CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
van 12 februari 1985
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Inleiding
De hoofdrollen in de twee gevoegde zaken, die vandaag aan de orde zijn, worden gespeeld door een handelaar in schapen, tevens eigenaar van een slachthuis en van een boerderij (Hackett Ltd) en door een varkensfokker (Dovey). Aan de orde is de vraag, of deze hoofdrolspelers Hackett en Dovey bij het vervoer van respectievelijk schapen en varkens van respectievelijk naar een op ruim 150, respectievelijk 95 mijlen van hun boerderij gelegen markt, al dan niet verplicht zijn het in verordening nr. 1463/70 van de Raad ( PB 1970, L 164, biz. 1) voorgeschreven apparaat voor de controle op de naleving van de in verordening (EEG) nr. 543/69 van de Raad (PB 1969, L 77, biz. 49), zoals gewijzigd bij verordeningen (EEG) nrs. 515/72 (PB 1972, L 67, biz. 11) en 2827/77 (PB 1977, L 334, biz. 1) voorgeschreven rij- en rusttijden te gebruiken. Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van de uitlegging van artikel 14 bis, lid 2, sub c), van verordening (EEG) nr. 543/69, zoals sindsdien gewijzigd. Dit artikelgedeelte staat de Lid-Staten onder meer toe, na raadpleging van de Commissie, afwijkingen van de verordening toe te staan „voor het vervoer van levende dieren van de boerderij naar de plaatselijke markten en terug”. De verordening (EEG) nr. 1463/70 betreffende de invoering van een controleapparaat bij het wegvervoer (de tachograaf) kent in zijn artikel 3, lid 2, een soortgelijke uitzonderingsmogelijkheid. De Britse wetgeving heeft van deze mogelijkheden gebruik gemaakt, maar deze nationale voorschriften zijn voor de onderhavige procedure niet van direct belang. De verwijzingsrechter heeft U namelijk uitsluitend vragen gesteld over de betekenis van genoemd artikel 14 bis, lid 2, sub c), van verordening (EEG) nr. 543/69 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2827/77 van de Raad.
Deze vragen luiden als volgt:
„Is een ‚plaatselijke markt’ in de zin van artikel 14 bis, lid 2, sub c), van verordening nr. (EEG) 543/69 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. (EEG) 2827/77 van de Raad:
1)
een markt (ongeacht het soort) die vrij dicht bij het betrokken landbouwbedrijf is gelegen ?
dan wel
2)
een markt (ongeacht het soort) die, de plaatselijke geografische situatie in aanmerking genomen, vrij dicht bij het landbouwbedrijf is gelegen ?
dan wel
3)
een markt die vrij dicht bij het betrokken landbouwbedrijf is gelegen (respectievelijk een markt waarvoor zulks in de plaatselijke geografische situatie het geval is), mede gelet op de soort of het ras der aldaar gekochte of verkochte dieren, en zo ja, waar ligt de grens (zo er een is) waar men niet langer van een „plaatselijke” markt kan spreken ?
dan wel
4)
een markt die vrij dicht bij het betrokken landbouwbedrijf is gelegen (respectievelijk een markt waarvoor zulks in de plaatselijke geografische situatie het geval is), waar dieren van de betrokken soort of het betrokken ras kunnen worden gekocht of verkocht tegen commercieel gunstige voorwaarden, het aantal der betrokken dieren mede in aanmerking genomen ? Zo dit het geval is:
a)
wat moet in dit verband onder ‚günstig’ worden verstaan ?
en
b)
waar ligt de grens (zo er een is) waar men niet langer van een ‚plaatselijke’ markt kan spreken ?
dan wel
5)
een markt op vier uur rijden (of het krachtens de destijds geldende wettelijke regeling toegelaten maximum aantal uren zonder pauze) van het landbouwbedrijf waarvan de dieren afkomstig zijn ?”
Zowel uit deze vragen zelf, als uit de daarover door de hoofdrolspelers, de Commissie en de regering van het Verenigd Koninkrijk ingediende en ter zitting nog nader toegelichte opmerkingen blijkt, dat in theorie vele antwoorden op de gestelde uitleggingsvraag denkbaar zijn. Daarbij kan een hoofdaccent worden gelegd op plaatselijke geografische omstandigheden, op de tekst en de sociale en andere doelstellingen van de „rij- en rusttijden-verordening” of juist op de commerciële belangen van de betrokken boeren. Deze zullen uiteraard (met name indien hun vraag of aanbod, zoals in casu, grote aantallen levende dieren betreft) bij voorkeur op een markt met een zodanig aanbod, respectievelijk een zodanige vraag in- of verkopen, dat de prijzen bij aankoop zo laag mogelijk en bij verkoop zo hoog mogelijk liggen. De handelaar in schapen als eerste hoofdrolspeler rijdt daarom regelmatig half Engeland door naar het noorden omdat pas daar, op 150 mijlen van zijn boerderij en zijn slachthuis, een voldoende groot marktaanbod aan schapen bestaat. Op dichterbij gelegen veemarkten kan hij de benodigde aantallen schapen (300 tot 400) van de gewenste kwaliteit niet krijgen. Anderzijds kan Dovey als tweede hoofdrolspeler zijn wekelijkse aanbod van ongeveer 60 varkens (gedeeltelijk afkomstig van zijn broer en soms nog van andere varkensfokkers ter plaatse) op de naastbijgelegen markten in Salisbury en Winchester niet kwijt, althans niet zonder de marktprijzen aldaar te doen kelderen. Hij verkoopt daarom zijn varkens (en die van zijn broer) op de 95 mijlen westelijk van zijn boerderij gelegen markt te Banbury (naar zijn zeggen ongeveer twee uur rijden). Het is duidelijk, dat beide hoofdrolspelers op grond van hun commerciële belangen voorstanders zijn van een ruime uitleg van de genoemde uitzonderingsbepaling. De rechter in eerste instantie toonde voor deze commerciële benadering van het begrip „plaatselijke markt” ook begrip en sprak de hoofdrolspelers vrij. Daarbij hield hij er echter bij de varkensfokker ook rekening mede, dat de in de verordening voorgeschreven minimumrijtijd (zonder rust) niet overschreden werd. Het is overigens opmerkelijk, dat beide vrachtauto's wel in bezit waren van het voorgeschreven controleapparaat, maar dit niet gebruikten. Het is na beroepen, ingesteld op instigatie van het Ministerie van Vervoer, dat de verwijzingsrechter Uw Hof de eerder vermelde vragen heeft voorgelegd.
2. Beantwoording van de vragen
2.1. Aard van de betrokken activiteiten
Zoals Uw Hof in zijn aan partijen gestelde vragen reeds heeft doen uitkomen, zullen de vragen van de verwijzingsrechter mede op grond van de strekking van de genoemde uitzonderingsbepaling moeten worden beantwoord. Bij de hoofdrolspeler Hackett speelt zijn boerderij slechts een uiterst ondergeschikte rol in zijn bedrijfsvoering. Nadat hij de schapen op grote afstand heeft aangekocht en naar zijn boerderij heeft vervoerd, verblijven deze schapen daar slechts enkele dagen, alvorens naar het hem toebehorende slachthuis te worden getransporteerd. De andere hoofdrolspeler vervoert wekelijks niet alleen zijn eigen varkens, maar in grotere omvang nog die van zijn broer en soms nog van derden. In zoverre is hij meer een beroepsvervoerder dan een boer, die alleen zijn eigen produkten van de boerderij naar de markt vervoert. Deze groepen varkens worden bovendien op een zo grote schaal geproduceerd, dat (evenals bij de aankopen van de eerste hoofdrolspeler) de in geding zijnde vervoersactiviteiten niet meer uitsluitend op een „plaatselijke markt” in de gebruikelijke taalkundige betekenis van het woord kunnen worden gericht. De vraag van Uw Hof aan partijen of deze activiteiten typerend kunnen worden geacht voor het soort vervoer, waarop de uitzonderingsbepaling betrekking heeft, acht ik dan ook inderdaad van groot belang voor de beantwoording van de U gestelde vragen. Indien deze vraag bevestigend zou moeten worden beantwoord, zou dit stellig als een sterk argument voor het pleidooi van de hoofdrolspelers voor een ruime uitleg van het begrip „plaatselijke markt” moeten worden beschouwd. De uitzonderingsbepaling zou dan zo ruim moeten worden uitgelegd, dat als lokale markt moet worden beschouwd de naastbijgelegen markt, waarop de betrokken soorten levende dieren in de betrokken hoeveelheden met succes en zonder verstoring van redelijke prijsverhoudingen kunnen worden gekocht, respectievelijk verkocht.
Alle partijen waren het er om te beginnen, wat deze vraag van het Hof betreft, over eens, dat de tekst ván de uitzonderingsbepaling zonder onderscheid voor vervoer met een eigen vervoermiddel van de boer en voor vervoer door een derde geldt. Behalve op de tekst van de onderhavige uitzonderingsbepaling beriep de vertegenwoordiger van'het Verenigd Koninkrijk zich hiertoe op de in zoverre identieke tekst van artikel 14 bis, lid 3, sub b) van de verordening, die voor vervoer van melk van de boerderij naar het melkbedrijf duidelijk mede op vervoer door derden slaat (daar stellig het normale geval). De omvang van de transacties zou vervolgens naar het oordeel van de vertegenwoordigers van het Verenigd Koninkrijk en van de Commissie geen beslissende invloed dienen te hebben op de uitleg van het begrip „plaatselijke markt”. De vertegenwoordiger van de varkensfokker verdedigde ter zitting echter op dit punt de tegenovergestelde opvatting: Hij baseerde deze opvatting met name op het belang van een snel vervoer van levende dieren (gezondheidsfactor) en het belang van de bij de uitzondering betrokken groep van personen (dat bij vele uitzonderingen een beslissende rol speelt en voor wat boerenbelangen betreft naar zijn indruk in de gemeenschapspolitiek in het algemeen een grote invloed heeft). De activiteit van de varkensfokker was een normale boerenactiviteit en wanneer de uitzondering gemaakt is in het belang van de boeren, moet het begrip plaatselijke markt dus overeenkomstig hun belang zo ruim worden uitgelegd, dat daaronder de naastbijzijnde markt is begrepen, waar de betrokken aantallen varkens zonder marktverstoring kunnen worden verkocht. Een derde mogelijk argument voor zijn standpunt zag de vertegenwoordiger van de varkensfokker in de omstandigheid, dat diens vervoeractiviteiten niet in strijd zijn met het doel van de verordening — om lange rijtijden zonder onderbreking tegen te gaan. Met twee uur rijtijd naar de markt, een verblijf aldaar van enkele uren en twee uur rijtijd terug bleef zijn cliënt ruim beneden de vastgestelde maximumrijtijd. Gelet op de door hem veronderstelde invloed van de boeren als pressiegroep binnen de Gemeenschap, achtte hij echter uiteindelijk de reden voor de uitzondering vermoedelijk vooral gelegen in het belang van de betrokken boeren. Ook in het verleden (50, 60 of zelfs 100 jaar geleden) zouden markten op aanzienlijke afstand overigens reeds als „plaatselijke markten” zijn beschouwd. Dat de Raad in casu geen afstandscriterium op het oog had, zou ook volgen uit de omstandigheid, dat hij — anders dan in sommige andere uitzonderingsbepalingen — in. deze uitzonderingsbepaling geen concreet afstandscriterium had opgenomen. Ieder, concreet geval zou: derhalve op zijn eigen merites en rekening houdend met de gewoonten terzake in een bepaald geografisch gebied moeten worden beoordeeld door de plaatselijke rechters. Als lokale markt zou moeten worden beschouwd wat de bevoegde rechter, met zijn kennis van lokale omstandigheden, als zodanig erkent.
De Commissie lichtte het door haar en door het Verenigd Koninkrijk verdedigde standpunt, dat commerciële overwegingen bij de definitie van het begrip „plaatselijke markt” niet mogen overwegen, ter zitting nader toe. Haar standpunt zou, anders dan de hoofdrolspelers betoogden, bij aanvaarding geenszins medebrengen, dat dezen geen toegang meer zouden hebben tot de commercieel meest aantrekkelijke markten. Het zou alleen maar ten gevolge hebben, dat zij de in hun vervoermiddel aanwezige tachograaf ook zouden gebruiken en meer in het algemeen de sociale voorschriften zouden respecteren. Dit zou niet als een onredelijke last kunnen worden beschouwd. Een plaatselijke markt zou overigens volgens de Commissie zijn karakter van „markt” niet verliezen, wanneer door grote aanvoer de prijzen op een bepaalde marktdag zouden daien. Evenmin zou de frequentie, waarmede een boer een bepaalde markt op grote afstand bezocht, voldoende zijn om daaraan het karakter van een „plaatselijke” markt te geven.
Wat de vraag van Uw Hof betreft, meende de Commissie, uitzonderingsbepaling blijkens haar wordingsgeschiedenis geen beperkingen ten aanzien van de persoonlijke werkingssfeer kent. Zowel eigen vervoerders als beroepsvervoerders, en ook veehandelaren en dus niet. alleen kleine boeren zouden zich op de bepaling kunnen beroepen.- Evenals de vertegenwoordiger van het Verenigd Koninkrijk betwijfelde de iCommissie echter of de handelaar in schapen in casu wel geacht kon worden levende dieren naar een boerderij te vervoeren, nu deze boerderij slechts als een kort transitoverblijf tussen de markt en het slachthuis dienst deed. Op grond van Uw rechtspraak (zaken 85/77, Jurispr. 1978, blz. 572, en 139/77, Jurispr. 1978, blz. 1317) concludeerde overigens de Commissie, dat ook grote ondernemers als hier aan de orde als landbouwproducenten met een boerderij als in de uitzonderingsbepaling aan de orde kunnen worden beschouwd. Wat de redenen voor deze uitzonderingsbepaling betreft, was de Commissie van oordeel, dat die niet lagen in de belangen van een bepaalde groep, maar in de omstandigheid, dat vervoer naar en van een werkelijk lokale markt normaal gesproken niet tot overtreding van de rij- en rusttijdenregeling kan leiden.
2.2. De vragen van de verwijzingsrechter
De door de verwijzingsrechter aan Uw Hof voorgelegde en reeds eerder door mij geciteerde vragen maken op het eerste gezicht de indruk van een multiplechoicetest, waarbij Uw Hof één van de gegeven alternatieven als het juiste antwoord zou moeten aangeven. Ik meen echter, dat deze eerste indruk niet juist is en dat een andere interpretatie van de vragen, die een afzonderlijk antwoord Uwerzijds op elk van de aangeboden alternatieven zou vereisen aan de bedoeling van de verwijzingsrechter evenmin recht zou doen wedervaren. Een redelijke interpretatie van de vragen in het licht van de doelstelling van artikel 177 van het EEGVerdrag lijkt mij veeleer te zijn, dat de verwijzingsrechter door de vorm van zijn vraagstelling de belangrijkste in de discussie naar voren gekomen aspecten van de centrale vraagstelling heeft willen aangeven, teneinde aldus een voor de oplossing van de concrete problemen voldoende duidelijk antwoord van Uw Hof te krijgen.
Anders dan partijen in de procedure, zal ik dan ook niet uitvoerig op elk van de door de verwijzingsrechter vermelde alternatieven ingaan. Ik zal dat ook daarom niet doen, omdat geen van die alternatieven naar mijn oordeel een werkelijk bevredigend antwoord inhoudt.
Het door Dovey begrijpelijkerwijze uitgekozen vijfde alternatief (de maximumrijtijd zonder onderbreking) is naar mijn oordeel terecht door de Commissie en het Verenigd Koninkrijk afgewezen. Het heeft als zodanig niets met het begrip „plaatselijke markt” te maken en zou overigens onder omstandigheden tot een met de door de verordening mede beoogde veiligheid van het vervoer onverenigbare snelheidsrace leiden. Het is dan ook begrijpelijk, dat de andere hoofdrolspeler — die veel grotere afstanden moet afleggen — dit alternatieve antwoord niet heeft voorgesteld en eerder aan een antwoord in de lijn van alternatief 4 lijkt te denken, mits zodanig gepreciseerd, dat zijn geval daardoor wordt gedekt. Op dit alternatief zal ik nog terugkomen.
Het lijkt mij voorts evident, dat ook de alternatieven 1 en 2 in geen geval een redelijk antwoord op de gestelde vragen bevatten. Een markt voor bijvoorbeeld groenten, fruit en bloemen of voor huishoudelijke artikelen, die geen infrastructuur bevat voor de verhandeling van schapen, varkens of vee in het algemeen, zal redelijkerwijze niet als een in casu relevante markt kunnen worden beschouwd.
De alternatieven 3 en 4 geven daarentegen duidelijk de problemen aan, waarvoor de verwijzingsrechter, zowel als Uw Hof in casu zijn gesteld:
1)
In hoeverre moet met de plaatselijke geografische situatie rekening worden gehouden ?
2)
In hoeverre moet met soort en ras van de levende dieren worden rekening gehouden, die op de betrokken markt (regelmatig) worden gekocht of verkocht ?
3)
In hoeverre moet mede met de aantallen verhandelde dieren op die markt worden rekening gehouden ?
4)
Welke rol dient de afstand tussen boerderij en markt als grens bij de definitie van het begrip „plaatselijke markt” in deze twee alternatieven te spelen ?
Ten aanzien van het eerste probleem ben ik met alle partijen van oordeel, dat met de plaatselijke geografische situatie (o.m. de bevolkingsdichtheid, de spreiding van de boerenbedrijven en de in de omgeving beschikbare markten) moet worden rekening gehouden.
Ten aanzien van het tweede probleem ben ik als eerder opgemerkt met alle partijen van oordeel, dat een redelijke uitleg van de uitzonderingsbepaling eist, dat als plaatselijke markt alleen een markt kan worden beschouwd, waar de betrokken soorten levende dieren regelmatig worden verhandeld. De Commissie heeft dit criterium ter zitting naar mijn oordeel terecht aldus aangevuld en gelijktijdig gepreciseerd, dat ter plaatse tevens een passende infrastructuur voor regelmatige verhandeling dient te bestaan.
Ten aanzien van het derde probleem beginnen de meningen van partijen daarentegen uiteen te lopen. Hackett meent, dat als een plaatselijke markt moet worden beschouwd „een bestendige dan wel op één of welbepaalde dagen gehouden markt, zo dicht mogelijk bij het landbouwbedrijf, waarop de diersoort of het ras van de juiste kwaliteit of gewicht in de gewenste aantallen kan worden gekocht of verkocht”. De regering van het Verenigd Koninkrijk meent daarentegen, dat in een dergelijke interpretatie (die aansluit bij alternatief 4 van de verwijzingsrechter) het woord „plaatselijk” te veel op de achtergrond blijft. De markt mag naar haar oordeel niet te veraf liggen van de boerderij om nog als „plaatselijk” aangemerkt te worden. Daar mede met de geografische ligging van de streek, de verkeersvoorzieningen, de dichtheid en de spreiding van bevolking, landbouwbedrijven en markten moet worden rekening gehouden, acht zij een zeer nauwkeurig antwoord op de gestelde vragen kennelijk niet mogelijk. Op de relevantie van het aantal te verhandelen dieren ging zij ter zitting slechts in zoverre in, dat zij meent, dat het rekening houden met grote aantallen automatisch een grens zal vinden in de eis, dat de betrokken markt een „plaatselijk” karakter moet dragen in een taalkundig nog aanvaardbare betekenis van deze term. Als opgemerkt was de regering van het Verenigd Koninkrijk echter niet in staat voor dit begrip zeer nauwkeurige criteria te formuleren. In zoverre leek zij niet zo ver af te staan van de eerder vermelde suggestie van de vertegenwoordiger van Dovey om deze precisering maar aan de ter plaatse bevoegde rechter over te laten.
De Commissie heeft ter zitting in antwoord op een vraag mijnerzijds over dit derde probleem verduidelijkt, dat het aantal te verhandelen dieren geen rol dient te spelen bij de precisering van het begrip „plaatselijke markt”.
Ten aanzien van het vierde probleem, het gebruik van een afstandscriterium, waren alle partijen het er over eens, dat niet met een precies vastgelegde maximumafstand kan worden gewerkt. De Commissie heeft er in dit verband ook terecht op gewezen, dat de onderhavige uitzonderingsbepaling anders dan artikel 14 bis, lid 1, en artikel 5, lid 7, geen afstandscriterium heeft opgenomen. In bepaalde geografische situaties zou dit inderdaad ook onredelijk zijn. Wel meent de Commissie, dat aan de in genoemde artikelen genoemde grens (een straal van 50 km) in zoverre betekenis zou kunnen worden toegekend, dat alle markten binnen die straal zonder meer als „plaatselijke markten” zouden kunnen worden beschouwd. In de genoemde andere voorschriften heeft de gemeenschapswetgever immers te kennen gegeven dat er bij transporten binnen deze zone nauwelijks gevaar bestaat voor overschrijding van de maximumrijtijd. Wordt een markt buiten deze sector gekozen, dan dient zulks naar het oordeel van de Commissie zijn rechtvaardiging te vinden in het feit dat er geen dichterbij gelegen markt is dan wel in andere geldige redenen. Commerciële overwegingen (met name verband houdend met het aantal te verhandelen dieren) of het criterium van de maximumduur van ononderbroken ritten dienen daarbij echter buiten beschouwing te blijven. Ter zitting preciseerde de Commissie haar standpunt terzake aldus, dat buiten de straal van 50 km alleen de naastbijgelegen markt -in aanmerking komt, die aan de eerdergenoemde criteria van regelmatige handel in de betrokken diersoorten en een hiervoor passende infrastructuur voldoet. Dit standpunt lijkt in zoverre iets ruimer dan dat van de regering van het Verenigd Koninkrijk, dat deze regering ook dan nog, rekening houdend met alle door haar genoemde omstandigheden, als grens wil aanleggen, dat die dichtstbijgelegen markt aan het begrip „plaatselijke markt” geen geweld mag aandoen.
3. Conclusie
Uit mijn voorafgaande beschouwingen zou ik willen afleiden, dat Uw antwoord met name recht moet doen wedervaren aan de — al dán niet uitdrukkelijk in de considerans vastgelegde — doelstellingen van de betrokken verordening (sociale bescherming chauffeurs, bescherming verkeersveiligheid, tegengaan van concurrentievervalsingen), aan de gewenste rechtszekerheid, aan de zeer uiteenlopende geografische omstandigheden op de door partijen genoemde punten (hetgeen volledig uniforme toepassing van de bepaling in alle Lid-Staten verhindert), aan de soorten te verhandelen dieren en aan het taalkundige begrip „plaatselijke markt” (dat mede aan de hand van andere uitzonderingsbepalingen gepreciseerd kan worden). Met de Commissie en het Verenigd Koninkrijk ben ik voorts van oordeel, dat noch de ononderbroken rijtijd, noch commerciële belangen van de betrokken boer (met name gebonden aan de aantallen te verhandelen dieren) een beslissende rol in Uw antwoord dienen te spelen: commerciële overwegingen behoeven op grond van de door de Commissie ter zitting gegeven toelichtingen, ook daarom geen rol te spelen, omdat boeren die, gelijk in casu, regelmatig zeer grote aantallen dieren willen vervoeren, geacht kunnen worden zonder bezwaar een tachograaf in hun transportmiddel te kunnen installeren en gebruiken. Tekenend in dit opzicht is dat, als eerder opgemerkt, de in beide onderliggende gevallen gebruikte vrachtauto's ook inderdaad een tachograaf hadden, maar dat deze niet werd gebruikt voor de aan de orde zijnde transporten over grote afstand.
Voorts meen ik, dat bij een goede definitie van het basisbegrip „plaatselijke markt”, als door de Commissie voorgesteld, aan de controleautoriteiten en aan de bevoegde rechters geen zo ruime waarderingsmarge behoeft te worden toegekend als door de regering van het Verenigd Koninkrijk en nog verdergaand door de varkensfokker Dovey werd voorgesteld. Anderzijds meen ik met de Commissie, dat het door het Verenigd Koninkrijk naar voren gebrachte bezwaar, dat (m.i. slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden) de dichtstbijgelegen plaatselijke niarkt dan tóch nog op betrekkelijk grote afstand van de boerderij zal zijn gelegen, zal moeten worden aanvaard. Indien Uw Hof wegens het voor bepaalde diersoorten (bijvoorbeeld paarden) of in bepaalde Lid-Staten wellicht geringe aantal beschikbare markten op dit punt toch een maximumgrens zou willen inlassen, zou ik U een absolute maximumafstand van 150 km langs de weg willen suggereren. Ook dan zal normaal gesproken de maximaal toelaatbare rijtijd zonder onderbreking niet worden overschreden.
Op grond van deze overwegingen stel ik U voor de vragen van de verwijzingsrechter als volgt te beantwoorden :
Als „plaatselijke markt” in de zin van artikel 14 bis, lid 2, sub c), van verordening (EEG) nr. 543/69 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2827/77 van de Raad dient te worden beschouwd:
iedere markt gelegen binnen een straal van 50 km van de betrokken boerderij of, indien binnen die straal geen markt gelegen is, waar regelmatig (ten minste éénmaal per week) dieren van het betrokken soort of ras verhandeld worden en een daarvoor passende infrastructuur aanwezig is, de naastbijgelegen markt, die wel aan deze voorwaarden voldoet„ (eventueel toe te voegen: , „ mits deze niet op grotere afstand dan 150 km langs de weg van de betrokken boerderij verwijderd is”
Full & Egal Universal Law Academy