CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
van 23 oktober 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Verordening nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB 1970, L 94, blz. 13) bepaalt a) in artikel 1, dat de afdeling Garantie van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) de restituties bij uitvoer naar derde landen en de interventies ter regulering van de landbouwmarkten financiert, en b) in artikel 3, dat de afdeling Garantie de interventies ter regulering van de landbouwmarkten, „waartoe volgens de communautaire voorschriften in het kader van de gemeenschappelijk ordening der landbouwmarkten wordt overgegaan”, financiert. Krachtens de artikelen 4 en 5 moet de Commissie de aangewezen nationale diensten en organen de nodige middelen ter beschikking stellen en de rekeningen van de diensten en organen goedkeuren.
De Commissie heeft de uitvoeringsbepalingen van de artikelen 4 en 5 van die verordening vastgesteld in verordening nr. 1723/72 van 26 juli 1972 inzake de goedkeuring van de rekeningen betreffende het EOGFL, afdeling Garantie (PB 1972, L 186, blz. 1). Luidens artikel 8 van die verordening dient het besluit van de Commissie tot goedkeuring van de rekeningen onder andere tot de bepaling van het bedrag van de gedane uitgaven in iedere Lid-Staat in de loop van het betrokken jaar, welke worden erkend als komende ten laste van het EOGFL, afdeling Garantie.
In beschikking 84/202/EEG van de Commissie van 8 februari 1984 betreffende de goedkeuring van de door de Italiaanse Republiek uit hoofde van het begrotingsjaar 1978 ingediende rekeningen voor de door het EOGFL, afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven (PB 1984, L 110, biz. 13) werd onder andere goedkeuring onthouden voor drie bedragen:
1)
12374446850 LIT ter zake van betalingen aan vier Italiaanse verenigingen van telers van groenten en fruit;
2)
305825498 LIT ter zake van uitgaven voor de financiering van de verkoop van opslagboter tegen verlaagde prijs, op grond dat bij de omrekening van de prijs van die boter in Ecu naar nationale valuta van verkeerde data zou zijn uitgegaan;
3)
227433782 LIT en 570058890 LIT die nog betrekking hebben op in 1976 respectievelijk 1977 gedane betalingen, voor verliezen of vermeende verliezen bij de verwerking van magere-melkpoeder tot diervoeding.
Bij beschikking 84/203/EEG van 8 februari 1984 betreffende de goedkeuring van de door de Italiaanse Republiek uit hoofde van het begrotingsjaar 1979 ingediende rekeningen voor de door het EOGFL, afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven (PB 1984, L 110, biz. 15) heeft de Commissie onder andere goedkeuring onthouden aan een bedrag van 1621239160 LIT voor betalingen aan vier Italiaanse verenigingen van telers van groenten en fruit.
In beide gevallen werd goedkeuring onthouden nadat Italië de gelegenheid was geboden zijn standpunt te verdedigen, en op de gronden die door de Commissie in het syntheseverslag betreffende de begrotingsjaren 1978 en 1979 waren aangevoerd.
In de zaken 129 en 130/84 concludeert Italië tot nietigverklaring van beschikking 84/202 respectievelijk 84/203, voorzover de Commissie daarin weigert de aangehaalde bedragen in aanmerking te laten komen voor financiering door het EOGFL, afdeling Garantie, en subsidiair tot vervanging van het niet goedgekeurde bedrag door een billijk geacht lager bedrag, met verwijzing van de Commissie in de kosten van het geding. Op alle betrokken punten voert Italië aan dat de Commissie heeft gedwaald. Tevens verwijt het de Commissie misbruik van bevoegdheid, gebrekkige motivering, en schending van de artikelen 1, 3 en 5 van verordening nr. 729/20 en van artikel 8 van verordening nr. 1723/72. De Commissie stelt dat de middelen, voor zover zij niet op specifieke gegevens steunen, niet ontvankelijk moeten worden verklaard omdat het louter beweringen zijn die niet op bewijzen zijn gestaafd en zij derhalve niet voldoen aan de eisen die krachtens artikel 38, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering aan een beroep worden gesteld.
Mijns inziens heeft de Italiaanse regering in ieder geval het recht aan haar beweringen betreffende de genoemde bedragen het argument te verbinden dat de twee verordeningen zijn geschonden. Deze artikelen stellen de procedure vast die door de afdeling Garantie en de Commissie moet worden gevolgd. De middelen, ontleend aan misbruik van bevoegdheid en gebrek aan motivering, zijn overigens zo nauw verbonden met de gedetailleerde argumenten betreffende de dwaling van de Commissie, dat zij te zamen moeten worden behandeld.
Uit niets blijkt waarom de vorderingen van de Italiaanse Republiek niet ontvankelijk zouden zijn.
Ik behandel nu de grond van de zaak.
1. Vergoedingen aan de verenigingen van telers van groenten en fruit
Verordening nr. 1035/72 van de Raad van 18 mei 1972 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit (PB 1972, L 118, blz. 1) bepaalt onder andere:
Artikel 13:
„Onder ‚telersvereniging’ wordt in de zin van deze verordening verstaan elke vereniging van telers van groenten en fruit, die op initiatief van de telers zelf is opgericht om met name:
—
voor één of meer van de in artikel 1 bedoelde produkten de concentratie van het aanbod en de regulering van de producentenprijzen te bevorderen,
—
geschikte technische hulpmiddelen voor verpakking en commercialisatie van de betrokken produkten ter beschikking van de aangesloten telers te stellen,
en die de aangesloten telers ertoe verplicht:
—
de gehele produktie van het produkt of de produkten waarvoor zij zich hebben aangesloten, via de telersvereniging te verkopen, waarbij zij evenwel voor bepaalde hoeveelheden door de vereniging van deze verplichting kunnen worden ontheven,
—
ten aanzien van de produktie en commercialisatie de regels toe te passen, die door de telersvereniging zijn vastgesteld met het oog op de verbetering van de kwaliteit der produkten en de aanpassing van de aangeboden hoeveelheden aan de eisen van de markt.”
Ingevolge artikel 14, lid 1, kunnen de Lid-Staten, ten einde de oprichting van telersverenigingen te bevorderen en hun werking te vergemakkelijken, gedurende de drie jaren na de datum van oprichting aan deze verenigingen tot een bepaald bedrag steun verlenen, op voorwaarde dat de verenigingen voldoende waarborgen bieden ten aanzien van de duur en de doelmatigheid van hun werkzaamheden.
Artikel 15 bepaalt, dat de telersverenigingen maatregelen kunnen treffen om de produkten van hun leden uit de markt te nemen en verplicht hen ter financiering van die maatregelen een interventiefonds te vormen. Krachtens artikel 18, lid 1, kennen de Lid-Staten de telersverenigingen die in het kader van artikel 15 interventiemaatregelen nemen, binnen bepaalde grenzen een financiële vergoeding toe. Artikel 18, lid 2, bepaalt dat het bedrag van de door de Lid-Staten toegekende financiële vergoeding gelijk is aan de door de telersverenigingen uitgekeerde vergoedingen waarop de nettoopbrengst van de uit de markt genomen produkten in mindering is gebracht.
De artikelen 15 en 18 regelen dus de financiering van de marktinterventies van de telersverenigingen, terwijl artikel 14 voorziet in aanloopsteun voor die verenigingen.
In Italiaanse wet nr. 622 van 27 juli 1967 en het uitvoeringsbesluit van 1968, beide inmiddels gewijzigd, wordt voorzien dat de telersverenigingen door de Italiaanse minister van Land- en Bosbouw moeten worden erkend en in een nationaal register worden ingeschreven.
Op grond van deze bepalingen zijn de Associazione di zona fra produttori ortofrutticoli delle provincie di Matera e Potenza („Assozona-Matera”), de Associazione di zona fra produttori di agrumi delle provincie di Catanzaro, Cosenza e Reggio Calabria („Assozona-Cosenza”), de Associazione interprovinciale produttori agrumicoli ed ortofrutticoli „AIPAO”, met zetel te Catania („AIPAO-Catania”), en de Associazione Consorzio provinciale cooperative agricole „ETNA”, met zetel te Catania („ETNA-Catania”), bij ministeriële decreten van respectievelijk 21 juli 1970, 18 maart 1972, 2 december 1974 en 12 januari 1977 in het nationale register ingeschreven.
Tussen 30 januari en 6 februari 1978 onderzocht een aantal ambtenaren van de Commissie de werking van enkele verenigingen van telers van groenten en fruit in Italië. De Commissie kreeg daarbij de indruk dat de gemeenschapsvoorschriften betreffende deze verenigingen in Italië niet correct werden toegepast. Bij brief van 3 juli 1978 verzocht de Commissie de Italiaanse regering dan ook krachtens artikel 9, lid 2, van verordening nr. 729/70, om de werking van alle op grond van wet nr. 622 erkende verenigingen van telers van groenten en fruit te controleren en om haar een rapport toe te zenden met de bevindingen met betrekking tot alle in het nationale register ingeschreven verenigingen. De Commissie vermeldde de punten die volgens haar in het bijzonder dienden te worden gecontroleerd, en verzocht de Italiaanse autoriteiten om na de gevraagde controles een lijst op te stellen van de telersverenigingen die niet aan de gemeenschapsvoorschriften voldeden en wier erkenning moest worden ingetrokken. De Commissie eindigde haar brief met de opmerking: „Voorts wijst de Commissie erop, dat elke aanloopsteun of financiële vergoeding voor het uit de markt nemen van produkten, toegekend aan telersverenigingen die niet aan bovengenoemde voorwaarden voldoen, in strijd is met het gemeenschapsrecht”.
In 1979 zouden ambtenaren van de Commissie, vergezeld van Italiaanse ambtenaren, onder meer twee van de vier onderhavige telersverenigingen hebben gecontroleerd. Daarbij werd met betrekking tot Assozona-Matera vastgesteld, dat zij nagenoeg geen activiteiten verrichtte of nagenoeg geen administratieve organisatie bezat, dat het aanbod er niet werd geconcentreerd en dat maar een fractie van de produktie via deze vereniging werd verkocht. Met betrekking tot AIPAO-Catania werd vastgesteld, dat zij net was begonnen het aanbod te concentreren en dat de meeste leden hun produkten zelf verhandelden.
Bij brief van 27 mei 1980 deelde het Italiaanse ministerie van Land- en Bosbouw de Commissie de resultaten van zijn controles mee. Het had vastgesteld, dat de meeste verenigingen, getoetst aan de basiscriteria inzake rationalisering en marketingpraktijken, gebrekkig functioneerden, maar het gaf als zijn mening, dat de meeste verenigingen begonnen te voldoen aan de doelstellingen van de gemeenschapsvoorschriften en dat mocht worden verwacht, dat zij binnen korte tijd volledig aan deze voorschriften zouden voldoen. Wel stelde het, dat van vijf verenigingen kon worden betwijfeld of zij zich aan de gemeenschapsvoorschriften zouden kunnen conformeren. Deze vijf waren de vier reeds genoemde verenigingen en de Associazione di produttori ortofrutticoli-Brindisi. „In deze verenigingen”, zo heet het in die brief, „werd een slechte werking vastgesteld die te wijten is aan functionele gebreken bij de rationalisering van de handel; inzonderheid zij erop gewezen, dat de betrokken verenigingen niet kunnen aantonen dat zij de volledige door hun leden verhandelde produktie controleren”. De Italiaanse regering gaf in overweging de erkenning van deze verenigingen niet direct in te trekken, maar hen in afwachting van een definitief besluit te observeren. Bij brief van 29 mei 1980 verzocht de betrokken minister de vier in de onderhavige zaak betrokken verenigingen hun functioneren aan te passen aan de vigerende voorschriften. Deze brieven zouden onbeantwoord zijn gebleven.
Bij brief van 15 september 1980 deed het Italiaanse ministerie van Landbouw de Commissie zijn definitieve verslag over zijn onderzoek naar de werking van de Italiaanse verenigingen van telers van groenten en fruit toekomen. Op grond van die brief alsook het rapport en de door haar eigen ambtenaren tijdens bezoeken in Italië ingewonnen inlichtingen deelde de Commissie bij brief van 11 november 1980 de 82 in het nationale register ingeschreven telersverenigingen in in drie categorieën en stelde zij voor elke categorie vast, welke maatregelen dienden te worden genomen. 59 verenigingen werden geacht aan de gemeenschapsvoorschriften te voldoen. Bij 16 verenigingen werden structurele en operationele gebreken vastgesteld, waaraan binnen een korte termijn een einde kon worden gemaakt (voor deze categorie werd voorzien in een observatieperiode tot uiterlijk 31 december 1981).
Tenslotte werden 7 verenigingen — waaronder de vier onderhavige — geacht niet aan de gemeenschapswetgeving te voldoen. Ter zake van deze laatste categorie overwoog de Commissie: „De nationale autoriteiten moeten alle maatregelen treffen die geboden zijn op grond van het feit dat deze verenigingen de bepalingen van verordening nr. 1035/72 niet naleven. Met name mag geen aanloopsteun of financiële vergoeding in het kader van vorengenoemde verordening worden betaald. De sinds 1973 toegekende financiële vergoedingen en de sinds 1976 betaalde aanloopsteun kunnen niet door het EOGFL worden gefinancierd.” In de laatste alinea van haar brief verklaarde de Commissie evenwel dat deze maatregelen in heroverweging konden worden genomen in het licht van nadere gegevens waarvan de Italiaanse autoriteiten mededeling noodzakelijk zouden achten.
Bij telexbericht van 16 juni 1981 deelde het Italiaanse ministerie van Landbouw de Commissie mee, dat de Italiaanse regering had besloten de erkenning van de verenigingen ETNA-Catania, Assozona-Matera en Assozona-Cosenza in te trekken. „Bijgevolg”, aldus het telexbericht, „zijn de nodige procedurele stappen genomen”. Het telexbericht vervolgde: „Wat AIPAO-Catania betreft, hebben controles aangetoond dat conform de gemeenschapsvoorschriften wordt gewerkt. Wij zijn dan ook van mening dat het nuttig zou zijn samen ter plekke de situatie te verifiëren”. Er zij op gewezen dat Italië in dit telexbericht de Commissie enkel meedeelde, dat de erkenning van de eerste drie verenigingen diende te worden ingetrokken : er werd niet om een nader onderzoek van hun situatie verzocht. Alleen voor AIPOA-Catania verzocht Italië om een nieuwe controle. Ter terechtzitting verklaarde de gemachtigde van de Commissie, dat de Commissie bij telexbericht van 29 juni 1981 daarop zou hebben geantwoord dat, nu de positie van AIPAO genoegzaam bekend was, het niet nodig was nogmaals een onderzoek ter plekke te organiseren. Met andere woorden, de Commissie bevestigde haar afwijzend oordeel omtrent AIPAO.
Bij brief van 22 juli 1982, waarin deze telexberichten niet worden vermeld, deelde de Commissie de Italiaanse autoriteiten mee dat zij tot de volgende conclusie was gekomen: van de 82 verenigingen van telers van groenten en fruit handelden 61 conform de gemeenschapsvoorschriften weshalve hun uitgaven in aanmerking kwamen voor financiering door de Gemeenschappen, als voorzien in de gemeenschapswetgeving; de Italiaanse autoriteiten zouden 17 verenigingen aan een bijzonder toezicht moeten onderwerpen tot 31 december 1981, datum waarop definitief zou worden uitgemaakt of zij aan de gemeenschapsvoorschriften voldeden; vier telersverenigingen handelden niet in overeenstemming met de gemeenschapsvoorschriften weshalve de aan hen betaalde bedragen niet voor financiering door de Gemeenschap in aanmerking kwamen.
Bij ministerieel decreet van 25 juli 1981 schrapte de Italiaanse minister van Land- en Bosbouw ETNA-Catania van de lijst van erkende telersverenigingen. Bij ministerieel decreet van 10 september 1982 schrapte de minister de drie andere betrokken telersverenigingen van die lijst.
Het definitieve standpunt in het syntheseverslag van de Commissie voor de jaren 1978-1979 luidt:
„Bij de goedkeuring van de rekeningen over de begrotingsjaren 1973 tot en met 1977 heeft de Commissie voorbehoud gemaakt ten aanzien van de financiering door de Gemeenschap van sommige uitgaven in verband met het uit de markt nemen van groenten en fruit in Frankrijk en Italië, in afwachting van het resultaat van het onderzoek naar de werking van de telersverenigingen in deze twee Lid-Staten en naar de verenigbaarheid ervan met de bepalingen van verordening (EEG) nr. 1035/72. ... De bespreking van de resultaten van het in Italië uitgevoerde onderzoek is thans beëindigd.
Er wordt aan herinnerd dat de door de afdeling Garantie van het EOGFL gefinancierde financiële vergoedingen voor het uit de markt nemen van produkten, overeenkomstig artikel 18 slechts mogen worden toegekend aan verenigingen die handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 13 en de daaropvolgende artikelen en op voorwaarde dat de produkten overeenkomstig de in de verordening vastgestelde regeling uit de markt zijn genomen.
...
Er is geconcludeerd dat in Italië vier van de 82 telersverenigingen waarop het onderzoek betrekking had, niet hebben voldaan aan de communautaire voorschriften zodat de Italiaanse regering heeft besloten de erkenning van deze vier verenigingen in te trekken. De aan deze vier verenigingen toegekende financiële vergoedingen kunnen derhalve niet worden gefinancierd door het EOGFL.
Voor de uitgaven voor het tijdvak 1973-1978 gaat het om een bedrag van 12374446850 LIT, dat in het kader van de goedkeuring van de rekeningen voor 1978 (onderwerp van zaak 129/84) van communautaire financiering moet worden uitgesloten.
Voor de uitgaven voor het jaar 1979 gaat het om een bedrag van 1621239160 LIT, dat van communautaire financiering moet worden uitgesloten in het kader van de goedkeuring van de rekeningen over 979 (onderwerp in zaak 130/84).
De bedragen die na 1979 aan deze vier verenigingen zijn uitgekeerd, zullen van communautaire financiering worden uitgesloten bij de goedkeuring van de rekeningen over de begrotingsjaren waarin de financiële vergoedingen zijn betaald.
De Italiaanse regering is van mening dat de vier betrokken verenigingen gerechtigd waren om tot het ogenblik waarop de niet-conformiteit van hun werking definitief is vastgesteld (juli 1981) hun statutaire taken te vervullen in afwachting van een definitieve uitspraak omtrent de intrekking van hun erkenning.
Volgens de Italiaanse regering kan de wettelijkheid van de uitgevoerde transacties niet a posteriori worden geloochend en kan de aanrekening van de uitgaven voor de in verordening (EEG) nr. 1035/72 bedoelde financiële vergoedingen aan het EOGFL niet achteraf worden afgewezen.
De diensten van de Commissie delen dat standpunt niet. Telkens wanneer communautaire steun wordt uitgekeerd, zijn de Lid-Staten namelijk verplicht eerst na te gaan of de begunstigde aan de betalingsvoorwaarden voldoet. Uit de enquête blijkt dat de vier betrokken verenigingen nooit recht hebben gehad op de steun.”
In deze zaak is niet de aanloopsteun in geding, maar de vraag of de vier betrokken verenigingen voldeden aan de vereisten van artikel 13 van verordening nr. 1035/72, zodat zij op grond van artikel 18 in aanmerking konden komen voor vergoedingen voor uit de markt genomen produkten.
Volgens Italië moet het EOGFL de uitgaven financieren die de vier verenigingen hebben gedaan tussen 1973 en het ogenblik van de intrekking van hun erkenning, althans tot het ogenblik waarop de Commissie op 22 juli 1981 haar standpunt definitief bepaalde. Ter zake voert het drie hoofdargumenten aan.
In de eerste plaats stelt Italië, dat de vier betrokken ondernemingen aan de vereisten van artikel 13 van verordening nr. 1035/72 voldeden.
Tenzij kan worden aangetoond dat een van de in artikel 173 bedoelde gronden kan worden ingeroepen, is dit voor de Commissie grotendeels een feitenkwestie.
De Italiaanse regering betoogt, dat de Commissie haar eerste bevindingen had gebaseerd op de nadien opgegeven vooronderstelling, dat de verenigingen het aanbod van de produkten van hun leden hadden moeten concentreren en deze produkten vervolgens in eigen naam en voor eigen rekening verhandelen. Aanvaardt men het Italiaanse standpunt dat de producenten zelf kunnen verkopen overeenkomstig de door de vereniging vastgestelde voorwaarden, dan hadden ook de vier betrokken verenigingen — evenals alle andere — moeten worden geacht, aan artikel 13 te voldoen. Volgens de Commissie wordt haar standpunt verkeerd voorgesteld. Voor haar is de concentratie van het aanbod door de verenigingen steeds slechts één factor geweest op grond waarvan kon worden vastgesteld of de verenigingen de produktie van hun leden controleerden; haar bewering dat het optreden van de vier betrokken verenigingen onrechtmatig was, zou op nog meer gronden berusten.
Ik aanvaard de weergave van de Commissie van haar standpunt en geloof niet dat hier sprake is van een onjuiste uitlegging.
Italië beroept zich op een rapport van de Italiaanse minister van Land- en Bosbouw van 16 december 1980. Er zij op gewezen dat dit toentertijd niet aan de Commissie is meegedeeld, dat er niet naar wordt verwezen in de brief van de minister aan de Commissie van 27 december 1980, en dat het in deze procedure voor het eerst als bijlage bij de repliek is overgelegd. Derhalve kan niet worden gesteld dat de Commissie er in haar beschikking rekening mee had moeten houden en dat zij dit ten onrechte zou hebben nagelaten.
De inhoud van het rapport lijkt de conclusie ervan niet te schragen („Wij zijn van mening dat de vier betrokken verenigingen volledig in overeenstemming met de gemeenschapsbepalingen opereren en dat controles door EEG-ambtenaren het moeten mogelijk maken elk tot dusverre geformuleerde voorbehoud op te heffen”).
Zowel ETNA-Catania als AIPAO-Catania zouden heel wat leden hebben (waaronder bij ETNA 376 en bij AIPAO 4200 natuurlijke personen). In haar brief van 3 juli 1978 wees de Commissie er al op dat een groot aantal over een groot gebied verspreide individuele leden het aannemelijk maakte, dat de vereniging waarvan zij lid waren artikel 13 van verordening nr. 1035/72 niet kon naleven. Ten tijde van de opstelling van het rapport in december 1980 was ETNA-Catania enkel van plan haar ledental drastisch te verminderen, en overwoog AIPAO haar ledental te halveren. Zij hadden dit evenwel nog niet gedaan.
Volgens het rapport gaf ETNA-Catania haar administratieve en organisatorische gebreken toe. Haar Raad van bestuur zou de herstructurering van de vereniging hebben besproken om haar in overeenstemming te brengen met de nationale en Europese wetgeving. De eerste stap was de verkiezing van een nieuwe president; voor het overige was evenwel alles bij het oude gebleven.
Volgens het rapport had AIPAO-Catania de meeste activiteiten ontplooid met betrekking tot de produktiefase, door het verstrekken van technisch advies en steun voor de aankoop van meststoffen en fytosanitaire produkten tegen verlaagde prijzen, en had zij tentoonstellingen georganiseerd en daaraan deelgenomen om de verkoop van de produkten van haar leden te bevorderen. De vereniging verkocht haar produkten zelf en via haar leden, maar het rapport vermeldt niet om welke percentages het ging. AIPAO, die voortdurend — eerst mondeling, nadien schriftelijk — instructies voor de verkoop gaf, verzamelde en registreerde de verkoopfacturen van haar leden en controleerde of de gegeven instructies waren nagekomen. Het rapport vervolgt: „Eerst bij het verstrijken van het verkoopseizoen kan worden geverifieerd of de volledige produktie is behandeld of niet; na de werking van de activiteiten van de vereniging te hebben onderzocht kan evenwel worden geconcludeerd, dat eventuele gebreken uitsluitend de documentaire afhandeling kunnen betreffen, doch zeker niet de activiteiten van de vereniging zelf, die volledig conform de voorschriften lijken te zijn”. Het rapport gaat niet in op de vraag, of met meer dan 4000 leden mondelinge instructies aan de leden over de wijze waarop zij hun produkten moesten verkopen, nog adequaat konden worden gecontroleerd.
Assozona-Matera en Assozona-Cosenza werden in het rapport te zamen behandeld. De commercialisering verliep er nog steeds hoofdzakelijk volgens een systeem van verkoop „via tussenpersonen”, dat wil zeggen verkopen door de leden zelf. Om deze verkopen te controleren werden mondelinge instructies gegeven waarvan niets op schrift werd bijgehouden. De ambtenaren van de verenigingen controleerden de naleving van de instructies door de verkoopfacturen in de bedrijfslokalen van hun leden te verifiëren. Voorts vermeldt het rapport, dat werd gewerkt aan een systeem waarbij de datum waarop de verkoopinstructie was gegeven zou worden opgetekend ęn kopieën van de verkoopfacturen konden worden verkregen en geregistreerd.
Veel van hetgeen waarop het rapport is gebaseerd, is zelfs nu nog voorwaardelijk en niet uit het oog mag worden verloren, dat beide reeksen rekeningen de jaren 1978 en 1979 betroffen.
Ik dacht niet dat de Commissie toentertijd over andere bewijzen beschikte, op grond waarvan zij redelijkerwijs had moeten concluderen dat die vier verenigingen met betrekking tot die jaren aan artikel 13 voldeden. Integendeel, er was voldoende bewijsmateriaal voorhanden op grond waarvan de Commissie kon concluderen dat zulks niet het geval was. Zo bleek uit de in 1979 gehouden verificaties, dat er destijds geen concentratie van het aanbod bestond of dat daarmee pas een aanvang werd gemaakt. In het rapport van 27 mei 1980 van de Italiaanse regering worden deze vier verenigingen afzonderlijk behandeld, en wordt gesteld, dat het twijfelachtig was of zij zich zouden kunnen aanpassen, zodat zij aan de gemeenschapsvoorschriften konden voldoen. Zij functioneerden slecht wegens structurele gebreken en zij leken niet in staat, de door hun leden verkochte produkten te controleren. De brief die de verenigingen op 29 mei 1980 van de Italiaanse autoriteiten ontvingen, bleef onbeantwoord, wat verbazingwekkend is indien maatregelen zouden zijn getroffen. In het telexbericht van de Italiaanse regering van 16 juni 1981 wordt niet gesteld dat de drie andere verenigingen dan AIPAO-Catania aan de communautaire vereisten voldeden. Er staat enkel in, dat hun erkenning diende te worden ingetrokken. Anderzijds vermeldt het telexbericht wel dat AIPAO-Catania in overeenstemming met de gemeenschapsbepalingen optrad, zij het dat het niet aantoont dat enige wijziging was doorgevoerd, zelfs niet de wijzigingen, genoemd in het rapport van 16 december 1980, dat zoals gezegd niet aan de Commissie was meegedeeld.
Ik geloof niet dat er voor de Commissie een geldige reden was om de drie andere verenigingen dan AIPAO-Catania in het licht van het eerder aangevoerde bewijsmateriaal aan een nieuw onderzoek te onderwerpen. Het feit dat aan anderen, die werden geacht wel orde op zaken te kunnen stellen, de nodige tijd werd gegund, betekent niet dat zulks ook moest gebeuren ten aanzien van verenigingen die daartoe geheel onbekwaam leken te zijn.
Voor AIPAO-Catania komt daar nog bij, dat Italië in zijn telexbericht verdedigde dat die vereniging in 1981 aan alle vereisten voldeed. Was deze vereniging steeds een grensgeval geweest, dan zou ik hebben verdedigd dat de Commissie haar opnieuw had moeten onderzoeken. Dit was evenwel niet het geval: uit alle eerdere bewijsstukken kan worden opgemaakt dat zij niet aan de vereisten van artikel 13 van de verordening voldeed, en dat zij daartoe ook niet in staat zou zijn en de Commissie heeft steeds duidelijk gesteld, dat geen geld zou worden uitgekeerd aan een vereniging die daarvoor niet in aanmerking kwam. Hoewel de Commissie mijns inziens er beter aan zou hebben gedaan, indien zij Italië om nadere inlichtingen omtrent zijn loutere bewering in het telexbericht van 16 juni 1981 had gevraagd, moest het bewijs dat artikel 13 werd nageleefd, door die vereniging en de Italiaanse autoriteiten worden geleverd. Ik ben ervan overtuigd dat de Commissie met eventueel nieuw bewijsmateriaal rekening zou hebben gehouden. Gelet op alle omstandigheden en met name op het verloop van de gebeurtenissen, geloof ik niet dat de Commissie onredelijk of onwettig heeft gehandeld, door ervan uit te gaan dat AIPAO noch Italië had aangetoond dat AIPAO-Catania aan artikel 13 voldeed, en door zelf niet om nadere inlichtingen te vragen. Zou niet worden aangetoond dat AIPAO-Catania aan artikel 13 voldeed, dan zou dit een risico inhouden; dit was evenwel bekend en mij dunkt dat indien ander bewijsmateriaal bestond, het aan Italië stond om dat te verzamelen en naar voren te brengen.
Ik ben het derhalve niet eens met de bewering dat de Commissie onrechtmatig heeft gehandeld of een procedurefout heeft gemaakt, toen zij weigerde over de betrokken jaren aan de vier telersverenigingen uitbetaalde bedragen goed te keuren.
In haar tweede middel voert de Italiaanse regering aan, dat de erkenning van de telersverenigingen enkel voor de toekomst, maar niet retroactief kan worden ingetrokken. Zij stelt dat zolang de erkenning van een vereniging van kracht blijft en de vereniging transacties verricht die verenigbaar zijn met de communautaire doelstellingen, niet mag worden geweigerd de vereniging de op die transacties betrekking hebbende bedragen uit te betalen. De Commissie antwoordt daarop, dat de Gemeenschap niet gebonden kan zijn aan een besluit waarmee een Lid-Staat een niet in aanmerking komende vereniging erkent; de Commissie behoeft slechts te betalen waartoe zij wettelijk is gehouden, tenzij de gemeenschapsinstellingen zelf verantwoordelijk zijn voor de onjuiste toepassing van het gemeenschapsrecht (zaak 11/76, Nederland/Commissie, Jurispr. 1979, blz. 245).
Krachtens de artikelen 15 en 18 van verordening nr. 1035/72 behoeven de financiële vergoedingen voor het uit de markt nemen van goederen enkel te worden toegekend aan telersverenigingen, als omschreven in artikel 13 van die verordening. Indien de Commissie — zoals ik denk — tot de conclusie mocht komen, dat de vier betrokken verenigingen nooit aan de vereisten van artikel 13 voldeden, dan is hun erkenning van meet af aan ongeldig geweest. Dit is dan een vergissing van de betrokken Lid-Staat, die de financiële gevolgen daarvan moet dragen (zie artikel 3 van verordening nr. 729/70 en zaak 11/76, Nederland/Commissie, reeds aangehaald, blz. 279, r.o. 8, in fine).
In de derde plaats stelt de Italiaanse regering dat de bedragen in elk geval niet met terugwerkende kracht tot 1973 kunnen worden gekort, zoals de Commissie voorstelt, maar slechts 1) tot het tijdstip waarop definitief werd vastgesteld dat de vier verenigingen niet aan de voorwaarden voldeden (in de brief van de Commissie van 22 juli 1981), of 2) tot het tijdstip waarop dit voorlopig werd vastgesteld (in de brief van de Commissie van 11 november 1980), of althans tot het tijdstip vóór een begin met de controles werd gemaakt (aangevangen bij brief van de Commissie van 3 juli 1978).
Ik herhaal, dat indien de Commissie tot de conclusie mocht komen dat de vier betrokken verenigingen nooit aan de vereisten voldeden die artikel 13 van verordening nr. 1035/72 aan een telersvereniging stelt, er nooit een rechtsgrondslag heeft bestaan op basis waarvan hun uitgaven rechtmatig ten laste van het EOGFL konden worden gebracht (zie artikel 3 van verordening nr. 729/70 en zaak 11/76, reeds aangehaald, r.o. 8, in fine). De drie door de Italiaanse regering ingeroepen gebeurtenissen zijn hier niet van belang. Derhalve verwerp ik haar derde middel.
Bijgevolg moet mijns inziens de vordering in zaak 130/84 in haar geheel worden afgewezen, terwijl de vordering in zaak 129/80 moet worden afgewezen, voor zover het de uitkeringen aan de vier betrokken verenigingen van telers van groenten en fruit betreft.
2. Datum voor de omrekening in nationale valuta van de prijs voor interventieboter
Verordening nr. 1282/72 van de Commissie van 21 juni 1972 betreffende de verkoop van boter tegen verlaagde prijs aan het leger en daarmee gelijkgestelde eenheden (PB 1972, L 142, blz. 14) voorziet in de verkoop van opslagboter tegen verlaagde prijs aan de legers en de daarmee gelijkgestelde eenheden van de Lid-Staten. De verordening eist geen zekerheidsstelling, maar bepaalt dat de overname van de boter moet plaatsvinden binnen een termijn van zes maanden, ingaande op de dag van sluiting van het contract.
Verordening nr. 1717/72 van de Commissie van 8 augustus 1972 met betrekking tot de verkoop van boter tegen verlaagde prijs aan instellingen en gemeenschappen zonder winstoogmerk (PB 1972, L 181, blz. 11) voorziet dat opslagboter ten verbruike in de Gemeenschap tegen verlaagde prijs aan instellingen en gemeenschappen zonder winstoogmerk kan worden verkocht. Artikel 6 van die verordening bepaalt, dat een waarborg moet worden gesteld wanneer de aankoop geschiedt door een tussenpersoon, wanneer de gekochte hoeveelheid groter is dan vijf ton, of wanneer de betrokken instelling of gemeenschap is gevestigd in een andere Lid-Staat dan de verkopende Lid-Staat. Deze verordening bepaalt niet, binnen welke termijn na de sluiting van het contract de boter moet worden overgenomen.
Verordening nr. 2315/76 van 24 september 1976 met betrekking tot de verkoop van boter uit openbare opslag (PB 1976, L 261, blz. 12) regelt de verkoop tegen verlaagde prijs aan iedere belanghebbende van boter die ten minste zes maanden in interventie is opgeslagen. Artikel 2 bepaalt, dat de boter moet worden verkocht in hoeveelheden die vijf ton of meer bedragen en dat steeds, uiterlijk bij de sluiting van de verkoopovereenkomst, een waarborg moet worden gesteld. Ingevolge artikel 3 neemt de koper de boter over binnen een termijn van een maand, te rekenen vanaf de dag van de sluiting van de verkoopovereenkomst; wordt daaraan niet voldaan, dan wordt de overeenkomst verbroken en de waarborg verbeurd. Artikel 3 bepaalt tevens, dat de koper vóór de overname van iedere hoeveelheid aan het interventiebureau de desbetreffende koopprijs betaalt.
In alle drie verordeningen wordt de prijs van de boter in rekeneenheden uitgedrukt. In geen ervan wordt uitdrukkelijk bepaald, welke datum bepalend is voor de vaststelling van de wisselkoers voor de omrekening van de prijs van de boter van rekeneenheden in nationale valuta.
Italië heeft voor de omrekening in nationale valuta van de in rekeneenheden uitgedrukte prijs van de boter die het krachtens de verordening in het verkoopseizoen 1978 had verkocht, de koers gehanteerd die gold op de datum waarop het verkoopcontract was gesloten. Volgens de Commissie had evenwel de wisselkoers moeten worden gebruikt die op de dag van de overname van de boter gold. Door de schommelingen van de wisselkoers in 1978 waren de kosten door de toepassing van de door de Italiaanse autoriteiten gekozen datum hoger uitgevallen dan bij toepassing van de door de Commissie voorgestane datum. De Commissie weigerde daarom, het EOGFL het extrabedrag te laten financieren dat verschuldigd zou zijn bij toepassing van de door de Italiaanse autoriteiten gehanteerde datum, te weten 305825498 LIT.
De artikelen 4, lid 2, en 6 van verordening nr. 1134/68 van de Raad van 30 juli 1968 bevatten regels voor de toepassing van verordening nr. 653/68 betreffende de voorwaarden voor wijziging van de waarde van de voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid gebruikte rekeneenheid (PB 1968, L 188, blz. 1).
Artikel 4, lid 2, bepaalt:
„Voor de transacties, tot stand gekomen in het kader van de bepalingen betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid of de bijzondere regelingen voor het handelsverkeer van goederen, verkregen door verwerking van landbouwprodukten, worden de aan of door een Lid-Staat of een naar behoren gemachtigd orgaan verschuldigde sommen, uitgedrukt in de nationale munteenheid en overeenkomend met de in genoemde bepalingen in rekeneenheden vastgestelde bedragen, betaald met gebruikmaking van de verhouding tussen de rekeneenheid en de nationale munteenheid die gold op het tijdstip van totstandkoming van de transactie of het gedeelte van de transactie.”
Artikel 6 bepaalt:
„Voor de toepassing van deze verordening wordt als tijdstip van totstandkoming van de transactie de datum beschouwd waarop, in de zin van de communautaire regeling, of bij gebreke en in afwachting daarvan, van de regeling van de betrokken Lid-Staat, het feit plaatsvindt waardoor het bedrag dat betrekking heeft op deze transactie verschuldigd wordt.”
De „datum waarop het feit plaatsvindt waardoor het bedrag dat betrekking heeft op deze transactie verschuldigd wordt”, wordt dus bepaald door de regeling van de betrokken Lid-Staat, tenzij en totdat een communautaire regeling is vastgesteld. De vraag is dus, of er een dergelijke communautaire regeling bestaat. Volgens de Commissie zou dat het geval zijn. Zij stelt dat de verordeningen nrs. 1282/72, 1717/72 en 2315/76 een autonome regeling invoeren betreffende overeenkomsten voor de verkoop van boter tegen verlaagde prijs; in deze regeling kan de koper, totdat hij de prijs heeft betaald, steeds zijn contract opzeggen, in de verordeningen nrs. 1282/72 en 1717/72 zonder zijn zekerheid te verbeuren, in verordening nr. 2315/76 onder verbeurte van zijn zekerheid. Omdat het contract aldus kan worden opgezegd, kan volgens de Commissie de sluiting van de overeenkomst op zich niet als het feit worden beschouwd, „waardoor het bedrag dat betrekking heeft op deze transactie verschuldigd wordt”, als bedoeld in artikel 6 van verordening nr. 1134/68. Volgens de Commissie is dat feit de overname van de boter door de koper, wat op zijn beurt onderstelt dat de prijs is betaald, omdat de verkoop eerst daardoor definitief wordt.
De keuze van de datum van overname van de boter biedt enige zekerheid. De eerste vraag is evenwel of de verordeningen nrs. 1282/72, 1717/72 en 2315/76 een bepaling bevatten waarin wordt vastgesteld, van welke datum moet worden uitgegaan bij de omrekening van de prijs van de boter van Ecu naar nationale valuta. Volgens mij bevatten zij uitdrukkelijk noch impliciet een bepaling van dien aard.
De Commissie merkt eveneens op dat zij in maart 1977 in het Comité van Beheer voor melk en zuivelprodukten heeft verdedigd, dat voor interventietransacties als relevante datum moet worden aangemerkt, de datum waarop de transactie haar economisch doel bereikt, te weten de datum van de overname van het produkt. De Commissie heeft dit standpunt nadien in brieven en telexberichten aan alle Lid-Staten bevestigd. Volgens de Commissie zou er sinds maart 1977 op dit punt dan ook geen onzekerheid meer hebben bestaan. De Lid-Staten mogen dan op de hoogte zijn geweest van het standpunt van de Commissie, het blijft echter slechts een standpunt. Mijns inziens is het standpunt dat de Commissie in het Comité van Beheer heeft ingenomen geen „communautaire regeling”, als bedoeld in artikel 6 van verordening nr. 1134/68.
Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht bestaat er geen „communautaire regeling” die de relevante datum, bedoeld in artikel 6, bepaalt. Mitsdien moet de relevante datum, bedoeld in dat artikel, worden vastgesteld met verwijzing naar de „regeling van de betrokken Lid-Staat”.
De Italiaanse regering stelt in haar memories, dat toepassing van de wisselkoers die geldt op de datum waarop de overeenkomst is gesloten, in overeenstemming is met de Italiaanse wet. De Commissie heeft dat niet betwist. De Italiaanse regering lijkt dus te zijn uitgegaan van de datum die haar nationale regeling voorschreef, zoals artikel 6 van verordening nr. 1134/68 in de huidige stand van het gemeenschapsrecht vereist. Bijgevolg zouden haar uitgaven voor de verkoop van boter tegen verlaagde prijs in het verkoopseizoen 1978 gerechtvaardigd zijn en de beschikking van de Commissie nietig moeten worden verklaard, voor zover zij weigert deze uitgaven ten laste van het EOGFL te brengen.
Voorts stelt de Italiaanse regering, dat de toepassing van de wisselkoers die gold op de dag waarop de overeenkomst werd gesloten, in overeenstemming is met een algemeen beginsel dat in het bijzonder tot uitdrukking komt in artikel 8 van verordening nr. 2182/77 van de Commissie van 30 september 1977 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de verkoop van uit de interventievoorraden afkomstig bevroren rundvlees, dat bestemd is voor verwerking in de Gemeenschap, tevens houdende wijziging van verordening nr. 1687/76 (PB 1977, L 251, blz. 60), dat bepaalt: „In de zin van artikel 6 van verordening nr. 1134/68 wordt het feit waardoor de verplichting ontstaat tot het ... betalen van de verkoopprijs, geacht te hebben plaatsgevonden op de dag waarop de verkoopovereenkomst is afgesloten.” De Commissie betoogt dat er geen reden is om artikel 8 van verordening nr. 2182/77 als de uitdrukking van een algemeen beginsel op te vatten, en wijst op een aantal punten waarin de regeling betreffende de verkoop van bevroren rundvlees uit interventievoorraden verschilt van de regeling betreffende de verkoop van boter uit interventievoorraden. Een van deze verschillen zou zijn, dat in verordening nr. 2182/77 de handelaars een hoge waarborg moeten stellen; er zij evenwel op gewezen, dat ook in de verordeningen nrs. 1717/72 en 2315/76 betreffende boter een waarborg moet worden gesteld.
Welke de verschillen tussen de sector voor rundvlees en die voor boter ook mogen zijn, het blijven verschillende sectoren. Niet behoeft te worden uitgemaakt, of artikel 8 van verordening nr. 2182/77 in de sector voor rundvlees zou moeten worden getransponeerd op die voor boter. Opvallend is evenwel, dat nog steeds geen communautair voorschrift is vastgesteld in de sector voor boter. Bijgevolg moet krachtens artikel 6 van verordening nr. 1134/68 te rade worden gegaan bij de nationale regeling van de betrokken Lid-Staat, met het reeds aangegeven gevolg dat Italiës vordering op dat onderdeel moet worden toegewezen.
3. Verliezen bij de verwerking van magere-melkpoeder tot veevoeder
Artikel 1 van verordening nr. 990/72 van de Commissie van 15 mei 1972 met betrekking tot de uitvoeringsbepalingen inzake de toekenning van steun voor tot mengvoeder verwerkte ondermelk en voor magere-melkpoeder, bestemd voor veevoeder (PB 1972, L 115, blz. 1), bepaalt: „Steun wordt slechts toegekend voor magere-melkpoeder... dat tot mengvoeder is verwerkt”, op de in artikel 4 van de verordening voorziene wijze.
De derde overweging van verordening nr. 990/72 luidt: „Het verdient aanbeveling ervoor te zorgen, dat de ondermelk en het magere melkpoeder waarvoor steun wordt toegekend, daadwerkelijk worden gebruikt voor veevoeder.” Artikel 2, lid 5, van verordening nr. 986/68 van de Raad van 15 juli 1968 houdende vaststelling van de algemene voorschriften voor de toekenning van steun voor ondermelk en magere-melkpoeder bestemd voor voederdoeleinden (PB 1968, L 169, blz. 4), zoals gewijzigd bij verordening nr. 1038/72 van de Raad (PB 1972, L 118, blz. 21), bepaalt: „Elk in lid 1 bedoeld produkt, waarvoor steun wordt verleend, mag slechts worden gebruikt als voeder voor dieren”. Onder meer in het licht van deze bepalingen moet artikel 1 van verordening nr. 990/72 zo worden gelezen, dat enkel het magere-melkpoeder dat werkelijk tot mengvoeder is verwerkt, voor gemeenschapssteun in aanmerking komt; van de resterende hoeveelheid, die weliswaar voor een dergelijke produktie was bestemd en tijdens de produktie is „gebruikt”, doch verloren is gegaan, kan niet worden gezegd dat ze is verwerkt (zaken 61 en 62/82, Italië/Commissie, Jurispr. 1983, blz. 656 respectievelijk 687; conclusie van advocaat-generaal Rozès, blz. 679-680; dictum en r.o. 11 en 12 in zaak 61/82 en r.o. 4 en 5 in zaak 62/82).
Melkpoeder dat tijdens het produktieproces van veevoeder is verloren gegaan, komt dus niet in aanmerking voor gemeenschapssteun. De Lid-Staat die steun verleent voor zulke verliezen, moet de uitgaven dus zelf dragen en kan die niet door het EOGFL laten financieren. Bij het onderzoek van de rekeningen van de Lid-Staten moet de Commissie de voor zulke verliezen uitgekeerde steun aftrekken van de bedragen die ten laste van het EOGFL kunnen worden gebracht.
Het Italiaanse interventiebureau keerde over de jaren 1974 en 1975 niet alleen steun uit voor werkelijk gebruikt magere-melkpoeder, maar ook voor bij de produktie verloren gegaan magere-melkpoeder, voor zover die verliezen niet meer dan 2% bedroegen, op grond dat zulks in Italië steeds was gebeurd. Bij de goedkeuring van de rekeningen bracht de Commissie 2% in mindering op de door Italië ter zake van verordening nr. 990/72 opgegeven uitgaven.
In de zaken 61 en 62/82 betreffende 1974, respectievelijk 1975 kwam Italië tegen die vermindering op, maar werd het beroep door het Hof afgewezen. Produktieverliezen kunnen niet ten laste van het EOGFL worden gebracht. Subsidiair stelde de Italiaanse regering, dat de Commissie de betrokken uitgaven niet met het in de Italiaanse regeling voorziene maximumpercentage van 2% kon verminderen, maar enkel met een bedrag, overeenkomende met het gemiddelde werkelijke verlies waarvoor steun was toegekend en dat het op 1% raamde. Het Hof overwoog (r.o. 14 en 15 van het arrest in zaak 61/82 en r.o. 7 en 8 van het arrest in zaak 62/82):
„Als bewijs heeft de Italiaanse regering het Hof een staat overgelegd, die echter slechts betrekking heeft op 25% van de totale hoeveelheid melkpoeder die in de jaren 1974 en 1975 in Italië tot veevoeder is verwerkt. Voor deze hoeveelheid bedroeg het gemiddelde verlies 1,745% in 1974 en 1,464% in 1975.
Hiermee is niet komen vast te staan, dat de werkelijke verliezen over de totale verwerkte hoeveelheid belangrijk afwijken van het in de Italiaanse regeling voorziene maximumpercentage van 2%, waarvan de Commissie bij de goedkeuring is uitgegaan.”
Ik lees deze passage aldus, dat wanneer de Commissie voor verliezen toegekende nationale steun aftrekt, het werkelijke bedrag van de door de nationale autoriteiten voor verliezen toegekende steun moet worden afgetrokken, maar dat indien het werkelijke bedrag niet kan worden bewezen, de Commissie gerechtigd is een forfaitaire aftrek toe te passen die overeenkomt met het forfaitaire maximumpercentage dat in de nationale wet voor de steunverlening is vastgesteld. Het Hof was van oordeel, dat er met betrekking tot de jaren 1974 en 1975 geen belangrijk verschil bestond tussen de bewezen feitelijke cijfers en het forfaitaire percentage en bevestigde daarom de beslissing van de Commissie om bij de berekening van de vermindering van de Italiaanse uitgaven over 1974 en 1975 die ten laste van het EOGFL konden worden gebracht, een forfaitair percentage (2%) toe te passen.
De zaken 61 en 62/82 waren nog voor het Hof aanhangig toen de rekeningen betreffende 1976 en 1977 werden goedgekeurd. Bij telexbericht van 10 september 1979 verzocht de Commissie de Italiaanse autoriteiten de werkelijke verliezen in die jaren te bewijzen. De Italiaanse autoriteiten hebben nagelaten dat te doen. Omdat de Italiaanse autoriteiten in gebreke bleven de werkelijke verliezen over die jaren te bewijzen, heeft de Commissie ook van de betrokken uitgaven over 1976 en 1977 een forfaitiar percentage van 2% afgetrokken. Volgens het syntheseverslag betreffende de begrotingsjaren 1976-1977 evenwel was de beslissing om bovengenoemde bedragen voor Italië te verminderen van voorlopige aard en zou de Commissie deze kwestie opnieuw bekijken wanneer het Hof zich zou hebben uitgesproken. Dit blijkt ook uit de considerans bij de beschikkingen van de Commissie betreffende de goedkeuring van de rekeningen betreffende 1976 en 1977 (beschikkingen 83/37, PB 1983, L 38, biz. 30 en 83/48, PB 1983, L 40, biz. 55) waarin werd verklaard dat over deze en andere verminderingen „bij de onderhavige goedkeuring van de rekeningen niet definitief kan worden beslist omdat eerst aanvullende onderzoeken moeten worden uitgevoerd (en) dat het betrokken bedrag... eventueel bij de goedkeuring van de rekeningen over het begrotingsjaar 1978 in aanmerking kan worden genomen”.
Na de arresten van het Hof in de zaken 61 en 62/82 van 15 maart 1983 zonden de Italiaanse autoriteiten de Commissie op 26 april 1983 in het kader van de controle van de rekeningen betreffende de jaren 1978 en 1979 een gedetailleerde staat waaruit bleek dat de werkelijke verliezen in 1976 1,53%, in 1977 1,15%, in 1978 0,58% en in 1979 0,73% bedroegen. De Commissie aanvaardde die percentages voor de met betrekking tot 1978 en 1979 opgegeven uitgaven en baseerde de vermindering die ter zake van de steun voor de verwerking van mageremelkpoeder op deze opgegeven uitgaven werd toegepast, op het werkelijke verliespercentage dat de Italiaanse regering had meegedeeld.
Voor de jaren 1976 en 1977 bleef de Commissie evenwel bij een vermindering van de uitgaven met een forfaitair percentage van 2%. In het syntheseverslag betreffende de begrotingsjaren 1978 en 1979 stelde de Commissie, dat zij niet verder kon gaan dan de uitspraak van het Hof toeliet en niet kon terugkomen op haar eerdere beschikkingen waarbij de rekeningen formeel waren afgesloten. In het syntheseverslag wordt verder verklaard, dat de omstandigheid dat de Commissie zich in de beschikkingen over 1976 en 1977 het recht voorbehield om een nieuw onderzoek te verrichten, een complementair beroep voor deze dienstjaren beoogde te vermijden, maar niet bestemd was om een nieuwe bijkomende termijn te openen, waarbinnen Italië bewijsstukken kon indienen. Om in het kader van de goedkeuring van de rekeningen te kunnen worden erkend, hadden deze bewijsstukken ingediend moeten zijn, voordat de Commissie haar goedkeuringsbeschikking had gegeven. De bewijzen die eind april 1983 werden voorgelegd, kwamen te laat en konden geen aanleiding meer geven tot een wijziging van de beschikking van de Commissie.
Het is tegen deze beschikking dat de Italiaanse regering opkomt. Zij stelt dat enkel werkelijke verliezen van financiering door het EOGFL kunnen worden uitgesloten. Zij wijst erop, dat de Commissie dit standpunt voor 1978 en 1979 heeft aanvaard en dat dit haars inziens ook de teneur is van de arresten van het Hof van 15 maart 1983. Zij stelt dat de Commissie in de beschikkingen inzake de goedkeuring van de rekeningen betreffende de begrotingsjaren 1976 en 1977 het gehele vraagstuk heeft opengelaten, in afwachting van de uitspraak van het Hof, en in die omstandigheden niet kan staande houden dat de voorheen voorlopige beschikkingen definitief zijn, in die zin dat het niet meer mogelijk is ter zake van die jaren bewijsmateriaal aan te voeren.
De Commissie blijft erbij dat zodra zij de rekening betreffende een bepaald begrotingsjaar heeft afgesloten, het voor de Lid-Staten te laat is om de in dat jaar geleden verliezen te bewijzen. Italië heeft nagelaten tijdig de werkelijke verliezen te bewijzen, weshalve het deze niet meer kan vorderen. Het voorbehoud dat zij bij de goedkeuring van de rekeningen betreffende de begrotingsjaren 1976 en 1977 heeft geformuleerd, betekende enkel dat de Commissie haar standpunt in heroverweging zou nemen, indien zij het geding zou verliezen. Aangezien het Hof de visie van de Commissie evenwel bevestigde, was zij niet verplicht haar beschikkingen te herzien in het licht van nieuwe bewijsstukken betreffende de werkelijke verliezen.
In beginsel moet de Lid-Staat die wil dat de Commissie rekening houdt met de werkelijke verliezen, deze verliezen bewijzen; anders is de Commissie op grond van de arresten van het Hof in de zaken 61 en 62/82, zoals ik die lees, gerechtigd een forfaitair percentage toe te passen. Italië had de werkelijke verliezen in 1976 en 1977 dus moeten bewijzen toen de Commissie daarom vroeg, waarbij het desgewenst een uitdrukkelijk voorbehoud had kunnen formuleren dat dit zijn rechten in de toen aanhangige zaken onverlet liet.
Anderzijds hadden de arresten in de zaken 61 en 62/82 de juridische situatie nog niet opgehelderd. Ik vat het voorbehoud in het syntheseverslag betreffende de begrotingsjaren 1976 en 1977 en de considerans bij de beschikkingen 83/37 en 83/48 betreffende de goedkeuring van de rekeningen betreffende de begrotingsjaren 1976 en 1977 aldus op, dat de rekeningen niet definitief waren afgesloten. De Commissie mocht de kwestie opnieuw onderzoeken. Mijns inziens had zij dit billijkheidshalve in het licht van de door de Italiaanse regering aangevoerde bewijzen moeten doen.
Bijgevolg concludeer ik tot nietigverklaring van de definitieve vermindering in beschikking 84/202 ten belope van het verschil tussen het forfaitaire percentage dat de Commissie heeft toegepast en de percentages die zouden overeenkomen met de werkelijke verliezen in de jaren 1976 en 1977: een verschil van 227433782 LIT voor 1976 en 570058890 LIT voor 1977. Dit betekent niet dat deze bedragen vervolgens aan Italië moeten worden betaald. De Commissie heeft tot dusverre de Italiaanse cijfers aanvaard noch verworpen: zij heeft ze nog niet onderzocht. Krachtens artikel 176 EEGVerdrag dient de Commissie na zulk een gedeeltelijke nietigverklaring een nieuwe beschikking over de toe te passen vermindering te geven.
Ik concludeer derhalve in zaak 129/84 tot nietigverklaring van beschikking 84/202 van de Commissie, voor zover daarin niet ten laste van het EOGFL worden gebracht: 1) 305825498 LIT voor verkopen van boter uit interventi evoorraden tegen verlaagde prijzen in het verkoopseizoen 1978 en 2) 227433782 LIT en 570058890 LIT uit hoofde van verliezen bij de verwerking van magere-melkpoeder tot veevoeder in 1976 respectievelijk 1977. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen. Aangezien elke partij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk is gesteld, dienen krachtens artikel 69, paragraaf 3, van het Reglement voor de procesvoering de proceskosten te worden gecompenseerd.
In zaak 130/84 geef ik op grond van het voorgaande het Hof in overweging, het beroep integraal te verwerpen en krachtens artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering de Italiaanse Republiek in de kosten te verwijzen.
( *1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy