CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
van 30 januari 1985 ( *1 )
Mijnheer de President, mijne heren Rechters,
In de onderhavige zaak heeft de Commissie op 30 maart 1984 krachtens artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag beroep ingesteld tegen de Franse Republiek. De Commissie verzoekt het Hof vast te stellen dat de Franse Republiek, door geen gevolg te geven aan een beschikking van de Commissie van 8 februari 1983, de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen. Blijkens deze beschikking, inzake door de regering toegekende steun voor het behoud van de werkgelegenheid in de zeevisserij, wordt sinds 1974 aan visserijbedrijven in Frankrijk steun toegekend, berekend op grondslag van de verbruikte hoeveelheden gasolie. Vaststaat dat de Commissie het althans tot 1980 met deze steunverlening eens was. Toen stelde zij zich op het standpunt, dat het niet langer om een tijdelijke steun ging, doch dat die maatregel een belangrijke en rechtstreekse invloed had op de mededinging en op het handelsverkeer tussen de Lid-Staten en derhalve in de zin van artikel 92 van het Verdrag onverenigbaar was met de gemeenschappelijke markt.
Daarop heeft de Commissie de procedure van artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag ingeleid en de Franse regering aangemaand haar opmerkingen te maken. In 1981 en 1982 evenwel werd het steunbedrag zelfs nog verhoogd, waarop de Commissie ten aanzien van de nieuwe steun voor 1982 andermaal een procedure krachtens artikel 93, lid 2, inleidde.
In antwoord op het verzoek van de Commissie om opmerkingen te maken, deelde de Franse regering mee van mening te zijn, dat de steun de mededinging niet vervalste, doch in feite noodzakelijk was in verband met de moeilijkheden waarmee de visserijindustrie te kampen had en die leidden tot verlies van arbeidsplaatsen en, zo stelde zij, tot toeneming van de import in Frankrijk.
De Commissie bleef evenwel bij haar aanvankelijke standpunt, en de beschikking werd op 5 april 1983 betekend. De Franse regering voegde zich niet onmiddellijk en binnen de gestelde termijn naar de beschikking, doch deelde op 28 juni 1983 de redenen mee, waarom zij zich niet gehouden achtte ze op te volgen. Zij beriep zich daarbij op de veranderingen die in de visserij-industrie waren opgetreden, en betoogde dat de steun geen gevolgen had voor de mededinging, deels dankzij de toegenomen imponen in Frankrijk. Zij wees op de moeilijkheden waarmee de Franse visserij-industrie te maken had, en verlangde dat de Commissie een studie zou verrichten van de situatie in de gehele Gemeenschap.
Op grond van die brief gaf de Commissie Frankrijk nog een maand de tijd om gevolg te geven aan de beschikking. Toen dit niet geschiedde, is het onderhavige beroep ingesteld.
De memories zijn verrassend bondig en ook helder geschreven. De Commissie beroept zich eenvoudig op het feit dat de beschikking is gegeven en niet nageleefd. Verweerster betoogt met een verwijzing naar de brief van 28 juni 1983, dat de feiten geen onverenigbaarheid met het gemeenschapsrecht opleveren, die de beschikking zou kunnen rechtvaardigen.
De vorm en de wettigheid van de beschikking zelf worden evenwel niet betwist en het lijkt mij duidelijk dat de Franse Republiek niet op grond van de door haar aangevoerde argumenten zich aan de naleving ervan kan onttrekken. Zij is niet binnen de in artikel 173 EEG-Verdrag voorgeschreven termijn tegen de beschikking opgekomen en zal ze thans dienen op te volgen, in overeenstemming met 's Hofs arresten van 12 oktober 1978 (zaak 156/77, Commissie/België, Jurispr. 1978, blz. 1881) en 11 juli 1984 (zaak 130/83, Commissie/Italië, Jurispr. 1984, blz. 2849).
Mitsdien geef ik het Hof in overweging te beslissen in de zin van de conclusies van de Commissie, met verwijzing van de Franse Republiek in de kosten.
( *1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy