CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. F. MANCINI
van 14 februari 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
De zaak waarin ik vandaag heb te concluderen vindt haar oorsprong in een verzoek om een prejudiciële beslissing van het Hessische Finanzgericht, in het kader van een voor die rechterlijke instantie aanhangig geding tussen de Johann-Wolfgang-Goethe-Universität te Frankfurt/Main en het Hauptzollamt Frankfurt/Main-Flughafen. De verwijzende rechter vraagt om een beslissing over de geldigheid van een beschikking van de Commissie inzake de invoer met vrijstelling van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief van voorwerpen van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard. In die beschikking wordt ontkend dat in casu aan de voorwaarden voor vrije invoer is voldaan, op grond dat in de Gemeenschap apparaten van gelijke wetenschappelijke waarde worden vervaardigd.
2.
De Johann-Wolfgang-Goethe-Universi-tät te Frankfurt/Main (hierna: verzoekster) voerde in maart 1980 een laserapparaat uit de Verenigde Staten in Duitsland in genaamd „Nd-YAG laser laboratory system DCRIA met toebehoren”, vervaardigd door de firma Quanta Ray, voor gebruik in een onderzoekproject betreffende „chemoluminescente atoomreacties : desactivering van aangeslagen jodiumatomen door chemisch en fysisch doven; aanmaak van aangeslagen jodiummoleculen; waarneming van de chemoluminescentie”.
De importeur vroeg het bevoegde douanekantoor (Frankfurt/Main-Flughafen) om hiervoor vrijstelling van douanerechten toe te kennen. Aanvankelijk willigde het douanekantoor dit verzoek in, zij het bij een voorlopige beschikking. Na een onderzoek door de Zolltechnische Prüfungs- und Lehranstalt Berlin werd deze vrijstelling echter ingetrokken en werd van de universiteit bij wijzigingsbeschikking van 27 november 1980 alsnog een bedrag van meer dan DM 7500 aan invoerrechten en ongeveer DM 1000 aan omzetbelasting bij invoer geheven. Deze beschikking was aldus gemotiveerd, dat in de Gemeenschap apparaten van gelijke wetenschappelijke waarde werden vervaardigd. Verwezen werd naar beschikking nr. 80/291 van 18 februari 1980 (PB 1980, L 67, biz. 23), waarbij de Commissie in een analoog geval om dezelfde reden de vrije invoer van het apparaat „Quanta-Ray-DCR laboratory laser system” had geweigerd.
Verzoekster diende tegen deze beschikking een bezwaarschrift in, waarna de Commissie, op een verzoek van de Bondsrepubliek Duitsland om de procedure van artikel 7 van verordening nr. 2784/79 van 12 december 1979 (PB 1979, L 318, biz. 32) in te leiden, beschikking nr. 82/83 van 23 december 1981 vaststelde. Daarin verklaarde zij, dat bedoeld apparaat niet met vrijstelling van rechten kon worden ingevoerd, omdat in de Gemeenschap „apparaten van gelijke wetenschappelijke waarde en geschikt voor hetzelfde gebruik” werden vervaardigd, inzonderheid de „Laser à YAG 10 Hz” van de Franse firma Quantel (PB 1982, L 41, biz. 50).
Tegen de dienovereenkomstige afwijzing van haar bezwaarschrift door de Duitse autoriteiten stelde verzoekster beroep in bij het Hessische Finanzgericht, stellende dat de beschikking van de Commissie ongeldig was. Zij merkte hiertoe op: a) de door de groep deskundigen genoemde Franse laser bezit een geringere wetenschappelijke waarde dan het Amerikaanse apparaat en is niet geschikt voor het onderzoekprogramma; b) uit de beschikking van de Commissie blijkt niet ondubbelzinnig, of in de Gemeenschap apparaten van gelijke wetenschappelijke waarde werden vervaardigd op het tijdstip waarop de laser werd besteld (19 november 1979). Hiertoe legde verzoekster een deskundigenrapport van professor Walther van de Universiteit van München over, volgens hetwelk alleen het laserapparaat van Quanta Ray geschikt zou zijn voor de in het onderzoekprogramma voorziene, veeleisende proeven. In tegenstelling tot andere laserapparaten, waaronder het apparaat van Quantel, zou alleen dit apparaat „de opheffing van alle storende effecten” waarborgen.
Het Finanzgericht (Vile kamer) heeft bij beschikking van 21 december 1983 de behandeling van de zaak geschorst en het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Is beschikking nr. 82/83 van de Commissie van 23 december 1981 inzake het apparaat ‚Quanta Ray Nd: YAG laboratory laser system, model DCR-1A’ ongeldig, nu weliswaar, gelijk de Commissie heeft gesteld, gelijkaardige apparaten in de Gemeenschap werden vervaardigd, doch deze qua prestatievermogen, vooral gelet op het speciaal beoogde gebruik, minder goed zijn dan het ingevoerde apparaat ?”
3.
Zoals bekend, is de regeling aan de hand waarvan de gelijkwaardigheid van wetenschappelijke apparaten moet worden beoordeeld, vervat in verordening nr. 1798/75 van de Raad van 10 juli 1975 betreffende de invoer met vrijstelling van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor voorwerpen van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard (PB 1975, L 184, biz. 1), zoals gewijzigd bij verordening nr. 1027/79 van de Raad (PB 1979, L 134, biz. 1) en aangevuld bij uitvoeringsverordening nr. 2784/79 van de Commissie van 12 december 1979, in werking getreden op 1 januari 1980 (PB 1980 L 318, biz. 32).
Volgens artikel 3, lid 3, derde gedachtenstreepje, van verordening nr. 1798/75 (zoals gewijzigd) wordt de gelijkheid van de wetenschappelijke waarde beoordeeld „door de essentiële technische kenmerken van het instrument of het apparaat waarvoor de... aanvraag om vrijstelling werd gedaan, te vergelijken met die van het overeenkomstige instrument of apparaat dat in de Gemeenschap wordt vervaardigd, ten einde vast te stellen of dit laatstgenoemde voor dezelfde wetenschappelijke doeleinden kan worden gebruikt als die waartoe het instrument of apparaat waarvoor de aanvraag om vrijstelling werd gedaan, is bestemd en of het vergelijkbare diensten kan bewijzen”. Artikel 5, lid 2, van verordening 2784/79 bepaalt voorts, dat „om ... bedoelde vergelijking te maken, slechts de technische kenmerken die van doorslaggevend belang kunnen zijn voor het resultaat van de beoogde specifieke werkzaamheden als essentieel (worden) beschouwd.” Daarentegen is irrelevant, of het apparaat waarvoor invoer met vrijstelling wordt verzocht „hogere prestaties kan leveren dan die welke noodzakelijk zijn voor de goede uitvoering” van bedoelde werkzaamheden.
De huidige versie van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 1798/75 bepaalt tevens, wanneer een instrument wordt geacht „momenteel in de Gemeenschap te worden vervaardigd”. Bepalend hiertoe is dat de leveringstermijn ervan op het ogenblik van bestelling, de handelsgebruiken in de desbetreffende produktiesector in aanmerking genomen, de leveringstermijn van het instrument waarvoor de aanvraag wordt ingediend niet in die mate overschrijdt, „dat de bestemming of het gebruik waarin aanvankelijk voor dit instrument was voorzien, hierdoor sterk in het gedrang zou komen”.
Tot zover de wetgever. Daarnaast heeft het Hof een aantal beginselen opgesteld inzake de uitlegging van de onderhavige regeling. In het belangrijkste arrest terzake worden de grenzen vastgesteld waarbinnen de rechterlijke controle op de geldigheid van handelingen als de onderhavige beschikking moet geschieden. Gelet op de technische aard van het onderzoek door het Comité Douanevrijstellingen, acht het Hof zich niet geroepen „opnieuw te onderzoeken of de betrokken apparaten inderdaad gelijkwaardig zijn.” Het kan enkel nagaan „of de bestreden beschikking — wel te verstaan de beschikking die door de Commissie in overeenstemming met het advies van het Comité Douanevrijstellingen is gegeven — een klaarblijkelijke fout feitelijk of rechtens aankleeft, dan wel of er sprake is van misbruik van bevoegdheid, hetzij bij de toepassing van de procedure van artikel 7 van verordening nr. 2784/79 hetzij materieel” (arrest van 25 oktober 1984 in zaak 185/83, Interfacultair Instituut Electronenmicroscopie, r.o. 15, Jurispr. 1984, blz. 3623; zie ook het arrest van 27 september 1983 in zaak 216/82, Universität Hamburg, Jurispr. 1983, blz. 2771, r.o. 14).
