CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
van 13 december 1984
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De relevante feiten
De in Brussel en Parijs gevestigde onderneming Casteels importeert reeds verschillende jaren uit de DDR roterende elektromotoren voor ruitewissers zonder wisserarm en wisserblad, maar voorzien van een overbrengingsmechanisme waardoor de roterende beweging in een heen- en weergaande wordt omgezet.
In de periode 12 mei 1978 — 21 november 1980 voerde Casteels-France 13 partijen elektromotoren en ruitewissers in, welke zij bij de Franse douane declareerde als vallend onder postonderverdeling 85.09 van het GDT (elektrische verlichtingstoestellen en elektrische signaal- en waarschuwingstoestellen, elektrische ruitewissers en elektrische toestellen om ijsafzetting op of om het beslaan van ruiten tegen te gaan, voor rijwielen en voor motorvoertuigen). De Franse douane deelde deze produkten echter in onder post 85.01 (generatoren, elektromotoren en roterende omvormers, etc.) en ging over tot vervolging van Casteels wegens valse aangifte. Deze strafzaak werd op 7 augustus 1981 tot een einde gebracht door de betaling van een geldboete van FF 590 000.
Deze afwijkende aangifte door Casteels-France vond kennelijk zijn grond in het feit dat in België wel post 85.09 van toepassing werd geacht. Deze afwijkende inzichten resulteerde in bij het dossier gevoegde correspondentie tussen België en Frankrijk met de Commissie, waarbij de eerste Lid-Staat de indeling onder post 85.09 motiveerde, de laatstgenoemde die onder post 85.01. Het indelingsprobleem werd opgenomen op de agenda van het Comité Nomenclatuuur van het GDT, welk lichaam zich met gekwalificeerde meerderheid van stemmen voor indeling onder post 85.01 uitsprak. De Belgische en Nederlandse delegaties namen een afwijkend standpunt in en achtten post 85.09 toepasselijk. Gevolggevend aan deze conclu- sie van het Comité stelde de Commissie een ontwerpverordening op waarin de door Frankrijk en de meerderheid van het Comité verdedigde opvatting werd neergelegd. Na een gunstig advies van het Comité bereikte deze tekst als verordening nr. 3529/83 op 12 december 1983 het Publikatieblad (PB L 352 van 1983 blz. 32).
2. De achtergrond van het beroep
Alvorens over te gaan tot bespreking van de ontvankelijkheid van dit beroep acht ik het nuttig een enkele opmerking te maken over de achtergrond van deze zaak. Op het eerste gezicht betreft dit geschil een nogal technische vraag over de indeling van ruitewissermotoren onder de posten 85.01 of 85.09. Dat de indeling onder punt 85.01 zo vanzelfsprekend is, als de Commissie doet voorkomen, lijkt mij overigens voor kritiek vatbaar. Zoals de Commissie zelf toegeeft, namen België en Nederland in het Comité een andersluidend standpunt in. Voorts heeft België verzocht de indeling aan de Internationale Douaneraad voor de leggen alvorens tot vaststelling van de gewraakte verordening over te gaan. Gebleken was immers dat een aantal derde landen wel post 85.09 van toepassing achten. Dit verzoek vond in het Comité echter geen bijval. Ook ter zitting bleek dat de indeling onder post 85.01 op grond van de technische eigenschappen van de betrokken produkten, niet zo vanzelfsprekend is. De werkelijke achtergrond van het Franse streven om post 85.01 van toepassing te verklaren, bleek uit het antwoord ter zitting gegeven op de vraag van Uw Hof waarom klager post 85.09 prefereerde in weerwil van het feit dat het tarief van post 85.01 lager is. Uit verordening nr. 3420/83 (PB L 346 van 1983, blz. 6) betreffende de niet-geliberaliseerde invoer uit Staatshandelslanden blijkt dat de invoer van onder post 85.01 vallende produkten uit de DDR door Frankrijk gecontingenteerd kan worden (zie blz. 71 Publikatieblad). Onder verwijzing naar hetgeen ik opmerkte in mijn conclusie in de zaak Binderer (147/83, uitgesproken op 11 december 1984), acht ik het ook hier bedenkelijk dat de Commissie in feite aan dit protectionistische argument heeft medegewerkt bij de voorbereiding van verordening nr. 3529/83. Ten aanzien van de douanetechnische argumenten, die beide partijen voor de door hen voorgestane indeling hebben aangevoerd volsta ik hier met de dubbele opmerking, dat de verordeningsvorm mij hier ter waarborging van een uniforme toepassing van het GDT inderdaad doelmatig lijkt, maar dat voor de keuze van elk der in aanmerking komende posten door partijen sterke argumenten zijn aangevoerd.
3. De ontvankelijkheid
Hoewel de Commissie geen exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft opgeworpen, is het beroep naar haar mening niettemin niet-ontvankelijk. Hoewel ik de zaak ten gronde, mede vanwege de reeds aangegeven protectionistische achtergronden, gaarne aan het oordeel van Uw Hof onderworpen zou zien, meen ik dat op grond van de bestaande rechtspraak, geen andersluidend standpunt verdedigd kan worden. Daaraan doet ook geen afbreuk het naar mijn oordeel niettemin belangrijke gegeven dat voor klager dan alleen de moeizame en tijdrovende weg openstaat beroep in te stellen bij de nationale rechter, welke eventueel op grond van artikel 177 EEG-Verdrag vragen over de wettigheid van verordening nr. 3529/83 tot Uw Hof zou kunnen richten.
Artikel 173, tweede alinea, van het EEG-Verdrag stelt, zoáls U weet, twee voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een door particulieren ingesteld beroep tegen rechtshandelingen van de Gemeenschap. Weliswaar kan met in casu wellicht van een „rechtstreeks” raken van betrokkene spreken, daar de toepassing van de litigieuze verordening door de douanediensten meer een declaratoir dan een constitutief karakter zal dragen. Stellig wordt verzoekster door de verordening echter niet „individueel geraakt” in de zin, waarin deze term uit artikel 173 in Uw arrest Plaumann (zaak 35/62, Jurispr. 1963, blz. 205) en vele daarop volgende arresten is uitgelegd. Klager wordt ten opzichte van de verordening niet ten opzichte van iedere andere importeur door bijzondere kwaliteiten of bijzondere feitelijke situaties geïndividualiseerd. Klager wordt slechts geraakt in zijn hoedanigheid van importeur van de betrokken produkten in de Gemeenschap, welke hoedanigheid op een ieder ander van toepassing kan zijn. De toetreding tot deze groep van importeurs, waarvan de omvang overigens niet bekend is, is door deze verordening niet uitgesloten. Volledigheidshalve voeg ik daar nog aan toe dat ook al staat de omvang van deze groep vast en ook al is een identificatie van de individuele importeurs mogelijk, dit op grond van onder meer Uw arrest 6/68 (Zuckerfabrik Watenstedt, Jurispr. 1968, blz. 579) geen argument oplevert om toch van individueel raken te spreken.
4. Conclusie
Concluderend stel ik U derhalve voor het beroep niet ontvankelijk te verklaren met veroordeling van verzoekster in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy