CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
van 14 februari 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De onderhavige zaak betreft het beroep van I. Kypreos, strekkende tot nietigverklaring van de weigering van de Raad om hem na een algemeen vergelijkend onderzoek op de lijst van geschikte kandidaten te plaatsen. Luidens de aankondiging van het betrokken vergelijkend onderzoek, van 12 januari 1983, werd dit georganiseerd met het oog op de vorming van een aanwervingsreserve van Griekstalige typisten. Een der voorwaarden van het vergelijkend onderzoek luidde, dat de sollicitanten een grondige kennis van het Grieks en een behoorlijke kennis van een andere taal van de Gemeenschappen moesten bezitten.
Voorts werd van de sollicitanten verlangd, dat zij een bepaald opleidingsniveau hadden bereikt en een zekere beroepservaring hadden. Sollicitanten die aan de gestelde voorwaarden voldeden, werden tot het vergelijkend onderzoek, toegelaten. Zij dienden deel te nemen aan verplichte schriftelijke en mondelinge examenonderdelen. Daarnaast gaf de aankondiging van het vergelijkend onderzoek de sollicitanten de mogelijkheid om deel te nemen aan een facultatief examen in één van de genoemde talen, waaronder het Engels.
Kypreos diende zijn sollicitatie in en werd tot het algemeen vergelijkend onderzoek toegelaten, hetgeen hem op 6 juli 1983 ter kennis werd gebracht. Op 31 oktober 1983 werd hem meegedeeld, dat hij was geslaagd voor het schriftelijk examen.
Daarop nam hij deel aan het mondeling examen, doch bij brief van 2 december 1983 werd hem door de voorzitter van de jury meegedeeld, dat hij niet op de lijst van geschikte kandidaten voor de post van Griekstalig typist was geplaatst.
Naar aanleiding van deze brief heeft verzoeker op 4 januari 1984 het onderhavige beroep ingesteld, waarop de Raad zich er plotseling rekenschap van gaf dat de brief waarbij hij verzoeker had meegedeeld dat hij niet op de lijst was geplaatst, onvoldoende met redenen was omkleed. Derhalve heeft de Raad verzoeker bij brief van 22 februari 1984 de reden meegedeeld waarom hij niet op de lijst van geschikte kandidaten was geplaatst. De reden was, dat hij voor het tweede mondelinge onderdeel, betreffende zijn talenkennis, onvoldoende punten had behaald. Het maximum aantal punten voor deze proef was 20, het minimum 10, en de jury had verzoeker een 5 gegeven.
Op grond dat hij aanvankelijk geen redenen voor de afwijzing had meegedeeld, bood de Raad verzoeker evenwel aan, de door hem tot dan toe gemaakte kosten voor rechtsbijstand voor zijn rekening te nemen, indien hij afstand deed van zijn beroep. Verzoeker besloot de procedure voort te zetten.
Hij betoogt in de eerste plaats, dat het examen waarbij hij moest doen blijken van een behoorlijke kennis van een tweede taal, louter facultatief was. Daartoe verwijst hij naar het onderdeel van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, dat voorzag in een facultatief schriftelijk examen in een andere taal dan het Grieks.
Uit de bewoordingen van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek blijkt zonder meer, dat het mondeling examen in een tweede taal geen facultatief gedeelte van het algemeen vergelijkend onderzoek was, doch een van de essentiële onderdelen waarvoor de sollicitant moest slagen.
Voorts houdt verzoeker staande, dat hij een behoorlijke kennis heeft van het Engels. Daarenboven beweert hij dat hij bijzonder bedreven is in het typen en dat, aangezien hij als freelance voor het Bureau voor officiële publikaties der Europese Gemeenschappen in Luxemburg heeft gewerkt, zijn sollicitatie in dit stadium van het vergelijkend onderzoek onmogelijk kon worden afgewezen.
Naar aanleiding van deze argumenten is de jury verzocht, verzoekers punten opnieuw te onderzoeken. Na daartoe te zijn overgegaan deelde de jury op 23 maart 1984 mee, dat hij eenstemmig weigerde om op zijn waardering voor het betrokken onderdeel van het examen terug te komen, en dat verzoeker zelfs zeer royaal was beoordeeld.
Verzoeker betoogt dat van hem ten onrechte een kennis van het Engels op universitair niveau werd verlangd, alsmede dat hij niet naar behoren is geëxamineerd.
In gevallen als het onderhavige staat het in beginsel aan de jury om de talenkennis van de sollicitanten te beoordelen. Mijns inziens wijst niets in de stukken erop, dat de jury in enigerlei opzicht onjuist te werk zou zijn gegaan, en zijn er evenmin aanwijzingen dat van verzoeker een kennis op universitair niveau werd verlangd. Het examen duurde ongeveer dertig minuten, en de jury kwam tot de bevinding dat verzoekers kennis van het Engels niet voldeed.
Bovengenoemde bezwaren tegen het besluit van de jury moeten derhalve worden verworpen.
Verzoeker betoogt voorts dat het besluit van de jury, dat hem een baan en de Raad een bekwaam medewerker kost, op politieke overwegingen berustte. Verzoeker heeft zich kennelijk met politieke activiteiten beziggehouden, met name in verband met de verkiezingen van het Europees Parlement. Ook dit argument vindt nergens steun en moet mijns inziens volledig worden verworpen.
Tenslotte voert verzoeker aan, dat de jury onbillijk heeft gehandeld door geen rekening te houden met de omstandigheid, dat hij bijna de leeftijdsgrens voor vergelijkende onderzoeken als het onderhavige had bereikt, en dat men hem derhalve het voordeel van de twijfel had moeten gunnen.
Mijns inziens is dit argument evenmin gegrond. Het stond uitsluitend aan de jury om verzoekers kennis van de tweede taal te beoordelen, en voor de jury bestond er niet de minste twijfel, dat die kennis beneden het vereiste niveau lag.
Mitsdien concludeer ik tot verwerping van het beroep.
Wat de kosten betreft, lijkt het mij in de gegeven omstandigheden billijk dat de Raad verzoekers uitgaven voor zijn rekening neemt tot de dag waarop hem de redenen voor de afwijzing van zijn sollicitatie werden meegedeeld. De Raad had die redenen immers van meet af aan moeten opgeven. De Raad heeft verzoeker een passend aanbod gedaan, en het komt mij voor dat het Hof zich daarbij zou moeten aansluiten.
Met betrekking tot de na die datum gemaakte kosten komt het voor dat, ofschoon verzoeker geen ambtenaar van de Raad was, verzoeker en de Raad overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering hun eigen kosten moeten dragen.
( *1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy