CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
van 3 december 1985
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Inleiding
1.1 Het voorwerp van beide zaken
In beide vandaag door mij te behandelen zaken 106/84 en 243/84 is opnieuw de vraag aan de orde, onder welke voorwaarden alcoholhoudende dranken als gelijksoortig in de zin van artikel 95, eerste alinea en onder welke voorwaarden zij slechts als zijdelings concurrerend in de zin van artikel 95, tweede alinea zijn te beschouwen.
In haar directe beroep in de zaak 106/84 trekt de Commissie uit Uw geciteerde rechtspraak voor alcoholhoudende dranken de voor wijnkenners onder de leden van Uw Hof wellicht wat verrassende conclusie, dat Deense vruchtenwijnen gelijksoortig zijn te achten aan tafelwijnen, geproduceerd uit druiven. Het beroep heeft intussen mede betrekking op likeurwijnen op vruchten-, respectievelijk druivenbasis. Uit de betogen van de Commissie valt af te leiden, dat haar standpunt in feite mede gebaseerd is op haar eigen harmonisatievoorstellen met betrekking tot accijnzen op alcoholische dranken. De verhouding tot die harmonisatievoorstellen speelt ook een rol in haar discussie met de Deense regering over het tijdstip, waarop de onderhavige procedure aanhangig werd gemaakt, dat wil zeggen jaren nadat de thans aangevochten Deense wettelijke regeling aan haar werd medegedeeld. Ten slotte speelt in deze zaak de vraag een rol, of de Deense regering zich in haar verweer terecht mede beroept op Uw arresten in de zaken Chemial Farmaceutici (zaak 140/79, Jurispr. 1981, blz. 1) en Vinal (zaak 46/80, Jurispr. 1981, blz. 77).
In de prejudiciële zaak 243/84 lijkt uit Uw arrest in de zaak 171/78 (Commissie/Denemarken, Jurispr. 1980, blz. 447) op het eerste gezicht automatisch te volgen, dat whisky als gelijksoortig aan andere gedistilleerde dranken (in casu met name aquavit) moet worden beschouwd. De zwaardere belasting van whisky ten opzichte van aquavit was blijkens Uw overzicht van de feiten in die zaak immers de hoofdaanleiding, zij het niet de enige aanleiding, tot het aanhangig maken van de procedure. Whisky zou dan niet gelijktijdig als gelijksoortig aan likeurwijnen kunnen worden beschouwd, zoals John Walker in de thans aanhangige zaak verdedigt. Uit rechtsoverweging 12 van het betrokken arrest blijkt intussen, dat Uw Hof de indeling van whisky in de groep likeurwijnen of in de groep gedistilleerd in feite heeft opengelaten. Uw Hof verklaart in deze rechtsoverweging namelijk enerzijds, dat „er onder de gedistilleerde dranken, alle tezamen beschouwd, een onbepaald aantal dranken voor(komt), die als ‚gelijksoortige produkten’ in de zin van artikel 95, eerste alinea zijn te beschouwen”. Anderzijds voegt Uw Hof daaraan echter in dezelfde volzin toe, dat „dit in concrete gevallen soms moeilijk zal zijn uit te maken, gelet op de aard van de factoren die bij onderscheidingscriteria als smaak en concumentengewoonten meespelen”. Daar de belangrijkste andere produkten, die in de zaak 171/78 aan de orde waren, bestonden uit wodka, cognac, gin en rum, lijkt het, mede in het licht van de op dit punt meer uitvoerige rechtsoverwegingen 9-13 van Uw arrest van gelijke datum in de zaak 168/78, aannemelijk, dat Uw Hof bij deze toevoeging mede aan whisky heeft gedacht. Wat de consumentengewoonten betreft, pleegt deze drank immers bij ontvangsten ook — na verzwakking van het alcoholgehalte door toevoeging van water, sodawater of ijs — als gelijksoortig aan aperitief- of likeurwijnen en aan andere longdrinks, zoals Cam-pari-soda of gintonic of daarmede duidelijk verwante andere alcoholhoudende dranken, aangelengd met sodawater of tonic, te worden geserveerd. De vraag rijst echter, of de indeling van whisky onder hetzij gedistilleerde dranken, hetzij likeur- of aperitiefwijnen ook in de onderhavige procedure nog kan worden opengelaten. De lengte van de pleidooien die John Walker schriftelijk en mondeling ten gunste van gelijksoortigheid tussen whisky en likeurwijnen heeft geleverd, onderstreept, naast de fiscale en economische gevolgen van Uw antwoord, het belang van deze vraag.
1.2 De ontwikkeling van de marktpositie van de betrokken produkten in Denemarken
Voor goed begrip van de economische achtergrond van beide zaken acht ik allereerst overneming van de statistieken gewenst, die de Deense regering als bijlagen II en IV van haar antwoorden op vragen van Uw Hof heeft voorgelegd. De statistische gegevens van bijlage II hebben daarbij het dubbele voordeel, dat zij een vergelijking met het harmonisatieschema van de Commissie vergemakkelijken en de relatieve marktpositie van de verschillende soorten alcoholische dranken en van de verhouding tussen nationale produktie en de invoer uit andere landen verduidelijken. Bijlage IV illustreert nader de ontwikkeling van de invoer van whisky in het algemeen en van „Johnnie Walker”-whisky in het bijzonder.
Overzicht van het verbruik aan alcoholhoudende dranken waarover belasting is betaald (1971 — 1984)
Jaar
Druivenwijn van het type tafelwijn
Vruchtenwijn van het type tafelwijn
Druivenwijn van het type likeurwijn
Vruchtenwijn van het type likeurwijn
Sterke drank
totaal
waarvan ingevoerd
totaal
waarvan ingevoerd
totaal
waarvan ingevoerd.
totaal
waarvan ingevoerd
totaal
waarvan ingevoerd
1 000 l
in %
1 000 l
1 000 l
in %
1 000 l
in %
1 000 l
1 000 l
in %
1 000 l
1 000 l
in %
1971
21 803
100
415
0
0
7 976
100
2 917
23
0,8
16 484
4 000
26,7
1972
24 803
100
742
2
0,3
8 513
100
3 297
5
0,2
18 141
4 847
26,7
1973
37 745
100
875
14
1,6
11 185
100
4 156
5
0,1
18 205
4 607
25,3
1974
34 893
100
1 132
12
1,1
9 294
100
3 357
19
0,6
19 075
4 645
24,4
1975
42 841
100
1 149
19
1,7
9 855
100
4 234
33
0,8
21 414
5 657
26,4
1976
47 195
100
921
6
0,7
11 063
100
4 374
35
0,8
23 524
6 557
27,9
1977
44 081
100
846
19
2,3
10 425
100
4 040
24
0,6
22 312
6 120
27,4
1978
47 434
100
1 012
94
9,3
10 127
100
3 852
35
0,9
16 856
3 682
21,8
1979
53 973
100
1 393
239
17,2
11 127
100
4 527
42
0,9
18 356
4 268
23,3
1980
55 260
100
1 649
335
20,3
10 048
100
4 822
29
0,6
19 244
5 215
27,1
1981
64 486
100
1 899
562
29,6
10 328
100
5 678
25
0,4
20 003
5 702
28,5
1982
70 645
100
1 943
541
27,8
10 336
100
5 880
34
0,6
20 614
6 016
29,2
1983
78554
100
2 282
758
33,2
8 957
100
6 670
30
0,5
19 566
5 423
27,7
1984
79 991
100
1783
739
41,5
8 225
100
6 416
67
1,0
19 100
5 506
28,8
Ik plaats bij de eerste statistiek aanstonds de volgende kanttekeningen.
In de eerste plaats blijkt, dat de toename van het verbruik van vruchtenwijnen, niet zijnde likeurwijnen, ná 1977 vooral ten goede gekomen is aan de invoer van vruchtenwijnen uit andere landen en niet ten laste is gegaan van de kwantitatief veel sterker en procentueel bijna in gelijke mate toegenomen invoer van tafelwijnen op basis van druiven.
In de tweede plaats wordt de indruk van directe of indirecte protectie van deze vruchtenwijnen, die men op grond van een per liter ontegenzeggelijk lager belastingtarief voor vruchtenwijnen zou kunnen hebben, ook overigens niet ondersteund door deze statistische gegevens. Het marktaandeel van deze vruchtenwijnen (met inbegrip van ingevoerde vruchtenwijnen) bedraagt immers ook ná 1977 altijd minder dan 3% van het marktaandeel van de tafelwijnen op druivenbasis. In zoverre gaat het in de zaak 106/84 om een bagatelzaak, waaraan de Commissie wellicht vooral belang hecht wegens het storende effect, dat de belastingsdifferentiatie tussen tafelwijnen en vruchtenwijnen op haar harmonisatievoorstellen kan hebben. Aan genoemde opmerkingen met betrekking tot tafelwijnen voeg ik echter toe, dat het gebruik van likeurvruchtenwijnen sinds 1978 regelmatig is toegenomen (met bijna 70%), dat de invoer van druivenlikeurwijnen in dezelfde periode (na een stijging in 1979) regelmatig is afgenomen (met in totaal ongeveer 20%) en dat de invoer van likeurvruchtenwijnen steeds beneden 1% van het totale verbruik is gebleven. Dit wijst inderdaad op een protectionistisch effect van de belastingdifferentiatie tussen likeurwijnen op vruchten- en op druivenbasis. Het is dan ook wellicht geen toeval, dat de Commissie ter zitting uitsluitend nog de likeurwijnen als voorwerp van het geschil heeft vermeld.
In de derde plaats valt op, dat de zwaarder dan likeurwijnen belaste gedistilleerde dranken, ondanks deze hoge belasting, sinds 1978 toch steeds een duidelijk (20 à 30%) groter marktaandeel hebben behouden. Deze vaststelling acht ik op zich zelf reeds van enig belang voor de beoordeling van de vraag, of whisky door indeling in de groep gedistilleerde dranken en niet in de groep likeurwijnen direct of indirect gediscrimineerd wordt.
In de vierde plaats blijkt sinds het laagtepunt in 1978 (het jaar, waarin de eerder vermelde zaak 171/78 tegen Denemarken aanhangig werd gemaakt) de invoer van gedistilleerde dranken aanzienlijk sterker te zijn gestegen (namelijk met ongeveer 50%) dan het totale verbruik van gedistilleerde dranken (dat slechts met ongeveer 20% toenam).
Wat de invoer van whisky in het bijzonder betreft, is bijlage IV van het antwoord van de Deense regering van bijzonder belang:
Deense in- en uitvoer van whisky (1975 — 1984)
Jaar
Invoer van whisky per 1 000 liter (1)
Uitvoer van whisky per 1 000 liter (1)
Invoer van fohnnic Walker per 1 000 liter (2)
1975
3 983
466
463
1976
4 654
529
533
1977
3 970
566
509
1978
3 509
495
343
1979
2 722
85
328
1980
2 786
84
314
1981
3 232
95
268
1982
3 320
151
245
1983
3 374
311
219
1984
3 848
103
...
(1) Bron: Statistiek van de buitenlandse handel van liet Deens Bureau voor de Statistiek.
(2) Bron: Schriftelijke opmerkingen van de advocaat van John Walker.
Uit deze tweede statistiek blijkt, dat de invoer van whisky tussen 1 januari 1980 (het jaar van Uw arrest van 27.2.1980 in de zaak 171/78) en 1 januari 1985 met ruim 30% gestegen is, hoewel de invoer van „Johnnie Walker”-whisky in diezelfde periode met eenzelfde percentage (en over een langere tijdsperiode nog veel sterker) daalde. U zult zich herinneren, dat de vertegenwoordigers van John Walker ter zitting deze tegengestelde ontwikkeling verklaarden uit de invloed van het hoge „ad-valorem”- gedeelte in de Deense accijns op gedistilleerd. Het is inderdaad duidelijk, dat hoger geprijsde produkten daardoor zwaarder worden getroffen dan goedkopere produkten.
1.3 Indeling van deze conclusies
Met de omstandigheid, dat beide zaken zowel overeenkomsten als verschillen vertonen, zal ik na deze algemene inleiding over de beide zaken als volgt rekening houden. In het tweede en derde deel van deze conclusies zal ik de feiten, conclusies en middelen en argumenten van partijen in de zaak 106/84, respectievelijk 243/84, met enkele preciseringen mijnerzijds overnemen uit het rapport ter terechtzitting. In het vierde deel zal ik kort de twaalf arresten analyseren, die voor één van de twee zaken (vijf arresten) of voor beide zaken (zeven arresten) van belang zijn. Ik zal daarbij uiteraard in het bijzonder nagaan, welke lering daaruit te trekken valt voor de in geding zijnde twee zaken. In het vijfde deel zal ik ten slotte achtereenvolgens mijn conclusie in de zaak 106/84 en in de zaak 243/84 formuleren. Zowel in het vierde als in het vijfde deel van mijn conclusies zal ik ook aandacht schenken aan nieuwe gezichtspunten, die ter zitting naar voren zijn gekomen.
2. De feiten, conclusies en middelen en argumenten van partijen in de zaak 106/84
2.1. De feiten
2.1.1.
De Deense wettelijke regeling inzake de accijnzen op alcoholhoudende dranken onderscheidt drie categorieën dranken: gedistilleerd, wijn en vruchtenwijn, en bier.
2.1.2.
Artikel 1, lid 1, van de gecoördineerde wet nr. 371 van 1 juli 1982 (Lovtidende, A, 1982), zoals gewijzigd bij wet nr. 149 van 11 april 1984, betreffende de accijns op wijn en vruchtenwijn, bepaalt welke produkten belastbaar zijn:
—
de produkten vallende onder de posten 22.04 tot en met 22.06. van het gemeenschappelijk douanetarief (hierna: GDT), te weten gedeeltelijk gegiste druivemost, ook indien de gisting op andere wijze dan door toevoeging van alcohol is gestuit, wijn van verse druiven, druivemost, waarvan de gisting door toevoeging van alcohol is gestuit, vermouth en andere wijn van verse druiven, bereid met aromatische planten of met aromatische stoffen, met een alcoholgehalte van niet meer dan 23o vol. en een soortelijk gewicht van niet meer dan 1,07 bij 20o C;
—
de produkten vallende onder post 22.07 van het GDT, vruchtenwijnen en aanverwante produkten, met een alcoholgehalte van niet meer dan 20o vol. en een soortelijk gewicht van niet meer dan 1.06 bij 20o C;
—
de overige dranken met een alcoholgehalte van niet meer dan 23o vol. en een soortgelijk gewicht van niet meer dan 1.07 bij 20o C, bereid uit wijn of vruchtenwijn vallende onder de posten 22.04 tot en met 22.07 van het GDT.
Druivenwijn met een alcoholgehalte van meer dan 23o vol. en vruchtenwijn met een alcoholgehalte van meer dan 20o vol. vallen onder artikel 1, lid 1, sub 2 en 3, van de gecoördineerde wet nr. 370 van 1 juli 1982 (Lovtidende, A, 1982), betreffende de accijns op gedistilleerd.
2.1.3.
Krachtens artikel 2, lid 1, sub 1, van de gecoördineerde wet nr. 371 bedraagt de accijns voor druivenwijn 10,725 DKR/1 voor tafelwijn, 19,93 DKR/1 voor mousserende wijn en 19,93 DKR/1 voor de overige produkten; krachtens het bepaalde sub 2 bedraagt de accijns voor vruchtenwijn 6,92 DKR/1 voor wijn van het type tafelwijn met een alcoholgehalte van niet meer dan 14o vol., en 11,02 DKR/1 voor de overige produkten.
2.1.4.
Wet nr. 371 geeft geen definitie van vruchtenwijn. Volgens een circulaire van het Deense directoraat douanezaken van 1978 is vruchtenwijn een produkt dat wordt verkregen door gisting van vruchtensap en dergelijke of van honing, maar zonder distillane na de gisting; hij moet per 100 liter minimaal een liter zuivere, ongedistilleerde gistingsalcohol bevatten; binnen de door de wet ten behoeve van de indeling gestelde grenzen kan het alcoholgehalte worden verhoogd door toevoeging van gedistilleerde alcohol.
2.1.5.
In een brief aan de Deense regering van 21 september 1982 zette de Commissie uiteen, dat de gecoördineerde wet nr. 371 in strijd was met artikel 95 EEG-Verdrag, daar zij binnenslands vervaardigde vruchtenwijn aan een gunstiger belastingregeling onderwierp dan ingevoerde druivenwijn, een gelijksoortig of in elk geval concurrerend produkt.
2.1.6.
In haar antwoord van 25 november 1982 merkte de Deense regering op, dat van gelijksoortige of concurrerende produkten geen sprake was. Zij wees op het gebrek aan fiscale harmonisatie op communautair niveau.
2.1.7.
Op 9 september 1983 bracht de Commissie haar met redenen omkleed advies uit, waarin zij de Deense regering schending van artikel 95 EEG-Verdrag verweet met het verzoek, het advies binnen een maand op te volgen.
2.1.8.
In haar antwoord van 17 november 1983 betwistte de Deense regering, inbreuk te hebben gemaakt op artikel 95 EEG-Verdrag.
2.2. Conclusies van partijen
2.2.1.
De Commissie concludeert dat het den Hove behage:
—
vast te stellen dat het Koninkrijk Denemarken, door na te laten uniforme accijnzen te heffen op druivenwijn en vruchtenwijn, de krachtens artikel 95, eerste alinea, subsidiair artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;
—
het Koninkrijk Denemarken ín de kosten te verwijzen.
2.2.2.
Het Koninkrijk Denemarken concludeert dat het den Hove behage:
—
het beroep ongegrond te verklaren;
—
de Commissie in de kosten te verwijzen.
2.3. Middelen en argumenten van partijen
2.3.1.
De Commissie betoogt, dat de Deense wettelijke regeling in strijd is met artikel 95 EEG-Verdrag.
a)
Artikel 95 EEG-Verdrag moet worden gezien in het kader van de verdragsbepalingen inzake de mededinging en het vrije verkeer van goederen. Het heeft de ondubbelzinnige strekking, dat na de afschaffing van de douanerechten en heffingen van gelijke werking andere handelsbelemmeringen, in de vorm van fiscale discriminatie van ingevoerde produkten ten opzichte van gelijke of gelijksoortige dan wel concurrerende binnenlandse produkten, verboden zijn. In de arresten van 27 februari 1980 (zaken 168/78, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1980, blz. 347; 169/78, Commissie/Italië, Jurispr. 1980, blz. 385; 171/78, Commissie/Denemarken, Jurispr. 1980, blz. 447) overwoog het Hof, dat artikel 95 moet worden toegepast op grond van objectieve criteria, geen enkele uitzondering toelaat en voorrang heeft boven eventuele politieke overwegingen. Als grondbeginsel van de douane-unie laat het generlei voorwaardelijke toepassing of met de verdragsregels onverenigbare uitlegging toe. Een binnenlands belastingstelsel mag voor ondernemers uit andere Lid-Staten geen met de verwezenlijking van de gemeenschappelijke markt strijdige secundaire gevolgen hebben. Artikel 95 brengt derhalve een belangrijke beperking aan op de vrijheid van de Lid-Staten op fiscaal gebied.
b)
De gelijksoortigheid van twee produkten moet in elk afzonderlijk geval worden onderzocht. Volgens de criteria neergelegd in de arresten van 4 april 1968 (zaak 27/67, Fink-Frucht, Jurispr. 1968, blz. 316), 17 februari 1976 (zaak 45/75, Rewe, Jurispr. 1976, blz. 181), 10 oktober 1978 (zaak 148/77, Hansen, Jurispr. 1978, blz. 1787), 27 februari 1980 (zaken 168, 169 en 171/68, reeds geciteerd)en 15 maart 1983 (zaak 319/81, Commissie/Italiaanse Republiek, Jurispr. 1983, blz. 601) gaat het bij druivenwijn en vruchtenwijn om gelijksoortige produkten. Zij vertonen gelijke eigenschappen, beantwoorden aan dezelfde behoeften, worden verkregen door gisting, hebben een vergelijkbaar alcoholgehalte en worden in gelijke hoeveelheden gedronken. Het verschil in grondstof kan niet iedere gelijksoortigheid uitsluiten. Volgens het Hof vormt indeling in dezelfde tariefpost een vermoeden van gelijksoortigheid, maar sluit een verschillende indeling niet noodzakelijkerwijs iedere gelijksoortigheid uit. De indeling van het GÓT, gebaseerd op de — oudere — IDR-Nomenclatuur, sluit niet noodzakelijkerwijs nauw aan bij de structuur van het EEG-Verdrag. Klaarblijkelijk gelijksoortige produkten vallen soms onder verschillende tariefposten, terwijl onder een zelfde post ongelijksoortige produkten kunnen vallen. Het Deense belastingstelsel vertoont onmiskenbaar discriminerende en beschermende trekken: het grootste deel van de binnenlandse wijn, vruchtenwijn, valt onder de gunstige belastingcategorie, terwijl bijna alle ingevoerde produkten, dat wil zeggen druivenwijn, zwaar worden belast.
In antwoord op het argument van de Deense regering dat zij, de Commissie, niet heeft betoogd dat de Deense regeling tevens in strijd is met de vrijhandelsovereenkomst met Portugal, merkt de Commissie op dat artikel 21 van die overeenkomst, dat overigens door het wederkerigheidsbeginsel wordt beheerst, fiscale discriminatie van gelijksoortige produkten verbiedt. Tijdens de bijeenkomsten van het gemengd comité voor het beheer en de tenuitvoerlegging van de overeenkomst heeft Portugal de kwestie van de Deense accijns op vruchtenwijn niet ter sprake gebracht. Het onderhavige beroep is enkel gebaseerd op artikel 95 EEG-Verdrag; de Commissie heeft geen standpunt ingenomen over de vraag, of bedoeld artikel 21 eveneens in aanmerking moet worden genomen.
Het argument dat zij destijds geen bezwaren had tegen de huidige regeling — ingevoerd na de toetreding van Denemarken tot de Gemeenschappen — is niet pertinent. De Gemeenschap heeft nooit afstand gedaan van haar recht, toe te zien op de verenigbaarheid van nationale belastingstelsels met het gemeenschapsrecht.
c)
Gesteld al dat druivenwijn en vruchtenwijn hooguit concurrerende produkten zijn, dan nog is de Deense regeling van discriminerende en beschermende aard. Artikel 95 moet als één geheel worden toegepast; het verbiedt iedere belemmering van het vrije goederenverkeer door vervalsing van de mededingingsvoorwaarden. Bij toetsing van de Deense regeling aan de in het arrest van 12 juli 1983 (zaak 170/78, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1983, blz. 2265) neergelegde criteria blijkt duidelijk, dat de belastingdruk op ingevoerde druivenwijn, gemeten naar het alcoholgehalte en het volume, discriminerend is. Een accijns die in een percentage van de detailhandelsprijs wordt uitgedrukt en voor het binnenlandse en het ingevoerde produkt gelijk is, sluit distorsies ten nadele van het ingevoerde produkt niet uit.
d)
De Deense regeling is niet neutraal, daar het grootste deel van de binnenlandse produktie onder de gunstiger belastingcategorie valt. Een gedifferentieerde belasting op grond van objectieve criteria, zoals de gebruikte grondstof of het toegepaste procédé, is bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht gerechtvaardigd. Zij dient evenwel te beantwoorden aan doelstellingen van economisch beleid, die eveneens verenigbaar moeten zijn met het gemeenschapsrecht; zij mag de importeur niet rechtstreeks of zijdelings discrimineren en dient concurrerende binnenlandse produkten niet te beschermen. In de arresten van 14 januari 1981 (zaak 140/79, Chemial Farmaceutici, Jurispr. 1981, blz. 1, en zaak 46/80, Vinal, Jurispr. 1981, blz. 77) stelde het Hof vast, dat een gedifferentieerde belasting van gedenatureerde synthetische alcohol en gedenatureerde gistingsalcohol beantwoordde aan een rechtmatige doelstelling van industrieel beleid, daar zij ertoe strekte, het distilleren van landbouwprodukten te bevorderen. Een preferentiële behandeling van de Deense fruittelers ten opzichte van de wijnproducenten van andere Lid-Staten kan evenwel niet rechtmatig worden geacht.
De oorspronkelijke harmonisatievoorstellen hadden betrekking op de volgende vier categorieën dranken: alcohol, bier, wijn en gemengde dranken. Volgens het oorspronkelijke voorstel zou vruchtenwijn vallende onder post 22.07, met een alcoholgehalte van meer dan 15o vol., aan het volle tarief worden onderworpen. Dat in de oorspronkelijke en in de latere voorstellen niets werd bepaald omtrent vruchtenwijn met een alcoholgehalte van minder dan 15o vol., betekent niet dat gelijksoortige of concurrerende ingevoerde produkten mogen worden gediscrimineerd. De verwezenlijking van de harmonisatie vormt geen voorwaarde voor de verbindendheid van artikel 95. In landen die aanzienlijke hoeveelheden dranken van verschillende categorieën, zoals wijn en bier, produceren, kan een gedifferentieerde belasting niet tot fiscale discriminatie van de importen leiden; in dat geval moet de verhouding tussen de accijnzen op de verschillende categorieën door harmonisatie worden bepaald.
2.4.
De regering van het Koninkrijk Denemarken ontkent iedere schending van artikel 95 EEG-Verdrag.
a)
De bij de toetreding van Denemarken tot de Europese Gemeenschappen ingevoerde wettelijke regeling heeft de traditionele discriminatie van ingevoerde wijn afgeschaft; zij heeft nadien geen fundamentele wijzigingen ondergaan. De Commissie, die van deze nieuwe regeling in kennis was gesteld, heeft tegen de gedifferentieerde belasting nooit bezwaren ingebracht en heeft zich enkel om de harmonisatie bekommerd.
De importen van vruchtenwijn van het type tafelwijn waren onder de oude wettelijke regeling nagenoeg nihil, maar vertegenwoordigden in 1983 33% van het totale verbruik. De importen van zwaar belaste vruchtenwijn zijn bescheiden gebleven, als gevolg van de kwaliteit van de Deense produkten en het commerciële succes van de fabrikanten. In 1983 werd een derde van de produktie van vruchtenwijn, andere dan tafelwijn, geëxporteerd. Uit deze cijfers blijkt de openheid van de Deense markt voor vruchtenwijn, die overigens veel kleiner is dan die voor druivenwijn.
De vroegere wettelijke regeling had inderdaad tot doel, de Deense fruittelers te steunen. Statistieken over de jaren 1972 tot 1982 tonen aan, dat de fruitoogst van het ene tot het andere jaar aanzienlijk varieert en dat het oppervlak aan appelboomgaarden regelmatig is verminderd, met name onder invloed van de buitenlandse concurrentie en omdat stelselmatig wordt gerooid. In Denemarken is van een overproduktie van appels geen sprake; de importen zijn voornamelijk bestemd voor rechtstreekse consumptie of voor de vervaardiging van appelsap, terwijl een groot deel van de binnenlandse produk-tie voor de bereiding van vruchtenwijn wordt gebruikt. Om de particuliere produk-tie van vruchtenwijn te beperken, wordt het daartoe gebruikte sap belast.
De huidige wettelijke regeling bevat geen discriminatie op grond van de oorsprong der produkten. Zij is in overeenstemming met artikel 39 EEG-Verdrag, daar zij slechts strekt ter verzekering van een redelijke levensstandaard van de landbouwbevolking, zonder tot overproduktie te leiden.
b)
De eerste en de tweede alinea van artikel 95 zijn complementair en dienen te zamen het vrije verkeer van goederen te verzekeren; beide alinea's vormen evenwel niet één voorschrift, maar hebben elk hun eigen toepassingsgebied. Blijkens voornoemde arresten Fink-Frucht, Rewe en Commissie/Verenigd Koninkrijk heeft de eerste alinea betrekking op de belasting van produkten, afgezien van de invloed van die belasting op de eindprijs, terwijl die invloed in het kader van de tweede alinea bepalend is. Indien een belastingstelsel kennelijk protectionistisch is, terwijl het niet zo zeker is dat sprake is van gelijksoortige of concurrerende produkten, kan het Hof, gelijk het in voornoemde zaak 171/78 deed, enkel die beschermende werking vaststellen. In casu moet de discriminerende of beschermende werking van de Deense wettelijke regeling nauwkeurig worden aangetoond.
c)
Druivenwijn en vruchtenwijn zijn geen gelijksoortige produkten. Voorschriften voor de bereidingswijze bestaan enkel voor druivenwijn. Bij vruchtenwijn kan het om industriële en eigengemaakte produkten gaan. Volgens een ministeriële circulaire betreft het hier een produkt, verkregen door gisting van vruchtensap of honing, met ten minste een liter ongedistilleerde gistingsalcohol, uitgedrukt in zuivere 100% ethylalcohol, per 100 liter. Normalerwijze wordt appelsap gegist tot een alcoholgehalte van 6 à 8o is bereikt; het eindprodukt wordt verkregen door toevoeging van ongegist kersensap en ethylalcohol. Anders dan druivenwijn, vertoont vruchtenwijn ieder jaar dezelfde eigenschappen. In voornoemde zaken Fink-Frucht en Rewe heeft het Hof het belang van de indeling in het GDT voor de beoordeling van de gelijksoortigheid erkend. Het heeft dit standpunt genuanceerd, doch niet verlaten, in voornoemde arresten van 27 februari 1980. Anders dan druivenwijn, valt vruchtenwijn niet onder een gemeenschappelijke marktordening. Indien het hier ging om gelijksoortige produkten, zou een dergelijk verschil in behandeling in strijd zijn met het in artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag vervatte verbod van discriminatie in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
Volgens het arrest van 28 oktober 1982 (zaak 104/81, Kupferberg, Jurispr. 1982, blz. 3641) vormt artikel 21, lid 1, van de vrijhandelsovereenkomst met Portugal het equivalent van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag. De Commissie heeft de Portugese produkten die een groot deel van de markt vertegenwoordigen, buiten beschouwing gelaten. Zij kan niet staande houden, dat artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag is geschonden, en tegelijkertijd stilzwijgend erkennen, dat van inbreuk op artikel 21, lid 1, van de vrijhandelsovereenkomst geen sprake is.
d)
De concurrentie tussen druivenwijn en fruitwijn rechtvaardigt niet de conclusie, dat de gedifferentieerde belasting de binnenlandse produktie beschermt.
Bij toetsing van de litigieuze belasting aan de in voornoemd arrest van 12 juli 1983 (Commissie/Verenigd Koninkrijk) neergelegde criteria blijkt, dat de Deense regeling geen beschermende gevolgen heeft. Indien men de belastingdruk meet naar de hoeveelheid wijn, bedraagt de extra belasting van druivenwijn 55% voor tafelwijn en 80% voor likeurwijn. Voor produkten met een alcoholgehalte tussen 20 en 23o bedraagt de extra belasting van vruchtenwijn, belast als gedistilleerd, ongeveer 170%. Meet men de belastingdruk naar het alcoholgehalte, dan rust op druivenwijn een extra belasting van 66 tot 135%. Het aandeel van de accijns in de detailhandelsprijs is bijna gelijk voor beide categorieën produkten (volgens het verweerschrift 23 à 38% voor fruitwijnen en 11 à 40% voor tafelwijnen op basis van druiven; de berekeningwswijze werd in de dupliek gepreciseerd). Het Hof heeft geen standpunt ingenomen over het onderscheiden belang van deze criteria. Voor de toepassing van artikel 95, tweede alinea, is de invloed van de belasting op de prijs evenwel doorslaggevend. De winstmarges van de groot- of kleinhandel zijn voor de berekening van die invloed irrelevant. De vergelijking moet betrekking hebben op de goedkoopste categorieën druivenwijn, waarvoor de invloed van de belasting op de prijs het grootst is en waarvoor concurrentie met vruchtenwijn a priori niet kan worden uitgesloten. Voor tafelwijn bedraagt het aandeel van de belasting voor deze goedkopere druivenwijn — die ongeveer 90% van de totale verkopen aan druivenwijn van het type tafelwijn vertegenwoordigt — minder dan 30%, tegen 26 à 29% voor vruchtenwijn. Voor goedkopere likeurwijn bedraagt het belastingaandeel 25 à 38% van de prijs in geval van druivenwijn, tegen 27 à 38% in geval van vruchtenwijn. Deze cijfers tonen aan, dat de Deense regeling geen beschermende werking in de zin van artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag heeft.
e)
In voornoemd arrest-Hansen en genoemde arresten van 27 februari 1980 heeft het Hof erkend, dat de Lid-Staten fiscale begunstigingsregelingen die zijn gerechtvaardigd op geldige economische en sociale gronden, zoals het gebruik van bepaalde grondstoffen of de instandhouding van bepaalde categorieën producenten, mogen handhaven; die regelingen moeten evenwel zonder onderscheid worden toegepast op ingevoerde produkten die zich in dezelfde situatie bevinden. De Deense regeling heeft tot doel, fruittelers die in moeilijke klimaatsomstandigheden werken een redelijk inkomen te verzekeren, en deze bijzondere produktiesector te steunen. In voornoemde zaken Chemial Farmaceutici en Vinal heeft het Hof een gedifferentieerde belasting van gistingsalcohol en synthetische alcohol aanvaard, zonder overigens melding te maken van een communautaire beslissing ten gunste van gistingsalcohol. In Denemarken vallen de ingevoerde produkten onder de gunstige regeling, zonder dat rekening wordt gehouden met de concrete produktieomstandigheden.
Een gunstige behandeling van produkten die in het land van invoer kunnen worden vervaardigd, kan een aanwijzing vormen voor een verborgen beschermende werking van de belastingwetgeving, zonder het bewijs te vormen van een schending van artikel 95. De opvatting van de Commissie leidt tot een ontoelaatbare discriminatie tussen de Lid-Staten. Waar de wettelijke regeling van Denemarken, een land dat wegens klimaatsomstandigheden alleen vruchtenwijn produceert, aan artikel 95 wordt getoetst, dient de gedifferentieerde belasting in Frankrijk en Luxemburg, landen die beide categorieën wijn produceren, door harmonisatie te worden afgeschaft.
3. De feiten, de gestelde vragen, de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen en de antwoorden op door het Hof gestelde vragen in de zaak 243/84
3.1. De feiten en de gestelde vragen
3.1.1.
De Deense wettelijke regeling inzake de accijnzen op alcoholhoudende dranken onderscheidt drie categorieën dranken: gedistilleerd, wijn en vruchtenwijn, en bier.
3.1.2.
Artikel 1, lid 1, van de gecoördineerde wet nr. 370 van 1 juli 1982, betreffende de accijns op gedistilleerd (Lovtidende, A, 1982), zoals gewijzigd bij wet nr. 149 van 11 april 1984, bepaalt welke produkten belastbaar zijn; belastbaar zijn onder meer:
—
gedistilleerd, daaronder begrepen ethylalcohol, produkten vallende onder post 22.09 van het GDT, te weten ethylalcohol, niet gedenatureerd, gedistilleerde dranken, likeuren en andere alcoholhoudende dranken, samengestelde alcoholische preparaten (geconcentreerde extracten) voor de vervaardiging van dranken;
—
produkten vallende onder de posten 22.05 en 22.06 GDT, te weten wijn van verse druiven, druivemost, waarvan de gisting door toevoeging van alcohol is gestuit, vermouth en andere wijn van verse druiven, bereid met aromatische planten of met aromatische stoffen en met een alcoholgehalte van meer dan 23o vol.;
—
produkten vallende onder post 22.07 GDT, te weten appeldrank, peredrank, honingdrank en andere gegiste dranken, met een alcoholgehalte van meer dan 20o vol.;
—
produkten vallende onder de posten 22.04 tot en met 22.07 GDT, die op grond van hun gehalte aan bittere of aromatische stoffen, suiker en dergelijke het karakter hebben van gedistilleerd.
Luidens artikel 2 bestaat de accijns uit een belasting per liter ethylalcohol en een belasting ad valorem. In de regel is de belastbare waarde de hoogste prijs waartegen het produkt in de groothandel wordt verkocht, inclusief de accijns op gedistilleerd (belasting per liter ethylalcohol en belasting ad valorem), doch exclusief BTW. Dit belastingstelsel is ingevoerd nadat het Hof in de arresten van 27 februari 1980 (zaak 171/78, Commissie/Denemarken, en 68/79, Just, Jurispr. 1980, blz. 447 en blz. 501) had vastgesteld, dat de gedifferentieerde belasting op aquavit en ander gedistilleerd in strijd was met artikel 95 EEG-Verdrag.
3.1.3.
Artikel 1, lid 1, van de gecoördineerde wet nr. 371 van 1 juli 1982, betreffende de accijns op wijn en vruchtenwijn (Lovtidende, A, 1982), zoals gewijzigd bij wet nr. 149 van 11 april 1984, bepaalt welke produkten belastbaar zijn:
—
produkten vallende onder de posten 22.04 tot en met 22.06 van het gemeenschappelijk douanetarief, te weten gedeeltelijk gegiste druivemost, ook indien de gisting op andere wijze dan door toevoeging van alcohol is gestuit, wijn van verse druiven, druivemost, waarvan de gisting door toevoeging van alcohol is gestuit, vermouth en andere wijn van verse druiven, bereid met aromatische planten of met aromatische stoffen, met een alcoholgehalte van niet meer dan 23o vol. en een soortelijk gewicht van niet meer dan 1,07 bij 20o C;
—
produkten vallende onder post 22.07 van het GDT, vruchtenwijnen en aanverwante produkten, met een alcoholgehalte van niet meer dan 20o vol. en een soortgelijk gewicht van niet meer dan 1.06 bij 20o C;
—
de overige dranken met een alcoholgehalte van niet meer dan 23o vol. en een soortgelijk gewicht van niet meer dan 1.07 bij 20o C, bereid uit wijn of vruchtenwijn vallende onder de posten 22.04 tot en met 22.07 van het GDT.
Luidens artikel 2 omvat de accijns op deze produkten een bepaald bedrag per liter produkt, ongeacht de waarde ervan. Er wordt onderscheid gemaakt tussen druivenwijn en wijn van andere vruchten. Voor druivenwijn voorziet de wet in verschillende tarieven voor niet-mousserende tafelwijn, mousserende wijn en andere produkten, waaronder likeurwijn. Vruchtenwijn wordt onderscheiden in wijn van het type tafelwijn met een alcoholgehalte van niet meer dan 14o vol. en vruchtenwijn van het type likeurwijn met een alcoholgehalte tussen 14o vol. en 20o vol.; daarboven wordt het produkt als gedistilleerd belast.
3.1.4.
Wet nr. 371 geeft geen definitie van vruchtenwijn. Volgens een circulaire van het Deense directoraat douanezaken van 1978 is vruchtenwijn een produkt dat wordt verkregen door gisting van vruchtensap en dergelijke of van honing, maar zonder distillatie na de gisting; hij moet per 100 liter minimaal een liter zuivere, ongedistilleerde gistingsalcohol bevatten; binnen de door de wet ten behoeve van de indeling gestelde grenzen kan het alcoholgehalte worden verhoogd door toevoeging van gedistilleerde alcohol, met uitsluiting van alcohol met een typische smaak, zoals cognac, rum of whisky.
3.1.5.
Luidens artikel 33 van wet nr. 370 en artikel 25 van wet nr. 371 is een krachtens de wet op de BTW ingestelde bijzondere commissie bevoegd ter zake van de onderwerping van produkten aan de onderhavige accijns.
3.1.6.
John Walker & Sons Ltd produceert en verhandelt onder het merk „Johnnie Walker” een Schotse whisky met een alcoholgehalte van 40o vol. In 1982 heeft zij het Deense ministerie van Belastingen met een beroep op artikel 95 EEG-Verdrag voor het Østre Landsret gedaagd ten einde opheffing te verkrijgen van het verschil in belasting van Johnnie Walker en gelijksoortige of concurrerende Deense produkten, te weten bepaalde vruchtenwijnen van het type likeurwijn.
3.1.7.
Bij beschikking van 27 september 1984 heeft het Østre Landsret de behandeling van de zaak geschorst in afwachting van een uitspraak van het Hof over de volgende vragen:
1)
Moet artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat Schotse whisky en vruchtenwijn van het type likeurwijn als omschreven in de wet en de bijlage als „gelijksoortige” en als ingevoerde respectievelijk binnenslands vervaardigde produkten moeten worden beschouwd, met als gevolg dat het in strijd is met genoemde bepaling, een belastingregeling te handhaven volgens welke whisky als andere gedistilleerde alcohol wordt belast met een gecombineerde heffing, ten dele berekend aan de hand van het alcoholgehalte en ten dele aan de hand van de prijs, terwijl voor vruchtenwijn en druivenwijn een belastingregeling geldt waarbij enkel een belasting over de hoeveelheid wordt geheven, wanneer de belastingregelingen leiden tot een lagere belasting voor vruchtenwijn (en druivenwijn) dan voor whisky, wanneer in de belastingvoorschriften niet wordt onderscheiden naar het land van oorsprong, wanneer in de betrokken Lid-Staat geen whisky wordt vervaardigd, maar niettemin om en nabij drie vierden van het verbruik van de dranken die aan de hogere belasting op gedistilleerd zijn onderworpen, binnenslands wordt vervaardigd, en wanneer meer dan 99% van het verbruik aan vruchtenwijn van het type likeurwijn binnenslands wordt vervaardigd ?
2)
Moet artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat onder de in vraag 1 vermelde omstandigheden een vergelijking moet worden getrokken tussen de belasting op Schotse whisky en die op vruchtenwijn van het type likeurwijn, en zo ja, is het dan in strijd met genoemde bepaling, wanneer de belastingen, in verhouding tot de prijs, de hoeveelheid en het alcoholgehalte van de dranken, worden geheven als beschreven in de bijlage ?
3)
Is het voor de beantwoording van de vragen 1 en 2 van belang, dat de belastingregeling voor vruchtenwijn historisch gezien verband houdt met de wens, de fruittelers, die onder moeilijke klimaatsomstandigheden werken, betere afzetmogelijkheden voor hun produktie te bieden ?
3.1.8.
Krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, door John Walker & Sons Ltd, verzoekster in het hoofdgeding, door de regering van de Italiaanse Republiek, en door de Deense regering.
3.1.9.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en de advocaatgeneraal gehoord, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft evenwel de Commissie en de Deense regering verzocht, schriftelijk een aantal vragen te beantwoorden. Aan dit verzoek is binnen de gestelde termijn gevolg geven.
3.2. Bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen
3.2.1.
John Walker & Sons Ltd, verzoekster in het hoofdgeding, voert een aantal algemene overwegingen aan alvorens in te gaan op de prejuduciële vragen.
a)
De Deense wettelijke regeling onderwerpt gedistilleerd aan een hoge accijns, die een belasting per liter ethylalcohol en een belasting ad valorem omvat. De belasting ad valorem bedraagt 60% van de aankoopprijs van de groothandel, terwijl de belasting per liter 12% van dat bedrag bedraagt. Vruchtenwijn van het type likeurwijn, vallende onder tariefpost 22,07 en met een alcoholgehalte van minder dan 20o vol., is alleen aan een — lagere — belasting over de hoeveelheid onderworpen. Onder de regeling die gold vòòr de toetreding van Denemarken tot de Gemeenschappen, werd de binnenlandse produktie van vruchtenwijn zonder meer beschermd. Onder de nieuwe regeling verviel de ongelijke behandeling van binnenlandse en ingevoerde vruchtenwijn, maar niet die van vruchtenwijn en druivenwijn noch die van ingevoerde gedistilleerde dranken en concurrerende Deense produkten. De huidige regeling is ingevoerd na de arresten van 27 februari 1980 (reeds geciteerd), waarin het Hof de fiscale discriminatie tussen ingevoerd en binnenlands gedistilleerd veroordeelde. Het in zijn oorspronkelijke structuur gehandhaafde Deense belastingstelsel wordt thans aangewend om Deense vruchtenwijn te beschermen tegen gelijksoortige of concurrerende buitenlandse produkten.
Het assortiment vruchtenwijnen omvat, naast de traditionele kersenlikeur, nieuwe produkten die, evenals Schotse whisky, als aperitief worden gedronken.
Een fles Johnnie Walker met een alcoholgehalte van 40o vol. wordt, voor een groothandelsprijs zonder BTW van 117,69 DKR, belast met een gecombineerde accijns van 79,56 DKR, terwijl over een likeurwijn met een alcoholgehalte van 19,5o vol., met een detailhandelsprijs van 27,95 DKR, slechts een accijns van 7,71 DKR wordt geheven. Tussen 1977 en 1983 zijn de exporten van Johnnie Walker red label naar Denemarken voortdurend gedaald, terwijl die naar andere Lid-Staten zijn gestegen. Tegelijkertijd is de Deense consumptie van vruchtenwijn van het type likeurwijn gestegen; 99% van het verbruik van die wijn wordt gevormd door binnenlandse produkten. In Denemarken wordt geen whisky geproduceerd; de consumptie van vruchtenwijn van het type likeurwijn bedraagt 6,6 miljoen liter per jaar, waarvan 3,9 miljoen andere likeurwijn dan kersenlikeur; op een totale consumptie van 14,5 miljoen liter gedistilleeerd, worden 5,5 miljoen liter ingevoerd.
De verschillen tussen de nationale accijnsregelingen tasten de vrije keuze van de consument aan en belemmeren het vrije verkeer van goederen. Bij gebreke van harmonisatie brengt artikel 95 EEG-Verdrag geen gemeenschappelijke markt van alcoholhoudende dranken tot stand. Op grond van dit artikel kan echter wel worden opgekomen tegen discriminerende wettelijke regelingen, zoals de Deense. De produktie van likeurwijn heeft zich in Denemarken slechts dankzij een protectionistisch belastingstelsel kunnen ontwikkelen; van een omvangrijke export of import van dit produkt is overigens geen sprake.
b)
De eerste vraag heeft betrekking op de verenigbaarheid van een gedifferentieerde belasting met het gemeenschapsrecht. Likeurwijn wordt belast als een gistingsprodukt, ondanks het feit dat het alcoholgehalte voor 95% uit toegevoegde ethylalcohol bestaat en de smaak en de kleur worden gewijzigd door toevoeging van aromatische stoffen. De belasting van druivenwijn is hier niet aan de orde.
In de arresten van 17 februari 1976 (zaak 45/75, Rewe, Jurispr. 1976, blz. 181) en 15 juli 1982 (zaak 216/81, Cogis, Jurispr. 1982, blz. 2701) overwoog het Hof, dat sprake is van gelijksoortige produkten, indien zij dezelfde eigenschappen hebben en aan dezelfde behoeften voldoen. Beslissend is de vervangbaarheidsgraad, en niet de gebruikte grondstof, de aard van het produkt (agrarisch of industrieel), dan wel de produktiemethode (gisting of distillatie). In voornoemd arrest-Rewe en in het arrest van 27 februari 1980 (zaak 168/78, Commissie/Franse Republiek, Jurispr. 1980, blz. 347) verklaarde het Hof, dat de indeling in het GDT van invloed kan zijn op de beoordeling, maar geen beslissend criterium voor de gelijksoortigheid vormt.
Bij de verwezenlijking van het vrije verkeer van goederen onder normale mededingingsvoorwaarden vormt artikel 95 een aanvulling op de afschaffing van de douanerechten en heffingen van gelijke werking; het schaft discriminerende binnenlandse belastingen af en garandeert de volkomen neutraliteit van binnenlandse belastingen voor de mededinging. In het arrest van 27 februari 1980 (zaak 170/78, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1980, blz. 417) nam het Hof niet alleen de bestaande marktsituatie ín aanmerking, maar ook de ontwikkelingsmogelijkheden en de potentiële nieuwe vervangingsmogelijkheden in verband met de toeneming van het vrije verkeer. Het fiscaal beleid van een Lid-Staat mag niet de consumptiegewoonten verstarren ten einde de verkregen voorsprong van de binnenlandse industrie te consolideren. Het onderzoek naar de gelijksoortigheid en de concurrentieverhouding moet zich derhalve uitstrekken tot de consumptiegewoonten in de verschillende Lid-Staten. Ook indien niet identiek, zijn Schotse whisky en likeurwijn complementair en onderling vervangbaar; zij wórden op dezelfde plaatsen verkocht, bij dezelfde gelegenheden gedronken en hebben overeenkomstige eigenschappen. Gelijk het Hof heeft erkend, kan whisky op zeer uiteenlopende wijze worden gedronken, waardoor hij concurreert met andere dranken, met een lager alcoholgehalte en meer beperkte gebruiksmogelijkheden. Bij de beoordeling van de gelijksoortigheid en de concurrentieverhouding kent het Hof geen bijzondere betekenis toe aan het alcoholgehalte. Het maximumalcoholgehalte, dat de belastingheffing bepaalt, is geen kenmerk van het produkt meer maar is een uitgangspunt bij de vervaardiging geworden. Het Deense stelsel voorziet in een gedifferentieerde belasting van gedistilleerde alcohol: in geval van whisky wordt hij zwaar en in geval van likeurwijn licht belast.
De omstandigheid dat het bij alle gedistilleerde dranken of bij likeurwijnen en andere dranken om gelijksoortige of concurrerende produkten gaat, sluit niet uit dat dit met gedistilleerd en likeurwijn ook het geval is. Het fiscaal beleid mag de vraag naar produkten niet beïnvloeden door een in het land van oorsprong zeer gangbaar produkt tot luxeprodukt te bestempelen.
Bij gebreke van aanzienlijke importen is het irrelevant, dat geen uitdrukkelijk onderscheid wordt gemaakt tussen ingevoerde en binnenlandse likeurwijn. Evenmin is van belang, dat 75% van de Deense consumptie van als gedistilleerd belaste dranken binnenslands wordt vervaardigd; dit percentage is slechts een gevolg van de fiscale bescherming van aquavit, waarop, gezien de vrij lage prijs, slechts een geringe belasting ad valorem rust. Het argument dat likeurwijn van het type vruchtenwijn veeleer op die van het type druivenwijn lijkt dan op gedistilleerd, gaat niet op, daar andere vruchtenwijn dan kersenlikeur als vervangingsprodukt van Schotse whisky wordt aangeboden. Voor de bescherming van de volksgezondheid is alleen de hoeveelheid alcohol en niet de wijze van consumptie van belang.
Op de gestelde vraag moet derhalve worden geantwoord, dat likeurwijn en whisky gelijksoortige produkten zijn en dat het verschil in belasting in strijd is met artikel 95, eerste alinea.
c)
De tweede vraag heeft meer in het bijzonder betrekking op de concurrentieverhouding tussen de betrokken dranken in de zin van artikel 95, tweede alinea. In het arrest van 4 april 1968 (zaak 27/67, Fink-Frucht, Jurispr. 1968, blz. 316) overwoog het Hof dat artikel 95, tweede alinea, in aanvulling op de eerste alinea, binnenlandse belastingen verbiedt die het ingevoerde produkt discrimineren ten opzichte van het concurrerende binnenlandse produkt of die strekken ter bescherming van bepaalde bewerkingen, zelfs andere dan die welke ter vervaardiging van het ingevoerde produkt worden toegepast. Bij de beoordeling van de concurrentieverhouding en van de gelijksoortigheid moet rekening worden gehouden met de ontwikkelingsmogelijkheden van de markt en de potentiële substitutiemogelijkheden van de produkten. Uit het arrest van 12 juli 1983 (zaak 170/78, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1983, blz. 2265) volgt, dat produkten die op het eerste gezicht wezenlijk verschillen, zoals wijn en bier, vervangbaar kunnen zijn, daar zij kunnen beantwoorden aan gelijke behoeften van vergelijkbare groepen consumenten, die zich niet noodzakelijkerwijs in een bepaald land of in een bepaalde streek behoeven te bevinden. Whisky betekent voor de gemiddelde Engelse of Schotse consument hetzelfde als vruchtenwijn voor de gemiddelde Deense consument. Deze laatste drinkt likeurwijn overigens op dezelfde manier als whisky. Wat betreft de fiscale last in verhouding tot de hoeveelheid, het alcoholgehalte en de prijs — de door het Hof aangelegde vergelijkingsmaatstaven —, rust op whisky een aanzienlijk hogere belasting dan op concurrerende Deense produkten. Ongeacht het belang dat het Hof toekent aan een vergelijking van de accijnzen, toont die vergelijking in concreto aan dat artikel 95, tweede alinea, is geschonden.
d)
In het arrest van 10 oktober 1978 (zaak 148/77, Hansen, Jurispr. 1978, blz. 1787) stelde het Hof vast, dat de Lid-Staten bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht bepaalde categorieën produkten voor geldige economische en sociale doeleinden fiscaal mogen bevoordelen, op voorwaarde dat zij de importen niet discrimineren of de binnenlandse produktie niet beschermen. In casu wordt ethylalcohol uniform belast, ongeacht of hij is ingevoerd of binnenslands is vervaardigd; het verschil ontstaat zodra hij is toegevoegd aan vruchtenwijn. De omvangrijke Deense produktie van vruchtenlikeurwijn kan alleen worden verklaard door de fiscale bescherming.
De situatie van de Deense fruittelers is niet ongunstiger dan die van fruittelers in andere Noordeuropese landen. Het zou in strijd zijn met de beginselen van de gemeenschappelijke markt, indien de Lid-Staten bijzondere belastingen hieven op produkten uit andere klimaatzones. De fruitteelt is een secundaire activiteit van de landbouwers. De Deense fruittelers hebben hun produktie voortdurend aangepast aan de plaatselijke omstandigheden. Het ministerie heeft dit argument nooit aangevoerd voor de verwijzende rechter. Zo steunverlening noodzakelijk is, dient zij te beantwoorden aan de criteria en procedures van de artikelen 92 en 93 EEG-Verdrag. Fiscale discriminaties op grond van klimaatsomstandigheden in de Lid-Staten zouden leiden tot een met de grondbeginselen van de artikelen 2 en 3 EEG-Verdrag strijdige marktverdeling.
De derde vraag moet ontkennend worden beantwoord.
3.2.2.
De Deense regering, meer in het bijzonder bet ministerie van Belastingen, onderzoekt de vragen in hun wettelijke en economische context.
a)
De Commissie heeft tegen Denemarken een beroep wegens niet-nakoming ingesteld wegens fiscale discriminatie van druivenwijn ten opzichte van vruchtenwijn; zij heeft de belasting van gedistilleerd en van vruchtenwijn van het type likeurwijn niet ter sprake gebracht. De overeenstemming met het EEG-Verdrag van het na voormeld arrest in zaak 171/80 ingevoerde stelsel van een gecombineerde heffing is nooit in twijfel getrokken. In antwoord op een parlementaire vraag heeft de Commissie de wettigheid van een dergelijk stelsel erkend en verklaard, dat de Deense regeling geen beschermende werking heeft. Het kleine verschil in behandeling tussen vruchtenwijn en druivenwijn berust op het streven, de fruittelers te steunen, en komt ten goede zowel van binnenlandse als van ingevoerde vruchtenwijn. De belasting op gedistilleerd verschilt evenmin naar gelang het land van oorsprong.
De Deense produktie van gedistilleerd omvat snaps, bitter en een aantal likeuren en andere sterke dranken. Door de buitenlandse concurrentie is de produktie van whisky verdwenen. Een aanzienlijk deel van het verbruik aan gedistilleerd wordt ingevoerd; bijna de helft hiervan bestaat uit whisky. De daling van de verkopen van verzoekster in het hoofdgeding is niet te wijten aan fiscale discriminatie, maar aan de concurrentie van goedkopere whisky. Wat likeurwijn met een sterker alcoholgehalte betreft, vormen de importen van druivenwijnen bijna het dubbele van het verbruik aan vruchtenwijn. Het verbruik aan vruchtenwijn bestaat hoofdzakelijk uit binnenlandse produkten, vanwege de goede kwaliteit. Het grootste deel van als gedistilleerd belaste produkten wordt binnenslands vervaardigd, terwijl het grootste deel van de lager belaste produkten van buitenlandse oorsprong is; dit bewijst, dat de Deense regeling niet discriminerend of protectionistisch is.
De indeling van dranken in de verschillende belastingcategorieën berust niet op het alcoholgehalte, maar op de indeling in het GDT. De indeling van het GDT, die als uitgangspunt dient voor de samenwerking in douanezaken op wereldniveau, is gebaseerd op het produktieprocédé, de grondstoffen en de typische smaak van dranken. Vruchtenwijn van het type likeurwijn is een gistingsprodukt; evenals bij sommige soorten druivenwijn, wordt het alcoholgehalte verhoogd door toevoeging van zuivere ethylalcohol; bij een alcoholgehalte van meer dan 20o wordt de belasting op gedistilleerd toegepast. Verzoekster in het hoofdgeding had voor een speciale commissie staande kunnen houden, dat sommige van deze wijnen door die toevoeging de kenmerken van gedistilleerd vertonen. Voor Johnnie Walker red label bedraagt de belasting 50% van de detailhandelsprijs; voor typisch Deense produkten is de fiscale last zwaarder; per liter produkt en per liter zuiver alcohol is de fiscale last op likeurwijn lager dan die op Johnnie Walker, maar hoger dan die op goedkopere merken whisky. Per liter produkt en per liter zuivere alcohol is de accijns iets minder hoog voor vruchtenwijn dan voor druivenwijn; uitgedrukt in een percentage van de detailhandelprijs is hij echter nagenoeg gelijk. In haar harmonisatievoorstellen heeft de Commissie melding gemaakt van een marge van 20 tot 65% voor de belastingverschillen, per liter zuivere alcohol, tussen gedistilleerd en likeurwijn. Berekend op basis van het gehalte aan ethylalcohol, is een accijns op gedistilleerd die vijf maal zo hoog is als de accijns op likeurwijn derhalve toelaatbaar. Volgens de voorstellen van de Commissie kan Denemarken het stelsel van een gecombineerde heffing gedurende zekere tijd handhaven. Een hogere belasting van gedistilleerd is gerechtvaardigd en de enige manier om de huidige belastinginkomsten te verzekeren.
b)
De beide alinea's van artikel 95 zijn complementair, maar hebben ieder hun eigen toepassingsgebied.
De eerste vraag heeft betrekking op de gelijksoortigheid in de zin van de eerste alinea. De grondstoffen, de bereidingswijze (distillatie voor whisky en natuurlijke gisting voor vruchtenwijn) en de eigenschappen zijn verschillend. De produkten vallen dan ook onder verschillende posten van het GDT. Door toevoeging van neutrale alcohol ter verhoging van het alcoholgehalte, verandert vruchtenwijn niet in gedistilleerd. Indien men artikel 95, eerste alinea, zo ruim wil uitleggen dat men deze produkten als gelijksoortig beschouwt, moet men het begrip binnenlands en ingevoerd produkt neţ zo ruim uitleggen. De in de accijns op gedistilleerd vervatte belasting ad valorem is gerechtvaardigd, daar deze berekeningswijze in het gemeenschappelijke BTW-stelsel is voorzien.
c)
Met betrekking tot de tweede vraag, inzake artikel 95, tweede alinea, zij opgemerkt, dat het de Lid-Staten vrijstaat om gedistilleerd zwaarder te belasten dan likeurwijn, en dat de Deense wettelijke regeling tot doel noch ten gevolge heeft, dat een bepaalde categorie dranken worden beschermd.
Gezien de verschillen in kwaliteit en gebruik, zijn Schotse whisky en likeurwijn geen concurrerende produkten. Whisky is gedistilleerd, ook indien aangelengd gedronken. De daling van verzoeksters verkopen is te wijten aan de concurrentie van andere merken whisky, waarvan de totale consumptie is gestegen. De tariefverschillen vallen binnen de door de Commissie voorgestelde marges en zijn gerechtvaardigd door het fundamentele verschil tussen de betrokken dranken. Een arrest van het Hof volgens hetwelk Denemarken whisky en likeurwijn op grond van artikel 95, tweede alinea, aan dezelfde belasting moet onderwerpen, zou bindend zijn voor de Raad, daar de harmonisatie krachtens artikel 99 niet in tegenspraak moet zijn met artikel 95.
d)
De wens om rekening te houden met de moeilijke werkomstandigheden van de Deense fruittelers, waarvan melding wordt gemaakt in de derde vraag, is de reden voor de gedifferentieerde belasting. Het Hof heeft de wettigheid van een objectief stelsel van fiscale preferenties aanvaard.
3.2.3.
Volgens de Italiaanse regering gaat het in de eerste plaats om de vraag, of in casu sprake is van gelijksoortige of concurrerende produkten. Bij een bevestigend antwoord rijst de vraag, of het Deense belastingstelsel verenigbaar is met het discriminatieverbod van artikel 95 EEG-Verdrag.
a)
Volgens het arrest Rewe (reeds geciteerd) zijn produkten gelijksoortig, indien zij dezelfde eigenschappen hebben en aan gelijke behoeften beantwoorden. Whisky is, evenals de andere sterke dranken, een distillaat, dat wordt gekenmerkt door zijn organoleptische eigenschappen en een hoog alcoholgehalte. Likeurwijn is een gistingsprodukt, dat wordt gekenmerkt door zijn typische smaak en aroma en door een beperkt alcoholgehalte. De onderhavige produkten verschillen qua wijze van vervaardiging, samenstelling en behoeften en smaak waaraan zij beantwoorden. De — overigens zeer beperkte — toevoeging van ethylalcohol neemt niet weg, dat het bij likeurwijn in de eerste plaats om wijn gaat, en vormt geen grond om te spreken van gedistilleerd. Het hoge alcoholgehalte schept tussen alle gedistilleerde dranken een gedeeltelijke of potentiële concurrentieverhouding. In voornoemde zaak 171/78 overwoog het Hof, dat gelijksoortigheid van gedistilleerde dranken kan ontbreken op grond van bijzondere eigenschappen. Gezien hun specifieke smaak, zijn niet alle dranken met een laag alcoholgehalte gelijksoortig; a fortiori zijn deze laatste dranken en gedistilleerde dranken niet in het minst gelijksoortig.
b)
Het enkele feit dat het gaat om alcoholhoudende dranken, brengt niet mee dat tussen whisky en likeurwijn een gedeeltelijke of potentiële concurrentieverhouding bestaat. Bij gebreke van een voldoende hoog alcoholgehalte voldoet likeurwijn niet aan de behoeften van de whiskydrinker; bij gebreke van bijzondere organoleptische eigenschappen vormt gedistilleerd geen alternatief voor de drinker van likeurwijn.
De keuze tussen een gedifferentieerde en een uniforme belasting is niet onderworpen aan het bepaalde in artikel 95, maar behoort tot de fiscale souvereiniteit van de Lid-Staten. Bij gebreke van een uniforme communautaire regeling staat het de Lid-Staten vrij, de verschillen in belasting vast te stellen voor produkten die gelijksoortig of concurrerend zijn.
c)
Gesteld al dat sprake is van gelijksoortige of concurrerende produkten, dan nog is een op een geldig doel van economisch beleid gebaseerde differentiële belasting van verschillende soorten produkten bij de huidige stand van de harmonisatie verenigbaar met artikel 95. Een belastingstelsel moet niet in abstracto, uitgaande van categorieën gelijksoortige of vergelijkbare produkten, worden beoordeeld, maar in elk afzonderlijk geval aan de hand van het betrokken produkt en de indeling daarvan. Artikel 95 wordt slechts geschonden, indien de belastingwet niet gelijkelijk van toepassing is op binnenlandse produkten en ingevoerde pro- dukten die aan dezelfde indelingscriteria beantwoorden, of indien die criteria niet objectief of neutraal zijn.
Gedistilleerd, Schotse whisky daaronder begrepen, en likeurwijn (van druiven of vruchten) kunnen derhalve niet als gelijksoortige of concurrerende produkten worden beschouwd. In elk geval is een fiscale differentiatie, gebaseerd op objectieve eigenschappen van de dranken, niet in strijd met artikel 95, voor zover die differentiatie zich tevens uitstrekt tot ingevoerde produkten die aan alle voorwaarden van de nationale wettelijke regeling voldoen.
3.2.4.
De Commissie geeft een korte uiteenzetting van de Deense wettelijke regeling en van de standpunten van partijen, waarna zij de vragen onderzoekt tegen de achtergrond van het streven naar harmonisatie.
a)
Haar eerste voorstellen tot harmonisatie van de accijnzen op bier, wijn en sterke drank dateren uit 1972. Na de opschorting van de werkzaamheden van de Raad in 1974 diende zij in 1977 en 1979 vergeefs nieuwe voorstellen in. De accijnzen op alcoholhoudende dranken zijn gerechtvaardigd om redenen van sociale aard en leveren aanzienlijke belastinginkomsten op. Alleen door harmonisatie kan worden gewaarborgd, dat de accijnzen op alcoholhoudende dranken vanuit mededingingsoogpunt neutraal zijn.
b)
Artikel 95 verbiedt handelsbelemmeringen in de vorm van fiscale discriminatie van identieke, gelijksoortige en/of concurrerende produkten. Dit grondbeginsel van de douaneunie, als uitvloeisel van de afschaffing van de douanerechten en heffingen van gelijke werking, verdraagt geen uitzondering, voorwaardelijke toepassing of met het Verdrag strijdige uitlegging.
In voornoemd arrest-Hansen geeft het Hof aan artikel 95, eerste alinea, een ruime uitlegging in die zin, dat daaronder vallen alle belastingregelingen die afdoen aan de gelijke behandeling van binnenlandse en ingevoerde produkten. Volgens het arrest-Rewe zijn produkten gelijksoortig indien zij aan gelijke of vergelijkbare behoeften voldoen.
Artikel 95, tweede alinea, verbiedt ieder zijdelings fiscaal protectionisme van binnenlandse produkten ten opzichte van ingevoerde produkten, ook indien slechts sprake is van een gedeeltelijke, zijdelingse of potentiële concurrentie. In het arrest-Fink-Frucht concludeerde het Hof tot een concurrentieverhouding op grond van een of meer economische toepassingen. Waar artikel 95, eerste alinea, uitgaat van een vergelijking van de fiscale lasten, berust artikel 95, tweede alinea, op een ruimer criterium, de beschermende werking van een belastingstelsel.
c)
In voornoemde arresten van 27 februari 1980 veroordeelde het Hof de beschermende werking van een belastingstelsel dat een groot deel van de binnenlandse produktie aan een lagere belasting onderwierp dan nagenoeg alle importen. 99% van het Deense verbruik van de betrokken likeurwijn wordt binnenslands vervaardigd; indien men ervan uitgaat dat deze produkten concurreren met ingevoerde whisky, is de beschermende werking van de Deense regeling niet uitgesloten. De Commissie heeft tegen Denemarken een beroep wegens niet-nakoming ingesteld op grond van de fiscale discriminatie tussen twee soorten likeurwijn — vruchtenwijn en druivenwijn —, twee klaarblijkelijk gelijksoortige of op zijn minst concurrerende produkten. De beoordeling van de Deense regeling dient zich echter niet te beperken tot de gevolgen voor de consumptie van whisky en de betrokken likeurwijn. De zwaar belaste gedistilleerde dranken worden voor 75% binnenslands vervaardigd. In zaak 171/78 stelde het Hof vast, dat Deense aquavit en Schotse whisky gelijksoortige produkten zijn. Denemarken is een belangrijke producent van spiritualiën die even zwaar als buitenlands gedistilleerd worden belast; van fiscale discriminatie van de importen is derhalve geen sprake.
In de arresten van 14 januari 1981 (zaken 140/79, Chemial Farmaceutici, en 46/80, Vinal, Jurispr. 1981, blz. 1 en 77) overwoog het Hof, dat de Lid-Staten bij gebreke van harmonisatie een stelsel van gedifferentieerde belasting mogen invoeren dat is gebaseerd op objectieve criteria, zoals de gebruikte grondstof of het toegepaste produktieprocédé, mits daarmee de verwezenlijking van met het gemeenschapsrecht verenigbare economische beleidsoogmerken wordt nagestreefd en iedere vorm van discriminatie wordt vermeden.
De gestelde vragen moeten aldus worden beantwoord, dat whisky en vruchtenwijn van het type likeurwijn geen gelijksoortige produkten zijn; dat het gemeenschapsrecht zich bij zijn huidige stand niet verzet tegen een op objectieve criteria gebaseerde, niet discriminerende fiscale differentiatie; dat, indien een belangrijk deel van de binnenlandse produktie voorkomt in alle fiscale categorieën, een stelsel waarbij voor whisky en binnenlands gedistilleerd wordt uitgegaan van het alcoholgehalte en de prijs, en voor binnenlandse en ingevoerde likeurwijn enkel van het volume, verenigbaar is met artikel 95, tweede alinea; dat artikel 95, als fundamentele waarborg voor het vrije verkeer van goederen, geen voorwaardelijke toepassing verdraagt.
3.3. Beantwoording van de door het Hof gestelde vragen
De Commissie is verzocht, haar harmonisatievoorstellen uiteen te zetten en aan te duiden, welke dranken zij als gelijksoortige produkten beschouwt. De Commissie wijst op het mislukken van haar initiatieven. Een op 24 april 1985 bij de Raad ingediend voorstel voor een richtlijn tot vaststelling van een aantal regels inzake indirecte belastingen op het verbruik van alcoholhoudende dranken (85/C 114/08; PB 1985, C 114, blz. 6) bevat een aantal minimumregels voor wijn, met name een op basis van het volume bepaald speciaal tarief voor stille wijn. Ingevolge voornoemd arrest van 12 juli 1983 mag het verschil tussen de accijns op wijn en de accijns op bier bij een bepaalde hoeveelheid niet groter zijn dan het verschil in alcoholgehalte tussen tafelwijn en bier van een bepaalde soort. Om te vermijden dat de met de harmonisatie van de accijnzen beoogde fiscale neutraliteit en gelijkheid van de mededingingsvoorwaarden wordt scheefgetrokken door verschillende BTW-tarieven, moet elke Lid-Staat bovendien hetzelfde BTW-tarief toepassen binnen de volgende categorieën: wijn en bier; wijn en vruchtenwijn, waaraan alcohol is toegevoegd, en gelijksoortige produkten; alcohol. Een status quo-regeling dient de harmonisatie op lange termijn te bevorderen.
Een op dezelfde dag ingediend voorstel voor een richtlijn betreffende de harmonisatie van de accijnzen op wijn met toegevoegde alcohol en soortgelijke produkten (85/C 114/09; PB 1985, C 114, biz. 7) is in een eerste stadium gericht op de verwezenlijking van neutrale mededingingsverhoudingen en, in een later stadium, op harmonisatie van de accijnstarieven. Zij heeft betrekking op intermediaire produkten met een alcoholgehalte van 15o tot 20o vol., behorend tot de gistingsprodukten, zoals wijn, en gedistilleerde dranken, zoals spiritualiën; het betreft hier op natuurlijke wijze gegiste dranken waaraan alcohol en andere ingrediënten zijn toegevoegd, zonder dat de typische smaak ervan verdwijnt. Het oorspronkelijke voorstel had uitsluitend betrekking op produkten op basis van druivenwijn, waarbij produkten op basis van vruchtenwijn met een alcoholgehalte van meer dan 15o vol. als spiritualiën werden beschouwd. Aangezien het hier om gelijksoortige produkten gaat, heeft het nieuwe voorstel ook betrekking op de onder post 22.07 GDT vallende produkten. Daar gegiste dranken door toevoeging van alcohol steeds meer op spiritualiën gaan lijken, is een maximum van 22o vol. vastgesteld. Voor produkten met een laag alcoholgehalte kan het onderscheid tussen stille wijn en likeurwijn van post 22.05 worden gebaseerd op de in de communautaire verordeningen vervatte definities. De produkten onder post 22.06 (vermouth en andere) vallen onder de richtlijn, mits zij beantwoorden aan de definitie van vermouth, zoals neergelegd in het in 1982 ingediende voorstel voor een verordening (PB 1982, C 189, biz. 7). De onder post 22.07 vallende produkten (andere gegiste dranken) met een totaal alcohol-volumegehalte van minder dan 15o vol. of een effectief gehalte van 12o vol. of minder, vallen er niet onder. Op de betrokken produkten rust een op basis van het volume bepaalde specifieke belasting, tegen een verlaagd tarief vergeleken met de belasting op alcohol; het tarief kan worden uitgedrukt in termen van volume, het effectief alcoholvolumegehalte van het intermediaire produkt dan wel een combinatie van beide criteria. In ieder geval dient de totale fiscale last gelijk te zijn voor alle intermediaire produkten met hetzelfde effectieve alcoholgehalte. De totale last van de accijnzen op deze intermediaire produkten ligt thans tussen 7 en meer dan 100o/o van de totale last van de accijnzen op spiritualiën, en zal worden teruggebracht op 20 à 65%.
De volgende categorieën zijn volgens de Commissie dermate homogeen, dat de betrokken dranken als gelijksoortig kunnen worden beschouwd: bier; stille wijn en stille vruchtenwijn; mousserende wijn en mousserende vruchtenwijn; wijn waaraan alcohol is toegevoegd en vruchtenwijn waaraan alcohol is toegevoegd; alcohol. Dezelfde tariefindeling vormt slechts een vermoeden van gelijksoortigheid.
De Deense regering is verzocht, het in likeurwijn toegestane hoge gehalte aan gedistilleerde alcohol te verklaren. De Deense regering zet uiteen, dat spiritualiën niet automatisch als vruchtenwijn worden belast, indien het eindprodukt een alcoholgehalte heeft van niet meer dan 20o vol., waarvan 1o vol. aan gistingsalcohol. De betrokken dranken zijn intermediaire produkten vallende onder post 22.07 GDT, verkregen door gisting en met een alcoholgehalte van niet meer dan 20o vol. De produkten die anders dan door gisting van sap of honing zijn verkregen, worden als gedistilleerd belast. Verhoging van het alcoholgehalte door de toevoeging van alcohol kan de indeling niet wijzigen. De meeste likeurwijnen op basis van druivenwijn zijn eveneens verrijkt. Om te vermijden dat gedistilleerd minder zwaar wordt belast, zijn eveneens uitgesloten dranken waaraan produkten — andere dan ethylalcohol — zijn toegevoegd die aan de accijns op gedistilleerd zijn onderworpen, alsmede dranken die de kenmerken van gedistilleerd vertonen op grond dat zij bittere of aromatische stoffen, suiker en dergelijke bevatten. Het in de ministeriële circulaire gestelde vereiste van een gehalte aan gistingsalcohol van minimaal 1o vol. vormt een minimumeis en treedt geenszins in de plaats van de wettelijke voorwaarden. Het voorstel voor een richtlijn 85/C 114/09 staat een gunstiger behandeling toe van intermediaire produkten vallende onder post 22.07 en met een alcoholgehalte van meer dan 15o vol., mits de toegevoegde door distillatie verkregen alcohol minder dan 50% van het effectieve alcoholgehalte van het eindprodukt bedraagt, dan wel het effectieve alcohol-volumegehalte van het eindprodukt voor minstens 7o vol. het resultaat is van natuurlijke gisting. Voor het alcohol-volumegehalte van het eindprodukt is een maximum voorzien van 22o, tegen 20o onder de huidige Deense regeling. Om kwaliteitsredenen verdient de toevoeging van door distillatie verkregen alcohol de voorkeur boven de natuurlijke gisting van vruchtensap. Verzoekster in het hoofdgeding tracht de discussie van het in de prejudiciële vraag bedoelde, grote assortiment traditionele Deense vruchtenwijnen te verleggen naar een aantal minder courante produkten.
De Deense regering is voorts verzocht, een globaal beeld te schetsen van de Deense consumptie van alcoholhoudende dranken, onder vermelding van de ingevoerde en binnenlandse produkten. De Deense regering heeft het Hof een overzicht overhandigd van de consumptie in Denemarken tussen 1971 en 1984 van druivenwijn van het type tafelwijn, vruchtenwijn van het type tafelwijn, druivenwijn van het type likeurwijn, vruchtenwijn van het type likeurwijn en gedistilleerd. Tussen 1975 en 1984 is de consumptie van whisky niet gedaald. Het marktaandeel van verzoekster is afgenomen om andere redenen dan gesteld. De betrokken statistische gegevens zijn reeds in de inleiding van deze conclusies overgenomen.
4. Uw relevante rechtspraak
4.1. Het gelijksoortigheidscriterium
Uit de 12 arresten, die in de onderhavige zaken in het bijzonder zijn geciteerd (zaken 27/67, 31/67, 148/77, 45/75, 168/78, 169/78, 170/78 (twee arresten), 171/78, 45/79, 46/80, 206/81 en 319/81) vallen de volgende criteria af te leiden voor het voor de toepasselijkheid van artikel 95, eerste alinea, beslissende criterium van de gelijksoortigheid van produkten.
a)
Nadat Uw Hof aanvankelijk (zaak 27/67, Fink-Frucht, Jurispr. 1968, blz. 316, met name tweede overweging op blz. 329) een beslissend belang heeft toegekend aan de douane-indeling, is Uw Hof na een aanvankelijke relativering van dit criterium in de alcoholarresten van 1980, daarvan uiteindelijk vrijwel geheel afgestapt. In rechtsoverweging 8 van Uw arrest in de zaak 216/81 (Jurispr. 1982, blz. 2701) verklaarde Uw Hof immers, dat bij de toepassing van de inhoudelijke hoofdcriteria „geen aansluiting (behoeft) te worden gezocht bij douane-indelingen”. Deze vaststelling is van belang, omdat Denemarken zich in de zaak 106/84 onder meer op de verschillende douaneindeling van vruchtenwijnen en druivenwijnen heeft beroepen.
b)
In de zaak 45/75 (Rewe, Jurispr. 1976, blz. 181) heeft Uw Hof voor het eerst (in rechtsoverweging 12) als hoofdcriteria voor de bepaling van gelijksoortigheid gekozen of de te vergelijken produkten — in hetzelfde stadium van produktie of verhandeling — uit verbruikersoogpunt soortgelijke eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften voldoen (herhaald in zaak 216/81, Cogis, Jurispr. 1982, blz. 2701). In de zaak 168/78 (Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1980, blz. 347, rechtsoverweging 11) worden naast:
1)
gemeenschappelijke generieke kenmerken als distillatie en een hoog alcoholgehalte, relevant geacht:
2)
eventuele eigen karaktertrekken binnen genoemde generieke kenmerken (verschillen in grondstoffen, fabricagemethode en toegevoegde aromatische bestanddelen) ;
3)
het onder de groep met generieke kenmerken vallen van produkten met minder uitgesproken eigenschapen, die voor uiteenlopende doeleinden worden gebruikt (produkten op basis van „neutrale” alcohol en uiteenlopende consumptiewijzen, bijvoorbeeld puur of aangelengd of gemengd met andere dranken). De discussies Ín de zaken 106/84 en 243/84 moeten uiteraard tegen de achtergrond van deze niet zeer nauwkeurige criteria voor het aannemen van gelijksoortigheid worden gezien. Partijen komen daarbij tot uiteenlopende conclusies. Als eerder opgemerkt, zal Uw Hof er derhalve wellicht niet aan kunnen ontkomen, genoemde criteria te preciseren of aan te vullen.
4.2. Het begrip zijdelingse bescherming in-artikel 95, tweede alinea
In de derde overweging op blz. 329 van Uw geciteerde arrest in de zaak 27/67 (Fink-Frucht) heeft Uw Hof gesteld, dat van zijdelingse bescherming sprake is wanneer op een ingevoerd produkt een zwaardere binnenlandse belasting wordt geheven dan op een nationaal produkt en één of meer economisch mogelijke toepassingen ertoe leiden, dat beide produkten een concurrentiepositie innemen zonder dat evenwel sprake is van gelijksoortigheid, als bedoeld in artikel 95, alinea 1.
In de zaak 31/67 (Stier, Jurispr. 1968, blz. 333) werd daaraan nog toegevoegd, dat bij het ontbreken van een vergelijkbare nationale produktie, de belasting op ingevoerde produkten niet zo hoog mag zijn, „dat voor zover die produkten betreft het vrije produktenverkeer binnen de Gemeenschap in gevaar zou worden gebracht”, maar dat de belasting op de ingevoerde produkten geen beschermend karakter heeft, „wanneer het belastingpercentage het algemeen kader van het nationale belastingstelsel, waarvan de litigieuze belasting een integrerend deel uitmaakt, niet te buiten gaat” (blz. 343, eerste overweging). Deze preciseringen zijn eventueel van enig belang voor de zaak 243/84, daar whisky althans het algemene kader van het Deense belastingstelsel voor gedistilleerde dranken niet te buiten gaat.
4.3. Verhouding tussen alinea's 1 en 2 van artikel 95
In de voor de onderhavige zaken meest relevante geciteerde arresten behoefde Uw Hof uiteindelijk de vraag niet te beantwoorden, of, dan wel in hoeverre, de eerste of juist de tweede alinea van artikel 95 van toepassing was. Ook bij toepasselijkheid van de tweede alinea was namelijk in die zaken duidelijk, dat de betrokken belastingwetgeving een duidelijk beschermend karakter had. Zo kon Uw Hof in de zaak 319/81 (Commissie tegen Italië, Jurispr. 1983, blz. 601) volstaan met te stellen in rechtsoverweging 17:
„Bij produkten die hetzij gelijksoortig hetzij derwijze concurrerend zijn dat zij vallen onder het toepassingsgebied van artikel 95, tweede alinea, kan het derhalve niet verenigbaar worden geacht met het discriminatieverbod van die bepaling wanneer men de hogere belasting doet afhangen van een criterium — bij voorbeeld een aanduiding van oorsprong of herkomst — dat per definitie nimmer van toepassing kan zijn op nationale produkten die gelijksoortig zijn of in bovenomschreven zin concurreren met uit de andere Lid-Staten ingevoerde produkten. Een dergelijke regeling zou de nationale produkten bij voorbaat uitsluiten van de zwaarste belasting, daar zij nimmer aan de desbetreffende voorwaarden voldoen en de nationale wetgever, door eenvoudig van de invoering van een algemene, voor alle gedistilleerde dranken geldende regeling af te zien, deze situatie naar believen kan laten voortbestaan, welke overigens ook de overeenkomsten en verschillen zijn in de produktievoorwaarden, de kwaliteit, de prijs en de concurrentiepositie van de nationale en de uit de andere Lid-Staten ingevoerde produkten.”
Uitsluitende toepasselijkheid van artikel 95, tweede alinea, werd slechts aangenomen in de zaak 170/78 (Commissie/Verenigd Koninkrijk, arresten van 27.2.1980, Jurispr. 1980, blz. 417 en 12.7.1983, Jurispr. 1983, blz. 2265). In die zaak waren als bekend de belastingverschillen tussen de duidelijk niet gelijksoortige produkten wijn en bier aan de orde. Een beschermend karakter van de wijnbelasting leidde Uw Hof toen af uit de zowel naar volume (400%) als naar alcoholgehalte (ten minste 100%) als naar prijs (maximaal 286% van de detailhandelsprijs exclusief belasting) aanzienlijke extra fiscale last op wijn. Dit arrest onderstreept dat, anders dan bij toepasselijkheid van de eerste alinea van artikel 95, bij toepasselijkheid van de tweede alinea een strikt gelijk belastingstarief voor nationale en ingevoerde produkten niet kan worden geëist.
4.4. Toegestane differentiatie
Denemarken heeft zich in de onderhavige procedures ook beroepen op Uw rechtspraak inzake toelaatbare differentiatie in belastingtarieven. Van belang in dit verband zijn met name Uw arresten in de zaken 148/77 (Hansen, Jurispr. 1978, blz. 1787), 140/79 en 46/80 (Chemial Farmaceutici en Vinal, Jurispr. 1981, blz. 1 en blz. 77) en 319/81 (Commissie/Italië, Jurispr. 1983, blz. 601). In de zaak Hansen werd als bekend belastingdifferentiatie ter bereiking van wettige economische en sociale doeleinden, zoals het gebruik van bepaalde grondstoffen, het behoud van de produktie van typische gedistilleerde dranken van hoge kwaliteit of het instandhouden van bepaalde categorieën bedrijven, zoals de brandewijn in de landbouwsector, in beginsel verenigbaar geacht met het gemeenschapsrecht (rechtsoverweging 16). In rechtsoverweging 17 werd daaraan slechts toegevoegd, dat zulke begunstigingsregelingen zich naar de zin van artikel 95 zonder onderscheid moeten uitstrekken tot gedistilleerde dranken uit andere Lid-Staten.
In de zaken Chemial Famaceutici en Vinal werd aan deze criteria in gelijkluidende bewoordingen verder als voorwaarden toegevoegd, dat de daar aan de orde zijnde economische beleidsoogmerken „... op hun beurt met de in het Verdrag en in het afgeleide recht gestelde eisen verenigbaar zijn” en dat „in de uitvoeringsbepalingen elke mogelijke, rechtstreekse of indirecte, discriminatie jegens importen uit derde landen en/of iedere vorm van bescherming van concurrerende nationale produkten, wordt vermeden”. Een gedifferentieerde belasting van gedenatureerde synthetische alcohol enerzijds, gedenatureerde gistingsalcohol anderzijds, zoals die in Italië bestaat, werd echter geacht aan genoemde eisen te voldoen. „Met deze belastingregeling blijkt een rechtmatig industrieel beleidsdoel te worden nagestreefd in die zin, dat zij het distilleren van landbouwprodukten, vergeleken met de vervaardiging van alcohol op grondslag van aardoliederivaten begunstigt” (rechtsoverweging 15 eerste arrest). Een indirecte bescherming van de nationale produktie werd niet aanwezig geacht, nu de belasting van synthetische alcohol op het nationale grondgebied een rendabele produktie van die soort alcohol (hoewel technisch en economisch op zich zelf realiseerbaar) onmogelijk maakt (rechtsoverweging 18 eerste arrest).
Voor de analoge toepassing van laatstgenoemde twee arresten in de zaak 106/84 lijkt mij in de eerste plaats van belang de vraag, of begunstiging van bepaalde inheemse landbouwprodukten (vruchten) ten nadele van ingevoerde landbouwprodukten (druiven) wel gelijk behandeld kan worden als de begunstiging van een landbouwprodukt ten nadele van een niet-landbouwprodukt. Naar mijn oordeel moet deze vraag op grond van de gemeenschappelijke land-, bouwpolitiek (optimale allocatie van concurrerende produkten en het discriminatieverbod van artikel 40, lid 3) ontkennend worden beantwoord. In de tweede plaats is een duidelijk verschil tussen de zaken 140/79 en 46/80 enerzijds en de zaak 106/84 anderzijds hierin gelegen, dat synthetische alcohol in Italië wèl, maar druivenwijn in Denemarken niet geproduceerd kan worden. Wat de zaak 243/84 betreft, staat vast, dat whisky in Denemarken op andere dan fiscale gronden vrijwel niet geproduceerd wordt.
Vooral voor de zaak 243/84 is daarnaast van belang de vraag, of een hoger tarief voor gedistilleeerde dranken dan voor likeurwijnen gerechtvaardigd kan worden op sociale gronden, zoals hét tegengaan van het gebruik van drank met een dubbel zo hoog alcoholgehalte. Mits daarmede geen discriminerend of protectionistisch effect wordt bereikt, zal deze vraag naar mijn oordeel in beginsel op grond van Uw rechtspraak bevestigend moeten worden beantwoord.
4.5. De doelstellingen van artikel 95
De algemene doelstellingen van artikel 95 zijn in Uw rechtspraak verschillend omschreven. In de zaak 27/67, Fink-Frucht (Jurispr. 1968, blz. 330) werd dit doel omschreven als het waarborgen van normale concurrentiemogelijkheden en het uit de weg ruimen van alle fiscale belemmeringen, welke het vrije verkeer van goederen binnen de gemeenschappelijke markt kunnen bemoeilijken.
In de zaak 168/78 (rechtsoverweging 4) werden de bepalingen van de twee eerste alinea's van artikel 95 een aanvulling geacht op die betreffende afschaffing van douanerechten en heffingen van gelijke werking. Zij hebben ten doel, het vrije verkeer tussen de Lid-Staten onder normale concurrentieverhoudingen te verzekeren door elke vorm van bescherming uit te sluiten die het gevolg kan zijn van de toepassing van binnenlandse belastingen die discriminerend zijn ten opzichte van produkten uit andere Lid-Staten. Artikel 95 dient de volstrekte neutraliteit van de binnenlandse belastingen te waarborgen ten aanzien van de mededinging tussen nationale en ingevoerde produkten. Verwante formuleringen treft men aan in Uw arrest in de zaak 216/81.
In de zaak 171/78 (rechtsoverweging 20) preciseerde Uw Hof het verschil van doelstelling tussen artikel 95 en harmonisatie van belastingwetgeving op grond van artikel 99. Terwijl artikel 95 discriminatie en protectie, voortvloeiende uit een bepaald nationaal belastingstelsel, tegengaat, beoogt artikel 99 handelsbelemmeringen tegen te gaan, die het gevolg zijn van dispariteiten tussen de verschillende nationale wetgevingen. Ik acht deze precisering nuttig en ook voor de onderhavige zaken van belang. Anders dan de formulering in de zaak 27/67 zou kunnen suggereren, kunnen op grond van artikel 95 inderdaad niet alle fiscale handelsbelemmeringen uit de weg worden geruimd.
In rechtsoverweging 20 van de zaak 171/78 preciseerde Uw Hof overigens ook, dat uitvoering van de harmonisatie ex artikel 99 geen voorwaarde vooraf kan zijn voor toepassing van artikel 95. De beide preciseringen gezamenlijk zijn vooral van belang voor de beoordeling van de zaak 106/84.
Samenvattend leid ik uit Uw rechtspraak af, dat doel van de twee eerste alinea's van artikel 95 met name is, bepaalde vormen van concurrentievervalsende fiscale handelsbelemmeringen tegen te gaan, te weten handelsbelemmeringen die ontstaan uit discriminaties ten nadele van ingevoerde produkten en uit bescherming van nationale produkten. Ik acht deze doelstelling van artikel 95 ook van belang voor de bepaling of van gelijksoortige produkten in de zin van artikel 95, eerste alinea, dan wel slechts van concurrerende produkten in de zin van artikel 95, tweede alinea, sprake is, alsmede voor beantwoording van de vraag of van discriminatie dan wel slechts van bescherming in de zin van deze alinea's van artikel 95 gesproken kan worden. Afzetstatistieken of andere gegevens zullen onder omstandigheden kunnen tonen, dat een op het eerste gezicht discriminerende of beschermende belastingwet in feite geen dergelijk effect heeft.
5. Conclusie
5.1. De zaak 106/84
a)
Uit mijn eerdere overzicht van de feiten blijkt, dat druiventafelwijn en druivenlikeurwijn per liter ongeveer 10/7, respectievelijk 20/11 zo zwaar per liter belast worden als de concurrerende produkten op de grondslag van vruchten. Wanneer deze wijnen uit druiven en uit vruchten bovendien als gelijksoortig moeten worden beschouwd, lijkt een verboden discriminatie in de zin van de eerste alinea van artikel 95 dan ook evident.
b)
De Commissie leidt uit Uw geanalyseerde rechtspraak (met name de zaken 168/78, 169/78 en 171/78) af, dat zowel vruchtentafelwijnen als vruchtenlikeurwijnen inderdaad gelijksoortig zijn aan de vergelijkbare wijnsoorten, vervaardigd uit druiven. Zij vertonen volgens de Commissie gelijke eigenschappen, beantwoorden aan dezelfde behoeften, worden steeds verkregen door gisting, hebben een vergelijkbaar alcoholgehalte en worden in gelijke hoeveelheden gedronken. Verschil in grondstof zou niet iedere gelijksoortigheid uitsluiten, hetgeen inderdaad ook naar mijn oordeel uit Uw geciteerde arresten van 27 februari 1980 met betrekking tot gedistilleerde dranken kan worden afgeleid. Terecht leidt de Commissie voorts uit Uw rechtspraak af, dat Uw Hof een andere douane-indeling geen obstakel meer acht voor het aannemen van gelijksoortigheid : ik verwijs daartoe weer naar mijn voorafgaande analyse van die rechtspraak. Ten slotte blijkt uit die analyse ook, dat de Commissie terecht de stelling van Denemarken heeft verworpen, dat de Commissie door langdurig stilzitten haar recht om een actie tegen de onderhavige regeling aanhangig te maken zou hebben verspeeld. Artikel 95 heeft blijkens die analyse een ander, maar ook beperkter doel dan artikel 99. Wanneer het verder strekkende harmonisatieproces op grond van artikel 99, in het stadium van de Raad stagneert, heeft de Commissie derhalve het volle recht de fundamentele minimumeisen van artikel 95 alsnog tot gelding te brengen.
c)
Slechts subsidiair verdedigt de Commissie, dat bij toepasselijkheid van artikel 95, tweede alinea, de Deense regeling in elk geval een beschermend karakter ten gunste van de Deense produkten heeft. Dit zou met name volgen uit Uw tweede arrest in de zaak 170/78. Dat de Deense regeling niet neutraal is, zou met name hieruit blijken, dat het grootste deel van de binnenlandse produktie onder de gunstige belastingcategorie valt. Het beroep van Denemarken op Uw geciteerde arresten in de zaken Chemial Farmaceutici en Vinal verwerpt de Commissie, omdat het daar ging om het bevorderen van het distilleren van landbouwprodukten. Een preferentiële behandeling van de Deense fruittelers ten opzichte van de wijnproducenten van andere Lid-Staten acht de Commissie daarentegen niet rechtmatig. In mijn analyse van genoemde arresten kwam ik reeds tot een gelijke conclusie.
d)
Afgezien van haar reeds onaanvaardbaar bevonden argumenten voert de Deense regering in de eerste plaats aan, dat de bij de Deense toetreding ingevoerde wettelijke regeling de traditionele discriminatie van ingevoerde wijn heeft afgeschaft. Althans ten aanzien van vruchtentafelwijnen acht ik deze vaststelling juist, voorzover het om de vergelijking tussen Deense en ingevoerde vruchtenwijnen gaat. Ten aanzien van vruchtenlikeurwijnen rijzen hier echter vragen, waarop ik bij de behandeling van de zaak 243/84 nog terugkom.
De gelijksoortigheid van druivenwijn en vruchtenwijn wordt door de Deense regering op de in deel 2 van deze conclusies aangegeven gronden ontkend. Het belangrijkste argument acht ik dat, anders dan druivenwijn, vruchtenwijn niet onder een gemeenschappelijke marktordening valt. Indien het hier ging om gelijksoortige produkten, zou een dergelijk verschil in behandeling in strijd zijn met artikel 40, lid 3. Van een beschermend karakter in de zin van artikel 95, tweede alinea, zou volgens de Deense regering evenmin sprake zijn. De extrabelasting van tafelwijn per liter zou 55% voor tafelwijn en 80% voor likeurwijn bedragen. De extrabelasting voor druivenlikeurwijn met een alcoholgehalte tussen 20 en 23o zou volgens dezelfde maatstaf ongeveer 170% bedragen. Naar alcoholgehalte gerekend zou de extrabelasting tussen 60 en 135% variëren. Het aandeel van de accijns in de detailhandelsprijs zou daarentegen voor beide categorieën produkten ongeveer gelijk zijn (minder dan 30% voor tafelwijnen, 26 à 29% voor vruchtenwijn en 25 à 38% voor goedkope druivenlikeurwijn tegenover 27 à 38% voor vruchtenlikeurwijn). Voor het niet aannemen van een beschermend effect acht de Deense regering derhalve kennelijk de vergelijking van de procentuele belastingdruk op dé detailhandelsprijzen beslissend. De andere door haar verschafte cijfers wijzen immers wel op een beschermend karakter in het licht van Uw arresten in de zaak 170/78. Zoals ik in mijn conclusie in laatstgenoemde zaak reeds uiteen heb gezet, acht ik voor de beoordeling van de invloed van belastingverschillen op de concurrentieverhoudingen tussen de betrokken produkten intussen ook zelf de vergelijking tussen de belastingdruk op de detailhandelsprijs het meest relevant.
e)
De vruchtenwijnen en druivenwijnen hebben naar mijn oordeel inderdaad zoveel gemeenschappelijke objectieve eigenschappen, terwijl zij ook in dezelfde soort behoeften voorzien, dat zij op grond van de in Uw rechtspraak genoemde objectieve criteria op het eerste gezicht als gelijksoortig zouden kunnen worden aangemerkt. Daar de belastingtarieven per liter voor druivenwijnen niettemin niet onbelangrijk hoger zijn dan voor vruchtenwijnen, zou dan strijd met artikel 95, eerste alinea, evident zijn. Zo werd reeds in rechtsoverweging 15 van Uw arrest in de zaak 45/75 (Rewe, Jurispr. 1976, blz. 181) gesteld, dat artikel 95, eerste alinea, wordt geschonden, wanneer de belasting op ingevoerde produkten en die op gelijksoortige nationale produkten op verschillende wijze en volgens verschillende uitvoeringsvoorschriften worden berekend, waardoor de ingevoerde produkten, zij het slechts in sommige gevallen, hoger worden belast. Voor concrete produkten heeft Uw Hof blijkens mijn analyses niettemin altijd vermeden de gelijksoortigheid vast te stellen en ik ben met het betoog van de Deense regering ter zitting van oordeel, dat de doorsneeconsument druiventafelwijn en vruchtentafelwijn vermoedelijk niet als gelijksoortig zal beschouwen. Bij de vergelijking tussen druivenlikeurwijn en vruchtenlikeurwijn zou dit anders kunnen liggen. Ik acht het in dit verband kenmerkend, dat de Commissie ter zitting in deze zaak uitsluitend over likeurwijnen en de Deense regering juist vrijwel uitsluitend over tafelwijnen heeft gesproken.
f)
Objectieve twijfel over de gelijksoortigheid van tafelwijnen op vruchten- en op druivengrondslag wordt naar mijn oordeel in aanzienlijke mate versterkt door de in de aanvang van deze conclusies weergegeven statistieken. Uit deze statistieken blijkt in de eerste plaats, dat de Deense vruchtentafelwijn primair in concurrentie staat met gelijksoortige ingevoerde vruchtenwijnen. Opheffing van de traditionele discriminatie blijkt er toe te hebben geleid, dat de afzet van ingevoerde vruchtenwijnen na de Deense toetreding en met name sinds 1976 verveelvoudigde. Sinds 1978 en 1979 nam de afzet van binnenlandse vruchtenwijn blijkens deze cijfers daarentegen nauwelijks meer toe. Voorts blijkt volgens deze cijfers de lagere belasting op vruchtenwijnen niet in de weg te hebben gestaan van een enorme stijging in de invoer van druivenwijnen (bovendien steeds meer dan dertig maal zo hoog als het verbruik van vruchtenwijnen). Behoudens niet door de Commissie geleverd tegenbewijs wijzen deze cijfers er naar mijn oordeel op, dat druiventafelwijnen en vruchtentafelwijnen in werkelijkheid niet gelijksoortig zijn (zodat artikel 95, eerste alinea, niet toepasselijk is), terwijl ook van een reëel beschermend effect ten gunste van vruchtenwijnen niet gesproken kan worden. Bij de beoordeling van concurrentieverhoudingen in het kader van artikel 95, alinea 2, dienen naar mijn oordeel — evenals in het mededingingsbeleid in het algemeen — bagatelmarktaandelen als hier aan de orde reeds wegens hun bagatelkarakter buiten beschouwing te blijven. Als gezegd, blijkt uit de statistieken echter ook overigens geen wezenlijke kruiselasticiteit tussen de vraag naar vruchtentafelwijn en druiventafelwijn.
g)
Anders luiden echter mijn conclusies met betrekking tot likeurwijnen. In mijn inleidende opmerkingen heb ik er reeds op gewezen, dat de daar weergegeven statistieken juist duidelijk lijken te wijzen op een kruiselasticiteit tussen de vraag naar vruchtenlikeurwijn en druivenlikeurwijn. De sterke stijging van het verbruik van vruchtenlikeurwijn sinds 1978 is in diezelfde periode immers gepaard gegaan met een duidelijke daling van de invoer van druivenlikeurwijn. De omstandigheid, dat het verbruik van vruchtenlikeurwijn en van druivenlikeurwijn (in sterke afwijking van de cijfers voor tafelwijnen) steeds meer in dezelfde orde van grootte is komen te liggen, wijst daarbij op gelijksoortigheid.
Naast deze statistische argumenten voor het aannemen van gelijksoortigheid zijn er ook kwalitatieve argumenten voor deze gelijksoortigheid. In sterkere mate dan reeds bij de tafelwijnen het geval is, voldoen vruchtenlikeurwijnen en druivenlikeurwijnen aan het dubbele criterium van Uw rechtspraak, dat zij gelijke eigenschappen hebben en in dezelfde behoeften voorzien. Niet alleen is het alcoholgehalte vergelijkbaar, maar tijdens de procedure is ook komen vast te staan, dat er vruchtenlikeurwijnen zijn van het type vermouthwijn en van het type Cinzano bitter. Volgens het zojuist door mij geciteerde criterium in rechtsoverweging 15 van de zaak 45/75 is een dergelijke vaststelling voldoende, om artikel 95, eerste alinea, toepasselijk te achten. Daar voorts op grond van mijn overzicht van de feiten vast staat, dat de belastingen op druivenlikeurwijnen en op vruchtenlikeurwijnen op verschillende wijze, met een verschillend tarief en volgens verschillende uitvoeringsvoorschriften worden berekend en dat de ingevoerde druivenlikeurwijnen dientengevolge aanzienlijk hoger worden belast, acht ik het beroep van de Commissie ten aanzien van likeurwijnen gegrond. Daaraan kan, nu artikel 95, eerste alinea, van toepassing is, niet afdoen, dat volgens de Deense regering de belasting, uitgedrukt in percentage van de detailhandelsprijs, in dezelfde orde van grootte ligt. Een duidelijk absoluut verschil in belastingtarief is voor het aannemen van strijd met artikel 95, eerste alinea, voldoende te achten.
h)
Concluderend, stel ik U voor:
1)
het beroep van de Commissie gegrond te verklaren, voor zover het betrekking heeft op likeurwijnen;
2)
het beroep van de Commissie voor het overige te verwerpen;
3)
de kosten van het geding overeenkomstig artikel 69, paragraaf 3 van het reglement voor de procesvoering in dier voege te compenseren, dat partijen hun eigen proceskosten dienen te betalen, nu elke partij op een belangrijk punt in het ongelijk dient te worden gesteld.
5.2. De zaak 243/84
a)
In de zaak 243/84 heeft het Østre Landsret Uw Hof, als eerder weergegeven, de volgende vragen gesteld:
1)
Moet artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat Schotse whisky en vruchtenwijn van het type likeurwijn als omschreven in de wet en de bijlage als ‚gelijksoortige’ en als ingevoerde respectievelijk binnenslands vervaardigde produkten moeten worden beschouwd, met als gevolg dat het in strijd is met genoemde bepaling, een belastingregeling te handhaven volgens welke whisky als andere gedistilleerde alcohol wordt belast met een gecombineerde heffing, ten dele berekend aan de hand van het alcoholgehalte en ten dele aan de hand van de prijs, terwijl voor vruchtenwijn en druivenwijn een belastingregeling geldt waarbij enkel een belasting over de hoeveelheid wordt geheven, wanneer de belastingregelingen leiden tot een lagere belasting voor vruchtenwijn (en druivenwijn) dan voor whisky, wanneer in de belastingvoorschriften niet wordt onderscheiden naar het land van oorsprong, wanneer in de betrokken Lid-Staat geen whisky wordt vervaardigd, maar niettemin om en nabij drie vierde van het verbruik van de dranken die aan de hogere belasting op gedistilleerd zijn onderworpen, binnenslands wordt vervaardigd, en wanneer meer dan 99% van het verbruik aan vruchtenwijn van het type likeurwijn binnenslands wordt vervaardigd ?
2)
Moet artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat onder de in vraag 1 vermelde omstandigheden een vergelijking moet worden getrokken tussen de belasting op Schotse whisky en die op vruchtenwijn van het type likeurwijn, en zo ja, is het dan in strijd met genoemde bepaling, wanneer de belastingen, in verhouding tot de prijs, de hoeveelheid en het alcoholgehalte van de dranken, worden geheven als beschreven in de bijlage ?
3)
Is het voor de beantwoording van de vragen 1 en 2 van belang, dat de belastingregeling voor vruchtenwijn historisch gezienverband houdt met de wens, de fruittelers, die onder moeilijke klimaatomstandigheden werken, betere afzetmogelijkheden voor hun produktie te bieden ?
b)
Voor de standpunten, die in de schriftelijke opmerkingen zijn verdedigd, verwijs ik naar deel 3 van deze conclusies.
In nog sterkere mate dan in zijn schriftelijke opmerkingen, heeft John Walker tijdens de zitting duidelijk gemaakt, dat zijn bezwaren niet zozeer de verhouding tussen de belastingregeling voor gedistilleerde dranken en die voor vruchtenlikeurwijnen betreft alswel de belastingregeling voor vruchtenlikeurwijnen als zodanig. Wat hem in deze regeling stoort, is het feit dat zij zodanig is uitgewerkt, dat als vru ehteni i keu re n ook worden beschouwd dranken, waarvan het alcoholgehalte slechts voor 5% door gisting van vruchtensappen is verkregen en voor de overige 95% bestaat uit toegevoegde alcohol. Zo samengestelde vruchtenlikeurwijnen zouden als gelijksoortig met gedistilleerde dranken moeten worden beschouwd. John Walker bepleitte ter zitting dan ook primair een zodanige wijziging van de definitie van vruchtenlikeurwijnen dat produkten die niet gelijksoortig zijn aan gewone likeurwijnen (maar wel aan bepaalde gedistilleerde dranken) niet langer van het veel lagere tarief voor vruchtenlikeurwijnen zouden kunnen profiteren. Als voorbeelden bracht John Walker met name twee vruchtenlikeurwijnen ter tafel (Longo en Gringo) die naar kleur, smaak, alcoholgehalte en wijze van consumptie duidelijk gelijksoortig zouden zijn aan Campari, dat wegens zijn iets hogere alcoholgehalte echter als gedistilleerde drank werd belast. De Deense regering leek ter zitting inderdaad toe te geven, dat er voor Campari een probleem bestond. Voor de in geding zijnde whisky, waarop de vragen van de verwijzingsrechter betrekking hebben, lijkt dit voorbeeld echter niet van beslissend belang, zoals ik hierna nog nader zal betogen.
Op zichzelf lijkt de definitie van vruchtenlikeurwijnen inderdaad een zwak punt in de Deense regelingen. Zo lijkt niet alleen voor vruchtenlikeurwijnen van het type Campari, maar ook voor de belangrijker kersenlikeurwijnen en wellicht voor nog andere vruchtenlikeurwijnen met een hoog percentage toegevoegde alcohol de concurrentieverhouding tot onder het belastingtarief voor gedistilleerde dranken vallende likeuren op de grondslag van dezelfde vruchten vermoedelijk even belangrijk, zo niet belangrijker dan de concurrentieverhouding tot vruchtenlikeurwijnen op de grondslag van andere vruchten. Zeker lijkt dit het geval, voorzover de betrokken dranken veelal aangelengd met water of sodawater worden gedronken, zoals blijkens de processtukken ook voor sommige vruchtenlikeurwijnen wordt aanbevolen.
Het betoog van John Walker, dat het nagenoeg ontbreken van invoer van vruchtenlikeurwijnen te verklaren valt uit de indeling van vruchtenlikeurwijnen met een zo hoog toegevoegd alcoholgehalte in andere Lid-Staten in de groep gedistilleerde dranken, acht ik ook geloofwaardiger dan het betoog van de Deense regering, dat de kwaliteit van de Deense vruchtenlikeurwijnen hoger zou zijn. Het betoog van John Walker op dit punt vindt ook steun in de door de Commissie ingediende en tijdens de procedure medegedeelde harmonisatievoorstellen, die voor classificatie als likeurwijnen een veel hoger percentage gistingsalcohol vereisen.
Slechts een vergelijkend overzicht van het fiscale regime in de verschillende Lid-Staten ten aanzien van vruchtenlikeurwijnen zou hier definitief uitsluitsel kunnen verschaffen. Daar de vragen van de verwijzingsrechter echter niet op het regime voor vruchtenlikeurwijnen als zodanig betrekking hebben, is het al dan niet in feite aanwezig zijn van een discriminerend karakter tegenover ingevoerde produkten in de vruchtenlikeurregeling intussen uiteindelijk naar mijn oordeel niet relevant voor de onderhavige zaak. Over dit potentiële aspect van de zaak behoeft Uw Hof zich derhalve in de onderhavige procedure niet uit te spreken. Indien Uw Hof mijn conclusie in de zaak 106/84 zou volgen, zal de likeurwijnregeling overigens in elk geval moeten worden herzien.
c)
Hoewel whisky wellicht onder omstandigheden in dezelfde behoeften voorziet als bepaalde vruchtenlikeurwijnen, voldoet zij naar mijn oordeel niet aan het andere hoofdcriterium van Uw rechtspraak over het begrip gelijksoortigheid. Het kan naar mijn oordeel inderdaad niet volgehouden worden, dat whisky gelijke eigenschappen bezit als likeurwijnen. Grondstoffen (vruchten tegenover graan), fabricagemethoden (gedeeltelijke gisting tegenover uitsluitend distillatie) en met name alcoholgehalte bij de verkoop door de detailhandel (de door John Walker gekozen vergelijkingsfase in het produktie- en distributieproces) lopen daartoe te sterk uiteen. Het alcoholgehalte van whisky is blijkens de overgelegde cijfers ongeveer het dubbele van het alcoholgehalte van de door John Walker tijdens de procedure vermelde likeurwijnen.
d)
Daar het belastingtarief voor gedistilleerde dranken blijkens mijn eerder gegeven overzicht van de feiten aanzienlijk hoger ligt dan het belastingstarief voor vruchtenlikeurwijnen, lijkt op het eerste gezicht wel een beschermend karakter van het belastingtarief voor gedistilleerde dranken gegeven, als bedoeld in artikel 95, alinea 2. In zijn schriftelijke opmerkingen (met name blz. 14 en 15 en blz. 49 en 50) heeft John Walker dit beschermende effect berekend op 160% belasting van de detailhandelsprijs exclusief belasting voor whisky tegenover 50% belasting van de detailhandelsprijs exclusief belasting voor likeurwijnen. Bij deze berekeningen moet echter worden opgemerkt, dat daarin ook het verschil in BTW op gedistilleerde dranken enerzijds en likeurwijnen anderzijds is meegeteld. De vragen van de verwijzingsrechter hebben daarop echter geen betrekking. Na uitschakeling van het BTW-effect bedraagt het verschil 100% tegenover 50%. Gedistilleerde dranken worden dus twee maal zo zwaar belast als vruchtenlikeurwijnen, hetgeen correspondeert met het verschil in alcoholgehalte.
Reeds op deze grond — en mede gelet op Uw arrest in de zaak 170/78 — acht ik een beschermend karakter van het belastingtarief voor whisky niet aangetoond. Daar komen echter nog enkele factoren bij, die evenmin op een beschermend karakter wijzen.
In de eerste plaats treft dit tarief de nationale produktie van gedistilleerde dranken even zwaar als de invoer daarvan. De nationale produktie is echter veel belangrijker dan de invoer blijkens de eerder weergegeven statistieken. Zij is blijkens dezelfde statistieken in de tweede plaats ook veel belangrijker dan de nationale produktie van vruchtenlikeurwijnen, zodat per saldo niet van een bescherming van de binnenlandse produktie, maar hoogstens van bescherming van de nationale produktie van vruchtenlikeurwijnen zou kunnen worden gesproken. In gevallen, waarin een binnenlandse belasting primair en rechtstreeks naast de invoer en volgens dezelfde criteria ook een omvangrijke nationale produktie treft, acht ik voor de toepassing van de tweede alinea van artikel 95 ook deze vaststelling van belang. In de derde plaats wijzen de statistieken niet op een omvangrijk beschermend effect ten gunste van de binnenlandse produktie van vruchtenlikeurwijnen. De invoer van gedistilleerde dranken is blijkens deze statistieken immers sinds Uw arrest van 1981 aanmerkelijk gestegen. Blijkens bijlage IV van het antwoord van de Deense regering op vragen van Uw Hof geldt dit ook voor whisky. De invoer van gedistilleerde dranken ligt voorts blijkens deze statistieken in dezelfde orde van grootte als het verbruik van vruchtenlikeurwijnen en slechts de cijfers voor 1983 en 1984 wijzen voor gedistilleerde dranken in het algemeen (maar niet voor whisky) op een mogelijk verband tussen de daling van de invoer van gedistilleerd en de stijging van de afzet van vruchtenlikeurwijnen. Voor de onderhavige zaak, die uitsluitend whisky betreft, lijkt een nader onderzoek naar dit verband echter niet van belang.
e)
Met betrekking tot de whisky van John Walker in het bijzonder valt in genoemde bijlage IV op, dat de invoer al sinds 1975 en ook na Uw arrest van 1980 voortdurend is gedaald. Het lijkt mij aannemelijk, dat John Walker gelijk heeft met zijn betoog ter zitting, dat dit met name het gevolg is van het blijkens de eerdere delen van mijn conclusies zeer hoge „ad-valorem”-element in de Deense belastingregeling. In zoverre is dan echter hoogstens sprake van een discriminatie tussen verschillende ingevoerde whiskysoorten onderling, hetgeen mij voor de toepassing van artikel 95, tweede alinea en voor de beantwoording van de vragen van de verwijzingsrechter niet relevant lijkt. Noch hierover, noch over de door John Walker gestelde discriminatie van whisky in het algemeen tegenover de goedkopere aquavit — als gevolg van het hoge ad-valo-rem-element in de belasting op gedistilleerde dranken — heeft de verwijzingsrechter vragen gesteld.
f)
Zelfs indien al gesproken zou kunnen worden van een beschermend effect van de hogere belasting op gedistilleerde dranken, kan dit hogere tarief naar mijn oordeel gerechtvaardigd worden door wettige sociale doelen, als bedoeld in rechtsoverweging 16 van Uw arrest in de zaak 148/77 (Hansen). Met name valt hier te denken aan het door de Deense regering aangevoerde argument van afremming van gebruik van dranken met het hoogste alcoholgehalte. Als eerder vermeld is dit afremmingseffect globaal gezien (ook volgens de cijfers van John Walker) bovendien met betrekking tot whisky zuiver proportioneel aan het hogere alcoholgehalte en dus ook in zoverre niet excessief te noemen. De vraag, in hoeverre ook een meer dan proportioneel hogere belasting op gedistilleerde dranken (uitgedrukt in percentages van de detailhandelsprijs exclusief belasting) door dergelijke sociale doelen zou kunnen worden gerechtvaardigd, kan in casu dus buiten beschouwing blijven.
g)
Met betrekking tot de derde vraag van de verwijzingsrechter moet naar mijn oordeel op de reeds bij mijn analyse van de betrokken arresten aangegeven gronden het beroep van de Deense regering op Uw arresten van 1981 in de zaken Chemial Farmaceutici en Vinal worden afgewezen. Op grond van deze arresten en op grond van de beginselen van de gemeenschappelijke landbouwpolitiek kan een indirecte bescherming van inheemse landbouwprodukten ten nadele van landbouwprodukten geproduceerd in andere Lid-Staten, door een belastingdifferentiatie ten opzichte van de daaruit geproduceerde alcoholische dranken niet gerechtvaardigd worden. Op de eerder vermelde gronden acht ik dit aspect intussen wel voor de belastingdifferentiatie tussen vruchtenlikeurwijnen en druivenlikeurwijnen van belang, maar niet voor de belastingdifferentiatie tussen whisky en vruchtenlikeurwijnen.
h)
Concluderend stel ik U voor, op de vragen van de verwijzingsrechter als volgt te antwoorden:
1)
Artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat Schotse whisky en vruchtenwijn van het type likeurwijn als omschreven in de wet en de bijlage niet als gelijksoortig in de zin van dit voorschrift kunnen worden beschouwd.
2)
Artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat onder de in vraag 1 vermelde omstandigheden een vergelijking tussen een specifieke verbruiksbelasting op Schotse whisky en die op vruchtenwijn van het type likeurwijn relevant kan zijn, maar dat het in geen geval in strijd is met genoemde bepaling, wanneer deze specifieke verbruiksbelastingen, in verhouding tot de dėtailhandelsprijs van de betrokken dranken, exclusief belastingen, een ongeveer gelijke verhouding vertonen als het alcoholgehalte van deze dranken.
3)
De wens, de fruittelers, die onder moeilijke afzetmogelijkheden werken, betere afzetmogelijkheden voor hun produkten te bieden, kan als zodanig geen rechtvaardiging opleveren voor discriminerende of beschermende maatregelen tegenover hoofdzakelijk of uitsluitend in andere Lid-Staten geproduceerde concurrerende landbouwprodukten of daaruit vervaardigde dranken. Voor de beantwoording van de vragen 1 en 2 kan deze vaststelling echter niet tot andere conclusies leiden.
Full & Egal Universal Law Academy