Een ander door het Hof ontwikkeld beginsel betreft de criteria die moeten worden gehanteerd bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid. Luidens voornoemd arrest in zaak 185/83, r.o. 29, moet de gelijkwaardigheid „niet alleen worden beoordeeld op basis van de door de gebruiker in zijn verzoek als noodzakelijk voor zijn onderzoek aangemerkte specificaties van deze apparaten, maar in de eerste plaats op basis van een objectieve beoordeling van de geschiktheid van de apparaten voor de experimenten waartoe de gebruiker het ingevoerde apparaat heeft bestemd.”
4.
Ik heb reeds een overzicht gegeven van de feiten die bij de schriftelijke behandeling zijn gebleken. Ter terechtzitting zijn echter nieuwe elementen naar voren gekomen, waarmee rekening moet worden gehouden omdat zij licht werpen op de materie in geding en — zij het indirect — bijdragen tot de oplossing van het geding.
De Commissie heeft meegedeeld dat de deskundigen van de Lid-Staten, toen zij voor het eerst bijeen waren om deze zaak te onderzoeken, er niet in slaagden om vast te stellen, welke commu- nautaire apparaten gelijkwaardig waren aan het door de Goethe-Universität ingevoerde apparaat. De Franse vertegenwoordiger zou echter hebben betoogd, dat Quantel wellicht een serielaser kon aanpassen aan de eisen van het door de importeur voorgenomen onderzoek. De zitting werd toen geschorst en in de volgende zitting zou deze deskundige, die inmiddels contact met Quantel had opgenomen, de door hem geopperde mogelijkheid hebben bevestigd. Op basis van zijn rapport zou de Commissie de bestreden beschikking hebben gegeven; eveneens op grond van dit rapport zou in de beschikking de laser van gelijke wetenschappelijke waarde niet worden aangeduid met een specifieke naam (die uiteraard niet bestaat omdat het om een aangepast apparaat gaat), maar met de naam waarmee de apparaten van Quantel in het algemeen worden aangeduid. Op verzoek van het Hof heeft de Commissie een verklaring van deze onderneming overgelegd, volgens welke deze, op het betrokken tijdstip, drie of vier maanden na de bestelling (en bijgevolg binnen de in artikel 3 van verordening nr. 1798/75 gestelde termijn), een laser had kunnen leveren die de door de universiteit vereiste kenmerken vertoonde.
De universiteit heeft schriftelijk een geheel andere versie gegeven. Zij betoogt dat de in de brief van Quantel verstrekte gegevens onjuist zijn. Voordat de Amerikaanse laser werd besteld, zou de voor het onderzoekprogramma verantwoordelijke persoon de zetel van Quantel hebben bezocht en haar technici de doelstellingen van het voorgenomen onderzoek hebben uiteengezet alsook de kenmerken waaraan het apparaat moest voldoen om het onderzoek tot een goed einde te brengen. De technici zouden echter nooit de mogelijkheid hebben geopperd, de door hen vervaardigde lasers zodanig te wijzigen dat zij de vereiste kenmerken vertoonden. Zij hadden zich overigens ook niet in die zin kunnen uitlaten: voor het verrichten van het betrokken experiment zou een kenmerk, dat de lasers van Quantel ondanks alle mogelijke wijzigingen nimmer zouden bezitten essentieel zijn, te weten een pulsfrequentie tot 20 Herz, die onmisbaar is voor het verkrijgen van de chemoluminescentie die nodig is voor de spectrale analyse. Dit gegeven zou derhalve de Amerikaanse laser van soortgelijke in de Gemeenschap vervaardigde apparaten onderscheiden en de invoer met vrijstelling van douanerechten rechtvaardigen.
5.
Uiteraard kan ik mij niet uitspreken over de technische juistheid van deze bewering; ook kan ik niet zeggen, of de tegengestelde conclusie van de deskundigen gegrond is (ook al wekken de zojuist weergegeven omstandigheden op dit punt aanzienlijke verwarring op). Gezien de rechtspraak van het Hof wordt dit ook niet van ons verwacht. Vastgesteld moet worden, of de Commissie bij de vergelijking van beide lasers genoegzaam rekening heeft gehouden met het kenmerk dat volgens de Goethe-Universität onmisbaar was voor de verwezenlijking van haar project en, wanneer dit niet is gebeurd, of de door haar gegeven beschikking ongeldig is.
Ik meen dat in casu inderdaad moet worden gesproken van ongeldigheid. Inzonderheid komt het mij voor dat de Commissie een dwaling rechtens heeft begaan, door de regeling van de vrije invoer onjuist uit te leggen. Deze moet — zo zegt de Commissie in haar opmerkingen — aldus worden gelezen, dat de douaneautoriteiten haar gemakkelijk kunnen toepassen. Dit zou betekenen, dat voor de vergelijking van de apparaten niet moet worden uitgegaan van het concrete project in alle onderdelen, maar van de aard van het project; anders zou men het onderzoekproject steeds zo specifiek kunnen omschrijven, dat de keuze alleen op het ingevoerde apparaat kan vallen. Uiteindelijk moet, zoals de Commissie haar redenering op blz. 7 samenvat, „bij een beschikking inzake vrijdom van douanerechten stellig rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, doch zij moet steeds van algemene aard zijn. Dit betekent, dat de beschikking wordt gegeven op basis van algemene criteria en dat het niet mogelijk is om ieder onderzoekproject in alle details te bestuderen.”
Zoals gezegd, ben ik het met deze opvatting niet eens. Ik meen dat zowel de letter van de regeling, die voorschrijft dat de kenmerken van een apparaat met het oog op de beoogde specifieke werkzaamheden moeten worden onderzocht, als het doel waarvoor de regeling is gegeven, zich daartegen verzetten. Verordening nr. 1798/75 heeft immers tot doel, het vrije verkeer van ideeën, de uitoefening van culturele activiteiten en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek binnen de Gemeenschap te bevorderen, door de invoer van de daartoe benodigde apparaten „zoveel mogelijk” vrij te stellen van douanerechten. Daarom kan het met zekerheid worden uitgesloten dat de opstellers van de regeling een oppervlakkig onderzoek van de onderzoekprojecten geoorloofd of zelfs verplicht hebben geacht, enkel om het werk van de douane te vereenvoudigen. Integendeel, alles wijst erop dat zij aan een zeer grondig onderzoek hebben gedacht; zo hebben zij bijvoorbeeld in de mogelijkheid voorzien, dat de deskundigen van het Comité worden ingeschakeld wanneer de nationale autoriteiten menen, dat zij ook na overleg met „de belanghebbende economische kringen” (artikel 7, leden 1 en 2, van verordening 2784/79) niet tot een bevredigende beslissing hebben kunnen komen.
Dit is echter nog niet alles. Gelet op de voorschriften die bepalen, welke documentatie de wetenschappelijke instelling bij haar verzoek om vrijstelling moet voegen, rijst de vraag, waarom zij alle nodige gegevens moet verstrekken over de technische kenmerken van het ingevoerde apparaat: de naam en het adres van het bedrijf of de bedrijven in de Gemeenschap, waarbij de nodige stappen werden gedaan met het oog op de leverantie van een apparaat van gelijke wetenschappelijke waarde; de redenen waarom zij meent dat dit apparaat niet voor de beoogde „bijzondere wetenschappelijke activiteiten” kan worden gebruikt. Waarom — ik herhaal — zoveel nauwkeurige gegevens verlangen, wanneer deze er niet toe dienen de deskundigen in staat te stellen, een vergelijking te maken door de activiteiten in alle details te onderzoeken ? Is het overigens niet zo dat, gelijk het Hof zelf verlangt, „de geschiktheid van de apparaten voor het verrichten van de experimenten waarvoor de gebruiker het ingevoerde apparaat heeft bestemd”, slechts door een gedetailleerd onderzoek ervan kan worden beoordeeld ?
6.
Blijkens het voorgaande heeft de Commissie derhalve door een onjuiste uitlegging van de regeling inzake de vrije invoer haar oordeel omtrent de gelijkwaardigheid niet gebaseerd op de concrete aspecten doch op de loutere aard van het door de Goethe-Universität voorgenomen onderzoekproject. Zij heeft derhalve onvoldoende betekenis toegekend aan een bijzonder kenmerk van de ingevoerde laser, dat de universiteit onontbeerlijk achtte voor een goede uitvoering van genoemd project.
Hieruit volgt, dat de bestreden maatregel op rechtsdwaling berust. Ik geef het Hof derhalve in overweging, de door het Finanzgericht Hessen bij beschikking van 21 december 1983 gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
Beschikking nr. 82/83 van de Commissie van 23 december 1981, waarbij wordt vastgesteld dat het apparaat genaamd „Quanta Ray Nd: YAG laboratory laser system, model DCR-1A” niet met vrijstelling van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief kan worden ingevoerd, is ongeldig.
( *1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy