CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
van 14 mei 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Bij beschikkingen van 12 maart 1984 heeft het tribunal de commerce te Melun in twee aldaar aanhangige kort gedingen verzocht om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 177 EEG-Verdrag.
In deze procedures vorderen een vennootschap, een garagehouder en een werkgeversorganisatie een verbod tegen twee supermarkten om motorbrandstoffen te verkopen beneden de Franse wettelijke minimumprijzen, met name als vastgesteld bij ministerieel besluit nr. 83-58/A van 9 november 1983. De supermarkten verweren zich tegen de vorderingen van eisers onder meer met het argument, dat het ministerieel besluit onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Teneinde hieromtrent uitspraak te kunnen doen, heeft het tribunal het Hof de navolgende prejudiciële vragen voorgelegd:
In zaak 114/84:
„Moeten de artikelen 3, f, en 5 EEG-Verdrag worden uitgelegd als behelzende een verbod om in een Lid-Staat bij wege van wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling vaste minimumprijzen in te voeren voor de detailverkoop — aan de pomp — van benzine en superbenzine?”
In zaak 115/84:
„1)
Is het vaststellen van minimumprijzen verenigbaar met het in artikel 3 EEG-Verdrag neergelegde grondbeginsel van de vrije mededinging?
2)
Kan een wettelijke regeling waarbij voor motorbrandstoffen een minimumprijs verplicht wordt gesteld, geacht worden te beantwoorden aan een doelstelling van openbare orde in de zin van artikel 36 EEG-Verdrag?”
De onderhavige zaken komen nagenoeg overeen met zaak 231/83, Cullet, waarin het Hof op 29 januari 1985 uitspraak heeft gedaan. Het enige verschil is, dat de in casu omstreden prijskortingen in februari en maart 1984 zijn verleend, en daarom vallen onder ministerieel besluit nr. 83-58/A van 9 november 1983 en niet onder besluit nr. 82-13/A, dat met ingang van 15 november 1983 werd ingetrokken en vervangen door eerstgenoemd besluit. Het is derhalve de vraag, of dit voor de aan de orde zijnde gemeenschapsrechtelijke problematiek verschil uitmaakt.
Ingevolge de destijds in de zaak Cullet alsook in de onderhavige zaken toepasselijke Franse wetgeving werd de minimumdetailhandelsprijs vastgesteld door eenvoudig per liter een bepaald bedrag aan franken af te trekken van de maximumverkoopprijs per liter, die werd bepaald aan de hand van ingewikkelde berekeningen zoals beschreven in de conclusie en het arrest in de zaak Cullet. Volgens besluit nr. 82-13/A, dat in de zaak Cullet in geding was, beliep het af te trekken bedrag negen centime per liter voor benzine en tien centime per liter voor superbenzine. Bij het in casu omstreden ministerieel besluit nr. 83-58/A waren deze bedragen gesteld op respectievelijk zestien en zeventien centime. Afgezien hiervan is het systeem voor de vaststelling van de minimumdetailhandelsprijs voor motorbrandstoffen in Frankrijk overigens ongewijzigd gebleven. Bijgevolg gaat het in deze zaken om in wezen dezelfde gemeenschapsrechtelijke aspecten als in de zaak Cullet.
Ofschoon de in casu door de nationale rechter gestelde vragen niet alle bepalingen van het EEG-Verdrag omvatten waarop in de zaak Cullet werd ingegaan, zijn deze vragen duidelijk bedoeld om te vernemen, of de omstreden nationale regeling in overeenstemming is met de beginselen en de doelstellingen van het EEG-Verdrag en met de specifieke verdragsbepalingen waarin zij zijn uitgewerkt.
De opmerkingen van gedaagde in zaak 114/84, de Commissie en de Franse regering (de laatste enkel ter terechtzitting) voegen niets wezenlijks toe aan hetgeen in de zaak-Cullet voor het Hof is gesteld. Alle vragen met betrekking tot de artikelen 3, 5 en 30 zijn in dat arrest reeds beslist. Evenmin als in die zaak (cf. r.o. 32-33), is in casu aangetoond dat de importbeperkingen gerechtvaardigd zouden zijn op grond van artikel 36, waardoor het in artikel 30 neergelegde verbod van maatregelen van gelijke werking toepassing zou missen.
Om de redenen vermeld in het arrest van 29 januari 1985 in de zaak Cullet, dienen de vragen van het tribunal mijns inziens te worden beantwoord als volgt:
„1)
De artikelen 3, sub f, en 5 EEG-Verdrag verzetten zich niet tegen een nationale regeling volgens welke de nationale autoriteiten minimumprijzen voor de detailverkoop van motorbrandstoffen vaststellen.
2)
Artikel 30 EEG-Verdrag verzet zich tegen een dergelijke regeling, wanneer bij de vaststelling van de minimumprijs uitsluitend wordt uitgegaan van de overnameprijzen van de binnenlandse raffinaderijen en deze overnameprijzen gekoppeld zijn aan een plafondprijs die uitsluitend op de kostprijzen van de binnenlandse raffinaderijen is gebaseerd ingeval de Europese motorbrandstoffennoteringen meer dan 8% van die kostprijzen afwijken.
3)
Niet is komen vast te staan dat de toepasselijkheid van het verbod van artikel 30 EEG-Verdrag op een dergelijke regeling door de bepalingen van artikel 36 EEG-Verdrag wordt uitgesloten.”
De nationale rechter zal moeten beslissen over de kosten van partijen in het hoofdgeding. Over de kosten van de Commissie en van de Franse Republiek behoeft niet te worden beslist.
( *1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy