CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. DARMON
van 5 maart 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Het Arbeidshof te Luik en het Arbeidshof te Bergen hebben een prejudiciële vraag gesteld in twee gedingen tussen de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen (hierna: RWP) en respectievelijk Franceso Romano (zaak 58/84) en Salvatore Ruzzu (zaak 117/84).
Daar de situatie van betrokkenen zowel feitelijk als rechtens nagenoeg identiek is, neem ik in beide zaken één conclusie.
Romano
—
31 maart 1927 — 31 december 1940: loontrekkende in Italië
—
17 mei 1941 — 13 mei 1983: ondergrondsmijnwerker in Duitsland
—
1 januari 1944 — 30 juni 1947: ondergronds mijnwerker in Italië
Recht op een gedeeltelijk pensioen in beide landen
—
13 oktober 1947 — 28 februari 1959: ondergronds mijnwerker in België
—
1 maart 1959 — 31 december 1972: invalide ondergronds mijnwerker, met een pensioen van het Belgisch Fonds voor der Beroepsziekten (periode gelijkgesteld met tijdvak van daadwerkelijke arbeid)
—
gepensioneerd met ingang van 1 januari 1973
Totale in België erkende loopbaan: 25 jaar
Pensioenen: door de RWP op 26 oktober 1979 toegekend met ingang van 1 april 1975: 25/30 van het volledige Belgische pensioen vermeerderd met gedeeltelijke Duitse en Italiaanse proratapensionen.
Romano en Ruzzu, beiden van Italiaanse afkomst, verlieten hun land om in België als ondergronds mijnwerker te gaan werken. Daarvóór had Romano in Italië en vervolgens in Duitsland en Ruzzu uitsluitend in Italië gedurende een min of meer lange termijn gewerkt.
De overeenkomst tussen beide gevallen blijkt uit het volgende vergelijkend overzicht:
Ruzzu
—
Tussen 1937 en 1952: landbouwarbeider in Italië gedurende iets meer dan vijf jaar
Recht op een gedeeltelijk Italiaans pensioen
—
3 november 1952 — 3 februari 1969: ondergronds mijnwerker in België
—
1 mei 1969 — 31 oktober 1977: idem
—
gepensioneerd met ingang van 1 november 1977
Totale in België erkende loopbaan: 26 jaar
—
Pensioen: door de RWP op 6 feruari 1981 toegekend met ingang op 1 november 1977: 26/30 van het volledige Belgische pensioen vermeerderd met een gedeeltelijk Italiaans proratapensioen.
Bij hun pensionering werden de pensioenrechten van Romano en Ruzzu in België bepaald door artikel 10, paragraaf 2, van koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 ( 1 ), dat de mijnwerker die
„geen dertig, doch ten minste vijfentwintig kalenderjaren gewoonlijk en hoofdzakelijk als mijnwerker in de ondergrond der steenkolenmijnen tewerkgesteld is geweest, wordt... geacht blijk te geven van een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling in die hoedanigheid gedurende een aantal bijkomende kalenderjaren dat gelijk is aan het verschil tussen dertig en het aantal in die hoedanigheid op gewoonlijke en hoofdzakelijke wijze bewezen kalenderjaren. Elk van deze bijkomende jaren wordt als een jaar van tewerkstelling in de ondergrond der steenkolenmijnen gelegen vóór 1955 beschouwd.”
Bij wet van 10 februari 1981 werd, terugwerkend tot 1 januari 1981, in artikel 10, paragraaf 2, sub 1, van koninklijk besluit nr. 50 een nieuwe alinea ingevoegd, bepalende:
„Dit aantal bijkomende jaren wordt nochtans verminderd met het aantal jaren waarvoor de werknemer aanspraak kan maken op een rustpensioen of een als zodanig geldend voordeel krachtens een andere Belgische regeling, uitgezonderd die voor zelfstandigen, krachtens een regeling van een vreemd land, of krachtens een regeling van toepassing op het personeel van een volkenrechterlijke instelling” ( 2 )
Vóór 1981 kende de Belgische wet ondergrondse mijnwerkers die sedert ten minste 25 jaar daadwerkelijk hun beroep in België hadden uitgeoefend, een soort premie toe van maximaal vijf bijkomende fictieve jaren van tewerkstelling, als compensatie voor werk dat vroegtijdig hun gezondheid aantastte. Mijnwerkers genoten zo na 25 jaar tewerkstelling een pensioen van 30/30, wat normaliter overeenkomt met dertig jaar daadwerkelijke beroepsuitoefening.
Evenwel had de RWP nog vóór de wetswijziging van 1981 Romano slechts 25/30 van een volledig pensioen toegekend, op grond dat hij in andere Lid-Staten aanspraak kon maken op een gedeeltelijk pensioen; in het geval van Ruzzu had zij met slechts 26/30 van een volledige loopbaan rekening gehouden, op grond dat betrokkene in Italië aanspraak kon maken op een gedeeltelijk pensioen. Deze besluiten lagen in de lijn van de administratieve praktijk waarover het Hof zich reeds uitsprak in het arrest van 2 juli 1981 (gevoegde zaken 116, 117, 119, 120 en 121/80, Celestre en anderen, Jurispr. 1981, blz. 1737).
Romano en Ruzzu bestreden deze besluiten voor de bevoegde instanties. Tegen de gewezen vonnissen is de RWP in hoger beroep gegaan.
2.
Lering trekkend uit hogergenoemd arrest van het Hof oordeelden het Arbeidshof te Luik (Romano) en het Arbeidshof te Bergen (Ruzzu), dat het Belgische mijnwerkerspensioen voor de periode vóór 1 januari 1981 hoegenaamd niet kon worden verlaagd.
Evenwel deed de wetswijziging van 1981 een interpretatieprobleem rijzen, waarop het Hof de volgende prejudiciële vragen zijn voorgelegd :
Arbeidshof te Luik
„1)
Is, gelet op de invoeging van nieuwe bepalingen
a)
in artikel 10, paragraaf 2, lid 1, van koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967, bij artikel 11 van de wet van 10 februari 1981,
b)
in het koninklijk besluit van 21 december 1967, door toevoeging van artikel 32 quinquies bij artikel 3 van het koninklijk besluit van 30 maart 1981,
artikel 10, paragraaf 2, lid 1, aldus aangevuld, een anti-cumulatiebepaling in de zin van artikel 12 van verordening (EEG) nr. 1408/71) ?
2)
Zo ja, is het in vorengenoemd nieuw artikel 10, paragraaf 2, lid 1, vervatte voorschrift verenigbaar met het EEG-Verdrag en de relevante gemeenschapsverordeningen, met name de verordeningen nrs. 1408/71 en 574/72 ?
3)
Dient artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 overeenkomstig artikel 46, lid 1, te worden toegepast — en, zo ja, volgens welke bepalingen en modaliteiten in het concrete geval van geïntimeerde -, gelet op de bij wet van 10 februari 1981 en het koninklijk belsuit van 30 maart 1981 ingevoerde nieuwe bepalingen en de uitlegging door appelant gegeven aan het arrest-Celestre van 2 juli 1981, volgens welke de anti-cumulatiebepalingen slechts van toepassing zijn indien het pensioen is berekend en toegekend krachtens artikel 46, lid 2, sub a en b, van verordening nr. 1408/71 ?”
Arbeidshof te Bergen
„Moeten artikel 51 EEG-Verdrag en de verordeningen (EEG) nrs. 1408/71 — inzonderheid de artikelen 12 en 46 daarvan — en 574/72 aldus worden uitgelegd, dat met de doelstellingen van het Verdrag en de bepalingen van deze verordeningen in overeenstemming is de bepaling in de wettelijke regeling van een Lid-Staat, krachtens welke de bijkomende tijdvakken van verzekering, die door deze wettelijke regeling zonder proratisering en wegens het feit dat zij uitsluitend van toepassing is in aanmerking worden genomen (wettelijke regeling van het type A), worden verminderd met het aantal jaren (die niet samenvallen met de vorige) waarvoor de werknemer in een andere Lid-Staat aanspraak kan maken op een overeenkomstig het gemeenschapsrecht vastgesteld invaliditeitspensioen (wettelijke regeling van het type B), wanneer deze vermindering ertoe leidt dat het uitsluitend krachtens de nationale wettelijke regeling (van het type A) verschuldigde rustpensioen wordt verlaagd ten gevolge van het genieten van een invaliditeitspensioen pro rata temporis in een andere Lid-Staat (wettelijke regeling van het type B) ? Hierbij moet worden gepreciseerd dat beide uitkeringen als gelijksoortig zijn aan te merken (zaak-Celestre) en dat de verlaging waartoe de betrokken bepaling leidt, betrekking heeft op een rustpensioen dat los van het gemeenschapsrecht is verworven (zie zaak-Jerzak).
Zo ja, heeft dit dan niet tot gevolg dat de migrerende werknemer het voordeel van een bijkomend tijdvak van verzekering in de Lid-Staat met een wettelijke regeling van het type A verliest en dat een non-cumulatievoorschrift krachtens artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 ook mag worden toegepast indien de te verlagen uitkering uitsluitend krachtens de nationale wettelijke regeling (van het type A) is verworven ?”
3.
Gelijk de Commissie terecht opmerkt, doen de drie vragen van het Arbeidshof te Luik, zoals thans geformuleerd, een probleem rijzen omtrent de verdeling van bevoegdheden tussen de nationale gerechten en het Hof van Justitie.
Ten einde de door artikel 177 EEG-Verdrag gestelde grenzen niet te overschrijden heeft het Hof steeds geweigerd, een nationale wettelijke bepaling uit te leggen, uitspraak te doen over de verenigbaarheid van een dergelijke bepaling met het gemeenschapsrecht, of de communautaire voorschriften op een concreet geval toe te passen.
In dergelijke gevallen tracht het Hof, eventueel na de vraag anders te hebben geformuleerd, de rechter a quo de nodige elementen te verschaffen ten einde hem in staat te stellen uitspraak te doen in het aan hem voorgelegde geschil.
Zo heeft het Hof overwogen
„dat het... in het kader van de toepassing van artikel 177 van het Verdrag weliswaar niet bevoegd is uitspraak te doen over de verenigbaarheid van een nationale bepaling met het gemeenschapsrecht, doch uit de inhoud van door de nationale rechter geformuleerde vragen, mede gezien de door hem verstrekte gegevens, de elementen mag lichten, die onder de uitlegging van het gemeenschapsrecht vallen, ten einde deze rechter in staat te stellen het hem voorgelegde probleem op te lossen” (arrest van 21 maart 1972, zaak 82/71, Sail, Jurispr. 1972, blz. 119, r.o. 3).
Het voorstel van de Commissie terzake grotendeels overnemend, zou ik de vragen van het Arbeidshof te Luik willen herformuleren als volgt:
1)
Moet artikel 12, lid 2, tweede volzin, van verordening nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd, dat daaronder valt een nationale bepaling van een Lid-Staat die eraan in de weg staat dat bij de berekening van een rustpensioen rekening wordt gehouden met de fictieve tijdvakken van tewerkstelling voor het aantal jaren waarvoor een werknemer aanspraak kan maken op een rustpensioen of een als zodanig geldend voordeel krachtens de regeling van een andere Lid-Staat ?
2)
Zo ja, moeten de relevante bepalingen van de verordeningen nrs. 1408/71 en 574/72 aldus worden uitgelegd, dat zij de toepassing van een nationale bepaling als vorenomschreven beletten ?
3)
Meer in het bijzonder, hoe en in welk stadium moet in voorkomend geval bij de toepassing van artikel 46 van verordening nr. 1408/71 een dergelijke nationale bepaling in aanmerking worden genomen ?
De vragen van het Arbeidshof te Bergen vallen in wezen samen met de hierboven opnieuw geformuleerde tweede en derde vraag.
4.
Volgens de RWP moet het Hof zich onbevoegd verklaren, nu de loopbanen van Romano en Ruzzu in België volstaan voor een aanspraak op pensioen, uitsluitend krachtens de Belgische wettelijk regeling. Artikel 51 EEG-Verdrag en de ter uitvoering daarvan vastgestelde verordeningen zouden slechts de gevallen regelen waarin een nationale wettelijke regeling geen of slechts een beperkt recht op pensioen doet ontstaan.
Dit middel kan niet worden aanvaard.
Weliswaar overwoog het Hof in het arrest van 21 oktober 1975 (zaak 24/75, Petroni, Jurispr. 1975, blz. 1149, r.o. 14),
„dat artikel 51 van het Verdrag wezenlijk betrekking heeft op het geval dat de wettelijke regeling van een Lid-Staat op zichzelf voor de belanghebbende geen recht op uitkering zou doen ontstaan, omdat hij onder die wettelijke regeling onvoldoende verzekeringstijdvakken heeft vervuld” (cursivering van mij),
maar het heeft aan deze bepaling nooit de beperkende uitlegging gegeven die de RWP verdedigt en die indruist tegen zowel de letter als de geest van de betrokken bepaling.
Artikel 51 EEG-Verdrag verplicht immers tot invoering van een stelsel waardoor de migrerende werknemers wordt gewaarborgd, dat
„voor het verkrijgen en het behoud van het recht op sociale uitkeringen en de berekening daarvan al die tijdvakken worden bijeengeteld, welke door de verschillende nationale wetgevingen in aanmerking worden genomen” (Petroni, r.o. 12, cursivering van mij).
De draagwijdte van dit artikel is derhalve algemener dan de RWP voorstaat. Het Hof heeft overigens steeds een ruime uitlegging voorgestaan. Zo overwoog het in het arrest van 9 juni 1964 (zaak 92/63, Nonnenmacher, Jurispr. 1964, blz. 583, inzonderheid blz. 599), dat de artikelen 48 en 51 EEG-Verdrag... beogen
„een zo volledig mogelijke vrijheid van verkeer der werknemers tot stand te brengen; dat dit oogmerk meebrengt dat wettelijke beperkingen welke de migrerende werknemer in een nadeliger positie zouden brengen, worden opgeheven; dat derhalve de voornoemde artikelen en de ter uitvoering daarvan genomen maatregelen in geval van twijfel moeten worden opgevat als strekkend om te voorkomen dat de migrerende werknemer bijzonderlijk wat zijn sociale zekerheid betreft in een nadeliger rechtspositie wordt gebracht”.
Op artikel 51 kan derhalve een beroep worden gedaan zodra een werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat aantoont, in verschillende Lid-Staten van de Gemeenschap tijdvakken van tewerkstelling te hebben vervuld. De door de RWP opgeworpen exceptie van onbevoegdheid moet derhalve worden verworpen.
5.
Zonder de Belgische wet van 10 februari 1981 houdende wijziging van artikel 10, lid 2, sub 1, van koninklijk besluit nr. 50 van 21 december 1967 zou de situatie van Romano en Ruzzu gelijk zijn aan die waarover het Hof zich in vorengenoemde zaak-Celestre uitsprak.
Vóór dat arrest had het Hof, verordening nr. 1408/71 stelselmatig in het licht van de artikelen 48 tot met 51 EEG-Verdrag uitleggend, de volgende regels vastgesteld:
—
wanneer het recht op uitkeringen in een Lid-Staat louter en alleen krachtens de nationale wettelijke regeling van die Lid-Staat is verworven, mag de gemeenschapsregeling, inzonderheid artikel 46, lid 3, niet leiden tot vermindering van dat recht (arresten van 21 oktober 1975, zaak 24/75, Petroni, reeds geciteerd, en van 9 juli 1980, zaak 807/79, Gravina, Jurispr. 1980, blz. 2205);
—
een migrerende werknemer kan evenwel steeds aanspraak maken op toepassing van de communautaire regeling van artikel 46 van verordening nr. 1408/71 (arresten van 13 oktober 1977, zaak 22/77, Mura I, Jurispr. 1977, blz. 1699; 13 oktober 1977, zaak 37/77, Greco, Jurispr. 1977, blz. 1711; 14 maart 1978, zaak 98/77, Schaap, Jurispr. 1978, blz. 707; en 14 maart 1978, zaak 105/77, Boerboom-Kersjes, Jurispr. 1978, blz. 717);
—
toepassing van artikel 46 van verordening nr. 1408/71 betekent dat de bepalingen van dit artikel integraal — lid 3 inbegrepen — worden toegepast (arrest van 16 mei 1979, zaak 236/78, Mura II, Jurispr. 1979, blz. 1819).
In het arrest van 2 juli 1981 (Celestre e.a., reeds geciteerd), heeft het Hof volgende regels bevestigd of vastgesteld :
1)
Wanneer een werknemer krachtens één enkele nationale wettelijke regeling een pensioen ontvangt, staan de communautaire bepalingen niet aan integrale toepassing van die regeling, de nationale anti-cumulatiebepalingen daaronder begrepen, in de weg; de toepassing van die nationale wettelijke regeling mag evenwel niet minder gunstig uitvallen dan de gemeenschapsregeling van artikel 46 van verordening nr. 1408/71 (dictum sub a; zie ook arrest van 14 maart 1978, zaak 98/77, Schaap, reeds geciteerd).
2)
Het ouderdomspensioen en de invaliditeitsuitkeringen moeten gelijksoortig worden geacht. Op de vaststelling van de rechten van de werknemers zijn de artikelen 44 tot en met 51 van verordening nr. 1408/71 van toepassing. Ingevolge artikel 12, lid 2, van die verordening is de toepassing van de nationale anti-cumulatiebepalingen uitgesloten. Bijgevolg in het in artikel 46, lid 1, bedoelde bedrag het bedrag waarop de werknemer volgens de nationale wettelijke regeling recht zou hebben indien hij geen pensioen ontving krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat (r.o. 11 en 12, dictum sub b en c; zie ook arrest van 15 oktober 1980, zaak 4/80, D'Amico, Jurispr. 1980, blz. 2951).
3)
Artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 574/72 bepaalt, dat wanneer de tijdvakken van verzekering die zijn vervuld krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat niet nauwkeurig kunnen worden bepaald, ervan wordt uitgegaan dat deze tijdvakken de krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken niet overlappen: mitsdien moet er rekening mee worden gehouden (r.o. 13 en 14, dictum sub d).
Door aan verordening nr. 1408/71 deze teneur te geven, heeft het Hof inzonderheid de strekking van artikel 46, lid 1, aangeduid.
Het in dat lid bedoelde uitkeringsbedrag wordt niet louter krachtens de nationale wettelijke regeling verkregen, maar wordt tevens bepaald door het gemeenschapsrecht, voor zover dit de gevolgen van de nationale anti-cumulatiebepalingen neutraliseert.
Plaatst men deze bepaling in haar context, dan moet, daar de bepalingen van artikel 46 één geheel vormen, het aldus berekende uitkeringsbedrag worden vergeleken met het bedrag dat voortvloeit uit artikel 46, leden 2 en 3, en moet vervolgens eventueel worden overgegaan tot verlaging overeenkomstig lid 3.
De RWP ziet derhalve in de arresten Mura en Greco ten onrechte een „omgang” van het Hof ten opzichte van het arrest-Petroni; aan de vaststelling van de uitkeringen is evenmin een „derde regel” toegevoegd. Als enige regel geldt, dat de nationale regeling als zodanig moet worden afgewogen tegen die regeling, aangepast aan de gemeenschapsbepalingen, en dat de gunstigste oplossing moet worden toegepast.
6.
Ik kom thans terug op de onderhavige zaken.
Centraal staat de gecombineerde toepassing van de artikelen 46, lid 1, en 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71. Dat was reeds het geval in de zaak-Celestre. Het is thans derhalve de vraag, of er in casu nieuwe dementen meespelen.
Zoals gezegd is het enige relevante verschil, dat in de zaak-Celestre — aldus het oordeel van de Belgische rechter — geen wettelijk anti-cumulatievoorschrift van toepassing was, terwijl dat in de oderhavige zaken wel het geval is.
Het is irrelevant, of het nationale anti-cumulatievoorschrift op een administratieve praktijk dan wel op een wettelijke of bestuursrechterlijke bepaling is gebaseerd. Het Hof is immers van oordeel, dat een nationaal anti-cumulatievoorschrift — waarvan het bestaan door de nationale gerechten moet worden vastgesteld — geen uitwerking heeft op een krachtens het gemeenschapsrecht verkregen uitkering. Daarmee heeft het zich uitgesproken over de inhoud en niet over de vorm van de regel.
De RWP en de Belgische regering voeren daartegen aan, dat artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 handelt over het al dan niet cumuleren van uitkeringen, en dat een nationale bepaling die slechts betrekking heeft op de in aanmerking te nemen tijdvakken van verzekering niet onder dat artikel valt. Zij steunen daartoe op artikel 1, sub r, van vorengenoemde verordening, luidend als volgt:
„worden onder ‚tijdvakken van verzekering’ verstaan de tijdvakken van premie- of bijdragebetaling, van arbeid of van anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden welke als zodanig worden omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld, of geacht worden te zijn vervuld, alsmede alle met deze tijdvakken gelijkgestelde tijdvakken, voor zover zij als zodanig door deze wetgeving zijn erkend”.
Deze bepaling zou bovenbedoeld standpunt slechts bevestigen indien, ten einde een uitzondering op vorengenoemde regel van artikel 12 te rechtvaardigen, de begrippen uitkeringen en tijdvakken van verzekering los van elkaar konden worden gezien.
Die laatste is echter onmogelijk. Het recht op uitkering is immers noodzakelijkerwijs rechtstreeks gekoppeld aan de daadwerkelijke of fictieve tijdvakken van verzekering op grond waarvan het wordt berekend.
Artikel 1, sub r, kan volgens mij hoe dan ook niet aldus worden uitgelegd, dat het voorziet in een uitzondering op de in artikel 12, lid 2, laatste zin, van die verordening vervatte regel.
Zo overwoog het Hof in het arrest van 15 mei 1974 (zaak 184/73, Kaufmann, Jurispr. 1974, blz. 517, inzonderheid blz. 524),
„dat onder artikel 11, lid 2, van verordening nr. 3 [thans artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71] vallen alle in nationale wettelijke regelingen voorziene bepalingen inzake vermindering of schorsing bestemd om in bepaalde gevallen samenloop van uitkeringen te voorkomen, om het even of die bepalingen het recht op — dan wel het feitelijk genot van — de uitkering betreffen”.
Mitsdien ben ik van oordeel, dat de eerste vraag van het Arbeidshof te Luik — zoals opnieuw geformuleerd — bewestigend moet worden beantwoord.
7.
Uitgaande van het beginsel dat de in artikel 46, lid 1, van verordening nr. 1408/71 bedoelde uitkering overeenkomstig de communautaire bepalingen wordt berekend, kan worden geconcludeerd dat het bijzondere voorschrift van artikel 12, lid 2, laatste volzin, van die verordening — bepalende dat de anti-cumulatiebepalingen op communautair vlak niet kunnen worden toegepast in het geval van gelijksoortige uitkeringen — hier geldt.
Het bedrag van de uitkering moet worden vastgesteld aan de hand van de toepasselijke nationale wettelijke regeling, zonder dat daarbij rekening mag worden gehouden met de rechten op uitkeringen uit hoofde van de wettelijke regeling van andere Lid-Staten. De communautaire bepalingen willen alle tijdvakken van verzekering in elke Lid-Staat ten volle laten meetellen; dit blijkt uit de achtste overweging (eerste deel) van verordening nr. 1408/71, naar luid waarvan
„daartoe, wat betreft de invaliditeits- en ouderdomsuitkeringen en uitkeringen bij overlijden (pensioenen), de betrokkenen in het genot moeten kunnen worden gesteld van alle uitkeringen waarop in de verschillende Lid-Staten recht is verkregen” (cursivering van mij).
In de onderhavige zaken is het recht op ouderdomsuitkeringen uitsluitend krachtens de nationale Belgische wettelijke regeling verkregen. Het zou niet volledig in aanmerking worden genomen, indien het werd verlaagd wegens het bestaan van een recht op gelijksoortige uitkeringen in een andere Lid-Staat. Het betreft hier geen absoluut recht: het volledige recht — zonder eventuele verlaging ingevolge een nationaal anti-cumulatievoorschrift — wordt immers slechts in aanmerking genomen
„... tot ten hoogste de uitkering die door één van deze staten verschuldigd zou zijn, indien de werknemer zijn beroepswerkzaamheden uitsluitend op het grondgebied van deze staat had uitgeoefend, welk maximum nodig is ter voorkoming van ongerechtvaardigde cumulatie met name veroorzaakt door het samenvallen van verzekeringstijdvakken en daarmee gelijkgestelde tijdvakken” (tweede deel van de achtste overweging).
Deze beperking is neergelegd in artikel 46, lid 3, van de verordening, zij het dat te dezen, gelijk het Hof overwoog in het arrest-Celestre (r.o. 14), moet worden herinnerd aan de bepaling van artikel 15, lid 1, sub e, van verordening nr. 574/72.
Het is irrelevant, dat dit kan leiden tot een verschillende positie van migrerende en nationale werknemers. Dit verschil, dat hier op het vlak van de pensioenrechten tot uiting komt, weerspiegelt slechts de verschillende loopbaan van de betrokkenen. Daar komt bij, dat verordening nr. 1408/71 geen harmonisatie beoogt, maar enkel de coördinatie van onderscheiden sociale zekerheidsregelingen waartussen „belangrijke verschillen” bestaan (vierde overweging) en dat de vereenvoudiging waarmee dit gepaard gaat, derhalve maar „enigermate” speelt (tweede overweging).
Vastgesteld ter uitvoering van de artikelen 48 tot en met 51 EEG-Verdrag, moet verordening nr. 1408/71 steeds worden gelezen in het licht van het beginsel van het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap. De voordelen die de migrerende werknemers daaraan ontlenen, moeten tegen de achtergrond van dat beginsel worden gezien. Zo oordeelde het Hof in het arrest van 13 oktober 1977 (zaak 22/77, Mura I, reeds geciteerd), dat
„het verwijt dat migrerende werknemers worden bevoordeeld boven werknemers die nimmer hun land hebben verlaten, niet kan worden aanvaard, daar bij wettelijke situaties die niet vergelijkbaar zijn, een discriminatie niet kan worden aangetoond”.
8.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, te antwoorden
—
aan het Arbeidshof te Luik:
Artikel 12, lid 2, laatste volzin, van verordening nr. 1498/71 moet aldus worden uitgelegd, dat daaronder valt een nationale bepaling van een Lid-Staat die eraan in de weg staat dat bij de berekening van een rustpensioen rekening wordt gehouden met de fictieve tijdvakken van tewerkstelling voor de jaren waarvoor een werknemer aanspraak kan maken op een rustpensioen of een als zodanig geldend voordeel krachtens de regeling van een andere Lid-Staat.
—
aan de Arbeidshoven van Luik en Bergen :
—
Zolang een werknemer alleen krachtens de nationale wettelijke regeling een pensioen ontvangt, staan de bepalingen van verordening nr. 1408/71 niet in de weg aan integrale toepassing van de nationale wettelijke regeling, de nationale anti-cumulatiebepalingen daaronder begrepen, met dien verstande dat wanneer de toepassing van die nationale wettelijke regeling minder gunstig uitvalt dan die van artikel 46 van verordening nr. 1408/71 als een geheel beschouwd, dit laatste artikel moet worden toegepast.
—
Berekening van de communautaire uitkering op grond van artikel 46 van verordening nr. 1408/71 impliceert, dat steeds wanneer dat artikel wordt toegepast — dus ook in het in lid 1 bedoelde geval -, tevens artikel 12, lid 2, laatste volzin moet worden toegepast, bepalende dat de wettelijke bepaling inzake vermindering, schorsing of intrekking niet van toepassing zijn.
( *1 ) Vertaald uit het Frans.
( 1 ) Belgisch Staatsblad 1967, blz. 11258, gewijzigd bij wetten van 26 juni 1972 (Belgisch Staatsblad 1972, blz. 7738) en 28 maart 1975 (Belgisch Staatsblad 1975, blz. 4108).
( 2 ) Artikel 11 (Belgisch Staatsblad 1981, blz. 1699).
Full & Egal Universal Law Academy