CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN 29 NOVEMBER 1984
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In de onderhavige zaak vraagt appellante vernietiging van het besluit nr. 317/83/A van 1 juli 1983 van de Secretaris-generaal van het Economisch en Sociaal Comité. Zij vraagt deze vernietiging echter uitsluitend met betrekking tot de in het besluit voorkomende kwalificatie van „assistante de secrétariat adjointe”. De in dit besluit vervatte mutatie, te weten plaatsing op een nieuwe B 4/5, toegedeeld aan de dienst Courrier-Archives-Bibliothèque-Documentation, wordt niet aangevochten.
Door de genoemde kwalificatie voelt appellante zich benadeeld in haar promotiemogelijkheden. Zij valt daardoor in de categorie B-secretariaat (Bs), inhoudend het verrichten van secretariaats- en typewerkzaamheden en niet in de categorie B-classique (Bc), welke betrekking heeft op het verrichten van administratieve en bureauwerkzaamheden. Op de achtergrond van de totstandkoming van deze categorieën, welke reeds uit 1970 dateert, behoef ik niet in te gaan. Deze zijn voldoende belicht in het procesdossier en het rapport ter terechtzitting. Als vaststaand kan ook het verschil in promotiemogelijkheden binnen elk van deze categorieën worden beschouwd.
Zoals bleek uit de repliek en zoals ter zitting nog eens uitdrukkelijk werd herhaald, werd de bovengenoemde kwalificatie per besluit van 24 mei 1984 vervangen door die van „assistante adjointe”, hetgeen plaatsing in de categorie B-classique betekende. In zoverre heeft appellante dus bereikt hetgeen zij wilde. Ter toelichting dient nog het gegeven dat deze verandering samenhing met het beschikbaar komen van posten op de begroting, zoals de vertegenwoordiger van het Comité verklaarde.
De vraag is nu wat het overgebleven belang van appellante's vordering is. Dit betreft blijkens haar uiteenzettingen twee mogelijke aspecten die betrekking hebben op het toekomstige carrièrepatroon van appellante. Ten eerste de berekening van de anciënniteit in de rang. De vertegenwoordiger van het Comité heeft ter zitting, hetgeen door appellante niet is bestreden, uitdrukkelijk verklaard, dat ook de periode tussen 1 juli 1983 en 24 mei 1984 meetelt voor de berekening van de anciënniteit van verzoekster ten behoeve van haar promotiemogelijkheden, zodat een terugwerkende kracht van het laatstgenoemde besluit hiertoe niet vereist is. Een tweede eventueel relevant aspect betreft de concurrentie die appellante zou kunnen ondervinden bij haar verdere carrière in de categorie B-classique. Ook hier heeft het Comité thans duidelijk gemaakt, dat ambtenaren uit de categorieën Bs en Bt (B-technique) alleen voor een B-classique-post in aanmerking kunnen komen na succesvolle deelname aan een concours B-classique, terwijl omgekeerd de bezetter van een B-classique-post wèl kan mededingen naar een Bs- of Bt-post.
Ook in dat opzicht staat dus vast, dat verzoekster door het besluit van 24 mei 1984 thans van een tegenover Bs- of Bt-ambtenaren bevoorrechte positie bij promotiemogelijkheden in de B-classiquerangen verzekerd is, zonder dat dit aan haar eventuele promotiemogelijkheden in de andere B-rangen afbreuk doet.
Appellante's vordering is daarmede zonder voorwerp geraakt. Dit is echter niet aan haarzelf te wijten, maar aan het Comité, dat op de reeds eerder door Uw Hof gestelde vraag naar het overgebleven belang van haar beroep nà het besluit van 24 mei 1984, pas tijdens de mondelinge zitting duidelijk antwoord gaf.
Ik concludeer derhalve dat:
1.
De onderhavige vordering zonder voorwerp is geraakt;
2.
Het Comité in de kosten van de procedure, inclusief die van appellante, veroordeeld dient te worden.
Full & Egal Universal Law Academy