CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. O. LENZ
van 13 december 1984 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Met uw welnemen zal ik mijn conclusie in deze zaken onmiddellijk aansluitend op de mondelinge behandeling voordragen.
De voorgelegde vraag is duidelijk. De nationale rechter wil vernemen op welke wijze in het kader van artikel 14, lid 3, van verordening nr. 171/83 van de Raad de tonnage van vissersschepen moet worden berekend.
Deze zaken kunnen mijns inziens niet tot een precedent worden. In de eerste plaats immers hebben de bodemgeschillen slechts betrekking op de toepassing van de verordening in één Lid-Staat. De omstandigheid dat meer Lid-Staten bij een zaak betrokken zijn, doet zich hier niet voor en is bijgevolg ook niet van verschillende zijden belicht. Alleen de Commissie en de Nederlandse regering hebben opmerkingen gemaakt en daarom zonden wij hier en nu niet moeten beslissen over de vraag van de toepassing van de betrokken verordening ingeval er in de Lid-Staten verschillende regels ter berekening van de tonnage bestaan, eenvoudig omdat dit punt niet voldoende contradictoir behandeld lijkt te zijn.
Al bij al beschikken wij over twee gelijkluidende standpunten, dat van de Nederlandse regering en dat van de Commissie; beide gaan ervan uit, dat het gemeenschapsrecht geen bepaalde berekeningsmethode voorschrijft, en dus blijft er voor de nationale rechter niets anders over dan de door zijn nationale recht voorgeschreven berekeningsmethode toe te passen.
Ons werd gezegd, dat dat ook al sinds tien jaar de praktijk is en dat dit nog nooit tot problemen heeft geleid. Natuurlijk zijn er steeds wanneer er ergens een limiet wordt bepaald, mensen die klagen omdat zij er net boven of net onder blijven. Of het in casu om een werkelijk klassiek geval gaat, lijkt mij echter twijfelachtig, want in beide zaken gaāt het om een zeer aanzienlijke overschrijding, en gevallen waarbij verschillende Lid-Staten betrokken waren, hebben zich kennelijk nauwelijks voorgedaan. Dat komt doordat deze regeling voor de kustvisserij in de twaalf-mijlszone geldt, waar over het algemeen slechts wordt gevist door vissers van de staat waartoe die zone behoort. Verder is ook niet gebleken dat de verschillen tussen de in de diverse Lid-Staten toegepaste berekeningsmethoden van enig praktisch belang zijn, en zelfs wanneer zij enig praktisch belang hadden, zou dat geen rol spelen, omdat men dan ten gunste van de verdachte gewoon afgaat op de door de vlaggestaat van het schip afgegeven meetbrief, en wanneer het schip volgens die brief niet meer dan 70 ton meet, is de zaak afgedaan.
Mitsdien geef ik in overweging, het schriftelijk geformuleerde voorstel van de Commissie over te nemen en de gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
Voor de toepassing van artikel 14, lid 3, van verordening nr. 171/83 moet de in BRT uitgedrukte tonnage van de schepen worden vastgesteld overeenkomstig de in de betrokken Lid-Staten geldende metingsregels.
Zou het Hof — wat ik echter niet adviseer — ook willen antwoorden op de vraag, wat dient te gebeuren wanneer het om een schip uit een andere Lid-Staat gaat, dan wil ik ter aanvulling het volgende antwoord in overweging geven :
Voor vaartuigen uit een andere Lid-Staat is de door die Lid-Staat afgegeven meetbrief bepalend.
( *1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy