CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
van 2 mei 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Artikel 73, lid 1, Ambtenarenstatuut bepaalt:
„Volgens een door de instellingen der Gemeenschappen in onderlinge overeenstemming en na advies van het Comité voor het statuut vastgestelde regeling is de ambtenaar met ingang van de dag zijner indiensttreding verzekerd tegen uit beroepsziekten en ongevallen voortvloeiende risico's.”
De Regeling voor de verzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten (hierna: de verzekeringsregeling) legt ter uitvoering van artikel 73 de voorwaarden vast waaronder de ambtenaar overal ter wereld tegen ongevallen en beroepsziekten is verzekerd. Artikel 3 van de verzekeringsregeling luidt als volgt:
„1)
Worden beschouwd als beroepsziekten de ziekten vermeld in de ‚Europese lijst van beroepsziekten’ gevoegd bij de aanbeveling van de Commissie van 23 juli 1962 en de eventuele aanvullingen, voor zover de ambtenaar in zijn beroepswerkzaamheden bij de Europese Gemeenschappen aan het risico deze ziekten op te doen heeft blootgestaan.
2)
Wordt eveneens als beroepsziekte beschouwd elke ziekte of verergering van een reeds bestaande ziekte, niet vermeld in de in lid 1 bedoelde lijst, wanneer met voldoende zekerheid komt vast te staan dat zij is ontstaan in of bij de uitoefening van werkzaamheden in dienst van de Gemeenschappen.”
Het besluit waarbij een ziekte als beroepsziekte wordt aangemerkt, wordt genomen door het tot aanstelling bevoegd gezag op de grondslag van de conclusies van de door de instelling aangewezen arts, doch eerst nadat de conclusies van de arts en het ontwerpbesluit ter kennis van de ambtenaar zijn gebracht. Indien de ambtenaar zulks verlangt, wordt een medische commissie van drie artsen, waarvan hij er één aanwijst, samengesteld (artikelen 19, 21 en 23 van de verzekeringsregeling).
Op 28 januari 1977 hebben de gemeenschapsinstellingen en de NV Royale beige — te zamen met andere verzekeringsmaatschappijen die zij in het onderhavige geding vertegenwoordigt — een overeenkomst gesloten, inhoudende dat de verzekeringsmaatschappijen de geldelijke gevolgen voor hun rekening zullen nemen van de verplichtingen die de Commissie op zich heeft genomen ter zake van ongevallen en beroepsziekten van ambtenaren die onder artikel 73 van het Ambtenarenstatuut en de ter uitvoering van deze bepaling vastgestelde regels vallen. Naar luid van artikel 3, lid 3, van de overeenkomst moet een ontwerpbesluit dat de grondslag kan vormen voor de uitkering van een vergoeding, met inachtneming van bepaalde regels aan de verzekeraar worden voorgelegd voordat het ter kennis van de betrokken ambtenaar wordt gebracht. Artikel 5 van de overeenkomst bepaalt dat geschillen tussen partijen aan het Hof van Justitie kunnen worden voorgelegd (zulks krachtens artikel 181 EEG-Verdrag). De verzekeraars zien evenwel af van deze mogelijkheid, voor zover het vraagstukken van medische aard betreft en het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag betreffende de geldelijke rechten van de verzoeker overeenstemt met de bevindingen van de door de verzekeraars erkende arts of van de krachtens artikel 23 van de verzekeringsregeling aangewezen medische commissie. Noch in de verzekeringsregeling, noch in de overeenkomst is uitdrukkelijk voorzien dat de verzekeraars kunnen verlangen dat het medisch onderzoek door hun eigen arts wordt verricht of dat de zaak aan een medische commissie wordt voorgelegd vooraleer het tot aanstelling bevoegd gezag zijn besluit heeft genomen.
Aanleiding tot het onderhavige geschil was de ziekte van een ambtenaar van de Commissie die ik verder X. zal noemen. Deze trad in 1962 in dienst van Euratom en in 1964 van de EEG, telkens als hulpfunctionaris. In 1968 kreeg hij een aanzienlijke verlaging in rang te verwerken, namelijk van hulpfunctionaris A I naar tijdelijk functionaris B 1. Van januari tot december 1972 was hij wederom hulpfunctionaris A I. In januari 1973 kreeg hij een tijdelijke aanstelling in de rang A 6, salaristrap 3. In de loop van 1973 werd hij aangesteld als ambtenaar op proef in die rang en salaristrap en tenslotte per 1 april 1974 als ambtenaar in vaste dienst in diezelfde rang en salaristrap. Vanaf juli 1981 schijnt zijn instelling hem geen werk meer te hebben gegeven en geen periodieke beoordelingsrapporten meer te hebben opgemaakt.
Bij brief van 19 mei 1982 verzocht X. om toepassing van artikel 73 Ambtenarenstatuut en van de verzekeringsregeling op grond van een beroepsziekte. De Commissie liet hem eerst onderzoeken door een door haar aangewezen arts, die tot de conclusie kwam dat zijn toestand onder meer werd gekenmerkt door depressiviteit en labiliteit. De onzekerheid van zijn beroepssituatie had kennelijk een weerslag gehad op zijn leven. Hij stelde voor, X. door een psychiater te laten onderzoeken. Bij brief van 15 juli 1982 verzocht de Commissie professor S. Duret-Cosyns, specialist voor psychosomatische aandoeningen, verzoeker aan een onderzoek te willen onderwerpen. De diagnose van deze arts luidde als volgt: de decompensatie van de heer X. uitte zich sedert 1968 in de vorm van een depressie. Deze was door alle artsen die hem hadden onderzocht, met stelligheid toegeschreven aan de onzekerheid van zijn beroepssituatie, die objectief gesproken inderdaad tot enorme stress en moedeloosheid moest leiden. Zijn aanstelling in vaste dienst in 1974 had, ondanks de teleurstelling dat hij niet was toegelaten tot een post van het door hem gewenste niveau, een einde aan zijn stoornissen kunnen maken, indien althans die aanstelling binnen een „normale termijn” had plaatsgevonden. Ongelukkig genoeg had de reactiefdepressieve angsttoestand zich intussen kennelijk gekristalliseerd. De conclusie van de arts luidde, dat de toestand van X. zeer ernstig was: afgezien van de onderliggende depressie, die gedeeltelijk onder controle kon worden gehouden met geneesmiddelen (antidepressiva en anxyolitica), leed hij aan chronische diarree. Daarnaast deden zich dwangmatige verschijnselen voor (steeds terugkerende handelingen, obsederende gedachten, ingewikkelde rituelen voor handelingen van het dagelijks leven), die hem het werken volstrekt onmogelijk maakten. Deze verslechtering van neurotische aard was volgens de arts te wijten aan het gedwongen nietsdoen van X. sedert juli 1981. De arts concludeerde, dat X. leed aan een chronische reactieve depressie, gecompliceerd door diverse functionele stoornissen, welke toestand nog verslechterd was ten gevolge van een dwangneurose. Deze ziekte moest als een beroepsziekte worden aangemerkt. Naar het oordeel van de arts, ging het om een algehele invaliditieit, dit wil zeggen een invaliditeit van 100%.
Door de Commissie bij brief van 9 december 1982 van de heer Reynier om nadere informatie over bepaalde punten verzocht, antwoordde dokter Duret-Cosyns op 18 december 1982 het volgende:
„1)
De algehele invaliditeit van 100% vloeit naar mijn gevoelen voort uit de ongeneeslijke geestesziekte van de heer X., die het gevolg is van de langdurige, stress en moedeloosheid veroorzakende, onzekere beroepssituatie waarin hij heeft verkeerd, en van het gedwongen volstrekte nietsdoen, dat geleid heeft tot een bij een man van zijn leeftijd uitermate ernstig proces van neurotisering.
2)
Ik geloof niet, dat bij die algehele invaliditeit van 100% externe of persoonlijke factoren mede een rol hebben kunnen spelen. Zoals duidelijk uiteengezet op blz. 2 van mijn rapport, levert noch het medisch dossier van betrokkene noch het zeer grondige onderzoek dat ik bij hem heb verricht, enige aanwijzing daarvoor op.”
3)
Het betreft een algehele invaliditeit. De prognose is uiterst ongunstig, aangezien, zoals hierboven onder punt 1 gezegd, het gaat om een ongeneeslijke geestesziekte. In dit verband wil ik erop wijzen, dat de ziekte zich sedert 14 jaar ontwikkelt, en sedert 1981 aanzienlijk is verergerd. Gelet op de aard van de aandoening en op het feit dat het een ongeneeslijke ziekte betreft, valt mijns inziens ook geen verbetering te verwachten wanneer de heer X. niet langer met zijn huidige werkomgeving wordt geconfronteerd.”
Ofschoon de gemachtigde van de verzekeraars, na inzage van het rapport van dokter S. Duret-Cosyns, op 22 december 1982 aan de Commissie liet weten dat volgens de verzekeraars in het geval van X. geen sprake was van een beroepsziekte, hebben zij kennelijk niet aangestuurd op een onderzoek door een door hen aangewezen arts.
Op 1 juli 1983 liet de Commissie overeenkomstig artikel 21 van de verzekeringsregeling aan X een ontwerpbesluit toekomen, inhoudende dat te zijnen aanzien toepassing zou worden gegeven aan artikel 73 Ambtenarenstatuut en aan de verzekeringsregeling, en dat zijn aandoening als beroepsziekte werd erkend. De blijvende invaliditeit werd vastgesteld op 100%, zulks met ingang van 21 juni 1973, toen X. voor het eerst arbeidsongeschikt was geworden. Conform artikel 73, lid 2, sub b, Ambtenarenstatuut voorzag het ontwerpbesluit in de uitkering van een kapitaal van BFR 4352040. Dit bedrag werd op 23 augustus 1983 aan X. uitbetaald. Bij brief van 30 november 1983 verzocht de Commissie de verzekeringsmaatschappij Royale beige haar dit bedrag te vergoeden krachtens de verzekeringsovereenkomst van 28 januari 1977. Bij brief van 13 december 1983 heeft Royale belge dit verzoek afgewezen.
Verweersters bezwaren hebben geen betrekking op de berekening van het aan X. uitgekeerde kapitaal. Zij betoogt evenwel dat zij ingevolge artikel 1, lid 1, van de verzekeringsovereenkomst niet tot terugbetaling van dit bedrag aan de Commissie gehouden is, aangezien het Ambtenarenstatuut de Commissie niet verplichtte dit bedrag aan X. te betalen, daar diens aandoening niet als een „beroepsziekte” in de zin van het Statuut is aan te merken.
Verweerster voert met betrekking tot het begrip „beroepsziekte” twee verschillende argumenten aan. In de eerste plaats, zo zegt zij, kan er eerst sprake zijn van een „beroepsziekte” in de zin van artikel 3, lid 2, van de verzekeringsregeling, wanneer met voldoende zekerheid is komen vast te staan dat 1) de ziekte of de verergering daarvan veroorzaakt is door het beroepsleven van de ambtenaar of, anders gezegd, dat er een verband bestaat tussen zijn ziekte en zijn beroepswerkzaamheden, en 2) dat er een voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de ziekte en een specifiek en normaal risico dat inherent is aan de door de ambtenaar verrichte werkzaamheden. Verweerster refereert terzake aan 's Hofs arresten van 12 januari 1983 (zaak 257/81, K./Raad, Jurispr. 1983, blz. 1, inzonderheid r.o. 20, en conclusie van de advocaatgeneraal, blz. 17-18) en 26 januari 1984 (zaak 189/82, Seiler, Jurispr. 1984, blz. 229, inzonderheid r.o. 16 en 17), alsmede aan de conclusie van advocaatgeneraal Roemer in zaak 29/71 (Vellozzi, Jurispr. 1972, blz. 523). Verweerster vat deze rechtspraak als volgt samen, dat er eerst sprake is van een „beroepsziekte”, wanneer het ziekterisico verbonden aan de beroepsbezigheden of de werkzaamheden van de ambtenaar die de betrokken ziekte heeft opgedaan, veel groter is dan voor de bevolking in het algemeen.
In de tweede plaats betoogt verweerster, dat artikel 3, lid 2, van de verzekeringsregeling niet al te ruim mag worden uitgelegd. Artikel 3, lid 1, dat verwijst naar de „Europese lijst van beroepsziekten” gevoegd bij de aanbeveling van de Commissie van 23 juli 1962, is de basisregel, terwijl artikel 3, lid 2, alleen bedoeld zou zijn ter voorkoming van onbillijkheden te wijten aan de onvermijdelijke onvolledigheid van de lijst, doordat het degene die lijdt aan een ziekte die niet op de lijst voorkomt, de mogelijkheid biedt te bewijzen dat zijn aandoening haar oorsprong vindt in zijn beroepswerkzaamheden. Artikel 3, lid 2, zou evenwel gelezen moeten worden in samenhang met de basisregel van artikel 3, lid 1, en zou derhalve alleen in de meest uitzonderlijke gevallen toepassing kunnen vinden. In weerwil van de uitdrukkelijke bewoordingen van artikel 3, lid 2, stelt verweerster dus, dat niet kan worden volstaan met het bewijs dat de ziekte is ontstaan in of bij de uitoefening door de ambtenaaar van zijn beroepswerkzaamheden. Daarnaast zou men moeten onderzoeken 1) of het risico om bepaalde ziekten op te doen, onvermijdelijk verbonden is aan de werkzaamheden zelf dan wel verband houdt met de ongezonde omgeving waarin deze werkzaamheden moeten worden verricht, en 2) of de betrokkene de ziekte ook werkelijk heeft opgedaan. Dit tweede argument is gebaseerd op de bewoordingen van de aanbeveling van de Commissie van 23 juli 1962 en van de latere aanbeveling van de Commissie van 20 juli 1966 (nr. 66/462, PB 1966, blz. 2696).
Wat tenslotte de specifieke situatie van X. betreft, zegt verweerster, dat zijn ziekte niet als een „beroepsziekte” in de zin van artikel 3, lid 2, van de verzekeringsregeling is te beschouwen, omdat de oorzaak ervan niet in zijn beroepsleven is te vinden. Het risico van de ziekte waaraan hij lijdt, was niet inherent aan zijn beroepswerkzaamheden; zij is veeleer te wijten aan het feit, dat hij zich niet aan zijn situatie heeft weten aan te passen.
Met betrekking tot het eerste argument voert de Commissie aan, dat de zaken 257/81 en 29/71 niet ter zake dienend zijn en dat het arrest in zaak 189/82 (inzonderheid r.o. 18 en 22) impliciet de opvatting van verweerster weerlegt als zou het ziekterisico nauw verband moeten houden met de beroepswerkzaamheden zelf of met de omgeving waarin die werkzaamheden worden verricht. Onder verwijzing naar artikel 3, lid 2, („elke ziekte of verergering...”) betoogt de Commissie, dat gelijk welke ziekte als beroepsziekte kan worden aangemerkt, zodra komt vast te staan dat er een oorzakelijk verband bestaat met de verrichte werkzaamheden. Dit zou bevestiging vinden in de bijlage bij de verzekeringsregeling, waarin ongeneeslijke krankzinnigheid uitdrukkelijk wordt vermeld, terwijl er bij de Gemeenschappen geen werkzaamheden worden verricht die uit hoofde van een abnormaal pathogène omgeving gevaar voor geestesstoornissen opleveren. Voorts zou het eerste argument van verweerster tot gevolg hebben, dat ambtenaren die met administratieve zaken zijn belast, anders gezegd de overgrote meerderheid der verzekerden, nooit zouden kunnen worden geacht aan een beroepsziekte te lijden.
Op het tweede argument van verweersters antwoordt de Commissie, dat artikel 3, lid 2, volkomen duidelijk is, zodat voor de uitlegging ervan niet te rade behoeft te worden gegaan met de aanbevelingen van de Commissie van 1962 en 1966. Evenmin zou het nodig zijn, het tweede lid te lezen in samenhang met het eerste. De twee artikelleden zouden duidelijk onderscheiden regels behelzen. Ingevolge lid 1 zou de ambtenaar vrijwel automatisch recht hebben op de vergoeding wanneer komt vast te staan dat hij aan een op de Europese lijst vermelde ziekte lijdt. Verweerster poogt aan lid 2 de bijkomende voorwaarde vast te knopen, dat het risico inherent aan de beroepswerkzaamheden dient te zijn, doch de bewoordingen van lid 2 zouden een dergelijke bijkomende voorwaarde niet rechtvaardigen. Voor de toepassing van lid 2 zou volstaan a) dat wordt aangetoond dat de betrokkene aan een bepaalde ziekte lijdt, en b) dat die ziekte aan zijn beroepsbezigheden is te wijten. In het onderhavige geval is dokter Du-ret-Cosyns blijkens haar brieven tot de vaststelling gekomen, dat de ziekte van X. op zijn beroepsleven is terug te voeren, en dat het derhalve een „beroepsziekte” in de zin van artikel 3, lid 2, van de verzekeringsregeling is. Dat zou voldoende zijn.
Het lijkt mij duidelijk, dat artikel 3, lid 1, enkel toepassing kan vinden wanneer de betrokkene aan een ziekte lijdt die op de Europese lijst is vermeld, en wanneer komt vast te staan dat hij in zijn beroepswerkzaamheden heeft blootgestaan aan het risico deze ziekte op te doen. Het tweede lid van het artikel heeft een ander uitgangspunt. Het heeft betrekking op „elke” ziekte of verergering van een reeds bestaande ziekte, waarvan met voldoende zekerheid komt vast te staan „dat zij is ontstaan in of bij de uitoefening van werkzaamheden in dienst van de Gemeenschappen.” Het is mogelijk dat voor bepaalde ziekten medisch nooit kan worden aangetoond dat er een dergelijk oorzakelijk verband bestaat. In dat geval zullen zij steeds buiten de regeling vallen. Voor andere ziekten is dat bewijs in principe wellicht wel mogelijk, doch kan het in een concreet geval bij gebrek aan voldoende feitelijke gegevens misschien niet worden geleverd. In dat geval moet het verzoek om toepassing van de regeling worden afgewezen. Anders dan verweerster betoogt, is de betrokken ambtenaar echter niet a priori verplicht te bewijzen dat zijn werkzaamheden een specifiek risico inhielden. Het gaat enkel om de vraag, of de ziekte is ontstaan „in” of „bij” de uitoefening van die werkzaamheden. Kan dit bewijs worden aangetoond, dan is de regeling van toepassing. Naar mijn mening is het niet mogelijk de duidelijke bewoordingen van artikel 3, lid 2, (waarin niet wordt gesproken van een waarschijnlijkheid of mogelijkheid dat de ziekte door de ene of de andere omstandigheid is veroorzaakt) restrictief uit te leggen door verwijzing naar de door verweerster ingeroepen aanbevelingen van de Commissie.
Wat dit eerste argument betreft, geloof ik niet, dat verweerster baat kan vinden in de door haar aangehaalde arresten. De opmerkingen van advocaatgeneraal Roemer in de zaak-Vellozzi (blz. 523) dateren van vóór de vaststelling van de verzekeringsregeling die thans in geding is. Wat het arrest van 12 januari 1983 betreft, wordt in de eerste plaats in rechtsoverweging 10 uitdrukkelijk verklaard dat „de verzekeringsregeling in casu niet ter zake dienend is”; het ging namelijk om een verzoek om een invaliditeitspensioen krachtens artikel 78 Ambtenarenstatuut. In de tweede plaats betrof deze zaak hoofdzakelijk de ten aanzien van dat verzoek te volgen procedure; weliswaar brengt het Hof in rechtsoverweging 20 het begrip „beroepsziekte” ter sprake, maar de omschrijving van dit begrip was in die zaak niet in geding. Wat tenslotte het arrest van 26 januari 1984 aangaat, zijn de door verweerster ingeroepen rechtsoverwegingen 16 en 17 in casu minder terzake dienend dan rechtsoverweging 22, waarin het Hof verklaarde, dat de medische commissie moet „nagaan of een aan Seiler noodlottig geworden hartsufficiëntie als de verergering van een reeds bestaande ziekte is te beschouwen en, zo ja, of voldoende is komen vast te staan dat die verergering in of bij de uitoefening van de werkzaamheden van de overleden ambtenaar is ontstaan”.
Verweersters tweede argument kan evenmin slagen. Waar artikel 3, lid 2, spreekt van „elke ziekte..., niet vermeld in de in lid 1 bedoelde lijst”, kan men moeilijk volhouden dat dit tweede lid in samenhang met het eerste lid of met de Europese lijst moet worden gelezen. Het bepaalt integendeel uitdrukkelijk, dat „elke” ziekte wordt erkend indien zij aan de gestelde voorwaarde voldoet. De Commissie betoogt terecht, dat artikel 3, lid 2, een op zichzelf staande bepaling is en dat de door deze bepaling verleende aanspraken op een andere grondslag berusten dan de aanspraken op grond van artikel 3, lid 1.
Waar het in casu op aankomt, is de vraag, of bewezen kan worden dat „met voldoende zekerheid is komen vast te staan” dat de ziekte van X. in of bij de uitoefening van zijn werkzaamheden is ontstaan.
De Commissie heeft zich kennelijk gebaseerd op de in haar twee rapporten uitgesproken mening van dokter Duret-Cosyns, nadat X. niet om instelling van een medische commissie conform artikel 23 van de verzekeringsregeling had verzocht en ook de verzekeraars niet op een apart onderzoek hadden aangedrongen. Bedoelde rapporten zijn volstrekt duidelijk: de ziekte is een beroepsziekte en is het gevolg van de langdurige, stress en moedeloosheid veroorzakende, onzekere beroepssituatie waarin de betrokkene had verkeerd zonder dat externe of persoonlijke factoren daarbij een rol hadden gespeeld.
Mijns inziens kan men in deze zaak niet zeggen, dat de opdracht aan de specialist niet voldoende duidelijk was omschreven. Men heeft haar de juiste vraag gesteld en vervolgens om toelichting verzocht over relevante aspecten van de vraag die zij had moeten beantwoorden.
Evenmin kan men op grond van haar rapporten zeggen, dat haar benadering van het probleem juridisch verkeerd was. Er zijn twee mogelijkheden. De eerste is dat de ziekte of de verergering is ontstaan „in” [Engels: „in the course of”] de uitoefening van de werkzaamheden; de tweede is, dat zij is ontstaan „bij” [Engels: „in connection with”] die uitoefening. Partijen zijn het erover eens, dat de Franse tekst van de verzekeringsregeling — „lorsqu'il est suffisamment établi qu'elle trouve son origine... à l'occasion de l'exercice des fonctions” — eerder een causale dan een temporele connotatie heeft. De betekenis is dezelfde als die van „in connection with” in de Engelse tekst, ofschoon de Duitse versie — „anläßlich der Ausübung des Dienstes” — naar het schijnt een andere betekenis kan hebben. „Bij” is duidelijk ruimer dan „in”, ook al moet er een oorzakelijk verband bestaan tussen de ziekte en de werkzaamheden. De langdurige onzekerheid en frustratie waardoor de ziekte is ontstaan, stonden in nauw verband met het werk, en de verergering na 1981 was het gevolg van het feit dat X. geen of bijna geen werk meer te doen kreeg. Men kan toch moeilijk zeggen dat het feit dat iemand geen werk krijgt, niet een ziekte of een verergering van een ziekte kan veroorzaken, op grond dat hierbij geen sprake is van „de uitoefening van werkzaamheden”. X. was krachtens zijn aanstelling verplicht zich beschikbaar te houden voor de met zijn functie overeenkomende werkzaamheden die men hem zou opdragen. Beschikbaar zijn, doch niets te doen krijgen, kan worden aangemerkt als het „uitoefenen van werkzaamheden” in de zin van artikel 3 van de verzekeringsregeling.
Aan het advies van de arts kleeft mijns inziens geen enkel gebrek dat veroorzaakt zou zijn door een onjuist geformuleerde opdracht. Haar medisch advies laat geen twijfel bestaan nopens het bestaan van de ziekte, het oorzakelijk verband met de uitoefening door X. van zijn werkzaamheden en de graad van invaliditeit. Hieruit volgt, dat verweerster niet mocht weigeren de Commissie dekking te geven voor het krachtens artikel 73 Ambtenarenstatuut aan X uitgekeerde bedrag.
De Commissie vordert voorts interessen vanaf 23 augustus 1983, de datum waarop zij het in artikel 73 Ambtenarenstatuut bedoelde kapitaal aan X. heeft uitbetaald. De verzekeringsovereenkomst blijkt geen enkele bepaling ter zake van interessen te bevatten. De Commissie heeft verweerster evenwel eerst op 30 november 1983 om vergoeding verzocht. Naar mijn mening zijn de interessen dan ook verschuldigd vanaf 30 november 1983. Tegenwoordig is het Hof gewoon, interessen toe te kennen op de voet van 6%, doch naar mijn gevoel zou dat in de huidige omstandigheden moeten worden opgetrokken tot 8 %.
Concluderend meen ik, dat de NV Royale beige, optredend voor zichzelf en als lasthebster van de andere maatschappijen die de verzekeringsovereenkomst van 28 januari 1977 hebben ondertekend, aan de Commissie een bedrag van BFR 4352040 zal moeten betalen, vermeerderd met 6% rente vanaf 30 november 1983.
( *1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy