Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Ambtenaren - Beroep - Recht van beroep - Personen die aanspraak maken op hoedanigheid van ambtenaar of personeelslid ( niet zijnde plaatselijk functionaris )
2 . Ambtenaren - Hoedanigheid van ambtenaar - Voorwaarden voor verkrijging niet vervuld
Samenvatting
1 . Niet alleen degenen die de hoedanigheid van ambtenaar of personeelslid ( niet zijnde plaatselijk functionaris ) bezitten, maar ook degenen die op die hoedanigheid aanspraak maken, kunnen voor het Hof beroep instellen tegen een besluit waardoor zij zich bezwaard achten .
2 . De hoedanigheid van ambtenaar of personeelslid van de Gemeenschappen kan niet worden toegekend aan het personeel van een door het recht van een Lid-Staat beheerste internationale vereniging, die, welke ook de banden zijn die zij met de Commissie heeft, niet op één lijn kan worden gesteld met een administratieve eenheid van de Commissie .
Partijen
In zaak 286/83,
A . Alexis en 181 andere personeelsleden van de Europese Associatie voor Samenwerking, allen vertegenwoordigd en bijgestaan door E . Lebrun en M . Slusny, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij T . Biever, advocaat aldaar, 83, boulevard Grande-Duchesse Charlotte,
verzoekers,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H . van Lier, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door R . Andersen, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van de juridische dienst van de Commissie, Centre Wagner, Luxemburg,
verweerster,
betreffende een beroep strekkende tot vaststelling dat verzoekers de hoedanigheid van ambtenaar of tijdelijk functionaris bezitten,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vierde kamer ),
samengesteld als volgt : T . Koopmans, kamerpresident, C . N . Kakouris en M . Diez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal : J . Mischo
griffier : D . Louterman, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 19 april 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 juni 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 21 december 1983, hebben A . Alexis en 181 andere personeelsleden van de Europese Associatie voor Samenwerking ( hierna : EAS ), die functies vervullen van gemachtigde, adviseur of attaché bij de delegaties van de Commissie in ontwikkelingslanden dan wel functies van bijstand of technische samenwerking, beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van 11 maart 1983 waarbij de Commissie heeft geweigerd hen als ambtenaar aan te stellen met ingang van de datum van hun indiensttreding bij de EAS .
2 Ten tijde van de instelling van het beroep maakten verzoekers deel uit van het personeel overzee van de EAS, een internationale vereniging zonder winstoogmerk, opgericht naar Belgisch recht met als doel de samenwerking tussen de Commissie en de ontwikkelingslanden te vergemakkelijken . De EAS beschikte over drie categorieën personeel : het personeel van de zetel, het door de EAS met een speciaal contract aangestelde en bij de Commissie gedetacheerde personeel en het personeel overzee, waaronder verzoekers .
3 Om een oplossing te vinden voor de problemen met betrekking tot het personeel van de EAS, heeft de Raad voor de eerste categorie verordening nr . 3332/82 van 3 december 1982 vastgesteld, tot invoering van bijzondere overgangsmaatregelen betreffende de aanwerving van 56 personeelsleden van de zetel van de Europese Associatie voor Samenwerking als ambtenaren van de Europese Gemeenschappen ( PB 1982, L 352, blz . 5 ). Het personeel van de tweede categorie, dat wil zeggen dat met een speciaal contract, ontving tegelijkertijd een ontslagbrief van de EAS en een voorstel tot aanstelling als tijdelijk functionaris van de Commissie .
4 Ten aanzien van de derde categorie, het personeel overzee, heeft de Raad verordening nr . 3018/87 van de Raad van 5 oktober 1987 vastgesteld, tot invoering van bijzondere overgangsmaatregelen betreffende de aanwerving van overzee tewerkgestelde personeelsleden van de Europese Associatie voor Samenwerking als ambtenaren van de Europese Gemeenschappen ( PB 1987, L 286, blz . 1 ). Die verordening bepaalt, dat het personeelslid dat op 1 januari 1988 bij de EAS in dienstbetrekking was, als ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen kan worden aangesteld in een van de ambten die daartoe in de lijst van het aantal ambten van de Commissie voor het begrotingsjaar 1988 zijn opgenomen, en dat hij in afwijking van de artikelen 31 en 32 van het Statuut wordt ingedeeld in de categorie, rang en salaristrap waarvan het basissalaris overeenkomt met het basissalaris dat hij bij de EAS ontving . De anciënniteit in de rang is die van de dag van aanstelling als ambtenaar van de Commissie .
5 Het beroep strekt er in de eerste plaats toe, te doen vaststellen dat verzoekers, primair, ambtenaar zijn of, subsidiair, tijdelijk functionaris van de Commissie met ingang van de datum van hun indiensttreding bij de EAS, en dat zij in beide gevallen recht hebben op behoud van de rechten die zij als personeelslid van de EAS hebben verworven, voor zover deze gunstiger zouden zijn dan de rechten op grond van het Ambtenarenstatuut van de Gemeenschappen .
6 Aangezien verzoekers inmiddels krachtens genoemde verordening nr . 3018/87 van de Raad met ingang van 1 januari 1988 als ambtenaar van de Commissie zijn aangesteld, betreft het geschil enkel nog de terugwerkende kracht van hun aanstelling en het behoud van de rechten die verzoekers bij de EAS hadden verworven .
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het geding, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De ontvankelijkheid
8 De Commissie stelt, dat het Hof niet bevoegd is van het beroep kennis te nemen, voor zover verzoekers geen ambtenaar of functionaris van de Gemeenschappen zouden zijn .
9 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat, zoals het Hof reeds menigmaal heeft vastgesteld ( zie met name het arrest van 11 juli 1985, gevoegde zaken 87 en 130/77, 22/83, 9 en 10/84, Salerno e.a ., Jurispr . 1985, blz . 2523 ), niet alleen degenen die de hoedanigheid van ambtenaar of personeelslid bezitten, mits niet die van plaatselijk functionaris, maar ook degenen die op die hoedanigheid aanspraak maken, bij het Hof beroep kunnen instellen tegen een besluit waardoor zij zich bezwaard achten .
Ten gronde
10 Verzoekers betogen primair, dat de EAS een fictief lichaam is, althans slechts in schijn hun werkgeefster, en dat hun werkelijke werkgeefster de Commissie is . Tot staving hiervan beroepen zij zich op de diverse betrekkingen die de EAS met de Commissie onderhoudt, en op het feit dat de situatie van het personeel van de EAS identiek is met die van de ambtenaren of tijdelijke functionarissen van de Commissie . Verzoekers vorderen dan ook erkenning als ambtenaar of personeelslid van de Commissie vanaf hun indiensttreding bij de EAS .
11 In zijn arrest Salerno ( reeds aangehaald ) heeft het Hof vastgesteld, dat de EAS een internationale vereniging zonder winstoogmerk naar Belgisch recht vormt en niet als een administratieve eenheid van de Commissie kan worden gezien . Daaruit volgt, dat de EAS en niet de Commissie de werkgeefster van verzoekers was .
12 Subsidiair stellen verzoekers, dat de Commissie door haar weigering hen als ambtenaar of ander personeelslid van de Gemeenschappen te erkennen, het beginsel van gelijke behandeling van ambtenaren en personeelsleden van de Gemeenschappen heeft geschonden . Nu zij in tussentijd echter zijn aangeworven op basis van verordening nr . 3018/87, bestrijden verzoekers evenwel niet méér dan de ingangsdatum van die aanwerving, aangezien de 32 bij Directoraat-generaal VIII gedetacheerde personeelsleden en de 56 personeelsleden van de zetel van de EAS veel eerder als ambtenaar zijn aangesteld dan zijzelf .
13 Dienaangaande zij opgemerkt, dat het Hof in zijn arresten van 11 juli 1985 ( zaak 119/83, Appelbaum, Jurispr . 1985, blz . 2447, en gevoegde zaken 66-68 en 136-140/83, Hattet e.a ., ibid ., blz . 2461 ) weliswaar heeft vastgesteld dat bij de aanwerving van de personeelsleden op speciaal contract en het personeel van de zetel van de EAS het beginsel van gelijke behandeling was geschonden, maar de besluiten van de Commissie houdende aanstelling van die personen enkel heeft nietig verklaard voor zover het hun rang en salaristrap betrof .
14 In zijn arrest van 5 oktober 1988 ( gevoegde zaken 314 en 315/86, Szy-Tarisse en Feyaerts, Jurispr . 1988, blz . 6013 ) preciseerde het Hof, dat de overwegingen die het in de eerdergenoemde arresten aan de ongelijke behandeling van de personeelsleden-SC ten opzichte van de personeelsleden van de zetel van de EAS had gewijd, slechts betrekking hadden op de vaststelling van de rang en de salaristrap in de besluiten waarbij de betrokkenen als ambtenaar op proef waren aangesteld, en niet op de datum met ingang waarvan die besluiten golden .
15 Gelet op die overwegingen, moet worden vastgesteld, dat er in het kader van de onderhavige zaak geen schending van het beginsel van gelijke behandeling kan worden vastgesteld .
16 Mitsdien moet het beroep worden verworpen .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
17 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Volgens artikel 70 blijven echter de kosten door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden der Gemeenschappen gemaakt, te haren laste .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vierde kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verwerpt het beroep .
2 ) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen .
Full & Egal Universal Law Academy