CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
G. F. MANCINI
van 7 maart 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Andermaal wordt het Hof gevraagd om uitlegging van verordening nr. 1798/75 van de Raad van 10 juli 1975 betreffende de invoer met vrijstelling van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor voorwerpen van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard (PB 1975, L 184, biz. 1).
In 1979 voerde de deelstaat Niedersachsen uit de Verenigde Staten van Amerika in de Bondsrepubliek Duitsland een apparaat voor automatische bemonstering in, genaamd „AS-50” en vervaardigd door Perkin-Elmer Corporation, dat bestemd was om in het Institut für tropischen und subtropischen Pflanzenbau te worden gebruikt bij metingen met een atoomabsorptie-spectrofotometer. Laatstgenoemd apparaat, „AAS M 432” genaamd, was vervaardigd door Bodenseewerk Perkin-Elmer & Co. GmbH te Überlingen, een Duitse dochteronderneming van het Amerikaanse bedrijf.
Na onderzoek door de Zolltechnische Prü-fungs- und Lehranstalt te Berlijn weigerde het Hauptzollamt Friedrichshafen vrijstelling van invoerrechten voor het ingevoerde apparaat te verlenen. Het motiveerde zijn besluit met de overweging, dat de spectrofotometer in de Gemeenschap was vervaardigd en het bemonsteringsapparaat niet kon worden aangemerkt als een zelfstandig wetenschappelijk apparaat. Van dit besluit kwam de importeur in beroep bij het Finanzgericht Baden-Württemberg, stellende dat het bemonsteringsapparaat een toebehoren van de spectrofotometer was; het Hauptzollamt bracht hiertegen in, dat enkel produkten die speciaal zijn ontworpen voor het hoofdapparaat, als toebehoren kunnen worden aangemerkt en als zodanig niet als zelfstandige wetenschappelijke apparaten kunnen worden beschouwd.
Daarop vroeg het Finanzgericht ter verduidelijking van het karakter van het bemonsteringsapparaat een deskundigenadvies aan prof. H. Sternbach van het Max-Planck-In-stitut für experimentelle Medizin. Deze deskundige was van oordeel, dat het apparaat in mechanisch-technische zin een toebehoren is van de spectrofotometer, waarvan het wetenschappelijke karakter buiten kijf staat. Bij het grote aantal metingen dat met laatstgenoemd apparaat wordt verricht, zorgt het bemonsteringsapparaat voor een regelmatige input van te meten oplossingen; het dient dus voor een verrichting die, zo zij manueel werd uitgevoerd, niet de vereiste precisie van de metingen zou garanderen. Met andere woorden, de spectrofotometer kan ook zonder bemonsteringsapparaat functioneren, maar voor de specifieke functie die de fabrikant eraan heeft toegedacht, is het bemonsteringsapparaat daarbij noodzakelijk.
Bij beschikking van 7 februari 1984 heeft de aangezochte rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende prejudiciële vragen gesteld:
1)
Wat is „toebehoren” in de zin van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1798/75:
a)
Moeten produkten die vóór 1 januari 1980 zijn ingevoerd, om als toebehoren in de zin van artikel 3, lid 2, van voornoemde verordening te kunnen worden aangemerkt, speciaal zijn ontworpen voor het hoofdapparaat (vgl. de begripsbepaling in het eerst op 1 januari 1980 in werking getreden artikel 12 van verordening nr. 2784/79 van de Commissie van 12 december 1979 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1798/75, PB 1979, L 318, biz. 32) en zo ja, volgens welke criteria moet dan worden bepaald of een toebehoren „speciaal is ontworpen” voor het hoofdapparaat (volgens objectieftechnische criteria, of volgens de functie die de fabrikant van het toebehoren eraan heeft toegedacht dan wel volgens het concrete gebruik ervan door de gebruiker) ?
b)
Impliceert het begrip „toebehoren” in verhouding tot het „hoofdapparaat” bovendien, dat het toebehoren onzelfstandig is en, zo ja, hoe moet de onzelfstandigheid dan worden bepaald (mechanisch-technisch of volgens de functie die de fabrikant van het toebehoren eraan heeft toegedacht dan wel volgens het concrete gebruik van het toebehoren door de gebruiker) ?
2)
Wat betekent „noodzakelijk zijn voor de werking” in de zin van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1798/75: is daartoe vereist dat het hoofdapparaat zonder het toebehoren in mechanisch-technische zin niet „gaat” of de door de fabrikant eraan toegedachte functie niet kan vervullen of niet geschikt is voor het concrete gebruik dat de gebruiker ervan wil maken ?
3)
Wat is te verstaan onder „apparaten die zelf met vrijstelling van rechten kunnen worden ingevoerd” in de zin van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1798/75: valt daaronder een hoofdapparaat dat in het douanegebied is vervaardigd en dus niet is ingevoerd, doch dat in geval van invoer als wetenschappelijk apparaat in de zin van artikel 3 van de verordening vrij van rechten zou zijn, of is voor de vrijstelling vereist dat het hoofdapparaat daadwerkelijk krachtens artikel 3, lid 1, van de verordening vrij van rechten is ingevoerd ?
4)
Wat zijn „instrumenten en apparaten” in de zin van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1798/75: veronderstellen deze begrippen de zelfstandigheid van het apparaat en, zo ja, hoe moet die zelfstandigheid dan worden bepaald (mechanisch-technisch of volgens de door de fabrikant aan het apparaat toegedachte functie dan wel volgens het concrete gebruik ervan door de gebruiker) ?
2.
De belangrijkste van deze vragen is ongetwijfeld de derde, namelijk of op grond van verordening nr. 1798/75 vrijstelling van invoerrechten kan worden verleend voor toebehoren dat bestemd is voor een apparaat dat zelf niet is ingevoerd. Het antwoord op deze vraag bepaalt immers logischerwijze het antwoord op de overige vragen die betrekking hebben op het begrip „toebehoren”: mocht de derde vraag ontkennend worden beantwoord, dan worden de eerste, de tweede en de vierde vraag overbodig.
Het antwoord op de derde vraag kan niet anders dan ontkennend luiden. Steun voor deze opvatting is te vinden in het arrest van het Hof van 15 november 1984 (zaak 236/83, Universiteit Hamburg, Jurispr. 1984, blz. 3849), waarin een identiek probleem werd opgelost. Gevraagd om uitlegging, in verband met de douaneregeling voor delen bestemd voor in de Gemeenschap gebouwde installaties, van de uitdrukking „wetenschappelijke instrumenten en apparaten die zelf met vrijstelling van rechten kunnen worden ingevoerd” (artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1798/75), antwoordde het Hof immers, dat deze uitdrukking aldus moet worden uitgelegd, „dat delen, reservedelen en toebehoren vrij van rechten kunnen worden ingevoerd indien zij bestemd zijn voor wetenschappelijke instrumenten of apparaten die zelf met vrijstelling van invoerrechten worden of zijn ingevoerd. Die vrijstelling kan echter niet worden verleend wanneer die delen bestemd zijn om te worden aangebracht aan een wetenschappelijke installatie die in de Gemeenschap is gebouwd.”
Deze opvatting van het Hof kan onlogisch en zelfs onbillijk lijken, omdat zij voordelig is voor wie „complete” wetenschappelijke instrumenten invoert, en nadelig voor wie zich op de gemeenschapsmarkt voorziet en enkel voor onderdelen die op die markt niet beschikbaar zijn, een beroep doet op invoer. In genoemd arrest wordt dit aldus gerechtvaardigd: „Wanneer de industrie in de Gemeenschap in staat is om een wetenschappelijke installatie op bepaalde delen na volledig te produceren, draagt (... ) het verlenen van douanevrijstelling voor delen van hoge waarde geenszins bij tot de technologische vooruitgang van de Gemeenschap, en kan zulks juist een aansporing zijn om wetenschappelijk en technisch interessante produkties buiten de Gemeenschap te laten. In dit opzicht kan de weigering van de vrijstelling dan ook een nuttige aansporing zijn voor verlegging van dergelijke activiteiten naar de Gemeenschap”.
Hier staan dus logica en billijkheid tegenover het algemeen belang. Dit dilemma is zo oud als het recht zelf en het Hof heeft het opgelost door de voorrang te geven aan het belang van de Gemeenschap, hier in de vorm van haar technologische ontwikkeling. Indien de Gemeenschap, een voltooid en stevig bouwwerk was, gelijk de staten waaruit zij is samengesteld, zou ik wellicht twijfels hebben over deze keuze; maar nu dit niet het geval is, nu weinigen voor haar belangen opkomen en deze enkelen slechter gewapend zijn dan hun tegenstanders, kan ik van ganser harte instemmen met de door het Hof gekozen lijn.
3.
Op grond van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging, de derde vraag, door het Finanzgericht Baden-Württemberg bij beschikking van 7 februari 1984 gesteld in het geding tussen de deelstaat Niedersachsen en het Hauptzollamt Friedrichshafen, te beantwoorden als volgt:
De uitdrukking „wetenschappelijke instrumenten en apparaten die zelf met vrijstelling van rechten kunnen worden ingevoerd” in artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1798/75 moet aldus worden uitgelegd, dat een toebehoren met vrijstelling van invoerrechten kan worden ingevoerd, mits het bestemd is voor apparaten die zelf vrijstelling van invoerrechten genieten of hebben genoten. Vrijstelling kan echter niet worden verleend, wanneer het toebehoren bestemd is voor een apparaat dat in de Gemeenschap is vervaardigd.
Gelet op dit antwoord, geef ik het Hof in overweging, de overige vragen onbeantwoord te laten.
( *1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy