (1 RE = 3,58 DM), zodat het invoerrecht DM 42,94 per hl zou bedragen, een verschil van minder dan 1 DM per hl en minder dan één pfennig per liter.
Het geschil tussen Racke en het Hauptzollamt Mainz resulteerde uiteindelijk in een tweetal prejudiciële vragen van het Finanzgericht:
1.
Is verordening (EEG) nr. 1167/76 van 17 mei 1976 (PB L 135 van 1976, blz. 42) in strijd met artikel 40, lid 3, tweede en derde alinea, EEG-Verdrag, voor zover zij Tokayerwijn van tariefpost 22.05 C III b) 2 van het gemeenschappelijk douanetarief uitsluit van de toepassing van de representatieve wisselkoersen bij de omrekening van het in rekeneenheden uitgedrukte douanerecht in nationale munteenheden (in casu in DM) en de regeling van algemene bepaling C 3 in deel I, titel I, van verordening (EEG) nr. 950/68 van 28 juni 1968 (PB L 172 van 1968, blz. 1) handhaaft?
2.
Zo ja:
Welke rechtsgevolgen heeft dit voor de toepasselijkheid van artikel 2 van verordening (EEG) nr. 2842/76 van 23 november 1976 (PB L 327 van 1976, blz. 2), inzonderheid: kan de particulier binnen de Gemeenschap verlangen dat deze verordening met terugwerkende kracht wordt toegepast vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van verordening (EEG) nr. 1167/76?
3. De vermeende schending van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag
Blijkens de bij de prejudiciële vragen gevoegde motivering twijfelt het Finanzgericht vooral aan de wettigheid van verordening nr. 1167/76 omdat op basis van deze regeling in het genoemde tijdvak twee koersen, de pariteit en de representatieve koers, van toepassing waren.
Ik meen dat deze twijfel voldoende weerlegd wordt door de verklaring die in de motivering van deze verordening is gegeven. Uit de vierde overweging blijkt, zoals ik ook reeds eerder belichtte, dat in het bijzonder het systeem van referentieprijzen moeilijkheden ondervindt indien beide koersen tegelijkertijd moeten worden toegepast. De vijfde overweging verduidelijkt dat en benadrukt de noodzaak Vaň een uniforme toepassing van de reférentieprijs. Uit deze overwegingen blijkt dat het er in eerste instantie om gaat, een doeltreffend functioneren van het systeem van referentieprijzen te verzekeren, zodat het in dat opzicht logisch is, de verandering in de omrekeningskoers van toepassing te verklaren op de onder dit systeem vallende wijnen. Dat de bijlage waarin post 22.05 C van het GDT is uitgewerkt, ook van dit beginsel uitgaat, blijkt uit het feit dat de vermelding van de voetnoot c alleen achterwege is gebleven bij de groep van likeurwijnen die in verordening nr. 1019/70 van het referentieprijssysteem is uitgezonderd. Voor deze wijnen bleef de algemene regel C 3 van het GDT gelden. Er is dus inderdaad sprake van een verschillende behandeling binnen post 22.05 C van likeurwijnen enerzijds en andere wijnen anderzijds. De doelstelling van genoemde verordening rechtvaardigt dit onderscheid echter, aangezien het toepassen van de representatieve koers op deze likeurwijnen niet noodzakelijk was en derhalve de afwijking van het GDT zo beperkt mogelijk kon blijven. Wellicht ten overvloede voeg ik hieraan toe dat de toepassing van de algemene regel C 3 tijdens de betreffende periode op zich gerechtvaardigd was ondanks de bestaande de- en revaluatie. Ik verwijs hiervoor naar Uw arrest Glunz t. HZA Hamburg-Waltershof (Jurispr. 1982, blz. 197), overweging 24. Het argument van Racke dat aldus een verschil in behandeling met andere — gelijksoortige — wijnen aanwezig is gaat niet op, aangezien zo als met name de Raad heeft betoogd, op deze andere wijnen wel het referentieprijssysteem van toepassing was.
4. Verordening nr. 2842/76
Het Finanzgericht heeft in zijn vragen ook de aandacht gevestigd op verordening nr. 2842/76, waarbij vanaf 16 december 1976 op de genoemde likeurwijnen wel de representatieve koers werd toegepast. De vraag of er van impliciete terugwerkende kracht sprake zou zijn, dient naar mijn oordeel direct ontkennend te worden beantwoord. Het is constante rechtspraak dat zulks alleen mogelijk is indien de verordening dit als doel zou hebben (zie onder meer Uw arrest in de gevoegde zaken 212-217/80, Jurispr. 1981, blz. 2735, overwegingen 9 en 12). De uitbreiding van de toepassing van de representatieve koers is in deze verordening gemotiveerd met de overweging dat gebleken is dat de toepassing van twee verschillende wisselkoersen binnen post 22.05 C tot concurrentieverstoringen aanleiding kan geven. Deze motivering verschilt van die welke de Commissie in haar voorstel voor deze verordening gaf (PB C 263 van 1976, blz. 2). Aldaar wordt vastgesteld dat zodanige verstoringen reeds realiteit waren.
Uit deze motivering blijkt dat de aanvankelijke continuering van de algemene regel C 3 van het GDT op de likeurwijnen dus kennelijk niet te handhaven viel en achteraf bezien dus zelfs als minder juist gekwalificeerd kan worden. Een zodanige situatie brengt echter niet automatisch de onwettigheid van verordening nr. 1167/76 met zich mede. Het is zeer wel mogelijk, dat de administratie in het licht van de dan bekende omstandigheden een beleidskeuze doet, die in het licht van latere omstandigheden verandering behoefde. Dit is door Uw Hof erkend in overweging 24, tweede alinea, van Uw arrest in de zaak Merkur (zaak 43/72, Jurispr. 1973, blz. 1055) onder toevoeging dat bezien moet worden of het betrokken orgaan „zich klaarblijkelijk niet door onjuiste overwegingen heeft laten leiden”. Zoals ik reeds heb betoogd in paragraaf 3, is dit niet het geval geweest.
5. Conclusie
Concluderend stel ik U voor, de vragen van het Finanzgericht Rheinland-Pfalz te beantwoorden als volgt:
„Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die aan de geldigheid van verordening nr. 1167/76 van de Raad afbreuk kunnen doen.”
( 1 ) Verordening nr. 2506/75 was nog niet toegepast, omdat mede vanwege deze problemen nog geen uitvocringsvoorschriften waren vastgesteld. Bij verordening nr. 1166/76 (PB L 135 van 1976, blz. 41) werd de inwerkingtreding van verordening nr. 2506/75 opgeschort tot 1 juli 1976, de dag waarop de regeling inzake de representatieve koers van verordening nr. 1167/76 toepasselijk werd.
Full & Egal Universal Law Academy