CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. O. LENZ
van 28 maart 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A.
1.
Aan de prejudiciële vraag die het Hof van Beroep te Luik in het kader van een Belgische strafzaak aan het Hof heeft voorgelegd, liggen de volgende feiten ten grondslag.
Op 27 augustus 1981 kwam een inwoner van een Duitstalige gemeente in een van de Belgische Oostkantons na een lange kroegentocht in conflict met enige Belgische rijkswachters. Daarbij kwam het tot handgemeen. De Belgische rijkswacht van het district Eupen — Brigade Sint-Vith — heeft de (latere) verdachte in het Duits verhoord, omdat deze de wens had geuit, zijn verklaringen in het Duits af te leggen. De processenverbaal en formulieren van de rijkswacht waren eveneens in het Duits opgesteld. Alleen de gegevens over zijn „gerechtelijk verleden/uittreksel uit het centraal strafregister” zijn in het Frans ingevuld op een in het Duits opgestelde vragenlijst. De dagvaarding tot oproeping van verdachte voor de hoofdzaak was in het Frans gesteld, doch van een Duitse vertaling voorzien.
Verdachte, die verstek had laten gaan, werd bij vonnis van 2 november 1982 door de correctionele rechtbank te Verviers tot een geldboete veroordeeld. Tegen dit verstekvonnis deed de verdachte verzet. Terzelfder tijd verzocht hij, dat de strafzaak in het Duits zou worden gevoerd. Bij vonnis van 23 november 1982 deed de correctionele rechtbank te Verviers de navolgende uitspraak:
„Het verzet wordt ontvankelijk verklaard.
Het vervolg van de procedure wordt in het Duits gevoerd.
De uitspraak over de kosten wordt aangehouden.”
Van dit vonnis ging het openbaar ministerie in hoger beroep bij het Hof van Beroep te Luik. Het was van mening, dat de beslissing om het vervolg van de strafprocedure in het Duits te voeren onwettig was daar verdachte geen Belg was en derhalve geen aanspraak kon maken op een procedure in het Duits.
Op dit punt lijkt het mij wenselijk hier enige nadere gegevens te verstrekken over de persoon van de verdachte en over de Belgische regeling inzake de procestaai.
Verdachte is in 1957 geboren te Thommen, een deelgemeente van de gemeente Burg Reuland, in een van de Duitstalige Belgische Oostkantons. Blijkens het inlichtingsformulier van de gemeente Burg Reuland van 28 januari 1981 heeft verdachte vanaf zijn geboorte in deze gemeente gewoond, althans tot 1981. Verdachte is een werknemer (dakdekker).
Artikel 17 van de Belgische wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken bepaalt:
„Voor de politierechtbanken van Eupen en Sint-Vith, wordt de rechtspleging in het Duits gevoerd, tenzij de verdachte aanvraagt, op de in artikel 16 aangeduide wijze, dat de rechtspleging in het Frans zou gevoerd worden.
Voor de politierechtbanken in Malmedy, Aubel en Limburg, wordt de rechtpleging in het Frans gevoerd, tenzij de verdachte die de Belgische nationaliteit bezit, aanvraagt, op de in artikel 16 aangeduide wijze, dat de rechtspleging in het Duits zou gevoerd worden.
Wanneer de verdachte de Belgische nationaliteit bezit en woonachtig is in een Duitssprekende gemeente, gelegen binnen het gebied van de correctionele rechtbank van Verviers, wordt de rechtspleging voor dat gerecht... in het Duits gevoerd, wanneer de aanvraag daartoe gedaan wordt op de in artikel 16 aangeduide wijze.”
Blijkens het arrest van het Hof van Beroep te Luik van 23 november 1983 staat het vast, dat verdachte van Luxemburgse nationaliteit is en thans woont te Sint-Vith, een Duitstalige gemeente in het rechtsgebied van de correctionele rechtbank te Verviers. Verdachte, die verklaart alleen Duits te kennen, of zich althans in deze taal gemakkelijker uit te drukken, heeft krachtens de artikelen 16, tweede alinea, en 17, derde alinea, van de wet van 15 juni 1935 verzocht, dat de rechtspleging in het Duits zou worden gevoerd. Naar luid van genoemde artikelen hebben evenwel enkel Belgische onderdanen het recht aan te vragen, dat de procedure voor bedoelde rechtbank in het Duits wordt gevoerd.
Daar het Hof van Beroep betwijfelde of de beperking van dit recht tot Belgische onderdanen verenigbaar is met het gemeenschapsrecht, heeft het bij arrest van 26 april 1984 het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Is artikel 17, derde alinea, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarbij aan de beklaagde van Belgische nationaliteit die zijn woonplaats heeft in een Duitstalige gemeente binnen het rechtsgebied van de correctionele rechtbank te Verviers, de bevoegdheid wordt verleend te verzoeken dat de rechtspleging in het Duits wordt gevoerd, in overeenstemming met de beginselen neergelegd in artikel 220 EEG-Verdrag, dat ertoe strekt de bescherming van de persoon alsmede het genot en de bescherming van de rechten, overeenkomstig de voorwaarden welke in elke staat voor de eigen onderdanen gelden te verzekeren; met andere woorden, wat de onderhavige zaak betreft: dient een Duits sprekend persoon die onderdaan is van een Lid-Staat van de EEG en met name, zoals in casu de Luxemburgse nationaliteit bezit en te Sint-Vith, een Duitstalige gemeente, woont, in strafzaken de bevoegdheid te worden verleend om te verzoeken dat de rechtspleging in het Duits wordt gevoerd ?”
2.
De Italiaanse regering, de Commissie van de Europese Gemeenschappen en verdachte in het hoofdgeding hebben opmerkingen ingediend.
Volgens de Italiaanse regering zijn nationale wettelijke bepalingen ter bescherming van taalminderheden gewoonlijk slechts op de leden van die minderheid en binnen hun taalgebied van toepassing. Derhalve kan een lid van een erkende taaiminderheid niet verlangen dat in een procedure buiten zijn taalgebied zijn moedertaal wordt gebruikt, en evenmin kan een onderdaan van een andere Lid-Staat verlangen dat de taal van de minderheid wordt gebruikt omdat hij de taal ván die minderheid — die niet de officiële taal is van de staat waarin hij woont — spreekt en in het taalgebied van die minderheid woont. In zo'n geval moet een tolk worden ingeschakeld.
Deze oplossing verdraagt zich met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, daar zij de gelijke behandeling en de eerbiediging van de rechten van de verdediging genoegzaam waarborgt; deze oplossing voldoet eveneens aan artikel 220 EEG-Verdrag, nu vreemdelingen dezelfde rechten genieten als de eigen onderdanen die niet tot de taaiminderheid behoren en dus ook geen recht hebben op een in de taal van de minderheid gevoerd proces.
Concluderend geeft de Italiaanse regering in overweging, de vraag van het Hof van Beroep te Luik ontkennend te beantwoorden.
De Commissie stelt om te beginnen, dat gelet op de formulering van de vraag slechts kan worden geantwoord, dat een Lid-Staat niet verplicht is de onderdanen van andere Lid-Staten de in artikel 220 EEG-Verdrag bedoelde rechten te waarborgen zolang de Lid-Staten niet een overeenkomst als bedoeld in dit artikel hebben gesloten.
Daar de verwijzende rechter evenwel een antwoord verwacht om in algemene zin te kunnen beoordelen of artikel 17 van de wet van 1935 verenigbaar is met het gemeenschapsrecht, moet de vraag anders worden geformuleerd, namelijk, of bij de uitlegging van artikel 17 bepaalde gemeenschapsbepalingen in aanmerking moeten worden genomen. Hier moet worden gedacht aan bepalingen inzake het vrije verkeer van werknemers of de vrijheid van vestiging. Voor beide gebieden gelden dezelfde beginselen.
Na een grondig onderzoek van de rechtspraak van het Hof betreffende het vrije verkeer van werknemers, inzonderheid betreffende het begrip „sociale voordelen” in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 inzake het vrije verkeer van werknemers, komt de Commissie tot de slotsom, dat verdachte in het hoofdgeding het recht om te verlangen dat zijn proces in het Duits wordt gevoerd, ontleent aan zijn status van werknemer uit een andere Lid-Staat.
Verdachte in het hoofdgeding deelt het standpunt van de Commissie.
B.
Ten aanzien van de prejudiciële vraag wil ik het volgende opmerken.
Het Hof van Beroep te Luik wil vernemen of de verdachte op grond van artikel 220 EEG-Verdrag kan verlangen, dat zijn proces in het Duits wordt gevoerd.
Artikel 220 EEG-Verdrag bepaalt:
„Lid-Staten treden, voor zover nodig, met elkaar in onderhandeling ter verzekering, voor hun onderdanen, van
—
de bescherming van de persoon alsmede het genot en de bescherming van de rechten, overeenkomstig de voorwaarden welke in elke Staat voor de eigen onderdanen gelden ...”
Met deze verdragsbepaling moet, voor zover nodig, worden verzekerd, dat onderdanen van andere Lid-Staten van de Gemeenschap op gelijke wijze worden behandeld als de eigen onderdanen. Het aan de onderdanen toegekende recht om zich voor de rechter van een bepaalde taal te bedienen, zou dus volledig onder deze bepaling van het EEG-Verdrag kunnen vallen.
De Commissie heeft verklaard, dat een Lid-Staat niet verplicht is de in artikel 220 EEG-Verdrag bedoelde rechten te waarborgen, zolang de Lid-Staten ter zake geen overeenkomst hebben gesloten.
Mijns inziens behoeft op deze vraag niet nader te worden ingegaan. De noodzaak van zulke onderhandelingen kan in casu open worden gelaten, daar het antwoord op de vraag van het Hof van Beroep te Luik uit andere gemeenschapsbepalingen kan worden afgeleid.
Daarvoor moet de formulering van de vraag evenwel worden aangepast, zoals ook de Commissie heeft voorgesteld. Zulk een herformuleren van een vraag is niet nieuw voor het Hof. Immers, reeds in het arrest van 11 april 1973 (zaak 76/72, Michel S., Jurispr. 1973, blz. 457) heeft het verklaard, dat het in het kader van artikel 177 niet bevoegd is, een communautaire regel op een bepaald geval toe te passen en bijgevolg een nationaal rechtsvoorschrift aan die regel te toetsen, maar wel aan de nationale rechter interpretatiegegevens met betrekking tot het gemeenschapsrecht kan verstrekken die voor hem van waarde kunnen zijn bij de beoordeling van het effect dier bepaling. In dit arrest heeft het Hof uitspraak gedaan over gemeenschapsbepalingen die in de prejudiciële vraag niet waren genoemd, maar die voor de toen aanhangige zaak wel van belang waren. In het arrest van 21 maart 1985 (zaak 172/84, Celestri, Jurispr. 1985, blz. 966) heeft het Hof iets dergelijks gedaan, door de verwijzende rechter op de relevante bepaling te wijzen, en zelf heb ik dit vorige week het Hof nog in overweging gegeven in mijn conclusie in de zaak-Frascogna (conclusie van 21 maart 1985 in zaak 157/84, Frascogna, Jurispr. 1985, blz. 1740).
In casu moet op dezelfde wijze tewerk worden gegaan en worden onderzocht of verdachte krachtens andere gmeenschapsbepalingen aanspraak erop kan maken dat zijn strafproces in het Duits wordt gevoerd. Het is niet uitgesloten, dat hij een dergelijk recht aan zijn rechtspositie als werknemer in de zin van artikel 48 EEG-Verdrag en van verordening nr. 1612/68 kan ontlenen.
Het EEG-Verdrag rekent het vrije verkeer van werknemers tot de fundamentele beginselen van het gemeenschapsrecht. Evenals de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten die worden gewaarborgd door de artikelen 3, sub c, 48, 52 en 59 van het Verdrag, hoort het in het stelsel van de Gemeenschappen tot de fundamentele vrijheden (zaak 115/78, Knoors, Jurispr. 1979, blz. 399, r.o. 19 en 20). Artikel 3, sub c, vermeldt om te beginnen als een van de doelstellingen van de Gemeenschap, de verwijdering tussen de Lid-Staten van hinderpalen voor het vrije verkeer van personen. Artikel 48 EEG-Verdrag geeft een gedetailleerde omschrijving van het vrije verkeer van werknemers. Deze houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der Lid-Staten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.
Het Hof heeft deze verdragsbepaling nooit restrictief uitgelegd (arresten van 4 april 1974, zaak 167/73, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1974, blz. 359 en van 13 juli 1983, zaak 152/82, Forcheri, Jurispr. 1983, blz. 2323). Daarentegen heeft het Hof de beperking die artikel 48, lid 4, EEG-Verdrag aan het vrije verkeer stelt voor betrekkingen in overheidsdienst wel restrictief uitgelegd. Het heeft deze slechts toegestaan voor gebieden die al dan niet rechtstreeks deelneming aan de uitoefening van het openbaar gezag inhouden en die strekken tot bescherming van de algemene belangen van de staat (arrest van 17 december 1980, zaak 149/79, Commissie/België, Jurispr. 1980, blz. 3881). Voor dergelijke betrekkingen heeft het Hof aanvaard dat een „bijzondere band van solidariteit ten opzichte van de staat en een wederkerigheid van rechten en plichten die de grondslag vormen van de nationaliteitsverhouding” kan worden verlangd.
Deze gedachte kan ook in de onderhavige zaak worden aangewend. Er is een beperkte categorie van rechten en plichten die omwille van de „bijzondere band van solidariteit” kunnen worden voorbehouden aan de eigen onderdanen. Deze categorie staat tegenover de categorie van „sociale” of maatschappelijke rechten die zonder onderscheid aan alle werknemers moeten worden gewaarborgd.
De vraag in welke taal een strafproces moet worden gevoerd, behoort duidelijk tot de tweede categorie. Een strafproces wordt namelijk juist niet gekenmerkt door een „bijzondere band van solidariteit” zodat het genot van bepaalde rechten van de verdediging — zoals de keuze van de procestaal — niet van de nationaliteit afhankelijk kan worden gemaakt.
De Gemeenschap heeft zich van haar wetgevende taak, als bedoeld in artikel 49 EEG-Verdrag, gekweten door de vaststelling van verordening nr. 1612/68 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap. Volgens de considerans bij deze verordening „[houdt] de verwezenlijking van dit doel (het vrije verkeer) de afschaffing (in) van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen de werknemers der Lid-Staten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden...”.
Vervolgens wordt in de vijfde overweging van de considerans overwogen
„dat het recht van het vrije verkeer, om volgens objectieve maatstaven van waardigheid en vrijheid te kunnen worden uitgeoefend, vereist dat de gelijkheid van behandeling in alles wat de uitoefening van arbeid in loondienst en de toegang tot huisvesting betreft, in feite en in rechte verzekerd is, en eveneens dat de belemmeringen voor de mobiliteit van de werknemers uit de weg worden geruimd, met name wat betreft het recht van de werknemer om zijn familie te doen overkomen en de voorwaarden voor de integratie van deze familie in het land van ontvangst”.
In titel II van de verordening betreffende het „verrichten van arbeid en gelijkheid van behandeling” wordt in artikel 7, lid 2, bepaald dat „hij [de werknemer] er [op het grondgebied van andere Lid-Staten] dezelfde sociale en fiscale voordelen geniet als de nationale werknemers”.
Alvorens te onderzoeken of een Duitstalige werknemer aan artikel 7 van verordening nr. 1612/68 het recht kan ontlenen om te vragen dat een strafproces in een van de Oostkantons in België in het Duits wordt gevoerd, wil ik eerst een kort overzicht geven van de rechtspraak van het Hof betreffende deze bepaling.
In zaak 15/69 (Ugliola, Jurispr. 1969, blz. 363) moest het Hof antwoorden op de vraag of vorengenoemde bepaling moet worden geïnterpreteerd „in die zin dat een werknemer — onderdaan van een Lid-Staat en op het grondgebied van een andere Lid-Staat werkzaam — overeenkomstig het recht van het land waar de arbeid wordt verricht voor de bepaling van de bij zijn werkgever volbrachte diensttijd aanspraak kan maken op toerekening van de diensttijd gedurende welke hij zijn werk heeft moeten onderbreken ten einde zijn militaire dienstplicht in zijn land van herkomst te vervullen”.
In zijn arrest van 15 oktober 1969 overwoog het Hof in de eerste plaats, dat het gemeenschapsrecht op het stuk der arbeidsverhoudingen berust op het beginsel dat het recht van iedere Lid-Staat aan de onderdanen der overige Lid-Staten die op zijn grondgebied zijn tewerkgesteld, alle aan de eigen onderdanen toegekende voordelen moet verzekeren. Vervolgens verklaarde het dat een nationale wet welke aan een werknemer die zijn arbeid in zijn vroegere bedrijf hervat, de aan afwezigheid wegens militaire dienst verbonden nadelen wil besparen, een regeling is op het stuk van de arbeidsvoorwaarden. Zodanige wet zou derhalve niet — op grond van een zijdelings verband met de landsverdediging — onttrokken zijn aan de toepassing van artikel 7 van verordening nr. 1612/68.
In zaak 9/74 (Casagrande, Jurispr. 1974, blz. 773) moest het Hof zich buigen over de vraag of de beperking van de uitkeringen uit hoofde van het Beierse Ausbildungsförde -rungsgesetz tot Duitsers, staatloze buitenlanders en buitenlanders die asiel genieten, verenigbaar was met het gemeenschapsrecht. In zijn arrest van 3 juli 1974 overwoog het Hof onder meer, dat het onderwijsbeleid als zodanig weliswaar niet behoort tot de onderwerpen die het Verdrag onder de bevoegdheid van de gemeenschapsinstellingen heeft gebracht, doch dat hieruit niet volgt dat de uitoefening van de aan de Gemeenschap overgedragen bevoegdheden op enigerlei wijze zou zijn beperkt, wanneer zij kan doorwerken op maatregelen tot uitvoering van een beleid zoals het onderwijsbeleid. Het Hof vervolgde : al mag de vaststelling van de in het artikel 12 van verordening nr. 1612/68 bedoelde voorwaarden (deelname aan het onderwijs door kinderen van een werknemer uit een andere Lid-Staat) een aangelegenheid zijn van het naar nationaal recht bevoegde gezag, deze voorwaarden moeten nochtans worden toegepast zonder onderscheid tussen de kinderen van nationale werknemers en die van werknemers uit een andere Lid-Staat, die in het land wonen.
Zeer ver gaan de overwegingen met betrekking tot artikel 7 van verordening nr. 1612/68 in het arrest van 30 september 1975 (zaak 32/75, Cristini, Jurispr. 1975, blz. 1085). In deze zaak betrof de procedure voor de nationale rechter de vraag, of de Franse spoorwegen het een in Frankrijk wonende Italiaanse onderdaan, wier echtgenoot — eveneens een Italiaans onderdaan — in Frankrijk had gewerkt en ten gevolge van een arbeidsongeval was overleden, een voor grote gezinnen voorziene reductiekaart voor de spoorwegen mochten weigeren.
In dit arrest verklaarde het Hof met betrekking tot artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68,
„dat sommige bepalingen van dit artikel weliswaar inhaken op verhoudingen uit een arbeidscontract, doch dat andere bepalingen aan dergelijke verhoudingen vreemd zijn en zelfs — zoals de wederinschakeling in het beroep en de wedertewerkstelling bij werkloosheid — voorafgaande beëindiging van een dienstbetrekking veronderstellen”.
De woorden „sociale voordelen” in artikel 7, lid 2, kunnen derhalve niet beperkend worden uitgelegd.
In zaak 65/81 (Reina, Jurispr. 1982, blz. 33) moest het Hof onder meer uitmaken, of het begrip „sociale voordelen” renteloze leningen bij geboorte omvat, die op basis van richtlijnen van de overheid en met financiële steun van de staat door een publiekrechtelijke instelling aan gezinnen met een laag inkomen worden verstrekt om het geboortecijfer gunstig te beïnvloeden. In zijn arrest van 14 januari 1982 verwijst het Hof om te beginnen naar zijn eerdere arrest van 31 mei 1979 in zaak 207/78 (Even, Jurispr. 1979, blz. 2019), waarin het had vastgesteld, dat uit genoemde bepalingen alsmede uit het nagestreefde doel volgt „dat het bij de voordelen die door deze verordening worden uitgebreid tot werknemers die onderdaan zijn van andere Lid-Staten, gaat om alle voordelen die, al dan niet verbonden aan een arbeidsovereenkomst, in het algemeen aan nationale werknemers worden toegekend, voornamelijk op grond van hun objectieve hoedanigheid van werknemer of enkel wegens het feit dat zij ingezetenen zijn, zodat de uitbreiding ervan tot werknemers die onderdaan van andere Lid-Staten zijn, geschikt lijkt om hun mobiliteit binnen de Gemeenschap te vergemakkelijken.” ( 1 )
Verder verklaarde het Hof dat bij gebreke van een bevoegdheid van de Gemeenschap op het stuk van de bevolkingspolitiek als zodanig, het de Lid-Staten in beginsel vrijstaat de verwezenlijking van de doelstellingen van een dergelijke politiek ook door middel van sociale maatregelen na te streven. Dit betekent echter niet, dat de Gemeenschap de grenzen van haar bevoegdheid reeds daardoor overschrijdt, dat de uitoefening ervan invloed heeft op maatregelen ter uitvoering van die politiek. Dergelijke leningen bij geboorten kunnen derhalve niet worden geacht onttrokken te zijn aan de toepassing van de regels van het gemeenschapsrecht betreffende het vrije verkeer van personen, meer bepaald artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68, enkel omdat zij worden verstrekt op grond van bevolkingspolitieke overwegingen.
Welke conclusies kunnen uit deze arresten worden getrokken voor de uitlegging van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68?
Conform de overwegingen van de considerans bij verordening nr. 1612/68 heeft het Hof de bij artikel 7, lid 2, voorgeschreven behandeling als eigen onderdanen ruim uitgelegd. Deze behandeling als eigen onderdanen haakt weliswaar in op de hoedanigheid van werknemer van de betrokkene, doch zij is zelf niet tot de werkzaamheden in loondienst of in een arbeidsverhouding beperkt. Zij geldt dus ook voor voordelen die worden toegekend „enkel wegens het feit dat zij ingezetenen zijn”, en heeft betrekking op bepalingen die „vreemd zijn” aan de arbeidsverhoudingen. In de logica van de huidige rechtspraak is het niet aannemelijk dat de voordelen (in casu: het taalgebruik in rechtzaken) niet van toepassing zouden zijn, om de enkele reden dat zij op grond van het minoriteitenrecht zijn toegekend. Het beginsel van gelijkheid van behandeling geldt voor alle „belemmeringen voor de mobiliteit van de werknemers”. Artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 moet derhalve ruim worden uitgelegd. Het beginsel van gelijkheid van behandeling geldt ook voor gebieden die niet rechtstreeks onder het gemeenschapsrecht vallen, maar waarop het gemeenschapsrecht zijdelings invloed kan uitoefenen.
Een eerste conclusie die uit de geciteerde rechtspraak kan worden getrokken is, dat de toepasselijkheid van artikel 7, lid 2, in elk geval niet kan worden ontkend met als motivering dat de gerechtelijke organisatie of de talenregeling in strafzaken niet onder het gemeenschapsrecht zou vallen. Voor zover dergelijke voorschriften de rechtspositie van een werknemer uit een andere Lid-Staat kunnen beïnvloeden, moeten zij ook aan artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 worden getoetst.
Te dezen heeft de Commissie terecht erop gewezen, dat het niet is uitgesloten, dat Duitstalige werknemers zich juist naar het Duitstalige deel van België — de Oostkantons — begeven, omdat zij daar in hun dagelijks leven Duits kunnen spreken. Dit geldt inzonderheid voor hun beroepsactiviteiten als zodanig, maar ook voor hun contacten met de lokale bevolking en met de administratie; in casu heeft het mondelinge contact tussen verdachte en de Belgische rijkswacht trouwens ook in het Duits plaatsgevonden. Immers, het zou niet logisch zijn en in strijd met het beginsel dat werknemers uit een andere Lid-Staat met nationale werknemers moeten worden gelijkgesteld, indien eerstgenoemden in een strafproces plotseling niet meer de taal zouden mogen spreken die zij in de dagelijkse omgang gebruiken en die nationale werknemers wel voor de rechter mogen spreken.
Ter verduidelijking van de bestaande taalwetgeving wil ik hier twee voorbeelden bespreken.
Het eerste betreft de situatie van een Franstalige werknemer die voor de politierechtbank te Eupen of Sint-Vith wordt vervolgd. Hoewel de procestaai daar normaliter Duits is, kan hij — ongeacht zijn nationaliteit — krachtens artikel 17, eerste alinea, van de Belgische wet verlangen, dat het proces in het Frans wordt gevoerd.
Het tweede voorbeeld verschilt slechts op enkele details met de onderhavige zaak. Veronderstel dat een Italiaans onderdaan in het Duitstalige deel van België is geboren en er tweetalig is opgevoed. Thuis spreekt hij Italiaans, doch in het dagelijkse leven, op school, met kennissen en tijdens zijn opleiding spreekt hij Duits. Dient het deze Italiaanse onderdaan, indien het ongeluk wil dat hij voor de correctionele rechtbank te Verviers moet verschijnen, te worden verboden, dat hij de taal spreekt waarin hij is opgegroeid, en die Belgische onderdanen in een gelijke situatie wel mogen spreken ? Een duidelijker geval van discriminatie op grond van nationaliteit kan ik mij moeilijk voorstellen.
Dit resultaat lijkt mij inderdaad onaanvaardbaar: het is niet te rijmen met de opbouw van een „Europa van de burgers”, zoals de Commissie op het einde van haar mondelinge opmerkingen heeft aangevoerd. Het draagt evenmin bij tot de integratie van de werknemer in zijn land van ontvangst, inzonderheid in het taalgebied waarin hij woont.
Doorslaggevend is evenwel, dat een dergelijk resultaat zich niet verdraagt met het gemeenschapsrecht, zoals dat uit de ratio van het Verdrag, verordening nr. 1612/68, en de rechtspraak van het Hof blijkt.
Tot slot van mijn overwegingen wil ik nog eens kort op de Belgische wet van 15 juni 1935 zelf ingaan. In deze wet is sprake van drie talen: het Nederlands, het Frans, en het Duits. Uitdrukkingen als landstaal, moedertaal, taaiminderheid en dergelijke komen in deze wet niet voor. Het zou derhalve niet juist zijn bij de beantwoording van de in casu door het Hof van Beroep te Luik gestelde vraag, uit te gaan van algemene rechtsbeginselen ter bescherming van taalminderheden, zoals een regering heeft gedaan die in deze zaak opmerkingen heeft ingediend.
Evenmin kan ik mij vinden in de gedachte dat het zou volstaan de verdachte een tolk toe te wijzen, zoals in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens is voorgeschreven. Weliswaar heeft het Hof zich op het vlak van de grondrechten door het Europees Verdrag laten leiden, en wel in dier voege, dat het dit als een algemene minimumnorm beschouwt (arresten van 14 mei 1974, zaak 4/73, Nold, Jurispr. 1974, blz. 491; 27 oktober 1976, zaak 130/75, Prais, Jurispr. 1976, blz. 1589; 13 december 1979, zaak 44/79, Hauer, Jurispr. 1979, blz. 3727).
Verleent het gemeenschapsrecht het individu een grotere rechtsbescherming, dan staat het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens daaraan niet in de weg. Ook heeft het Hof het gemeenschapsrecht voorrang verleend boven andere in het kader van de Raad van Europa tot stand gekomen verdragen, wanneer dit voor de betrokkene gunstiger was (arrest van 28 mei 1974, zaak 187/73, Callemeyn, Jurispr. 1974, blz. 553; zie ook de conclusie van advocaatgeneraal C. O. Lenz in zaak 157/84, Frascogna, Jurispr. 1985, blz. 1740).
Ten einde de omvang van de uit mijn rechtsopvatting voortvloeiende verplichtingen van de betrokken Lid-Staat duidelijk af te bakenen, wil ik nog wijzen op het volgende: het is niet de bedoeling de Lid-Staat ertoe te verplichten, naast de reeds erkende talen nog andere talen toe te laten. In casu moet worden vastgesteld of een werknemer uit een andere Lid-Staat zich kan beroepen op een regeling betrefffende het taalgebruik, die in de betrokken Lid-Staat voor de eigen onderdanen geldt. Uiteindelijk zie ik geen redelijk argument, waarom de correctionele rechtbank te Verviers — die zelf bereid was, de procedure in het Duits te voeren — de procedure in het Frans zou moeten voeren, met inschakeling van een tolk. Dit zou de procedure slechts ingewikkelder maken, de kosten verhogen en de verdachte rechten ontnemen, waarop hij krachtens gemeenschapsrecht aanspraak heeft.
C.
Op grond van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging, de door het Hof van Beroep te Luik gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
Het beginsel van het vrije verkeer van werknemers, dat is vervat in artikel 48 EEG-Verdrag en met name gedetailleerd is uitgewerkt in verordening nr. 1612/68, verlangt, dat een Duits sprekende werknemer die onderdaan is van een andere Lid-Staat en in een Duitstalige gemeente in België woont, in dezelfde mate als een Belgische onderdaan die zich in een vergelijkbare situatie bevindt, in een strafproces kan verzoeken, dat de tegen hem ingeleide strafprocedure in het Duits wordt gevoerd.
( *1 ) Vertaald uit het Duits.
( 1 ) In zijn arrest vin 12 juli 1984 in zaak 261/83 (Castelli, Jurispr. 1984, blz. 3199) heeft het Hof een overeenkomstige uitspraak uitdrukkelijk als „vaste rechtspraak” aangemerkt.
Full & Egal Universal Law Academy