CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. F. MANCINI
van 21 mei 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
In een geding tussen Pietro Pinna en de Caisse d'allocations familiales de la Savoie verzoekt de Franse Cour de cassation het Hof om uitlegging van artikel 73, lid 2, van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2). Daarin wordt bepaald: „De werknemer op wie de Franse wettelijke regeling van toepassing is, heeft voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan Frankrijk wonen, recht op de kinderbijslagen waarin voorzien is door de wettelijke regeling van de Staat op het grondgebied waarvan deze gezinsleden wonen; de werknemer moet voldoen aan de voorwaarden inzake het verrichten van arbeid waarvan de Franse wettelijke regeling het recht op bijslagen afhankelijk stelt.” De verwijzende rechter wil inzonderheid vernemen, of deze bepaling nog geldig is en van kracht blijft en hoe het begrip woonplaats in de zin van deze bepaling moet worden begrepen.
2.
Pietro Pinna, van Italiaanse nationaliteit, werkt en woont met zijn gezin in Frankrijk en ontvangt de aldaar voorziene gezinsbijslagen. In het najaar van 1977 begaven zijn echtgenote en zijn twee kinderen zich naar Italië. Zijn oudste kind — een jongen — keerde naar Frankrijk terug op 31 december van hetzelfde jaar, en zijn dochter en echtgenote kwamen weer op 31 maart van het jaar daarop. Wegens dit verblijf in Italië weigerde de Caisse d'allocations familiales de la Savoie aan Pinna kinderbijslag te betalen voor zijn zoon over de periode van 1 oktober tot 31 december 1977 en voor zijn dochter over de periode van 1 oktober 1977 tot 31 maart 1978. Volgens haar moest de kinderbijslag ingevolge genoemd artikel 73, lid 2, immers worden betaald door het Italiaanse sociale-zekerheidsorgaan (Istituto nazionale della previdenza sociale) van de woonplaats van de twee kinderen in Italië (L'Aquila).
Na dit besluit vruchteloos te hebben aangevochten voor de Commission des recours gracieux, wendde Pinna zich tot de Commission de première instance du contentieux de la sécurité sociale te Chambéry; bij vonnis van 6 januari 1981 verwierp evenwel ook deze instantie het beroep van de Italiaanse wer op grond dat zijn situatie uitdrukkelijk was geregeld door artikel 73, lid 2, en de Caisse niet meer had gedaan dan deze bepaling toe te passen. Bij arrest van 15 mei 1981 bevestigde de Cour d'appel te Chambéry het vonnis van laatstgenoemde commissie. Daarop maakte Pinna de zaak aanhangig bij de Cour de cassation, waar hij de volgende middelen aanvoerde:
a)
Op grond van de vigerende Franse wettelijke regeling moesten zijn twee kinderen worden geacht in Frankrijk te wonen. Artikel L 511 van de Code de la sécurité sociale bepaalt immers, dat iedere Fransman of in Frankrijk wonende buitenlander die een of meer in dat land wonende kinderen te zijnen laste heeft, voor deze kinderen de in artikel L 510 genoemde gezinsbijslagen ontvangt. Voorts wordt krachtens de artikelen 2 en 6 van decreet nr. 46-2880 van 10 december 1946 (respectievelijk gewijzigd bij decreet nr. 78-378 van 17 maart 1978 en bij decreet nr. 65-524 van 29 juni 1965) geacht in Frankrijk te wonen het kind dat, met behoud van zijn familiebanden in Europees Frankrijk, waar het tot dan toe permanent woonde, tijdelijk buiten dit grondgebied verblijft gedurende een of meer perioden waarvan de totale duur niet meer bedraagt dan drie maanden per kalenderjaar.
b)
Artikel 73, lid 2, van verordening nr. 1408/71 houdt een zeer uitzonderlijke afwijking in van het beginsel van artikel 73, lid 1, dat bepaalt: „De werknemer op wie de wettelijke regeling van een ... Lid-Staat... van toepassing is, heeft voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Lid-Staat wonen, recht op de gezinsbijslagen waarin de wettelijke regeling van de eerste Staat voorziet, alsof die gezinsleden op het grondgebied van deze Staat woonden.” Dat het bij de omstreden bepaling om een anomalie gaat, wordt bevestigd door artikel 98 (thans 99) van verordening nr. 1408/71, volgens hetwelk de Raad vóór 1 januari 1973 op voorstel van de Commissie het vraagstuk van de bijslagen voor niet op het grondgebied van de bevoegde staat wonende gezinsleden opnieuw moest onderzoeken teneinde een voor alle Lid-Staten geldende eenvormige regeling vast te stellen. Nu de Raad binnen de gestelde termijn geen maatregelen heeft getroffen, moet artikel 73, lid 2, worden geacht te zijn vervallen; het beginsel van artikel 73, lid 1, geldt dus voor alle werknemers op wie de wettelijke regeling van een Lid-Staat van de Gemeenschap van toepassing is, daaronder begrepen die welke onder de Franse regeling vallen.
c)
Niet-Franse werknemers die onder de Franse wettelijke regeling vallen, worden door artikel 73, lid 2, in tweeërlei opzicht gediscrimineerd, namelijk zowel ten opzichte van Franse werknemers als ten opzichte van werknemers op wie de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat van toepassing is. Bijgevolg is deze bepaling in strijd met het in de artikelen 7, 48 en 51 EEG-Verdrag neergelegde gelijkheidsbeginsel.
d)
Artikel 73 is niet van toepassing op de bijzondere situatie van de gezinsleden van Pinna, daar de twee kinderen in Frankrijk wonen en niet is gebleken van feiten of omstandigheden die dit kunnen loochenen.
Van oordeel dat een uitspraak van het Hof over de geldigheid en de uitlegging van een bepaling van verordening nr. 1408/71 noodzakelijk is om het geding te kunnen beslechten, heeft de Cour de cassation bij arrest nr. 218 van 11 januari 1984 de behandeling van de zaak geschorst en het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende vragen gesteld:
a)
is artikel 73, lid 2, van verordening nr. 1408/71 geldig en is het nog steeds van kracht ? ;
b)
wat is de betekenis van het begrip „woonplaats” in de zin van deze bepaling ?
3.
Voor een goed begrip van de draagwijdte van deze twee vragen moet de daarin bedoelde regeling grondiger worden onderzocht. In artikel 40 van verordening nr. 3 van de Raad van 25 september 1958 inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers (PB 1958, L 30, blz. 561) werd bepaald, dat „een werknemer of een daarmede gelijkgestelde, werkzaam op het grondgebied van een Lid-Staat, die kinderen heeft die op het grondgebied van een andere Lid-Staat woonachtig zijn dan wel daar worden opgevoed, voor deze kinderen recht heeft op kinderbijslag overeenkomstig de wettelijke regeling van eerstgenoemde Staat tot ten hoogste het bedrag van de bijslagen welke ingevolge de wettelijke regeling van laatstgenoemde Staat worden verleend”. Dertien jaar later werd deze regeling bij verordening nr. 1408/71 evenwel in dier voege gewijzigd, dat de beperking van de bijslagen tot het in het land van de woonplaats van de gezinsleden voorziene bedrag werd opgeheven en de werknemer recht kreeg op alle bestaande gezinsbijslagen. Zoals ik reeds zei, wordt in artikel 73, lid 1, van verordening nr. 1408/71 immers bepaald, dat „de werknemer op wie de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat dan Frankrijk van toepassing is, voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Lid-Staat wonen, recht heeft op de gezinsbijslagen waarin de wettelijke regeling van de eerste Staat voorziet, alsof die gezinsleden op het grondgebied van deze Staat woonden”.
Dit is een heel wat betere regeling, maar zij is onvolkomen, omdat er binnen de Raad geen eensgezindheid bestond om ze tot de gehele Gemeenschap uit te breiden. Dit verklaart waarom in het eerste lid van artikel 73 een voorbehoud is opgenomen ten gunste van Frankrijk en tevens waarom in het tweede lid wordt bepaald, dat voor de gezinsleden van een op het Franse grondgebied werkzame werknemer, die in een andere Lid-Staat wonen, uitsluitend kinderbijslag wordt toegekend, zulks slechts ten belope van het bedrag waarin de wettelijke regeling van het land van de woonplaats voorziet. Ingevolge artikel 75, lid 2, wordt de bijslag uitgekeerd door het sociale-zekerheidsorgaan van de woonplaats van de gezinsleden en vervolgens volledig aan dit laatste terugbetaald door het orgaan ten laste waarvan de werknemer recht heeft op de uitkering. Onder het stelsel van de verordening is het dus weliswaar steeds Frankrijk dat betaalt, doch met dien verstande dat de bijslag is beperkt tot het in het land van de woonplaats voorziene bedrag en dat, in tegenstelling tot wat in alle andere Lid-Staten het geval is, de uitkeringen niet integraal worden geëxporteerd.
Bedoelde Lid-Staten waren overigens van mening dat dit tweeledig systeem moest worden afgeschaft, en hebben te dien einde in artikel 98 (thans 99) van de betrokken verordening een bepaling doen opnemen, dat de Raad binnen de twee jaar op voorstel van de Commissie wijzigingsmaatregelen diende te treffen. De Commissie heeft ongetwijfeld haar deel van het werk gedaan: op 10 april 1975 werd een eerste voorstel ingediend (PB 1975, C 96, blz. 4) en op 15 januari 1976 werd aan de Raad een tweede voorstel voorgelegd waarin rekening was gehouden met de wijzigingen door het Economisch en Sociaal Comité (advies van 24.9.1975, PB 1975, C 286, blz. 19) en door het Europese Parlement (advies van 14.10.1975, PB 1975, C 257, blz. 10) gesuggereerd. Aanbevolen werd een eenvormig stelsel voor de toekenning van gezinsbijslagen in te voeren en daartoe uit te gaan van de wettelijke regeling van de staat van arbeid als algemeen coördinatiecriterium. Aldus geformuleerd stond het voorstel meermalen op de agenda van de Raad en werd het uiteindelijk behandeld tijdens de informele vergaderingen van de Raad in september en november 1983. Het bleek evenwel andermaal onmogelijk, daarover de door artikel 51 EEG-Verdrag vereiste eenstemmigheid te bereiken.
4.
Ik zal mij houden aan de volgorde waarin de verwijzende rechter zijn vragen heeft gesteld, en eerst ingaan op de vraag betreffende de geldigheid van artikel 73, lid 2, van verordening nr. 1408/71, gelet op het gelijkheidsbeginsel neergelegd in de artikelen 7, 48 en 51 EEG-Verdrag. De Raad, de Commissie en de Caisse d'allocations familiales de la Savoie menen dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord (in die zin dat de bepaling geldig is). De Italiaanse en de Griekse regering en verzoeker in het hoofdgeding hebben daarentegen betoogd, dat deze bepaling de communautaire werknemers in Frankrijk in strijd met het EEG-Verdrag discrimineert en derhalve ongeldig moet worden verklaard.
Zoals ik reeds zei bij de analyse van de door Pinna in cassatie aangevoerde middelen, zou de beweerde discriminatie tweevoudig zijn in die zin dat zij zowel zou bestaan ten opzichte van werknemers op wie de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat dan Frankrijk van toepassing is, als ten opzichte van Franse werknemers die in hun eigen land zijn tewerkgesteld. Die interveniënten welke de geldigheid van de bepaling voorstaan, betwisten dit uiteraard, maar elk met andere argumenten voor de twee — volgens hen tegenstrijdige — aspecten waaronder het verschil in behandeling zich voordoet. Daarom zou ik bij het onderzoek van deze argumenten willen beginnen met de discriminatie die zou bestaan tussen een werknemer uit de Gemeenschap die in Frankrijk is tewerkgesteld, en zijn collega die in een van de andere Lid-Staten werkzaam is.
Volgens de Commissie, de Franse regering en de Caisse d'allocations valt de beweerde discriminatie niet onder het verbod van artikel 7. Zij zou immers een gevolg zijn van verschillen die nog steeds bestaan tussen de nationale socialezekerheidsstelsels; dergelijke verschillen zouden onvermijdelijk zijn omdat, zoals het Hof steeds heeft verklaard, artikel 51 EEG-Verdrag en verordening nr. 1408/71 slechts een coördinatie en in het geheel geen harmonisatie van de wettelijke regelingen van de tien Lid-Staten beogen (cf. onder meer de arresten van 6.3.1979, zaak 100/78, Rossi, Ju-rispr. 1979, blz. 831; en 12.6.1980, zaak 733/79, Laterza, Jurispr. 1980, blz. 1915). En, zo voegen de Commissie en de Caisse d'allocations eraan toe, die verschillen zouden niet verdwijnen wanneer de omstreden regeling zou worden vervangen door een op de lex loci laboris gebaseerd stelsel. Immers, ook een werknemer op wie artikel 73, lid 1, van toepassing is, zou zijn uitkeringen zien verminderd wanneer hij zich van een staat waar daarvoor hoge bedragen zijn vastgesteld, naar een staat begeeft waar die bedragen lager zijn.
De Raad gaat nog verder. Volgens hem zijn de beweerde discriminaties niet onvermijdelijk doch veeleer onbestaande, omdat de situatie van een niet-Franse werknemer die in Frankrijk werkzaam is, en die van een buitenlandse werknemer die in een ander land is tewerkgesteld, onvergelijkbaar zijn. Een ingezetene van de Gemeenschap die heeft besloten om in een ander dan zijn eigen land te gaan werken, zou immers de gevolgen moeten aanvaarden die zijn verbonden aan de uitoefening van zijn recht van vrij verkeer. Zo zou van hem mogen worden verwacht, dat hij inlichtingen inwint over de voor- en nadelen van de keuze die hij denkt te maken, vooral op fiscaal gebied en op het gebied van de sociale zekerheid en het onderwijs; doet hij dat niet — of geeft hij desondanks de voorkeur aan een land met een voor hem minder gunstig stelsel — dan kan hij volgens de Raad achteraf niet komen beweren dat hij het slachtoffer is van discriminatie of — sterker nog — dat de behandeling die hem te beurt valt de mobiliteit van de werknemers afremt.
Maar — zo voeren de Raad en mét hem de Franse regering en de Caisse d'allocations voorts aan — gesteld zelfs dat de keuze van een systeem waarbij de wettelijke regeling van de staat van de woonplaats bepalend is voor de aard en de omvang van de prestaties waarop een in Frankrijk werkzame werknemer uit de Gemeenschap recht heeft voor zijn niet in dat land wonende gezinsleden, daadwerkelijk tot een verschil in behandeling leidt dat bij een ander systeem zou kunnen worden vermeden, dan nog betekent zulks niet dat een dergelijke keuze onwettig is. Zij zou immers binnen de discretionaire bevoegdheid van de Raad vallen om „objectief gerechtvaardigde maatregelen” vast te stellen ter uitvoering van artikel 51 EEG-Verdrag; deze bevoegdheid van de gemeenschapswetgever zou zijn erkend in het arrest van 13 juli 1976 (zaak 19/76, Triches, Jurispr. 1976, blz. 1243), houdende geldigverklaring van artikel 42 van verordening nr. 3/58, ingevolge hetwelk de wettelijke regeling van de staat van de woonplaats wordt toegepast op de betaling van kinderbijslag aan personen die in het genot zijn van krachtens de wettelijke regeling van verschillende Lid-Staten verschuldigde pensioenen of renten.
Volgens de Caisse d'allocations tenslotte is Pinna's stelling, dat artikel 73, lid 2, in strijd is met artikel 51 EEG-Verdrag, ongegrond. Deze laatste bepaling schrijft immers in het geheel niet voor dat sociale-zekerheidsuitkeringen moeten worden geëxporteerd, maar is er enkel op gericht te verzekeren dat zij worden uitbetaald, ongeacht de woonplaats van de rechthebbende.
Thans kom ik toe aan de tweede discriminatie waarover Pinna klaagt: die welke ingevolge artikel 73, lid 2, zou bestaan tussen een in Frankrijk tewerkgestelde niet-Franse werknemer wiens kinderen in het buitenland wonen, en een nationale of migrerende werknemer wiens kinderen op het Franse grondgebied wonen. De Franse regering, de Caisse d'allocations en de Commissie verdedigen de stelling, dat deze discriminatie onvermijdelijk is, omdat ook in dit geval een eventuele ongelijke behandeling van de onderscheiden groepen werknemers het gevolg is van de verschillen die nog steeds bestaan tussen de nationale wettelijke regelingen. Ontvangt de eerstbedoelde werknemer bij voorbeeld een lagere uitkering dan hij in Frankrijk zou ontvangen, dan zou dit nadeel niet zijn toe te schrijven aan de gewraakte bepaling, maar veeleer aan het feit dat de bijslag op een verschillend niveau is vastgesteld in de Franse wettelijke regeling enerzijds en in die van de staat van de woonplaats anderzijds. In ieder geval zouden dergelijke dispariteiten niet in strijd zijn met artikel 51 EEG-Verdrag. Van schending van dit artikel zou slechts sprake kunnen zijn indien het verschil tussen de uitkeringen verband zou houden met het verkeer van werknemers, terwijl dit verschil in casu een gevolg zou zijn van de mobiliteit van hun gezinsleden, die door het gemeenschapsrecht niet zou worden beschermd.
Ook op dit punt gaat de Raad verder door te stellen dat er geen sprake is van discriminatie. Integendeel, de verordening zou migrerende werknemers bevoordelen, omdat zij hun steeds recht geeft op de bijslagen van het land van de woonplaats, terwijl de nationale wettelijke regeling dit recht ontneemt aan Franse onderdanen wier kinderen meer dan drie maanden per>kalenderjaar in het buitenland verblijven. De Raad herhaalt, dat de situatie van in Frankrijk werkzame buitenlandse werknemers wier kinderen in andere staten wonen, en die van zodanige werknemers wier kinderen op het Franse grondgebied wonen, onvergelijkbaar zijn, omdat hun behoeften inzake huisvesting, onderwijs en levensonderhoud verschillen. Ook al zou dit niet het geval zijn, dan nog zou de daaruit voortvloeiende discriminatie niet in strijd zijn met het EEG-Verdrag en inzonderheid niet met artikel 48, lid 2. Deze bepaling zou enkel dienen om te voorkomen dat de gemeenschapsregeling tot discriminaties op grond van de nationaliteit leidt, hetgeen niet het geval zou zijn bij de omstreden regeling, die niet zou zijn gebaseerd op de nationaliteit van de werknemer maar op de woonplaats van zijn gezinsleden.
5.
Alvorens deze argumenten te onderzoeken dient erop te worden gewezen, dat de beginselen waaraan artikel 73, lid 2, moet worden getoetst, die zijn welke het vrije verkeer van werknemers en de sociale zekerheid beheersen. In de vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 1408/71 wordt immers verklaard, dat een van de voornaamste doelstellingen van de regeling erin bestaat „bij te dragen tot verhoging van de levensstandaard en verbetering van de arbeidsomstandigheden... door... te waarborgen dat... alle onderdanen van de Lid-Staten gelijke behandeling genieten ten opzichte van de verschillende nationale wetgevingen en... de werknemers en hun rechtsopvolgers prestaties inzake sociale zekerheid genieten ongeacht de plaats waar zij werken of wonen”.
Dientengevolge wordt onder het kopje „gelijkheid van behandeling” in artikel 3, lid 1, bepaald, dat personen die op het grondgebied van een der Lid-Staten wonen en op wie de bepalingen van de verordening van toepassing zijn, „de rechten en verplichtingen hebben voortvloeiende uit de wetgeving van elke Lid-Staat ondex dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat, behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening”. Volgens het arrest van 28 juni 1978 (zaak 1/78, Kenny, Jurispr. 1978, blz. 1489) heeft deze bepaling, die evenals artikel 48 EEG-Verdrag een nadere toepassing van artikel 7 van dit Verdrag vormt, tot doel „op het stuk van de sociale zekerheid een gelijke behandeling, zonder onderscheid naar nationaliteit, te verzekeren des dat elke uit de nationale wettelijke regelingen der Lid-Staten voortvloeiende discriminatie te dezen wordt afgeschaft”. In deze passage lijkt mij vooral het gebruik van het woord „elke” van belang. Daar het gelijkheidsbeginsel algemene strekking heeft en bepalend is voor de werking van het gemeenschapsstelsel, moet het ruim worden opgevat in die zin dat het ook verkapte discriminaties verbiedt, dat wil zeggen discriminaties die het gevolg zijn van de toepassing van andere criteria dan de nationaliteit (arresten van 16.2.1978, zaak 61/77, Commissie/Ierland, Jurispr. 1978, blz. 417; 12.2.1974, zaak 152/73, Sotgiu, Jurispr. 1974, blz. 153; en 3.2.1982, gevoegde zaken 62 en 63/81, Seco, Jurispr. 1982, blz. 223).
Op het gebied van de sociale zekerheid is het gelijkheidsbeginsel met name belangrijk om te bepalen welke nationale uitkeringsregeling op een werknemer van toepassing is en welke de staat is waarvan de organen uitkeringsplichtig zijn. De algemene regel dienaangaande is neergelegd in artikel 13 van de verordening, dat bepaalt dat degenen op wie deze verordening van toepassing is, zijn onderworpen aan de wetgeving van één enkele staat, die in de regel wordt bepaald aan de hand van de locus laboris. Gelijk wij zullen zien, wordt dit criterium strikt toegepast in het reeds genoemde artikel 73, lid 1. In ieder geval komt het overeen met het criterium dat wordt aangewend op het gebied van de wettelijke regelingen die de betrekkingen tussen werkgever en werknemer beheersen, en wordt het op het vlak van de sociale zekerheid gerechtvaardigd door het territoriaal karakter van de desbetreffende regelingen. Het is immers logisch, dat het beheer van de sociale-zekerheidsbijdragen en van de uitkeringen wordt toevertrouwd aan de ter zake bevoegde organen van de staat van arbeid.
Maar, zoals gezegd, moet voor de uitlegging van de betrokken verordening ook te rade worden gegaan met de beginselen die gelden op het gebied van de sociale zekerheid (artikel 51 EEG-Verdrag), en meer in het algemeen met „de geest en de doelstellingen van het Verdrag” (arrest van 29.9.1976, zaak 17/76, Brack, Jurispr. 1976, blz. 1429, r.o. 19). Welnu, dienaangaande heeft het Hof meermaals verklaard, dat „het doel der artikelen 48 tot en met 51 ... zou worden miskend, indien de werknemer, om van de... vrijheid van verkeer gebruik te maken, zich in het verlies van reeds in een der Lid-Staten verkregen rechten zou moeten schikken zonder dat daarvoor een tenminste gelijkwaardige uitkering in de plaats zou komen” (arresten van 15.7.1964, zaak 100/63, van der Veen, Jurispr. 1964, blz. 1163; 9.6.1964, zaak 92/63, Nonnenmacher, ibid., blz. 585; 10.12.1969, zaak 34/69, Caisse d'assurance vieillesse des travailleurs salariés de Paris, Jurispr. 1969, blz. 597; 21.10.1975, zaak 24/75, Petroni, Jurispr. 1975, blz. 1149; en 3.2.1977, zaak 62/76, Strehl, Jurispr. 1977, blz. 211).
Ik denk niet dat het Hof het klaarder had kunnen uitdrukken. Het heeft nadien zijn rechtspraak evenwel verfijnd en gepreciseerd, eerst in het reeds aangehaalde arrest-Triches van 13 juli 1976 („de ... overeenkomstig artikel 51 genomende maatregelen mogen — aldus het Hof — niet tot gevolg hebben dat een migrerende werknemer wordt beroofd van een recht, verkregen krachtens de enkele wetgeving van de Lid-Staat waar hij heeft gewerkt”), en later in een aantal uitspraken over de anti-cumulatievoorschriften van verordening nr. 1408/71, waarin het criterium van de staat van de woonplaats wordt gebruikt ter zake van de betaling van gezinsbijslagen die tegelijkertijd worden gewaarborgd door de wettelijke regeling van de staat van de woonplaats en door die van de staat van arbeid (arresten van 6.3.1979, zaak 100/78, Rossi, reeds aangehaald; 12.6.1980, zaak 733/79, Laterza, reeds aangehaald; 9.6.1980, zaak 807/79, Gravina, Jurispr. 1980, blz. 2205; 19.2.1981, zaak 104/80, Beeck, Jurispr. 1981, blz. 503; en 24.11.1983, zaak 320/82, D'Amario, Jurispr. 1983, blz. 3811).
Deze rechtspraak bevestigt, dat de gemeenschapswetgever een werknemer niet kan beroven van een recht dat hij heeft verkregen krachtens de enkele regeling van de staat waar hij was tewerkgesteld. Hieruit volgt dat, wanneer gezinsbijslagen door meer dan een regeling worden gewaarborgd, de bepaling in de verordening, volgens welke de bijslagen van de staat van de woonplaats moeten worden betaald, het in het land van arbeid verkregen recht op een hogere uitkering niet teniet doet; aan de rechthebbende dient derhalve zo niet de volledige uitkering, dan toch het verschil in meer met de uitkering van het land van de woonplaats te worden betaald. Met andere woorden, ten einde ongerechtvaardigde cumulaties te vermijden, kan de verordening de uitkering in een van beide landen schorsen, maar niet voor wat het gedeelte betreft dat het in het andere land aan de werknemer verschuldigde bedrag overtreft.
6.
Gelet op genoemde beginselen en op de daaraan door het Hof gegeven uitlegging, is het mijns inziens duidelijk dat de voor de geldigheid van de omstreden bepaling aangevoerde argumenten ongegrond zijn. De navolgende overwegingen brengen mij tot deze conclusie:A —
Laat ik, zoals hiervóór sub 4, beginnen met het verschil in behandeling tussen een werknemer die in Frankrijk is tewerkgesteld en een werknemer die in een van de andere Lid-Staten werkzaam is.
De verschillende intervenienten hebben — dat moet men hun nageven — met hun argumenten op dit punt in volle scherpte het conflict doen uitkomen dat aan de basis ligt van de keuze tussen het criterium van het land van arbeid en het criterium van het land van de woonplaats voor de betaling van sociale-zekerheidsuitkeringen en inzonderheid van uitkeringen ter bestrijding van de gezinslasten. Zoals bekend heeft de Raad lang nagedacht over dit alternatief, eerst bij de vaststelling van verordening nr. 3/58, later bij de wijziging daarvan door verordening nr. 1408/71 en ten slotte naar aanleiding van de hem in 1976 door de Commissie voorgestelde uniformisering (zie hiervóór sub 3). Het zou interessant zijn om deze discussie nog eens te bezien, maar daarvoor is het nu niet het geschikte moment. Laat ik mij daarom ertoe beperken te vermelden, dat sinds 1971 in de regel het criterium van het land van arbeid wordt toegepast en het andere criterium nog enkel wordt aangewend in gevallen waarin dit, gezien de aard van de uitkering of de wijze van vaststelling ervan, praktischer lijkt. Dit laatste geldt met name voor: a) verstrekkingen in natura, toegekend krachtens de ziekteverzekering van een ander dan het uitkeringsplichtige land, omdat deze verstrekkingen in de gehele Gemeenschap gelijkwaardig zijn en in ieder geval niet materieel „exporteerbaar” zijn; b) gezinsbijslagen toegekend aan personen die ten laste van meer dan een staat recht hebben op pensioen of rente, wegens de moeilijkheid om ook de gezinstoeslagen pro rata te verdelen; c) bepaalde uitkeringen voor grensarbeiders.
Dit gezegd zijnde, betwist ik met klem de bewering van de Raad als zou de discriminatie waarvan ik ben uitgegaan, onbestaande zijn. Over deze stelling — en inzonderheid over de daarvoor aangevoerde argumenten — wil ik enkel zeggen dat zij duidelijk, om niet te zeggen flagrant, in tegenspraak zijn met het beginsel dat de migrerende werknemer volgens eenvormige gemeenschapsregels moet worden behandeld, waar hij zich ook vestigt. Wellicht zou hier andere, scherpere kritiek passen, maar dit is, meen ik, niet de taak van de advocaat-generaal.
Serieuzer is de stelling, dat de betrokken ongelijkheid uitsluitend is te wijten aan de verschillen die bestaan tussen de wettelijke regelingen van de Lid-Staten. Serieuzer, dát wel, meer even onaanvaarbaar. Want ook al zijn als gevolg van bedoelde verschillen discriminaties mogelijk, bij de omstreden bepaling zijn zij onvermijdelijk. Laten wij eens nagaan hoe zij werkt. Zij maakt voor de betaling van de bijslag gelijktijdig toepassing van twee wettelijke regelingen: de Franse regeling bepaalt wie recht heeft op de uitkering, terwijl voor de aard en de omvang ervan wordt verwezen naar de regeling van de staat van de woonplaats. Deze verwijzing dient dus om de uitkering te bepalen en heeft, gelijk in het geval dat tot de onderhavige zaak heeft geleid, tot gevolg dat de inhoud van het krachtens de Franse wettelijke regeling verkregen recht wordt verminderd. Hier ligt dus de kern van de zaak: de ongelijkheid is geen gevolg van een eventueel verschil tussen de twee wettelijke regelingen, maar van de wijze waarop artikel 73, lid 2, deze regelingen gelijktijdig toepast. Ingevolge deze gelijktijdige toepassing komt de krachtens de enkele wettelijke regeling van de staat van arbeid verschuldigde uitkering te vervallen en wordt zij kunstmatig vervangen door een andere, bepaald op basis van de wettelijke regeling van de staat van de woonplaats van de gezinsleden.
Vraag is, of zulks geoorloofd is. Ik meen van niet, en's Hofs arresten in de zaken Rossi, Laterza, Gravina, Beeck en D'Amario sterken mij in deze overtuiging. Zeker, in die gevallen ging het om de samenloop van door verschillende nationale wettelijke regelingen voorziene uitkeringen, terwijl het in casu om één uitkering gaat, waarop echter tegelijkertijd verschillende wettelijke regelingen van toepassing zijn. Een dergelijk verschil kan echter duidelijk geen reden zijn om het door het Hof geformuleerde beginsel (volgens hetwelk een werknemer geen nadeel mag ondervinden als gevolg van de woonplaats van zijn gezinsleden), niet ook op het onderhavige geval toe te passen. De Griekse regering, de Italiaanse regering en verzoekster in het hoofdgeding merken bovendien op dat, indien dit beginsel hier niet zou worden toegepast, duidelijk sprake zou zijn van schending van artikel 51 EEG-Verdrag, waarin — gelijk de Commissie en de Caisse d'allocations niet mogen vergeten — ook de rechthebbenden van migrerende werknemers worden genoemd en als regel wordt gesteld dat de uitkeringen moeten worden betaald (dus geëxporteerd) ongeacht de Lid-Staat waar de begunstigden wonen.
Dat men niet kome zeggen dat ook het criterium van de staat van arbeid tot discriminatie kan leiden, wanneer een migrerende werknemer zich van een land met hoge uitkeringen naar een land begeeft waar die uitkeringen lager zijn. Tegen dit argument kunnen twee opwerpingen worden gemaakt. In het geval van artikel 73, lid 1, dat juist op de locus laboris is gebaseerd, is de situatie anders, omdat de vermindering van de uitkering een gevolg is van het feit dat de werknemer zich naar een ander land begeeft, en niet zoals in het geval van lid 2, afhangt van de woonplaats van zijn gezinsleden. Bovendien mag bij een berekening van voor- en nadelen niet worden uitgegaan van een vergelijking van de in de twee gevallen voorziene „uitkeringen”, doch moet in aanmerking worden genomen dat een in Frankrijk tewerkgestelde werknemer op wie lid 2 van toepassing is, enkel „kinderbijslag” ontvangt, terwijl in de overige negen Lid-Staten ingevolge lid 1 alle „gezinsbijslagen” moeten worden betaald.B —
Thans kom ik toe aan de discriminatie tussen een in Frankrijk tewerkgestelde communautaire werknemer en zijn collega van Franse nationaliteit. Op de argumenten van de Commissie, de Caisse d'allocations en de Franse regering, die niet verschillen van degene die ik reeds heb bekritiseerd, behoeft niet te worden geantwoord. Ten aanzien van de stelling van de Raad dienen daarentegen twee opmerkingen te worden gemaakt.
In de eerste plaats is het niet altijd juist dat de omstreden bepaling de communautaire werknemer begunstigt. Het Franse recht aanvaardt immers dat het verblijf in het buitenland langer dan drie maanden duurt, wanneer de gezondheid of de studies van het gezinslid dit vereisen [zie art. 6 van het decreet van 10.12.1946 zoals gewijzigd bij het decreet van 17.4.1972, alsook het decreet van 14.5.1968 en, voor wat de rechtspraak betreft, de arresten van de Cour de cassation, afdeling sociale zaken, van 27.1.1972 en 22.3.1973, in Droit social 1972, blz. 530, en 1973, blz. 537]. Verder is het niet waar dat de discriminatie niet bestaat. Zij bestaat wél, maar in verkapte vorm omdat, zoals de Italiaanse regering opmerkt, de parameter „woonplaats” verschillend functioneert naar gelang van de nationaliteit van de werknemer. Met andere woorden, de gezinskern van iemand die in zijn eigen land werkt vormt in de regel een eenheid, terwijl een gezin van een migrerende werknemer meestal is verbrokkeld. Dat sommige gezinsleden in andere landen dan het land van arbeid wonen, is tenslotte een normaal gevolg van het feit dat de werknemer zich binnen de Gemeenschap verplaatst.C —
Ten slotte de discriminatie tussen in Frankrijk werkzame niet-Franse werknemers naar gelang hun kinderen bij hen dan wel in het buitenland wonen. Wij hebben gezien dat deze volgens de Raad niet onverenigbaar is met artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag. Mijns inziens is zij dit wél. Waar deze bepaling elke discriminatie op het gebied van de werkgelegenheid verbiedt, ziet zij immers op het geheel van de voorwaarden die de status van de werknemer in dienstverband bepalen, en derhalve ook op zijn positie op het stuk van de sociale zekerheid. Zo dit waar is, valt evenwel niet te begrijpen waarom bij betaling van gelijke premies aan de sociale-zekerheidsorganen en/of belastingen aan de fiscus van eenzelfde land, sommige communautaire werknemers op grond van de woonplaats van hun gezinsleden minder gunstig zouden moeten worden behandeld of, zoals Pinna heeft opgemerkt, gewoonweg zouden moeten worden gelijkgesteld met niet-ingezetenen van de Gemeenschap voor wie geen gunstiger regeling is vastgesteld bij wege van een bilaterale overeenkomst.
7.
Er is derhalve geen twijfel mogelijk, dat het systeem van artikel 73, lid 2, nadelige gevolgen heeft voor in Frankrijk tewerkgestelde communautaire werknemers wier gezinsleden in een ander land wonen. Blijft de vraag of de wetgever, door dit systeem te kiezen, binnen het kader is gebleven van de „objectief gerechtvaardigde maatregelen” die hij volgens het arrest-Triches kan treffen ter uitvoering van artikel 51 EEG-Verdrag. Laat ik onmiddellijk zeggen dat het antwoord mijns inziens ontkennend moet zijn.
Welke rechtvaardigingsgronden worden in het onderhavige geval ingeroepen ? De enige waarop de wetgever zich uitdrukkelijk beroept, komt voor in de twaalfde overweging van de considerans'van de verordening, volgens welke het vaststellen van voor alle Lid-Staten geldende voorschriften niet noodzakelijk is voor bijslagen van „overwegend bevolkingspolitieke aard”. Voor dit argument zou wel iets te zeggen vallen, ware het niet dat, zoals de Commissie opmerkt, het Hof het in zijn arrest van 12 juli 1979 van de tafel heeft geveegd door te verklaren, dat verordening nr. 1408/71 „bij de sociale zekerheidsstelsels... geen onderscheid maakt naar gelang zij bevolkingspolitieke doeleinden nastreven of niet”(zaak 237/78, CRAM, Jurispr. 1979, blz. 2645, r.o. 15).
Voorts zijn daar de rechtvaardigingsgronden die door intervenienten tijdens de schriftelijke behandeling en ter terechtzitting zijn aangevoerd — en waarvan geen enkele mij erg aannemelijk lijkt. Het argument ontleend aan de aard en het territoriaal karakter van de uitkeringen bijvoorbeeld vind ik, gelet op de arresten in de zaken Rossi en Laterza, ronduit zwak; en het argument als zou het bestaande tweeledige stelsel de financiële belangen van de staat van arbeid beschermen, lijkt mij al niet veel solider. Om te beginnen, bevrijdt dat stelsel genoemde staat niet van de last van de bijslag, want hij moet die aan het land van de woonplaats terugbetalen, en voorts lijken de financiële middelen vari de Franse Republiek niet dermate bedreigd dat een afwijkende regeling of althans de handhaving ervan nodig zijn. Het is mogelijk dat het niveau van de Franse uitkeringen in 1971 bijzonder hoog was; uit een door de. Commissie overgelegde staat blijkt dat dit vandaag de dag niet meer het geval is.
En dan nog. Er is gezegd dat het mechanisme van artikel 73, lid 2, de mobiliteit van de werknemers bevordert, omdat de omstandigheid dat de staat van de woonplaats de uitkering blijft bepalen, hun een grotere keuzevrijheid biedt. Ik betwijfel, zoals overigens ook de Commissie, of een dergelijk voordeel volstaat ter rechtvaardiging van een gedifferentieerde behandeling die op zichzelf onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht; maar ik betwijfel vooral of enkel het criterium van het land van de woonplaats de mobiliteit kan stimuleren. Met evenveel, zo niet meer, reden zou kunnen worden gesteld dat het criterium van het land van arbeid de werknemer aanspoort tot mobiliteit teneinde, welke ook de woonplaats van zijn gezinsleden is, te zoeken naar de voor hem gunstigste uitkeringen.
Evenmin aanvaardbaar is het laatste argument, namelijk dat het criterium van het land van de woonplaats billijker is, omdat het toelaat het niveau van de uitkeringen aan te passen aan de kosten van levensonderhoud van de gezinsleden in de verschillende staten, en daardoor de gelijke behandeling van de in een zelfde Lid-Staat wonende gezinsleden verzekert. Gelijk de Italiaanse regering zeer terecht opmerkt, worden in feite in geen van de tien landen de uitkeringen rechtstreeks en specifiek afgestemd op de kosten van onderhoud van het gezin. Tussen beide bestaat wel een tendens naar een zeker evenwicht, maar dit is slechts een bijkomend gevolg van de solidariteitsbeginselen waarop de ganse regeling van de arbeidsverhoudingen en van de sociale zekerheid steunt. Inzonderheid de gezinsbijslagen vormen een integrerend deel van het minimumloon; de reële sociaal-economische toestand van de werknemer wordt dus bepaald door deze twee complementaire „posten”.
Veronderstellen wij even dat een bepaalde staat het lage loonpeil of (gelijk in Italië) de beperkingen van de automatische indexaanpassingen compenseert door een forse verhoging van de gezinsuitkeringen; in een dergelijke situatie zou het criterium van het land van de woonplaats allesbehalve billijk zijn. Integendeel, het zou onrechtvaardige en onredelijke gevolgen hebben, daar het de werknemer wiens gezinsleden in een land met lagere lonen én lagere uitkeringen wonen, van deze compensatie zou beroven. Hetzelfde zou gebeuren in staten waar zeer hoge gezinsuitkeringen worden toegekend, maar geen belastingaftrek wegens gezinslasten bestaat. Bij toepassing van het criterium van het land van de woonplaats zou de werknemer het gevaar lopen de volle belastingen te moeten betalen en tegelijkertijd lagere uitkeringen te ontvangen.
Uiteindelijk is artikel 73, lid 2, van verordening nr. 1408/71: a) discriminerend voor communautaire werknemers die onder de Franse regeling vallen en wier gezinsleden in andere Lid-Staten wonen; b) daardoor in strijd met de bepalingen van het EEG-Verdrag; en c) in generlei opzicht objectief te rechtvaardigen. Het dient derhalve ongeldig te worden verklaard. Ik meen dat het Hof deze oplossing zou moeten kiezen, met dien verstande uiteraard dat het de gevolgen ervan zou moeten verzachten door middel van gelijkaardige corrigerende maatregelen als het met het oog op de rechtszekerheid heeft getroffen in een reeks vroegere uitspraken en laatstelijk nog in het arrest van 27 februari 1985 (zaak 112/83, Société des produits de maïs, Jurispr. 1985).
8.
Te onderzoeken blijven nog de twee andere problemen waarover de verwijzende rechter het Hof vragen stelt, namelijk de huidige gelding van de omstreden bepaling en de betekenis van het daarin gebruikte begrip woonplaats. Gelet op het hiervóór door mij gestelde, behoeft hierop eigenlijk niet meer te worden ingegaan, maar als advocaat-generaal ben ik verplicht alle aspecten van de zaak volledig te behandelen, en aan die plicht wil ik mij niet onttrekken.
Wat het eerste punt betreft heeft Pinna betoogd, dat bedoelde bepaling is vervallen ingevolge het verstrijken van de in artikel 98 van verordening nr. 1408/71 vastgestelde termijn, zodat daarvoor in de gehele Gemeenschap de regel van de lex loci laboris (artikel 73, lid 1) in de plaats is gekomen. Deze uitlegging zou worden bevestigd door de arresten van 8 april 1976 (zaak 43/75, Defrenne, Jurispr. 1976, blz. 455) en 29 maart 1979 (zaak 231/78, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1979, blz. 1447). De Italiaanse regering verdedigt een gelijkaardig standpunt, maar op grond van een iets ingewikkelder redenering. Volgens haar voorziet artikel 98 niet eenvoudig in de vaststelling van een nieuwe regeling, maar vereist het daarentegen dat de „herbestudering” van de geldende regeling, die vóór 1 januari moest plaatsvinden, tot „opheffing” van het daaraan ten grondslag liggende dualisme leidt. In deze gedachtengang vormt 1 januari 1973 dus niet de einddatum van de voor deze herbestudering voorziene termijn, maar het einde van de geldigheidsduur van de opnieuw te bestuderen regeling. De Griekse regering komt tot deze zelfde conclusie door op te merken dat een dergelijke regeling naar haar aard niet alleen een afwijking, maar ook en vooral een overgangsmaatregel is.
De stelling als zou de betrokken regeling zijn vervallen, wordt daarentegen bestreden door de Raad, de Commissie, de Franse regering en de Caisse d'allocations. Volgens hen is de herbestuderingsclausule niets nieuws. Zij zou ook in andere gemeenschapshandelingen voorkomen en evenmin als in die gevallen de geldigheid van de daardoor geviseerde regeling in de tijd beperken. De regeling zou dus van kracht blijven zolang zij niet is gewijzigd of ingetrok-; ken, omdat — en dit is een opmerking van de Raad — anders een rechtsvacuüm zou ontstaan, nu in artikel 98 niet vooraf is bepaald of de herbestudering moet leiden tot een veralgemeende toepassing van de lex loci laboris of van het criterium van de staat van de woonplaats. De door Pinna aangevoerde arresten zouden irrelevant zijn. In het arrest-Defrenne zou het immers om een resultaatsverbintenis gaan, voor de uitvoering waarvan in artikel 119 EEG-Verdrag een dwingende termijn is vastgesteld, terwijl in het arrest'in zaak 231/78 de draagwijdte moest worden bepaald van een overgangsbepaling van de Akte inzake de toetreding van Groot-Brittannië tot de Gemeenschap.
Volgens de Commissie komt daarbij dat de wetgever, indien hij een termijn aan de regeling had willen stellen, de formule zou hebben gekozen die voor hetzelfde probleem is gebruikt in de Akte betreffende de toetreding van Griekenland, waarvan artikel 48 bepaalt: „Tot en met 31 december 1983 is het bepaalde in artikel 73, leden 1 en 3, ... niet van toepassing op Griekse werknemers die werkzaam zijn in een andere Lid-Staat dan Griekenland en wier gezinsleden in Griekenland verblijven. Het bepaalde in artikel 73, lid 2, ... is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van deze werknemers.”
Volgens mij kan aan artikel 98 (thans 99) geen zodanige werking worden toegekend, dat het artikel 73, lid 2, automatisch doet vervallen met ingang van 1 januari 1973. Daarvoor pleiten de bewoordingen van de bepaling, die de Italiaanse en de Griekse regering in hun betoog — hoe ingenieus ook — negeren of verdraaien; men mag evenmin uit het oog verliezen dat artikel 73, lid 2, door de wetgever (dus in feite door de tien Lid-Staten) nog steeds als geldig werd beschouwd tijdens de talrijke besprekingen daaromtrent in de Raad alsook bij de opstelling van het Verdrag met Griekenland. Zo gezien mag het belang van het laatste argument van de Commissie zeker niet worden onderschat.
Maar let wel, een en ander wil nog niet zeggen dat artikel 98 (99) slechts optatieve waarde bezit of neutraal van strekking is. Het is immers niet juist, dat deze bepaling kan worden gelijkgesteld met de talrijke herzieningsclausules die in de gemeenschapswetgeving voorkomen: deze laatste dienen enkel om de „fysiologische” evolutie van het systeem mogelijk te maken door middel van technische aanpassingen en verbeteringen, terwijl uit de formulering van de thans in geding zijnde clausule blijkt, dat de opstellers zich ervan bewust waren dat zij een gebrekkig systeem in het leven hadden geroepen, dat zo spoedig mogelijk moest worden gecorrigeerd. In de tweede plaats betwijfel ik ten zeerste, dat in 1971 nog niet vaststond tot welke oplossing de herbestudering moest leiden, zoals de Raad stelt. Ik twijfel daaraan omdat het mij ondenkbaar lijkt, dat de wetgever zou kunnen hebben overwogen een criterium als dat van de staat van de woonplaats, waardoor de omvang van de op grond van de nationale regelingen verworven rechten min of meer ingrijpend wordt verminderd, tot de gehele Gemeenschap uit te breiden. Maar ook al zou de door artikel 98 beoogde hervorming toen nog onzeker zijn geweest, zij is dit in ieder geval niet meer sinds 13 juli 1976, de dag van het eerste arrest (het arrest-Triches) waarin het Hof heeft verklaard, dat die vermindering onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht.
9.
Tot slot nog enkele woorden over het begrip woonplaats. Volgens de Franse regering en de Caisse d'allocations moet de inhoud daarvan worden bepaald aan de hand van de wettelijke regeling van de bevoegde staat. De andere intervenienten (behalve de Raad, die daarover geen standpunt heeft ingenomen) menen dat dit begrip — dat onder meer voorkomt in artikel 51 EEG-Verdrag, waaraan verordening nr. 1408/71 uitvoering beoogt te geven — van communautaire aard is.
Ik deel deze laatste mening. De verordening bevat immers niet alleen een verwijzing naar het begrip woonplaats, maar namelijk ook een definitie ervan in artikel 1, sub h, waar het wordt omschreven als „de normale verblijfplaats” (terwijl volgens de definitie sub i de verblijfplaats in eigenlijke zin een „tijdelijk” karakter heeft). Daarbij komt dat deze definitie overeenstemt met de uitlegging die het Hof in een reeks arresten inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers aan die term heeft gegeven. Woonplaats is — aldus het Hof — „de plaats waar de betrokkene het normale of permanente centrum van zijn belangen heeft gevestigd”; woont in een bepaalde plaats degene die professionele of affectieve banden met die plaats heeft, waarbij de duur van zijn verblijf aldaar enkel in aanmerking komt voor zover hij aanwijzingen kan verschaffen over het bestaan van dergelijke banden (cf. arresten van 12.7.1973, zaak 13/73, Angenieux, Jurispr. 1973, blz. 935; en 17.2.1977, zaak 76/76, di Paolo, Jurispr. 1977, blz. 315)
Met andere woorden, de woonplaats is — anders de verblijfplaats — niet eenvoudig op een materieel gegeven gebaseerd; belangrijker is de bedoeling om aan de verblijfplaats een vast karakter te geven. Hieruit volgt dat iemand in een bepaalde plaats kan wonen, ook al verblijft hij er maar enkele maanden, en omgekeerd dat een duurzame verblijfplaats mogelijk geen woonplaats is, bijvoorbeeld wanneer de betrokkene er langere tijd verblijft om redenen van studie, arbeid, medische behandeling of ontspanning, maar zonder de bedoeling om er vastheid aan te verlenen. Derhalve staat het aan de nationale rechter om in de bij hem aanhangige zaak uit te maken, of het verblijf in een ander land van de gezinsleden van de migrerende werknemer aspecten vertoont die het vermoeden rechtvaardigen dat zij de bedoeling hebben het centrum van hun belangen aldaar te vestigen en dus van woonplaats te veranderen.
10.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof bij wege van conclusie in overweging, de door de Franse Cour de cassation bij arrest nr. 218 van 11 januari 1984 in het geding tussen Pietro Pinna en de Caisse d'allocations familiales de la Savoie gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
Artikel 73, lid 2, van verordening nr. 1408/71 van de Raad is in strijd met de artikelen 48 tot 51 EEG-Verdrag wegens schending van het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van arbeid en sociale zekerheid.
Gezien dit antwoord behoeven de resterende vragen niet te worden beantwoord.
( *1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy