CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
van 26 juni 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De onderhavige zaak betreft een verzoek om een prejudiciële beslissing van het tribunal de police te Martigues, Frankrijk, in een aldaar dienende strafzaak tegen twee directeuren van zelfbedieningszaken, A. Darras en D. Tostain, die ervan worden beschuldigd dat zij boeken hebben verkocht tegen lagere prijzen dan die welke waren toegestaan bij de Franse wet nr. 81-766 van 10 augustus 1981.
Tegen het oorspronkelijke verwijzingsvonnis van 29 maart 1984 was hoger beroep ingesteld, doch dit is verworpen, zodat de zaak thans voor het Hof komt.
De vragen van de nationale rechter luiden als volgt:
„1)
Vormt de wettelijke regeling betreffende de boekenprijs, en met name de vaststelling, krachtens wet nr. 81-766 van 10 augustus 1981 en decreet nr. 82-1176 van 29 december 1982, van een verplichte minimum detailhandelsprijs een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking in het intracommunautaire handelsverkeer ?
2)
Zo ja, kan die regeling dan onder de in artikel 36 EEG-Verdrag voorziene uitzonderingen vallen ?
3)
Zo neen, kan zij dan worden gerechtvaardigd uit hoofde van bescherming van bepaalde nationale belangen, bij voorbeeld het belang van boekhandelaren die worden bedreigd door de concurrentie van andere verkoopvormen ?
4)
Zijn in dat geval de getroffen maatregelen die welke het meest geschikt zijn ter bescherming van bedoelde belangen en welke het minst inbreuk maken op de vrijheid van het handelsverkeer ?”
Darras, die hedenochtend voor het Hof door zijn raadsman werd vertegenwoordigd, heeft zich aangesloten bij de namens de Commissie ingediende schriftelijke opmerkingen.
In de onderhavige zaak is dezelfde wettelijke regeling aan de orde als in zaak 229/83 (arrest van 10 januari 1985, Association des Centres distributeurs Leclerc en Thouars Distribution & autres, Jurispr. 1985, blz. 1; hierna zaak-Leclerc genoemd). Ook de feiten en rechtsvragen komen grotendeels overeen met die van de zaak-Leclerc. Alleen gaat het nu om een strafzaak en niet om een burgerlijke zaak, doch dit maakt in wezen niet uit.
De gestelde vragen betreffen uitsluitend het vrije verkeer van goederen. Over de artikelen 3, sub f, en 85 EEG-Verdrag zijn in de onderhavige zaak geen vragen opgeworpen. Mijns inziens zijn de gestelde vragen afdoende beantwoord in de rechtsoverwegingen 21 tot en met 30 en in punt 2 van het dictum van's Hofs arrest in de zaak-Leclerc.
Wat de eerste vraag betreft, is in de rechtsoverwegingen 24 tot en met 27 en in punt 2 van het dictum van het arrest-Leclerc verklaard, dat de betrokken prijsbindirigsvoorschriften ongetwijfeld door artikel 30 EEG-Verdrag verboden maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen vormen, met het volgende voorbehoud: „tenzij uit objectieve omstandigheden zou blijken dat die boeken enkel zijn uitgevoerd met het doel ze opnieuw in te voeren ten einde een dergelijke wettelijke regeling te ontduiken”.
Dit voorbehoud is door tal van auteurs besproken. Mijns inziens is het in de onderhavige zaak irrelevant en vraagt het niet om commentaar. Vermeld zij slechts, dat een zelfde voorbehoud later is opgenomen in ,s Hofs arrest in zaak 299/83 (arrest van 11 juli 1985, Saint-Herblain e. a., Jurispr. 1985, blz. 2515).
Met betrekking tot de tweede en de vierde vraag kan eveneens naar het arrest-Leclerc worden verwezen, ditmaal naar de rechtsoverwegingen 28 tot en met 30. De betrokken wettelijke regeling kan slechts gerechtvaardigd zijn op de gronden genoemd in artikel 36 EEG-Verdrag, dat strikt moet worden uitgelegd en — aldus het Hof — niet kan worden uitgebreid tot doelstellingen die daarin niet uitdrukkelijk zijn genoemd.
Naar mijn oordeel volgt hieruit, dat hetgeen thans als „nationale belangen” wordt omschreven, zoals het belang van door de concurrentie van andere verkoopvormen bedreigde boekhandelaren, geen rechtvaardigingsgrond kan vormen voor een dergelijke nationale wettelijke regeling. Ik begrijp trouwens niet goed, waarom de belangen van die boekhandelaren in het verwijzingsvonnis als „nationale belangen” worden bestempeld.
Is het voorgaande juist, dan behoeft de vierde vraag niet te worden behandeld.
Op grond van het voorgaande stel ik voor, dat de vragen van de nationale rechter zouden worden beantwoord als volgt:
„1)
In het kader van een nationale wettelijke regeling, inhoudende dat de detailhandelsprijs van een boek door de uitgever of de importeur van dat boek wordt vastgesteld en verbindend is voor alle detailhandelaren, zijn als door artikel 30 EEG-Verdrag verboden maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen te beschouwen bepalingen
a)
volgens welke de importeur van een boek, die de formaliteit van het wettelijk depot van een exemplaar van dat boek heeft te vervullen, dat wil zeggen de voornaamste depothouder, de detailhandelsprijs moet vaststellen,
of
b)
die voor de verkoop van boeken die in de betrokken Lid-Staat zijn uitgegeven en er, na uitvoer naar een andere Lid-Staat, weer zijn ingevoerd, de door de uitgever vastgestelde verkoopprijs verbindend verklaren, tenzij uit objectieve omstandigheden zou blijken dat die boeken enkel zijn uitgevoerd met het doel ze opnieuw in te voeren ten einde een dergelijke wettelijke regeling te ontduiken.
2)
Een dergelijke wettelijke regeling kan enkel gerechtvaardigd zijn op de in artikel 36 EEG-Verdrag genoemde gronden.
3)
Zij kan niet worden gerechtvaardigd uit hoofde van bescherming van bepaalde belangen, zoals het belang van door de concurrentie van andere verkoopvormen bedreigde boekhandelaren.”
Zoals gezegd, behoeft de vierde vraag onder deze omstandigheden niet te worden beantwoord.
De door de Commissie in de onderhavige zaak gemaakte kosten kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding heeft de nationale rechterlijke instantie over de kosten te beslissen.
( *1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy