CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
van 2 juli 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In deze zaak heeft de Corte suprema di cassazione drie vragen gesteld over de uitlegging van artikel 39 van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Executieverdrag).
De achtergrond van de verwijzingsbeschikking kan worden samengevat als volgt.
In 1979 verkreeg Pelkmans van de rechtbank te Breda een vonnis houdende veroordeling van Capelloni en Aquilini tot betaling van HFL 127400, vermeerderd met interessen en kosten. Vervolgens- verkreeg hij van de Corte d'appello te Brescia een beschikking waarbij dat vonnis in Italië uitvoerbaar werd verklaard. Tegen deze beschikking deden Capelloni en Aquilini verzet overeenkomstig artikel 36 Executieverdrag.
Vervolgens verzocht Pelkmans krachtens artikel 39 om verlof tot het nemen van bewarende maatregelen, teneinde beslag te kunnen leggen op het onroerend vermogen van Capelloni en Aquilini, en om vanwaardeverklaring van het conservatoir beslag overeenkomstig de procedure van het Italiaanse recht, alsmede om afwijzing van het verzet van Capelloni en Aquilini. Deze laatsten concludeerden tot afwijzing van het verzoek om vanwaardeverklaring en tot opheffing van het beslag. De Corte d'appello verklaarde Pelkmans' verzoek niet ontvankelijk, doch wees de verzoeken van Capelloni en Aquilini af, blijkbaar zonder zich uit te spreken over het verzet tegen de beslissing houdende verlof tot tenuitvoerlegging. Tegen dit arrest stelden zowel Capelloni en Aquilini als Pelkmans beroep tot cassatie in.
De vragen van de Corte suprema di cassazione luiden als volgt:
„1)
Gelden voor bewarende maatregelen ten aanzien van de goederen van de schuldenaar, waartoe kan worden overgegaan wanneer deze verzet doet tegen de beslissing houdende verlof tot tenuitvoerlegging van in een andere staat van de Europese Economische Gemeenschap gegeven beslissingen, ten aanzien van de uitvoering, de geldigheid en de rechtskracht van het beslag de bepalingen van het nationale procesrecht, of hebben de tot het Executieverdrag toegetreden staten één enkel, voor alle verdragsluitende staten eenvormig instrument willen invoeren, dat moet verzekeren dat de beslagene in tussentijd niet over zijn goederen kan beschikken, welk doel wordt bereikt zodra er, nadat tevergeefs verzet is gedaan volgens artikel 37 Executieverdrag, tot tenuitvoerlegging wordt overgegaan zonder dat met name een vanwaardeverklaring van de bewarende maatregel noodzakelijk is ?
2)
Moet ook wanneer een in een andere staat gegeven beslissing in een verdragsluitende staat reeds uitvoerbaar is verklaard, door dezelfde rechterlijke instantie verlof worden verleend om bewarende maatregelen te nemen ten aanzien van de goederen van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gevraagd, of mag de verzoekende partij, zonder daartoe specifiek verlof te hebben verkregen, direct bewarende maatregelen nemen ?
3)
Moet ook in de in artikel 39 Executieverdrag bedoelde gevallen toepassing worden gegeven aan het procesrecht van de staat waar tot de bewarende maatregelen wordt overgegaan, wanneer in dat procesrecht een peremptoire termijn is gesteld waarbinnen de bewarende maatregelen moeten zijn geïnitieerd of voltooid, welke termijn ingaat op de dag waarop de verzoekende partij in staat is tot die maatregelen over te gaan, of kan de verzoekende partij te allen tijde daartoe overgaan zolang de bevoegde rechterlijke instantie niet op het in artikel 37 Executieverdrag bedoelde verzet heeft beslist ?”
Artikel 39 bepaalt:
„Gedurende de termijn van verzet, bedoeld in artikel 36, en tot het tijdstip dat daarover uitspraak is gedaan, kunnen slechts bewarende maatregelen worden genomen ten aanzien van de goederen van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gevraagd.
De beslissing waarbij de tenuitvoerlegging wordt toegestaan houdt tevens het verlof in deze maatregelen te treffen.”
Artikel 36 voorziet in de mogelijkheid van verzet tegen de beslissing houdende verlof tot tenuitvoerlegging, en bepaalt de termijn waarbinnen dat verzet kan worden gedaan.
In de eerste vraag wordt heel in het algemeen gevraagd, of artikel 39 een eenvormige communautaire procedure voor bewarende maatregelen invoert, dan wel of de daarin bedoelde bewarende maatregelen moeten worden genomen overeenkomstig de nationale bepalingen vaņ burgerlijk procesrecht.
Het Verenigd Koninkrijk betoogt, dat de betrokken procedure volledig door nationaal recht wordt beheerst. Het lijkt van mening, dat dit beginsel onvoorwaardelijk geldt. Ook de Commissie is van oordeel, dat in beginsel nationaal recht van toepassing is. Tot staving daarvan noemt zij de volgende voorbeelden van onderwerpen waarover het Executieverdrag zwijgt en waarop dus nationaal recht moet worden toegepast: het soort bewarende maatregelen dat kan worden genomen, de in beslag te nemen activa en hun waarde, de vraag of de crediteur de maatregelen zelf kan nemen dan wel een beroep moet doen op een rechterlijk ambtenaar of een andere tussenpersoon. Toch zijn er volgens de Commissie uitzonderingen op deze regel: zij suggereert dat er naast de uitzonderingen genoemd in haar antwoorden op de tweede en de derde vraag, nog andere gevallen kunnen zijn, waarin op grond van de bewoordingen van het Executieverdrag alle verdragsluitende staten dezelfde procedure moeten volgen.
De opvatting dat de thans aan de orde zijnde procedure in beginsel door nationaal recht wordt beheerst, wordt ook gehuldigd in het rapport Jenard (PB 1979, C 59, biz. 1, 52).
Als algemene regel lijkt mij dat juist, want het is duidelijk dat er in verband met bewarende maatregelen allerlei problemen kunnen rijzen waarvoor het Executieverdrag geen regeling bevat en naar mijn mening dus enkel het nationale recht van toepassing kan zijn.
Anderzijds is het ook duidelijk dat er uitzonderingen op die algemene regel zijn. Zo kan bijvoorbeeld van de crediteur die om bewarende maatregelen verzoekt, niet worden verlangd dat hij volledig of zelfs maar prima facie bewijs levert over de gegrondheid van dat verzoek, ook wanneer hij daar, zonder Executieverdrag, naar nationaal recht wel toe verplicht zou zijn. Een dergelijk vereiste zou indruisen tegen de gehele opzet van het Executieverdrag, dat, bepaalde uitzonderingen daargelaten, beoogt te verzekeren dat de beslissingen die in de termen ervan vallen, op het grondgebied van andere verdragsluitende staten kunnen worden erkend en ten uitvoer gelegd met zo weinig mogelijk formaliteiten en vertraging. Evenmin kan het gerecht bij een dergelijk verzoek ingaan op omstandigheden die relevant zijn voor het al dan niet verlenen van het verlof tot tenuitvoerlegging. Die vallen binnen de bevoegdheid van het gerecht dat over het in artikel 36 bedoelde verzet oordeelt. Mogelijk zijn er nog andere uitzonderingen, die in de onderhavige zaak niet ter sprake zijn gebracht.
Afgezien van die gevallen, moet de nationale rechter over het verzoek om bewarende maatregelen en de daarbij in aanmerking te nemen omstandigheden (bijvoorbeeld de spoedeisendheid en het gevaar dat de activa van de debiteur uit het rechtsgebied worden verwijderd) beslissen volgens het nationale recht en de nationale procedure.
Meer in het bijzonder stelt de eerste vraag ook het probleem aan de orde, of het vereiste van het nationale recht, dat bewarende maatregelen ex post facto door een tweede rechterlijke beslissing van waarde moeten worden verklaard, ook geldt voor maatregelen die krachtens artikel 39 zijn genomen. Deze vraag is gesteld omdat volgens de Italiaanse Codice di procedura civile bij het nemen van bewarende maatregelen verschillende fasen moeten worden onderscheiden. Eerst wordt er een voorlopige beschikking gegeven na een summier onderzoek van de feiten en argumenten. Deze beschikking, die al dan niet op tegenspraak kan zijn gegeven, machtigt de schuldeiser om binnen dertig dagen de betrokken maatregelen te nemen. Dan volgt een tweede terechtzitting, waarop beide partijen aanwezig zijn. In bepaalde gevallen wordt de debiteur daarvoor opgeroepen door de crediteur, in andere gevallen door het gerecht. In beide gevallen moet het gerecht op die tweede terechtzitting beslissen of het zijn voorlopige beschikking bekrachtigt dan wel intrekt. Dit laatste zal gebeuren wanneer het gerecht tot de bevinding komt, dat aan het vereiste van spoedeisendheid niet is voldaan.
Een dergelijke vanwaardeverklaringsprocedure bestaat niet enkel in Italië. Ook in Denemarken moet blijkbaar telkens een soortgelijke procedure worden gevolgd. Ook het Nederlandse, het Franse en het Luxemburgse recht schrijft in vele gevallen zulk een procedure voor.
De Commissie en het Verenigd Koninkrijk zijn het erover eens, dat het Executieverdrag een dergelijke procedure niet uitsluit. Bijgevolg achten zij ter zake de normale bepalingen van het nationale recht van toepassing.
Ook ik ben van mening, dat het Executieverdrag de nationale rechtsregels op dit gebied niet uitdrukkelijk of stilzwijgend verdringt. Ik aanvaard derhalve het standpunt van de Commissie en het Verenigd Koninkrijk. Toch mag het gerecht om vorengenoemde redenen in de vanwaardeverklaringsprocedure niet verlangen dat de crediteur prima facie bewijs levert over de gegrondheid van het verzoek, of acht slaan op aspecten die kunnen beletten dat een beslissing uit een andere verdragsluitende staat krachtens het Executieverdrag ten uitvoer wordt gelegd.
Over de tweede vraag zijn de Commissie en het Verenigd Koninkrijk het niet eens.
Volgens de Commissie betekent de tweede alinea van artikel 39, dat de beslissing houdende verlof tot tenuitvoerlegging tevens verlof tot het nemen van bewarende maatregelen inhoudt. In deze opvatting verleent die beslissing de crediteur automatisch de bevoegdheid om bewarende maatregelen te treffen, en is geen verdere rechterlijke beslissing of rechterlijk bevel vereist. Volgens de Commissie vindt deze uitlegging steun in het rapport Jenard (blz. 52) en het rapport Schlosser (PB 1979, C 59, blz. 71, 134 en 135).
In de lijn van zijn opmerkingen over de eerste vraag houdt het Verenigd Koninkrijk daarentegen staande, dat deze materie geheel door nationaal procesrecht wordt beheerst. Het interpreteert de betrokken bepaling aldus, dat het bevoegde gerecht, na verlof tot tenuitvoerlegging te hebben gegeven, bewarende maatregelen kan toestaan overeenkomstig het nationale procesrecht. Er zou dus een afzonderlijke rechterlijke beslissing over bewarende maatregelen nodig zijn in de staten waar het burgerlijk procesrecht zulks vereist. Het Verenigd Koninkrijk is niettemin van mening, dat in verdragsluitende staten waar het verlof tot tenuitvoerlegging automatisch voor de crediteur een machtiging inhoudt om bewarende maatregelen te nemen, geen afzonderlijke rechterlijke beslissing dienaangaande vereist is.
Dat voor beide standpunten iets valt te zeggen, blijkt uit de uitvoeringsmaatregelen van de verdragsluitende staten. De meeste lijken te hebben gekozen voor de benadering die het Verenigd Koninkrijk voorstaat, en deze uitlegging wordt ook door een aantal Italiaanse gerechten gevolgd. Anderzijds houdt volgens de Duitse uitvoeringsregeling van het Executieverdrag het verlof tot tenuitvoerlegging voor de crediteur automatisch de machtiging in om bewarende maatregelen te nemen. Ook sommige Italiaanse gerechten stellen zich op hetzelfde standpunt als de Commissie.
Mijns inziens moet artikel 39 echter aldus worden gelezen, dat gedurende de termijn van verzet tegen een krachtens artikel 31 gegeven beslissing, de tenuitvoerlegging niet verder kan gaan dan de bewarende maatregelen (ten aanzien van de goederen van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gevraagd) die het nationale recht ter beschikking stelt. Een verzoeker die verlof tot tenuitvoerlegging heeft verkregen, kan volgens het Executieverdrag tot die maatregelen overgaan langs elke weg waarin het nationale recht voorziet. Wanneer hij bij voorbeeld volgens de nationale regels zonder nadere beslissing goederen in beslag kan nemen, dan mag hij dat doen. Wanneer de nationale regels een nadere beslissing van het gerecht verlangen, dan moet die worden verkregen van het gerecht dat het verlof tot tenuitvoerlegging heeft verleend, of van een ander bevoegd gerecht. In sommige Lid-Staten zijn zulke bewarende maatregelen vaak nauwkeurig omschreven, betreffen zij bepaalde, vermogensbestanddelen en zijn zij onderworpen aan welbepaalde voorwaarden; zij kunnen verschillen naar gelang van de omstandigheden. Soms komen bepaalde vermogensbestanddelen naar nationaal recht niet voor beslag in aanmerking. Ik geloof niet, dat de bevoegdheid van de nationale gerechten om die vragen te onderzoeken, is vervallen op grond van de bepaling van het Executieverdrag, dat bewarende maatregelen automatisch kunnen worden genomen op de enkele grond dat verlof tot tenuitvoerlegging is verleend. Het komt mij daarom voor, dat in het onderhavige geval een zo algemene en onnauwkeurige bepaling als artikel 39, tweede alinea, er niet toe leidt, dat de Italiaanse vanwaardeverklaringsprocedure buiten toepassing, blijft in een geval dat onder het Executieverdrag valt. Ik ben dan ook van mening, dat de vraag, of bewarende maatregelen speciaal moeten worden aangevraagd, naar nationaal recht moet worden beantwoord.
De derde vraag heeft als achtergrond, dat volgens artikel 675 van de Italiaanse Codice di procedura civile het verlof tot het nemen van bewarende maatregelen na dertig dagen vervalt, indien niet binnen die termijn daartoe is overgegaan. Capelloni en Aquilini hebben gesteld, dat de door Pelkmans genomen bewarende maatregelen onwettig waren, doordat dit voorschrift niet in acht is genomen.
Ook hier betoogt het Verenigd Koninkrijk, dat het antwoord uitsluitend in het nationale recht is te vinden. De Commissie houdt harerzijds staande, dat het recht van de crediteur om bewarende maatregelen te nemen, blijft bestaan zolang de in de aanhef van artikel 39 genoemde termijn niet is verstreken.
Ik ben het niet met de Commissie eens. In de aanhef van artikel 39 gaat het in de eerste plaats om de termijn waarbinnen maatregelen van tenuitvoerlegging niet zijn toegestaan. Vervolgens bepaalt artikel 39, dat gedurende die periode bewarende maatregelen kunnen worden getroffen. Daaruit volgt echter niet, dat de crediteur het recht moet hebben om gedurende die gehele termijn dergelijke maatregelen te nemen.
De Commissie stelt ook, dat de toepassing van de dertigdaagse termijn op krachtens artikel 39 genomen bewarende maatregelen onbillijke gevolgen zou hebben. De debiteur zou immers meer dan dertig dagen nadat de bewarende maatregelen zijn toegestaan, verzet kunnen doen tegen het verlof tot tenuitvoerlegging. Het zou dus kunnen gebeuren dat de crediteur pas wanneer het te laat is, weet of hij bewarende maatregelen moet nemen. Dat kan zijn. Maar de crediteur die verlof voor bewarende maatregelen heeft verkregen, kan die situatie voorkomen door beslag te leggen binnen de door het nationale recht gestelde termijn, in casu dertig dagen.
Derhalve ben ik van mening, dat de in de derde vraag bedoelde materie uitsluitend door het nationale recht wordt beheerst.
Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de vragen van de Corte suprema di cassazione te beantwoorden als volgt:
1)
De bewarende maatregelen bedoeld in artikel 39 Executieverdrag, worden beheerst door het nationale procesrecht, voor zover het Executieverdrag niet uitdrukkelijk of stilzwijgend iets anders bepaalt. Zo kan in geen enkele fase van de beslagleggingsprocedure van de crediteur worden verlangd dat hij prima facie bewijs ten gronde levert, noch mag het gerecht aspecten in aanmerking nemen die zouden kunnen beletten dat een beslissing uit een andere verdragsluitende staat overeenkomstig het Executieverdrag ten uitvoer wordt gelegd. Met inachtneming van dit fundamentele beginsel kan een bepaling van nationaal recht, inhoudende dat bewarende maatregelen door de rechter van waarde moeten worden verklaard, toepassing vinden op krachtens artikel 39 genomen bewarende maatregelen.
2)
De vraag of een crediteur die verlof tot tenuitvoerlegging heeft verkregen, specifiek verlof nodig heeft om bewarende maatregelen te nemen, moet naar nationaal recht worden beantwoord.
3)
Artikel 39 staat er niet aan in de weg dat een bepaling van nationaal recht, die een peremptoire termijn stelt waarbinnen bewarende maatregelen kunnen worden genomen, wordt toegepast op gevallen die door dat artikel worden beheerst.
De Commissie en het Verenigd Koninkrijk zullen hun eigen kosten hebben te dragen.
( *1 ) Vertaald uit liet Engeis.
Full & Egal Universal Law Academy