CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
van 31 januari 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Bij verzoekschrift van 19 april 1984 heeft G. De Santis, ambtenaar van de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen, het Hof verzocht om nietigverklaring van
a)
het besluit waarbij de jury heeft geweigerd hem toe te laten tot de schriftelijke en mondelinge examens van interinstitutioneel vergelijkend onderzoek CC/A/5/83 voor werving door de Rekenkamer van hoofdadministrateurs van de rangen 5 en 4 van categorie A,
b)
het besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag van 23 januari 1984, tot afwijzing van de door verzoeker tegen deze weigering van de jury ingediende klacht en
c)
de benoemingen die op grond van het vergelijkend onderzoek hebben plaatsgevonden.
Verzoeker werd door de Rekenkamer drie maal aangesteld als tijdelijk functionaris: vanaf juni 1978 in de rang A 4, salaristrap 2, vanaf juni 1980 in de rang A 4, salaristrap 3, en vanaf januari 1981 in de rang A 6, salaristrap 3. Op 8 februari 1982 deelde de president van de Rekenkamer hem mee, dat zijn aanstelling als tijdelijk functionaris niet zou worden verlengd. Verzoeker ondernam toen verschillende pogingen om te worden aangesteld als ambtenaar. Tussen 1979 en 1983 solliciteerde hij voor twee vergelijkende onderzoeken voor de rang A 3, zeven voor de rangen A 5/A 4 en vijf voor de rangen A 7/A 6; een daarvan was een algemeen vergelijkend onderzoek, de overige waren interne of interinstitutionele vergelijkende onderzoeken. Hij werd tot al deze vergelijkende onderzoeken toegelaten en blijkens verklaringen ter terechtzitting werd hij geacht de kwalificaties te bezitten die waren vereist om aan de examens te mogen deelnemen.
Hij slaagde evenwel slechts voor één vergelijkend onderzoek (CC/A/4/83 voor de rangen A 7/A 6), waarin hij op de derde plaats van de lijst van geschikte kandidaten werd geplaatst, doch uiteindelijk niet werd aangesteld. In een ander intern vergelijkend onderzoek (CC/A/17/82 voor de rangen A 5/A 4) liet de jury hem niet tot het onderzoek toe. Tenslotte slaagde hij voor intern vergelijkend onderzoek CC/B/6/82 en werd hij aangesteld in de rang B 3, salaristrap 3, eerst per 1 januari 1983 als ambtenaar op proef en vervolgens per 1 oktober 1983 in vaste dienst.
Op 6 mei 1983 kondigde de Rekenkamer interinstitutioneel vergelijkend onderzoek CC/A/5/83 aan, waarop de onderhavige zaak betrekking heeft. In een eerste stadium moest de jury beslissen, welke sollicitanten tot het vergelijkend onderzoek werden toegelaten. De toelatingsvoorwaarden waren drieërlei: Van de sollicitanten werden vereist: ten eerste een erkend universitair diploma betreffende een opleiding in een van de vermelde studierichtingen of een gelijkwaardige beroepservaring, dat wil zeggen een relevante ervaring opgedaan in een volledige betrekking over een periode ten minste gelijk aan de duur van een opleiding als hiervoor bedoeld; ten tweede een praktijkervaring van ten minste zes jaar in een relevante verantwoordelijke functie; en ten derde kennis op het aangeduide niveau van twee officiële talen van de Gemeenschappen.
Voor de toegelaten sollicitanten omvatte het vergelijkend onderzoek een beoordeling van hun kwalificaties en een examen. In een tweede stadium moest de jury de criteria voor de beoordeling van de kwalificaties vaststellen en vervolgens een beoordelingscijfer van maximum 45 punten toekennen voor, ten eerste, het diploma of de gelijkwaardige beroepservaring, ten tweede de latere praktijkervaring, waaruit moest blijken, dat de sollicitant geschikt was om de werkzaamheden van een controleteam te leiden, te stimuleren en te coördineren, en een grondige kennis bezat van de beginselen, procédés en technieken van de accountantscontrole.
Enkel sollicitanten die ten minste 45 van de 90 punten behaalden, konden tot de schriftelijke en mondelinge examens worden toegelaten.
Bij brief van 19 augustus 1983 deelde de voorzitter van de jury De Santis mee, dat het hem door de jury op grond van punt IV, A, 2, van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek toegekende beoordelingscijfer onvoldoende was om hem tot de examens toe te laten. De brief bevatte geen nadere bijzonderheden, doch impliciet bleek eruit, dat De Santis' sollicitatie in het eerste stadium gunstig was beoordeeld en dat hij tot het vergelijkend onderzoek was toegelaten.
Bij brief van 17 november 1983 diende De Santis krachtens artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut bij de president van de Rekenkamer een klacht in tegen het besluit waarbij was geweigerd hem tot de examens toe te laten. Hij stelde, dat zijn twintigjarige ervaring als accountant onbetwistbaar vaststond en dat hij onmogelijk minder dan 45 punten kon hebben behaald. Hij vroeg om mededeling van de criteria die bij de beoordeling van zijn kwalificaties waren gehanteerd, en verzocht voorts de president zijn klacht ter kennis van de jury te brengen en van het betrokken afwijzingsbesluit terug te komen. Op 23 januari 1984 wees de president dit verzoek af, stellende dat de jury onafhankelijk en onpartijdig was en dat het tot aanstelling bevoegde gezag zich niet met haar werkzaamheden kon bemoeien. Bovendien waren de werkzaamheden van de jury geheim. Het stond derhalve aan verzoeker om het geschil volgens de door het Statuut voorziene procedures voor de jury en het Hof te brengen.
Verzoeker voert tot staving van zijn beroep vijf middelen aan. In de eerste plaats zou de jury haar besluit om hem af te wijzen onvoldoende hebben gemotiveerd, en daartoe beroept hij zich op artikel 25 Ambtenarenstatuut en op het arrest van het Hof van 9 juni 1983 (zaak 225/82, Verzyck, Jurispr. 1983, biz. 1991, r.o. 13 en volgende). In de tweede plaats zou de instelling, die hem eerder tot veertien andere vergelijkende onderzoeken voor de categorie A heeft toegelaten, haar beoordeling thans niet kunnen wijzigen, tenzij zij dit verschil in beoordeling motiveert, en daarbij steunt hij op het arrest van het Hof van 5 april 1979 (zaak 112/78, Kóbor, Jurispr. 1979, blz. 1573, r.o. 12). In de derde plaats zou de jury zich bij de vervulling van haar taak schuldig hebben gemaakt aan misbruik van bevoegdheid. In de vierde plaats zou het besluit van de jury zijn gewettigd vertrouwen in een onpartijdige behandeling bij de deelneming aan een vergelijkend onderzoek schenden. Tenslotte zou het beginsel dat alle sollicitanten gelijk moeten worden behandeld, zijn geschonden, doordat verscheidene sollicitanten met lagere kwalificaties en minder ervaring dan verzoeker op de lijst van geschikte kandidaten zijn geplaatst.
Ofschoon de Rekenkamer aanvankelijk heeft gesteld dat het beroep tardief was, wil noch kan zij de ontvankelijkheid ervan betwisten. Zij vraagt het Hof, het besluit van de jury, het besluit tot afwijzing van verzoekers klacht de na het vergelijkend onderzoek verrichte benoemingen te bevestigen en verzoeker in de kosten van het geding te verwijzen. In de eerste plaats voert zij aan, dat het tot aanstelling bevoegde gezag niet bevoegd was om zich erover uit te spreken, of het besluit van de jury tot afwijzing van verzoeker juist was of niet. Zij wijst er evenwel op, dat De Santis' kwalificaties in bepaalde opzichten niet aan de gestelde vereisten voldoen. Zij betoogt, dat zijn diploma van accountant („ragioniere”) niet van universitair niveau is en dat hij ondanks twee jaar studie aan de universiteit te Rome geen universitair diploma heeft behaald, dat moet worden betwijfeld of de door verzoeker in de privé-sector opgedane ervaring gelijkwaardig is met werk in een functie van de categorie A bij de Gemeenschappen, en dat zijn voortdurende verlaging in rang en het feit dat zijn werk in de rang B 3 slechts als „bevredigend” werd beoordeeld, erop wijzen dat zijn werk hem niet geschikt maakt voor een functie van de categorie A. Verweerster concludeert dat de jury derhalve gegronde redenen had om te betwijfelen of verzoeker aan de voorwaarden voor toelating tot het vergelijkend onderzoek voldeed, en dat voor het tot aanstelling bevoegde gezag geen aanleiding bestond om de juistheid van het besluit van de jury tot afwijzing van verzoeker in twijfel te trekken.
Verweerster beantwoordt verzoekers vijf middelen als volgt: In de eerste plaats zou het besluit van de jury voldoende zijn gemotiveerd. In ieder geval zou niets in de weg staan aan de procedure van rechterlijke toetsing, aangezien het Hof inzage heeft van het dossier van de jury, dat als bijlage bij de memorie van dupliek is overgelegd. Voorts zou verzoeker hebben hebben verzuimd de jury om individuele toelichtingen te vragen, ofschoon hij volgens het arrest-Verzyck (r.o. 16) daartoe het recht had. In de tweede plaats zou het in het arrest-Kobor gestelde beginsel slechts gelden wanneer objectief kan worden vastgesteld dat een sollicitant zodanige kwalificaties bezit dat hij zonder enige twijfel voor toelating tot een vergelijkend onderzoek in aanmerking komt, doch niet wanneer, zoals in casu de betrokken sollicitant het vereiste universitaire diploma niet bezit en de jury op discretionaire wijze moet beslissen of zijn ervaring dat diploma kan vervangen. Een dergelijke beslissing zou subjectief zijn en bij elk vergelijkend onderzoek kunnen verschillen, zodat een jury het volste recht heeft om zich niet gebonden te achten door de beoordeling van eerdere jury's in andere, met een verschillend doel georganiseerde vergelijkende
onderzoeken. Volgens de Rekenkamer zijn het derde, vierde en vijfde middel ongegrond, zodat daarop niet in bijzonderheden behoeft te worden geantwoord.
De Santis heeft gesuggereerd of geïnsinueerd, dat achter hetgeen is gebeurd het opzet schuilging om hem de kans op een A-post te ontnemen, misschien zelfs om hem zonder meer aan de kant te zetten, en dat de uitslag van het vergelijkend onderzoek een doorgestoken kaart was. Mijns inziens is evenwel niets daarvan bewezen. Ik kan niet aannemen, dat bij de betrokkenen oneerlijke drijfveren in het spel zouden zijn geweest.
Verzoeker heeft evenmin aangetoond, dat de jury een fout heeft begaan door te stellen, dat zijn opleiding niet gelijkwaardig was met de vereiste academische opleiding. Van zijn diploma van „ragioniere e perito commerciale” van de technische school te Lucera (Italie) is niet bewezen dat het gelijkwaardig is met een universitair diploma, en aan de universiteit te Rome, waar hij nadien heeft gestudeerd, heeft hij zijn studies niet afgemaakt noch een diploma behaald.
Uit het verslag van de vergadering van de jury van 17 augustus 1983 blijkt, dat 24 van de 57 sollicitanten tot het vergelijkend onderzoek werden toegelaten, waaronder verzoeker, met dien verstande dat deze laatste niet met eenparigheid van stemmen werd toegelaten. Er blijkt ook uit, dat hij niet het vereiste minimum aantal punten behaalde. Blijkens de overgelegde puntenlijst werden hem 25 punten toegekend voor zijn „diploma's” waaronder zijn gelijkwaardige beroepservaring moet worden verstaan en 19 punten voor zijn latere praktijkervaring, zodat het totale beoordelingscijfer 44 bedroeg. Hij was de enige toegelaten sollicitant die niet aan de examens mocht deelnemen.
Verzoeker stelt in hoofdzaak, dat een logisch redenerende jury op grond van een correcte beoordeling van zijn ervaring redelijkerwijs nooit tot de conclusie kon komen, dat hij geen zes jaar relevante ervaring bezat naast die welke ter vervanging van een diploma was vereist, aangezien het voor de hand ligt dat dezelfde jaren ervaring niet tegelijkertijd onder beide rubrieken kunnen worden meegeteld. Verzoeker heeft vier jaar gewerkt als financieel analyst bij een Australisch bedrijf, daarna korte tijd bij een Amerikaans bedrijf in Italië, waar hij onder meer was belast met algemene accountancy, en vervolgens 14 jaar (van 1964 tot 1978) bij Avis, eerst in Italië en later in Engeland, waar hij van accounting manager, de functie die hij in Italië bekleedde, werd bevorderd tot assistant vice-president en assistant division controller, in welke functies hij aanvankelijk verantwoordelijk was voor de rekeningen in het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Scandinavië en vervolgens, tot zijn vertrek in 1978, voor accountancyprocedures in Europa, Afrika en het Midden-Oosten. Tenslotte heeft hij vier jaar gewerkt in A-functies bij de Rekenkamer.
Ofschoon dit wijst op een lange ervaring in kennelijk verantwoordelijke functies staat het uiteindelijk aan de jury om uit te maken, of zij zes jaar relevante ervaring omvat naast die welke nodig is ter vervanging van het vereiste diploma. Daartoe dienen de leden van de jury de feiten met kennis van zaken te beoordelen en volstaat het niet, eenvoudig het aantal jaren te tellen. De juryleden dienen zich er in gemoede over te beraden, of uit de aangevoerde ervaring blijkt, dat de betrokkene geschikt is om de werkzaamheden van een controleteam te leiden, te stimuleren en te coördineren, en de vereiste kennis van de beginselen en techniek van de accountantscontrole bezit. Mijns inziens heeft De Santis niet aangetoond, dat de jury redelijkerwijs niet tot de conclusie kon komen, dat hij niet het bewijs had geleverd van een ervaring die naar duur en aard aan de gestelde vereisten voldeed.
Evenmin meen ik, dat het feit dat hij tot eerdere vergelijkende onderzoeken was toegelaten en volgens de betrokken jury's de nodige kwalificaties bezat om aan de examens te mogen deelnemen, noodzakelijkerwijs betekent, dat hij automatisch moest worden toegelaten tot het derde onderdeel (de examens) van een later vergelijkend onderzoek, aangezien elke jury zich op onafhankelijke wijze een oordeel dient te vormen op grond van de door haar vastgestelde passende criteria.
Bijgevolg heeft verzoeker mijns inziens niet aangetoond, dat zijn gewettigd vertrouwen in of recht op gelijke behandeling is geschonden of dat de jury zich bij de vervulling van haar taak schuldig heeft gemaakt aan misbruik van bevoegdheid.
Wat de motiveringsplicht betreft, blijkt uit eerdere uitspraken van het Hof dat de precieze inhoud daarvan wordt bepaald door de omstandigheden. Aldus werd in het arrest van 12 oktober 1978 (zaak 26/77, Ditterich, Jurispr. 1978, blz. 1855) aangenomen dat de verzoeker, aangezien zijn overplaatsingsbesluit berustte op eerdere dienstnota's die hem niet onbekend konden zijn en die de belangrijkste feiten vermeldden, voldoende duidelijk was ingelicht omtrent de redenen die aan dat besluit ten grondslag lagen, zodat hij in staat was om na te gaan of de wettigheid ervan kon worden betwist, en het Hof om het op zijn wettigheid te toetsen. Voorts staat vast, dat een summiere motivering in sommige gevallen geoorloofd is met name wanneer de sollicitanten zeer talrijk zijn, en dat bepaalde bijzonderheden wegens hun confidentiële aard niet openbaar behoeven te worden gemaakt. Dit neemt niet weg dat, wanneer een sollicitant wordt afgewezen, hij voldoende duidelijk omtrent de redenen voor dat besluit moet worden ingelicht, zodat hij kan nagaan of het gegrond is, of daarentegen een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid ervan zou kunnen worden betwist. De enkele verwijzing naar een niet vervulde voorwaarde vormt geen voldoende motivering (arrest van 30 november 1978, gevoegde zaken 4, 19 en 28/78, Salerno e.a., Jurispr. 1978, blz. 2403, r.o. 29). Van een voldoende motivering is evenmin sprake, wanneer de door de jury vastgestelde algemene criteria niet worden aangeduid of wanneer in het geheel geen redenen worden opgegeven (arrest-Verzyck, reeds aangehaald, r.o. 13 en volgende).
Gelet op het feit dat verzoeker eerder was toegelaten tot, en had mogen deelnemen aan de examens van, vergelijkende onderzoeken voor A-posten van gelijke of hogere rang (voor een waarvan — vergelijkend onderzoek CC/A/1/80 — geen zes maar vijftien jaren ervaring waren vereist), en gelet op de door hem aangevoerde, op het eerste gezicht aanzienlijke ervaring, had in casu aan verzoeker in ieder geval moeten worden meegedeeld, om welke redenen hem voor het tweede vereiste onvoldoende punten waren toegekend. Het gaat niet aan te beweren, dat het toezenden van een dergelijke mededeling zonder dat daarom was verzocht, de administratie te zwaar zou hebben belast, aangezien verzoeker de enige tot het vergelijkend onderzoek toegelaten sollicitant was aan wie moest worden meegedeeld, dat zijn kwalificaties onvoldoende werden geacht.
Ik kom tot deze conclusie op grond van een algemeen beginsel en van een overweging van het Hof in het arrest-Kobor (reeds aangehaald), volgens welke „een sollicitant niet ongunstiger mag worden beoordeeld dan bij een voorgaand vergelijkend onderzoek, tenzij de motivering van het besluit dit verschil in beoordeling duidelijk rechtvaardigt” (r.o. 12). Ik zie niet in, waarom dit enkel zou gelden in gevallen waarin een beslissing moet worden getroffen ten aanzien van „objectieve” vereisten, zoals het bezit van een diploma. Mijns inziens dient aan dit beginsel tenminste evenveel belang te worden toegekend in gevallen waarin op grond van feitelijke gegevens een waardeoordeel moet worden geformuleerd.
Aangenomen zelfs dat de redenen eerst aan een sollicitant behoeven te worden meegedeeld nadat hij daarom heeft verzocht (hetgeen mijns inziens onder meer onaanvaardbaar is in gevallen waarin de sollicitanten niet zo talrijk zijn dat een dergelijke handelwijze van de administratie verantwoord is), dan nog meen ik, dat in casu verzoekers brief van 17 november 1983 aan het tot aanstelling bevoegde gezag een voldoende duidelijk verzoek om toelichtingen behelsde. Zonder te willen afdoen aan het onderscheid tussen het tot aanstelling bevoegde gezag en de jury of aan de onafhankelijkheid van deze laatste, meen ik dat een via het tot aanstelling bevoegde gezag tot de jury gericht verzoek in casu voldoende was. Dit verzoek had moeten worden doorgegeven. Mijns inziens zou het besluit waarbij dit is geweigerd of waarbij is geweigerd om de motieven van de jury aan verzoeker mee te delen als zodanig nietig moeten worden verklaard. Dit is evenwel overbodig indien het jurybesluit zelf nietig wordt verklaard, gelijk volgens mij het geval behoort te zijn.
In casu is niet aangevoerd, dat de jury niet wist dat verzoeker tot de examens van andere vergelijkende onderzoeken was toegelaten. Wist de jury dit niet, dan was zulks een reden te meer om in antwoord op verzoekers brief van 17 november 1983 passende toelichtingen te verstrekken.
Rest het verzoek tot nietigverklaring van de benoemingen waartoe op grond van het betrokken vergelijkend onderzoek mocht zijn besloten. Het Hof heeft gelijkaardige verzoeken afgewezen in ten minste drie zaken, namelijk in de zaak Costacurta (arrest van 4 december 1975, zaak 31/75, Jurispr. 1975, blz. 1563) en in de zaken Salerno en Kobor (beide reeds aangehaald). Evenals in deze zaken, kan enkel het besluit om verzoeker niet tot de examens toe te laten, voor nietigverklaring in aanmerking komen. Aangezien het een vergelijkend onderzoek voor de vorming van een wervingsreserve van ambtenaren betrof, had de afwijzing van verzoeker geen invloed op de toelating tot de examens van degenen die volgens de jury aan de gestelde vereisten voldeden. Bijgevolg zijn, zoals het Hof in het arrest-Salerno heeft verklaard, de rechten van verzoeker „naar behoren... beschermd indien de jury zich opnieuw beraadt over haar besluit, zonder dat het gehele resultaat van het vergelijkend onderzoek behoeft te worden aangetast of de hierop gevolgde benoemingen behoeven te worden nietigverklaard.”
Derhalve concludeer ik tot nietigverklaring van het besluit waarbij de jury heeft geweigerd om verzoeker tot de examens van vergelijkend onderzoek CC/A/5/83 toe te laten, en tot verwijzing van de Rekenkamer in de kosten van het geding.
( *1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy