CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. O. LENZ
van 28 februari 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Ook in de tweede zaak waarin ik heden conclusie neem, gaat het om mcb's, doch ditmaal om die welke zijn vastgesteld bij verordening nr. 3013/80 (PB 1980, L 312, biz. 12), terwijl de feiten betrekking hebben op een land met een zogenaamde sterke valuta.
A.
Verzoeksters in het hoofdgeding, die maisverwerkende bedrijven exploiteren, hebben tussen 24 november en 8 december 1980 glucose (dextrose) van de posten 17.02 B I a en 17.02 B II b van het GDT alsmede maiszetmeel van post 11.08 A I uitgevoerd, respectievelijk mais met aanspraak op restituties onder de regeling actieve veredeling gebracht, met het oog op verwerking tot produkten van de voornoemde posten. De hun daarvoor krachtens de in de aanhef vermelde verordening uitbetaalde mcb's vinden zij evenwel te laag. Volgens verordening nr. 974/71 moet het mcb bij in- en uitvoer van een zelfde produkt even hoog zijn, en huns inziens moet dit ook gelden voor de verhouding basisprodukt — verwerkt produkt. Voor mais en de daaruit verkregen produkten zou dit echter niet het geval zijn; de som van de mcb's voor laatstgenoemde produkten zou duidelijk lager zijn dan het mcb voor mais (op de exacte cijfers kom ik nog terug). De situatie zou des te ernstiger zijn omdat voor maiskiemen, een bijprodukt waarvoor nagenoeg geen handel en geen exportmarkt zouden bestaan, wél mcb's zijn vastgesteld, terwijl bij de uitvoer van kiemen, kiemolie of veevoerder (produkten die in een moderne verwerkingsketen op basis van kiemen worden vervaardigd) geen mcb's worden toegekend. Verordening nr. 3013/80 zou derhalve niet in overeenstemming zijn met de reeds genoemde verordening nr. 974/71, de basisregeling inzake mcb's. Waar bovendien de verwerkende bedrijven in landen met een zogenaamde zwakke valuta een even groot voordeel genieten, zou ook sprake zijn van schending van de artikelen 3, sub f, 9 e v en 43 EEG-Verdrag.
Na hun standpunt zonder succes te hebben verdedigd in een bezwaarprocedure tegen de mcb-beschikkingen van 16 december 1980 en 5 januari 1981 (cf. beslissing van 5 mei 1981), zijn de betrokken ondernemingen in beroep gegaan bij het Finanzgericht te Hamburg.
Het Finanzgericht stelde vast, dat bij een produktieketen mais/zetmeel/gluten/kiemen (gelijk reeds aan de orde is geweest in andere uitspraken van het Hof, waarop ik nog zal ingaan) ingevolge verordening nr. 3013/80 bij de uitvoer van maiszetmeel en glucose (alle bijprodukten in aanmerking genomen) een mcb wordt toegekend dat DM 2,14 per ton lager is dan dat wat moet worden betaald bij de invoer van de voor de vervaardiging van deze produkten benodigde hoeveelheid mais. Gelet op de relevante rechtspraak van het Hof, betwijfelt het Finanzgericht of een dergelijke — niet geheel te verwaarlozen — verzwaring van de door de verwerkende bedrijven in landen met een sterke valuta te dragen last in overeenstemming is te brengen met verordening nr. 974/71, en vraagt het zich af of deze situatie niet leidt tot discriminatie ten opzichte van de verwerkende bedrijven in landen met een zwakke valuta, waarvan de last in overeenkomstige mate wordt verlicht. Daarom heeft het bij beschikking van 6 januari 1984 de behandeling van de zaak geschorst en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1)
Is verordening (EEG) nr. 3013/80 van de Commissie van 21 november 1980 ongeldig, in zoverre de monetair compenserende bedragen voor de navolgende, onder de posten van het gemeenschappelijk douanetarief vallende produkten niet hoger zijn dan hierna vermeld :
—
11.08 AI DM 50,69
—
17.02 B Ia DM 66,13
—
17.02 B II b DM 50,69
—
23.03 A I DM 67,14
—
11.02 G II DM 11,33
2)
Zo ja, welke zijn de gevolgen van de ongeldigheid ?”
B.
Mijn standpunt in dezen is als volgt:
1.
Zoals bekend, is de verordening waarvan de geldigheid thans moet worden getoetst, vastgesteld in november 1980, dus nadat het Hof in zijn arresten van 15 oktober 1980 kritiek had geuit op de berekening van de mcb's voor, onder meer, verwerkte produkten op basis van mais.
a)
In die zaken heeft het Hof een aantal principiële uitspraken gedaan. Het wees erop, dat de berekening van de invloed van het voor een basisprodukt vastgestelde mcb op de prijzen van de afhankelijke produkten, moeilijke problemen van technische en economische aard doet rijzen. Om die reden moet de Commissie over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken, met name voor wat betreft:
—
bestaande of dreigende verstoringen van het handelsverkeer;
—
het aantal afhankelijke produkten waarvoor een mcb moet worden vastgesteld, en
—
de invloed van het mcb voor het basisprodukt op de prijs van het afhankelijke produkt
(zaak 4/79, Providence agricole de la Champagne, Jurispr. 1980, blz. 2823, r.o 27). De Commissie moet eveneens rekening kunnen houden met de verschillen tussen de produktievoorwaarden in de verschillende Lid-Staten, en in zoverre kunnen globale beoordelingen toelaatbaar zijn (r.o. 36), ook wanneer zij voor een bepaalde onderneming of groep producenten mogelijk niet geheel adequaat zijn (r.o. 27). Anderzijds werd echter ook beklemtoond, dat de beoordelingsvrijheid van de Commissie aan beperkingen is gebonden. Zo mag de toegepaste berekeningsmethode niet tot gevolg hebben, dat verwerkte produkten systematisch worden onderworpen aan mcb's waarvan de last — of, in voorkomend geval, het voordeel — voortdurend groter is dan noodzakelijk is om rekening te houden met de invloed van het mcb voor het basisprodukt (r.o. 28). Dit bracht het Hof in verband met de in het hoofdgeding aan de orde gestelde problematiek tot de conclusie, dat de som van de mcb's voor afgeleide produkten niet groter mag zijn dan het compenserend bedrag voor het basisprodukt.
b)
Aangezien de destijds ter discussie staande verordeningen niet met deze norm strookten, werden zij ongeldig verklaard wegens strijd met verordening nr. 974/71 en artikel 43, lid 3, sub b, EEG-Verdrag (arresten in de zaken 4/79, reeds aangehaald, en 109/79, Maïseries de Beauce, Jurispr. 1980, blz. 2883, waarin het ging om gries en griesmeel van mais). De verordeningen die aan de orde waren in zaak 145/79 (Roquette Frères, Jurispr. 1980, blz. 2917), waarin het onder meer om maiszetmeel ging, werden voor wat verwerkte produkten op basis van mais betreft niet enkel om voornoemde reden ongeldig verklaard, maar ook — zoals ik reeds zei in mijn conclusie in zaak 33/84 (Fragd, Jurispr. 1985, blz. 606) — op grond dat de mcb's voor maiszetmeel waren vastgesteld op een andere grondslag dan die van de interventieprijs van mais, verminderd met de restitutie bij de produktie van zetmeel.
2.
Blijkens de considerans heeft de Commissie deze uitspraken in verordening nr. 3013/80 willen verdisconteren. Gelijk ik reeds bij het relaas van de feiten opmerkte, menen verzoeksters evenwel dat de Commissie daarbij niet correct te werk is gegaan, maar om zo te zeggen aan het doel voorbij is geschoten.
a)
Ten bewijze daarvan hebben verzoeksters de mcb's die van toepassing zijn bij de invoer van mais, vergeleken met het totaal van de mcb's voor de verwerkte produkten, verkregen bij de fabricage van maiszetmeel (of van glucose), en aangetoond dat — alle bijprodukten in aanmerking genomen — het eerste bedrag DM 2,14 per ton hoger is dan het laatste. In werkelijkheid zou dit verschil — in het nadeel van de Duitse verwerkende bedrijven — nog groter zijn, omdat de mcb's voor maiskiemen eigenlijk buiten beschouwing zouden moeten worden gelaten: voor dit produkt zou geen markt bestaan en voor de bij de verdere verwerking daarvan verkregen produkten zouden geen mcb's zijn vastgesteld. Daardoor zouden de verwerkende bedrijven in landen met een sterke valuta in zeer ernstige mate zijn benadeeld, terwijl die in landen met een zwakke valuta in overeenkomstige mate zouden zijn bevoordeeld (welk voordeel nog zou worden vergroot door de omstandigheid dat zij niet gedwongen zijn om de bijprodukten uit te voeren).
Als ik het goed begrijp, heeft de Commissie de berekeningen van verzoeksters, die een verschil van DM 2,14 per ton mais te zien geven, niet betwist. Zij is evenwel van mening, dat geen bezwaar kan worden gemaakt tegen het feit dat zij mcb's heeft vastgesteld voor kiemen en gluten. Voor deze produkten zou immers wel een markt bestaan; bovendien zou in aanmerking moeten worden genomen, dat de verwerkingscoëfficiënt voor kiemen moest worden verminderd voor wat de produktie van gritz betreft, en dus onvermijdelijk ook voor wat de produktie van zetmeel betreft. Met betrekking tot het gereleveerde verschil wijst zij erop, dat zij na de voornoemde arresten verplicht was de mcb's voor verwerkte produkten te verlagen. Een mathematisch exact evenwicht zou daarbij niet te verwezenlijken zijn geweest. Bovendien zou het bij het door verzoeksters genoemde bedrag slechts om een gering verschil gaan. Ten slotte zou niet uit het oog mogen worden verloren, dat zij ernaar heeft gestreefd alle voor- en nadelen globaal te compenseren. Daarin zou zij zijn geslaagd, aangezien verwerkende bedrijven in landen met een sterke valuta bij uitvoer naar derde landen een ongeveer gelijk voordeel hebben, omdat bij uitvoer naar derde landen de produktierestitutie moet worden terugbetaald en de aldus verminderde uitvoerrestitutie moet worden vermenigvuldigd met de monetaire coëfficiënt.
b)
Ten aanzien van dit dispuut wil ik het volgende opmerken:
aa)
Wat de in de prejudiciële vraag genoemde post 17.02 Bla betreft — voor de produkten waarvan, als ik bijlage I bij verordening nr. 3013/80 en voetnoot 7 goed begrijp, een mcb van DM 66,13 per ton gold — blijkt uit de vergelijkende berekeningen niet, dat de som van de voor alle verwerkte produkten vastgestelde mcb's kleiner was dan het mcb voor mais. Mijns inziens kan dit produkt daarom bij de toetsing van de geldigheid van verordening nr. 3013/80 buiten beschouwing blijven.
bb)
Verzoeksters menen, dat bij de vraag of de voor de voornaamste verwerkte produkten vastgestelde mcb's juist zijn, geen rekening mag worden gehouden met die voor kiemen en gluten (zodat het voor de voornaamste afgeleide produkten berekende verschil nog groter zou worden). Deze redenering gaat mijns inziens niet op.
Hiervoor kan zeker geen steun worden gevonden in het feit, dat in de door verzoeksters aangehaalde richtlijn van de Commissie van 7 juni 1979 betreffende de vaststelling van forfaitaire opbrengstpercentages voor bepaalde handelingen in het kader van het actieve veredelingsverkeer (PB 1979, L 170, biz. 5), bij de voor de produktie van maiszetmeel relevante verwerkingsvolgorde maiskiemen niet zijn vermeld, maar alleen de produkten die bij verdere verwerking worden verkregen, namelijk kiemolie, perskoeken van kiemen en afvallen. Ofschoon in de considerans van de richtlijn wordt gesproken van een gedetailleerd onderzoek van de bestaande produktiehandelingen, mag niet worden vergeten dat de richtlijn betrekking heeft op douaneheffingen, die onder meer een beschermende functie hebben ten opzichte van invoer uit derde landen, welk aspect in het kader van de monetaire compensatie juist buiten beschouwing moet worden gelaten. Voorts is belangrijk, dat de richtlijn is vastgesteld vóór de uitspraak van de bovenbedoelde arresten. De destijds door de Commissie verdedigde stelling, dat er voor maiskiemen praktisch geen markt bestond, is in deze arresten echter verworpen, zodat zij daarmee rekening had te houden bij de noodzakelijk geworden aanpassing van de mcb's en zich niet kon laten leiden door andere inzichten, zoals die waarop de genoemde richtlijn berustte.
Bezien op het niveau van de Gemeenschap (het juiste uitgangspunt, want wij mogen ons niet beperken tot de door verzoeksters beschreven uitvoer uit Duitsland), blijkt de markt voor kiemen en gluten inderdaad niet zeer belangrijk te zijn. Bij de herziening van de mcb's heeft de Commissie hiermee overigens rekening gehouden door de verwerkingscoëfficiënt voor kiemen te verlagen. Het valt echter niet te ontkennen, dat er een handel van een zekere betekenis bestaat, die zelfs in omvang toeneemt (naar verzoeksters toegeven, ten gevolge van een uitbreiding van de verwerkingscapaciteit). In 1983 had de handel in gluten een omvang van rond 70000 ton (waarvan 15000 ton intracommunautair) bij een totale produktie van 215000 ton, en de handel in kiemen een omvang van rond 65000 ton bij een totale produktie van 260000 ton. Bij dergelijke cijfers kan de opneming van deze produkten in het stelsel van monetaire compensatie niet als onjuist worden beschouwd; de Commissie heeft in deze, dat wil zeggen met betrekking tot de uitbreiding van dit stelsel tot de verwerkte produkten van een produktieketen, trouwens een discretionaire bevoegdheid. Gelet op 's Hofs rechtspraak volgens welke de Commissie over een discretionaire bevoegdheid beschikt bij de vraag of er verstoringen van het handelsverkeer dreigen op te treden, kan met name niet het argument van de hand worden gewezen, dat zonder mcb's het gevaar zou bestaan van een plotse stijging van de uitvoer van dergelijke produkten uit de landen met een zwakke valuta, die de gemeenschappelijke markt ernstig zou kunnen verstoren.
De opvatting van verzoeksters, dat tussen het mcb voor mais en de som van de mcb's voor de verwerkte produkten een groter verschil bestaat dan hiervóór gesteld, omdat de mcb's voor kiemen en gluten niet mogen worden meegerekend, kan derhalve niet worden aanvaard.
cc)
Anderzijds kan ik de opvatting van de Commissie niet delen, dat het door verzoeksters gestelde en door haar erkende verschil dermate gering is, dat daarover niet kan worden geklaagd.
In dit verband mag niet worden vergeten, dat voor mcb's het vereiste van een strikte neutraliteit geldt, gelijk in de rechtspraak is beklemtoond (zaak 4/79, r.o. 24). De plafonnering van de mcb's voor verwerkte produkten, welke als noodzakelijk uitvloeisel van dat vereiste werd gezien voor landen met een zwakke valuta, moet mutatis mutandis ook gelden voor landen met een sterke valuta, dat wil zeggen dat de Commissie ervoor heeft te zorgen dat de som van de mcb's voor verwerkte produkten het mcb voor het basisprodukt zo dicht mogelijk benadert.
In het onderhavige geval is er ook geen sprake van dat, indien verzoeksters bepaalde nadelen ondervinden, dit een gevolg is van bijzondere omstandigheden bij de produktie, die de Commissie bij de geoorloofde forfaitaire berekening niet in aanmerking zou behoeven te nemen. Verzoeksters baseren hun berekeningen immers op dezelfde produktieketen als waarvan de Commissie is uitgegaan. De Commissie was op grond van voormelde arresten weliswaar gedwongen om de mcb's voor verwerkte produkten te verlagen, doch die verlaging behoefde daarom nog geen zodanige omvang aan te nemen, dat verwerkende bedrijven in landen met een zwakke valuta duidelijk zouden worden bevoordeeld. En wanneer zij stelt, dat zij in verband met de gritzproduktie een andere verwerkingscoëfficiënt voor kiemen moest vaststellen (die zij ook op de maiszetmeelproduktie moest toepassen, omdat er in verband met controle-eisen niet kon worden gedifferentieerd), dan had zij dit toch zeker kunnen opvangen door het compenserend bedrag voor het voornaamste verwerkte produkt op een zodanig peil vast te stellen, dat een volkomen evenwicht dichter werd benaderd.
Voor de vraag of van een gering verschil kan worden gesproken, moet — in ieder geval vanuit de optiek van artikel 43, lid 3, sub b, EEG-Verdrag — niet in het laatst ook de omstandigheid in aanmerking worden genomen, dat tegenover het aangetoonde nadeel voor ondernemingen in landen met een gerevalueerde munt, een voordeel voor ondernemingen in landen met een gedevalueerde munt staat, dat nog wordt vergroot doordat zij niet verplicht zijn om alle bijprodukten waarvoor mcb's zijn ingesteld, uit te voeren. Dit leidt weliswaar niet zonder meer tot een verdubbeling van genoemd cijfer (omdat de mcb's worden bepaald door de onderscheiden monetaire factoren), maar het verschil wordt niettemin zodanig vergroot, dat het door verzoeksters gestelde nadeel (door de Commissie begroot op 5,9% van het mcb voor mais) niet als gering kan worden beschouwd.
dd)
Ten slotte moet ik nog ingaan op het verweer van de Commissie — blijkbaar tevens haar voornaamste rechtvaardigingsgrond -, dat het gestelde nadeel moet worden bezien in verband met haar streven naar een globaal evenwicht van het stelsel van monetaire compensatie.
Daartoe heeft zij aangevoerd, dat bij de berekening van de mcb's voor uitvoer naar derde landen — doordat de produktierestitutie van de uitvoerrestitutie moet worden afgetrokken en daarop de monetaire coëfficiënt moet worden toegepast — ondernemingen in landen met een sterke valuta over het geheel genomen worden bevoordeeld, omdat de monetaire coëfficiënt eigenlijk is afgestemd op de integrale uitvoerrestitutie. Zo zou (de mcb's voor afvallen meegerekend) een voordeel ontstaan dat grosso modo opweegt tegen het nadeel dat zich voordoet in het intracommunautaire handelsverkeer, zodat over het geheel genomen kan worden gesteld, dat de monetaire compensatie neutraal is en de mededinging niet beïnvloedt.
Dit vraagt om enkele kritische kanttekeningen.
Zo vraag ik mij af, of daarvoor een rechtsgrondslag is te vinden in verordening nr. 974/71 van de Raad. Deze verordening heeft immers ten doel, „moeilijkheden in verband met de goede werking van de gemeenschappelijke markt” te voorkomen (cursivering van mij), die zich „naar aanleiding van de tijdelijke verruiming van de fluctuatiemarges van de valuta.s van sommige Lid-Staten” zouden kunnen voordoen (cf. de titel en de derde overweging van verordening nr. 974/71). Een afstemming van de mcb's op de intracommunautaire handelsverhoudingen lijkt het meest in overeenstemming met deze doelstellingen te zijn. Zo overwoog het Hof in zaak 4/79 onder meer, dat de instelling van mcb's de handhaving beoogt van eenvormige prijzen als grondslag van het vrije verkeer van landbouwprodukten binnen de Gemeenschap (r.o. 20). Daarbij gaat het erom, „het handelsverkeer binnen de Gemeenschap analoge voorwaarden te verzekeren als op een nationale markt bestaan” (r.o. 25). Het Hof wees er zelfs op, dat een zo ver mogelijk doorgevoerde neutraliteit van de mcb's in het intracommunautaire handelsverkeer het voornaamste doel van het stelsel is, en niet mag worden opgeofferd aan de doelstelling, die mcb's in bepaalde handelsbetrekkingen met derde landen een beschermende functie verlenen (r.o. 40). Het is de vraag, of hiermee het betoog van de Commissie te verenigen is, dat ondernemingen in landen met een sterke valuta in het intracommunautaire handelsverkeer op het stuk van de monetaire compensatie nadelen moeten accepteren, omdat zij deze in het handelsverkeer met derde landen kunnen goedmaken, dan wel of dit niet — zoals verzoeksters menen — buiten de zaak staande argumenten zijn.
Verder verbaast het mij, dat de Commissie in de onderhavige zaak een beroep doet op verordening nr. 1372/81 van 19 mei 1981, terwijl de betrokken uitvoer heeft plaatsgevonden in november en december 1980. In het kader van een analoge argumentatie in zaak 46/84 (Nordgetreide, Jurispr. 1985-8) — waarin het eveneens om in 1980 verrichte uitvoer ging — stelde zij enkel dat bij uitvoer naar derde landen een voordeel ontstaat, omdat de mcb's voor verwerkte produkten worden berekend op basis van de interventieprijs voor mais, zonder aftrek van de produktierestitutie. Ik zie niet goed, hoe dit op een gemeenschappelijke noemer kan worden gebracht.
Daarenboven moet ik zeggen, dat mij uit de opmerkingen van de Commissie (die, zoals bekend, ter terechtzitting in antwoord op vragen van het Hof onder meer heeft verklaard, dat uitvoerrestituties vooraf worden vastgesteld, terwijl voor de monetaire coëfficiënt de dag van daadwerkelijke uitvoer wordt aangehouden) niet geheel duidelijk is geworden, waarom het ontstaan van een voordeel bij de uitvoer naar derde landen onvermijdelijk zou zijn, noch ook waarom daarvoor geen ander tegenwicht zou kunnen worden gevonden dan het nadeel dat in de intracommunautaire handel bestaat.
Ten slotte mis ik ook een overeenkomstige bewijsvoering voor landen met een zwakke valuta (zonder welke mijns inziens niet van een globaal evenwicht kan worden gesproken). Zo had moeten worden aangetoond, dat in dat geval tegenover het voordeel dat in de intracommunautaire handel uit het stelsel van monetaire compensatie voortvloeit, een nadeel bij uitvoer naar derde landen staat, en bovendien dat dit nadeel ook werkelijk voelbaar is. Zeker dit laatste mag worden betwijfeld, omdat blijkens de overgelegde statistieken (bijlage 1 bij de memorie van de Commissie) de omvang van de handel in maiszetmeel binnen de EG zich in 1979 en 1980 tot de omvang van de handel met derde landen verhoudt als 3 tot 2. Uit deze verhouding volgt dus per saldo een voordeel voor de interne handel en een nadeel voor de uitvoer naar derde landen. Met name blijkt, dat de uitvoer van maiszetmeel uit Frankrijk (een land met een zwakke valuta) naar derde landen in 1979 en 1980 maar net de helft van de intracommunautaire handel bedroeg.
Ik ben derhalve van mening dat het verweer van de Commissie ontleend aan het bestaan van een globaal evenwicht, niet kan slagen. Dit laat geen andere conclusie toe dan dat de mcb's in verordening nr. 3013/80, voor wat de posten 11.08 A I, 17.02 B II b, 23.03 AI en 11.02 G II betreft, onjuist zijn vastgesteld en dat de verordening, gelet op de rechtspraak met betrekking tot basisverordening nr. 974/71 en artikel 43 EEG-Verdrag, in zoverre ongeldig is. Mocht het Hof niet tot een uitspraak in deze zin bereid zijn, dan ware een heropening van de mondelinge behandeling te overwegen om dit vraagstuk verder op te helderen.
3.
Voor het geval dat het Hof uitspraak zou doen in vorenbedoelde zin, heeft het Finanzgericht nog de vraag gesteld, welke gevolgen de ongeldigheid heeft.
Na mijn opmerkingen in zaak 33/84 kan ik hierover betrekkelijk kort zijn.
a)
Mijns inziens moet in beginsel de rechtspraak worden gevolgd die is vastgelegd in, onder meer, zaak 4/79.
Ik meen, met andere woorden, dat artikel 174 EEG-Verdrag op overeenkomstige wijze moet worden toegepast in prejudiciële procedures die tot ongeldigverklaring van een verordening leiden, wanneer de omstandigheden een beperking in de tijd van de gevolgen van die ongeldigverklaring noodzakelijk maken.
Ook ben ik er in beginsel voorstander van, de ongeldigverklaring van verordening nr. 3103/80 slechts gevolgen te laten sorteren vanaf de uitspraak van het arrest. Het is weliswaar juist, dat voor ondernemingen die mcb's bij de uitvoer hebben ontvangen, na de ongeldigverklaring zonder bezwaar met terugwerkende kracht een herberekening kan worden verricht wanneer zulks slechts tot verhoging van de bedragen leidt, doch zoals bekend zijn dit — en de opheffing van in het verleden bestaande, voor ondernemingen in landen met een sterke valuta nadelige distorsies van de mededinging — in dit verband niet de enige relevante aspecten. Van belang is ook, dat in geval van terugwerkende kracht eventueel een naheffing van mcb's dreigt voor ondernemingen in landen met een zwakke valuta en dat verordening nr. 1697/79 (die bij verordening nr. 1371/81 van toepassing is verklaard op de in het intracommunautaire handelsverkeer te heffen mcb's) in zoverre mogelijk onvoldoende bescherming biedt. Bovendien is van belang dat, indien het Hof in bovenvermelde zaken de terugwerkende kracht heeft uitgesloten, de voornaamste reden daarvoor was dat zich wegens het gebrek aan eenvormigheid van de nationale wettelijke regelingen inzake navordering en terugbetaling nieuwe ongewenste distorsies van de mededinging zouden kunnen voordoen. Dit zou ook in het onderhavige geval, waarin het toch om een verordening uit 1980 gaat, moeilijk aanvaardbaar zijn.
b)
Zoals ik reeds zei in zaak 33/84, zou er hoogstens aan kunnen worden gedacht om — in het belang van een doeltreffende rechtsbescherming en van de „Einzelfallgerechtigkeit” — een uitzondering op de starre regel te maken door te bepalen, dat al wie vóór de uitspraak van het arrest tijdig een rechtsmiddel heeft aangewend en aldus heeft verhinderd dat mcb-beschikkingen onherroepelijk werden, zich op de door hem verkregen ongeldigverklaring kan beroepen. Blijkens de beschrijving van de feiten lijkt dit het geval te zijn voor verzoeksters in het onderhavige geding.
C.
Op grond van het voorgaande stel ik voor, de vragen van het Finanzgericht te Hamburg te beantwoorden als volgt:
a)
Verordening nr. 3013/80 is ongeldig voor wat de daarbij vastgestelde mcb's voor de produkten van de posten 11.08 A I, 17.02 B II b, 23.03 A I en 11.02 G II van het gemeenschappelijk douanetarief betreft.
b)
Voor wat betreft het vóór de datum van dit arrest gelegen tijdvak, opent de erkenning van de ongeldigheid niet de weg voor betwisting van een door de nationale autoriteiten verrichte heffing of toekenning van mcb's, tenzij vóór dit tijdstip tijdig rechtsmiddelen zijn ingesteld tegen de beschikking waarbij de mcb's zijn geheven of toegekend.
( *1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy