CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. DARMON
van 31 januari 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Van Gend & Loos NV importeerde in april 1981 uit Hong Kong een partij zeilen voor zeilplanken, die door het bevoegde douanekantoor werden ingedeeld onder post 62.04 van het gemeenschappelijk douanetarief (hierna: GDT). Van Gend & Loos was het hier niet mee eens en bracht de zaak voor de Nederlandse Tariefcommissie die het Hof thans verzoekt om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Moeten zeilen als in dit geding aan de orde — welke zijn vervaardigd van synthetische textielvezels en specifiek zijn bestemd voor surfplanken — worden aangemerkt als scheepszeilen in de zin van post 62.04 van het gemeenschappelijk douanetarief ?”
2.
Het hiermee aan de orde gestelde indelingsprobleem vindt zijn oorzaak in de recente verschijning op de markt van een nieuw „produkt” waarmee bij de inwerkingtreding van het GDT geen rekening kon worden gehouden. Twee posten van het GDT komen in aanmerking:
—
post 62.04 B a a), die onder meer betrekking heeft op „scheepszeilen van synthetische textielvezels”;
—
post 97.06 C, die betrekking heeft op „artikelen en toestellen voor openluchtspelen voor gymnastiek, voor atletiek en voor andere sporten”, andere dan artikelen voor cricket en polo en tennisrackets.
3.
Blijkens de verwijzingsbeschikking wenst verzoekster in het hoofdgeding zeilen voor zeilplanken te zien ingedeeld onder post 97.06 C. Zij meent dat deze zeilen, ook wanneer zij afzonderlijk worden ingevoerd als onderdelen van zeilplanken onder dit hoofdstuk vallen. Aantekening 4 op hoofdstuk 97 bepaalt immers: „Met inachtneming van het bepaalde in Aantekening 1 hiervoor, worden delen, onderdelen en toebehoren waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor de artikelen bedoeld bij een der posten van dit hoofdstuk, ingedeeld als deze artikelen.” Bovendien heeft de Commissie bij tarifering nr. 6 van 11 september 1979, zeilplanken ingedeeld onder post 97.06.
Anderzijds stelt verzoekster, dat zeilen voor zeilplanken niet onder post 62.04 Bla) kunnen worden ingedeeld omdat, zo meent zij, de lijst van de daaronder vallende produkten limitatief is. Voorts wijst zij op de bijzondere kenmerken waardoor zeilen voor zeilplanken zich onderscheiden van zeilen voor schepen en zeilwagens, welke volgens de IDR-toelichtingen onder deze post vallen.
4.
Anders dan verzoekster meen ik echter — en hiermee lijk ik mij te bevinden in het gezelschap van de verwijzende rechter en in ieder geval van de Commissie — dat zeilen die in het bijzonder bestemd zijn voor zeilplanken, onder post 62.04 Bla) vallen indien zij afzonderlijk worden ingevoerd.
De verwijzende rechter betwijfelt echter, of het begrip „scheepszeilen” zich wel leent voor extensieve uitlegging, zulks gezien het blijkbaar restrictieve karakter van het begrip „schepen” in hoofdstuk 89 van het GDŤ („Scheepvaart”). Wij kunnen hier volstaan met erop te wijzen, dat post 62.04 niet op schepen zelf betrekking heeft, doch alleen op „scheepszeilen”; het opgeworpen probleem zou zich dus eventueel alleen voordoen wanneer het ging om de tariefindeling van volledige zeilplanken.
Hoewel overeenkomstig de boven aangehaalde aantekening nr. 4 bij hoofdstuk 97 zeilen die bestemd zijn voor zeilplanken, als onderdelen hiervan op dezelfde wijze als de planken moeten worden ingedeeld, geldt dit alleen „met inachtneming van” het bepaalde in aantekening 1 f), die „zeilen voor boten of voor zeilwagens, bedoeld bij een der posten van hoofdstuk 62” uitdrukkelijk uitsluit.
Men behoeft dus alleen maar hoofdstuk 97 te lezen om te concluderen dat enkel zeilen die tezamen met de zeilplanken worden ingevoerd, onder post 97.06 C vallen. Daarentegen moeten afzonderlijk ingevoerde zeilen onder post 62.04 worden ingedeeld, want deze omvat volgens de IDR-toelichtingen „scheepszeilen (voor zeilschepen, jachten vissersvaartuigen, zeilsportschepen enz.” alsmede „soortgelijke zeilen welke b.v. bestemd zijn voor zeilwagens en zeilsleden)” (cursivering van mij).
Deze opsomming is dus geenszins limitatief, doch gewoon enuntiatief. Het staat trouwens buiten kijf, dat de verschillende soorten zeilen, op welk voer- of vaartuig zij ook worden gebruikt, dezelfde functie hebben en op overeenkomstige wijze uit overeenkomstige stoffen zijn vervaardigd.
Daarom valt niet in te zien, waarom voor zeilen voor zeilplanken, die afzonderlijk worden geleverd, een ander tarief zou moeten gelden dan voor zeilen voor zeilwagens of zeilsleden.
5.
Concluderend geef ik het Hof in overweging, de gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
Zeilen die zijn vervaardigd van synthetische textielvezels en specifiek bestemd zijn voor zeilplanken, moeten worden aangemerkt als scheepszeilen in de zin van post 62.04 B I a) van het GDT.
( *1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy