CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
van 15 mei 1985
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De feiten en het procesverloop
1.1.
Ik zou geen kans zien de kernpunten uit het omvangrijke dossier van de zaak de Compte korter weer te geven dan in het rapport ter terechtzitting is geschied. Ik begin mijn conclusie in deze zaak derhalve met overneming van het overzicht van de feiten en het procesverloop uit het rapport ter terechtzitting. Ik kan mij daarmede inderdaad geheel verenigen.
1.2. De feiten
Op 14 januari 1983 liet de voorzitter van het Europees Parlement de heer de Compte, op dat ogenblik ambtenaar van rang À 3 met de functie van rekenplichtige van het Europees Parlement, weten, dat was gebleken van bepaalde feiten die aanleiding konden zijn om tegen hem een tuchtprocedure in te leiden.
Op 28 januari 1983 werd betrokkene overeenkomstig artikel 87 van het Statuut eerst gehoord door de directeurgeneraal Administratie, personeel en financiën van het Europees Parlement.
Op 13 april 1983 legde de voorzitter van het Parlement overeenkomstig artikel 87, tweede alinea, van het Statuut aan de voorzitter van de tuchtraad een rapport voor over de grieven tegen de heer de Compte, die als afdelingshoofd de functie van rekenplichtige van het Parlement vervulde.
De tuchtraad kwam verschillende keren bijeen tussen 2 juni 1983 en 10 februari 1984.
Op laatstgenoemde datum stelde hij met drie tegen twee stemmen voor, de heer de Compte bij wege van tuchtmaatregel een berisping te geven. De twee leden van de tuchtraad die tegen die maatregel waren gekant, verklaarden zich er voorstander van, de beschuldigde ambtenaar zonder meer vrij van schuld te verklaren.
Overeenkomstig artikel 7, laatste alinea, van bijlage IX bij het Statuut werd de heer de Compte op 8 maart 1984 gehoord door de voorzitter van het Europees Parlement in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag.
Op 16 maart 1984 besloot de voorzitter van het Europees Parlement, de heer de Compte tuchtrechtelijk te ontslaan zonder vermindering of intrekking van het recht op ouderdomspensioen. Zijn besluit was uitvoerig gemotiveerd.
Op 21 maart 1984 diende de heer de Compte krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut, bij de voorzitter van het Parlement een klacht in tegen het besluit tot tuchtrechtelijk ontslag van 16 maart 1984. Deze klacht werd op 11 april 1984 met een tweede klacht aangevuld.
Op 10 april 1984 verleende het Europees Parlement, met een zeer grote meerderheid, de heer de Compte décharge voor het (litigieuze) begrotingsjaar 1981.
Op 24 mei 1984 besloot de voorzitter van het Europees Parlement in antwoord op de bij hem ingediende klacht en aanvullende klacht, het tuchtrechtelijk ontslag om te zetten in een andere sanctie, te weten terugzetting naar de rang A 7, salaristrap 6. Ter motivering van dit besluit werd verwezen naar de gronden waarop de aanvankelijke sanctie — het tuchtrechtelijk ontslag — berustte.
1.3. Het procesverloop en de conclusies van partijen
a)
Op 4 juni 1984 heeft de heer de Compte tegelijkertijd:
—
bij de voorzitter van het Europees Parlement een klacht ingediend, stellende dat de enkele verwijzing naar het aanvankelijke besluit tot tuchtrechtelijk ontslag geen toereikende motivering meer vormde, nu het Europees Parlement hem inmiddels décharge had verleend voor het litigieuze begrotingsjaar en daarmee had erkend, dat zijn beheer als rekenplichtige correct was en geen aanleiding kon geven tot kritiek;
—
het onderhavige beroep ingesteld, strekkende tot nietigverklaring van voornoemd besluit tot terugzetting in rang van 24 mei 1984;
—
een beroep in kort geding ingesteld, strekkende tot opschorting van de tenuitvoerlegging van dit besluit tot na de uitspraak van het Hof in de hoofdzaak.
b)
Bij beschikking van 3 juli 1984 heeft de president van de Derde kamer, waarnemend voor de president van het Hof, beschikt, dat de tenuitvoerlegging van het besluit van 24 mei 1984 zou worden opgeschort tot na de uitspraak van 's Hofs arrest.
c)
Bij besluit van 4 juli 1984 heeft de voorzitter van het Europees Parlement de door verzoeker op 4 juni 1984 ingediende klacht afgewezen.
d)
Het onderhavige beroep, ingekomen ten Hove op 4 juni 1984, strekt ertoe dat het den Hove behage :
„primair:
—
te verklaren, dat de tegen de heer de Compte gevoerde tuchtprocedure nietontvankelijk was op grond van het adagium ‚non bis in idem’; en bijgevolg het besluit houdende de tuchtmaatregel nietig te verklaren;
zo niet:
—
te verklaren, dat de tuchtraad zich tijdens de procedure herhaaldelijk schuldig heeft gemaakt aan klaarblijkelijke schending van de rechten van de verdediging en niet minder klaarblijkelijke schending van de dwingende bepalingen van bijlage IX bij het Statuut; bijgevolg de tuchtprocedure alsook de dientengevolge getroffen tuchtmaatregel nietig te verklaren;
zeer subsidiair en ten gronde:
—
vast te stellen, dat het Europees Parlement de rekenplichtige van de instelling op 10 april 1984 zonder enig voorbehoud décharge heeft verleend;
—
vast te stellen, dat de grieven die ten grondslag liggen aan de door het tot aanstelling bevoegde gezag ingebrachte beschuldigingen dezelfde problemen en vragen betreffen als die welke het kernpunt vormden van de debatten die tot het besluit van décharge hebben geleid;
—
althans te verklaren, dat dit geldt voor de eerste twee grieven waarop deze beschuldigingen berusten;
—
te verklaren, dat het onzinnig is, een rekenplichtige een tuchtmaatregel op te leggen op dezelfde gronden als waarop hem décharge is verleend;
—
te verklaren dat, gelet op de décharge van 10 april 1984, de door het tot aanstelling bevoegde gezag getroffen tuchtmaatregel elke rechtsgrondslag, feitelijk en rechtens, heeft verloren;
—
bijgevolg het desbetreffende besluit nietig te verklaren;
nog meer subsidiair:
—
vast te stellen, dat de uiteindelijk getroffen tuchtmaatregel diametraal tegenover het advies van de tuchtraad staat;
—
vast te stellen, dat deze tuchtmaatregel in genen dele rekening houdt met de op 10 april 1984 verkregen décharge;
—
vast te stellen tenslotte, dat het tot aanstelling bevoegde gezag bij haar tuchtmaatregel in genen dele rekening heeft gehouden met hetgeen de voorzitter van de tuchtraad ‚de menselijke sfeer en het arbeidsklimaat’ noemt, die het specifieke deel zijn van een rekenplichtige van het Europees Parlement;
—
vast te stellen, dat het tot aanstelling bevoegde gezag, het energieke protest van de verdediging ten spijt, zomaar grieven heeft gehandhaafd waarvan het de gegrondheid nooit heeft kunnen aantonen;
—
vast te stellen tenslotte, dat het tot aanstelling bevoegde gezag in genen dele rekening heeft gehouden met de heer de Compte's uitmuntende antecedenten;
—
bijgevolg te verklaren, dat het besluit houdende de tuchtmaatregel door misbruik van bevoegdheid is aangetast, zo niet, dat deze tuchtmaatregel in flagrante wanverhouding staat tot de werkelijke verantwoordelijkheid van de rekenplichtige;
—
bijgevolg de tuchtmaatregel nietig te verklaren en te gelasten, dat de heer de Compte ten volle in zijn rechten worde hersteld met terugwerkende kracht tot de dag waarop het besluit houdende de tuchtmaatregel in werking is getreden.
schadevergoeding:
—
de heer de Compte akte te verlenen, dat hij zich het recht voorbehoudt, te gelegener tijd en plaats zodanige schadevergoeding te vorderen als waarop hij recht heeft ingevolge de laster en eerroof waarvan hij in de nationale en internationale pers het voorwerp is geweest;
—
het Europese Parlement in de proceskosten te verwijzen.”
e)
Het Europees Parlement concludeert dat het den Hove behage :
„—
het beroep te verwerpen;
—
over de kosten te beslissen overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Statuut.”
f)
Het Hof (Derde kamer) heeft, op rapport van de rechter rapporteur en gehoord de advocaatgeneraal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
Het Hof (Derde kamer) heeft evenwel tijdens zijn administratieve vergadering van 17 januari 1985 besloten, partijen te laten weten, dat het, gezien de ingewikkeldheid van de zaak, verkieslijk had geoordeeld, althans in een eerste stadium, ter openbare zitting van 7 maart 1985 uitsluitend de beroepsmiddelen betreffende de regelmatigheid van de procedure voor de tuchtraad te onderzoeken. Bijgevolg heeft het partijen verzocht, zich te dezer zitting in hun pleidooien strikt tot deze middelen te beperken.
Het Hof heeft partijen eveneens laten weten, dat de advocaatgeneraal over deze middelen conclusie zou nemen op een latere zitting waarvan de datum te gelegener tijd aan partijen zou worden meegedeeld, en dat het Hof (Derde kamer) op grond van een onderzoek van deze middelen zou beslissen, of een tweede openbare zitting nodig is ter behandeling van de overige middelen van het beroep.
2. Middelen en argumenten van partijen
2.1. Inleidende opmerkingen
Overeenkomstig de zojuist gereleveerde procedurele beslissingen zal ik mij in deze conclusie beperken tot een bespreking van de zes middelen van verzoeker, die de regelmatigheid van de tuchtprocedure betrefren. Ik zal deze middelen achtereenvolgens behandelen en er ter besparing van tijd ook niet eerst een samenvattend overzicht van geven. De vier middelen van verzoeker die de motivering en de gegrondheid van het bestreden besluit betreffen, zal ik noch behandelen, noch zelfs maar vermelden. Voor de beoordeling van de eerste zes middelen zijn zij naar mijn oordeel ook niet van zijdelings belang. Daarentegen acht ik het wel van belang de thans volgende inleidende opmerkingen uit het rapport ter terechtzitting met een enkele aanvulling over te nemen. Deze opmerkingen (waarmede ik mij geheel kan verenigen) betreffen de wijze waarop het Europees Parlement op het geheel van middelen van verzoeker tijdens de schriftelijke procedure heeft gereageerd. Ik leid daaruit af, dat het Europees Parlement tijdens de schriftelijke procedure vooral heeft willen bijdragen tot opheldering van de gecompliceerde feitelijke achtergrond van de zaak. Voor de beoordeling van de gegrondheid van de door verzoeker aangevoerde grieven heeft het Parlement blijkens de hierna geciteerde inleidende opmerkingen in zijn verweerschrift, met name ten aanzien van de grieven ten gronde vergaand gerefereerd aan het oordeel van het Hof. Ook ten aanzien van de zes formele middelen, die thans aan de orde zijn, heeft het Europees Parlement zijn eigenlijke verweer echter grotendeels beperkt tot een mondeling verweer ter zitting.
De door mij overgenomen inleidende opmerkingen luiden als volgt:
—
Ofschoon het Europees Parlement in zijn opmerkingen over het verzoek in kort geding had verklaard, dat het in het kader van de hoofdzaak op de verschillende middelen van verzoeker zou antwoorden, heeft het dit tijdens de schriftelijke procedure in feite tenslotte toch niet gedaan. Het Europees Parlement, dat met klem betoogt, dat er hem veel aan is gelegen, zowel „de volledige en onverkorte eerbiediging van alle rechten van de ambtenaren ... als de nakoming van de in zijn hoedanigheid van begrotingsinstantie op hem rustende verplichtingen” te verzekeren, heeft immers in de inleiding van zijn verweerschrift te kennen gegeven, dat het voornemens is zich ertoe te beperken, „het Hof alle feiten en omstandigheden van de onderhavige zaak mee te delen en zich voor wat de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de door verzoeker aangevoerde grieven betreft, te refereren aan het oordeel van het Hof”.
—
Het Europees Parlement heeft aldus een minutieus exposé gegeven van de feiten van de zaak, zowel ten gronde als wat de tuchtprocedure betreft, vanaf juli 1981, toen de Rekenkamer het onderzoek naar de kas van de afgevaardigden van het Europees Parlement heeft aangevat, tot de instelling van het onderhavige beroep (bij dit exposé zijn 53 bijlagen gevoegd).
—
Volgens het Europees Parlement blijkt uit dit exposé, dat alle instanties van het Europees Parlement die zich met de zaak hebben beziggehouden, „van oordeel waren, dat verzoeker in zekere mate schuldig kon worden geacht”, en dat de eenvoudige nietigverklaring van het bestreden besluit tot gevolg zou hebben, dat verzoeker van elke sanctie verschoond zou blijven.
2.2. Het eerste middel
In zijn eerste middel stelt verzoeker ’niet-ontvankelijkheid’ van de tuchtprocedure op grond van miskenning van de regel ’non bis in idem’, zoals neergelegd in artikel 86 van het Statuut. Het in het derde lid van dit artikel vervatte voorschrift, dat ’één fout slechts tot één tuchtmaatregel kan leiden’ zou ook verbieden om wegens dezelfde, met elkaar samenhangende feiten twee tuchtprocedures in te leiden. Verzoeker is met name van oordeel, dat zijn overplaatsing in mei 1982 wegens de feiten die hem thans worden verweten, ook reeds als een tuchtmaatregel was te beschouwen.
Dit middel moet naar mijn oordeel worden verworpen. In de eerste plaats heeft het Europees Parlement er terecht op gewezen, dat overplaatsing (met behoud van rang) niet onder de in artikel 86 van het Statuut opgesomde tuchtmaatregelen is vermeld. Dat overplaatsing in beginsel niet als een tuchtmaatregel kan worden beschouwd, volgt naar mijn oordeel ook reeds uit artikel 7 van het Statuut. Daaruit blijkt met name, dat overplaatsing van een ambtenaar in het belang van de dienst en overeenkomstig zijn rang in beginsel altijd en zowel op verzoek van de betrokken ambtenaar als zonder een dergelijk verzoek mogelijk is. Tenslotte heeft verzoeker ter zitting niet bestreden, dat de betrokken overplaatsing met zijn instemming was geschied.
2.3. Het tweede middel
In zijn tweede middel stelt verzoeker, dat tijdens de voorafgaande hoorzitting, die de aanvangsfase van de tuchtprocedure vormt en door artikel 87 van het Statuut is voorgeschreven, het tot aanstelling bevoegde gezag zich niet, zoals in casu is geschied, door een, zelfs daartoe gemachtigde, ambtenaar mag laten vervangen.
Nadat het Europees Parlement er op heeft gewezen, dat Uw Hof in zijn arrest van 8 juli 1965 (gevoegde zaken 27 en 30/64, Fonzi, Jurispr. 1965, blz. 706) een dergelijke procedure uitdrukkelijk in overeenstemming met artikel 87 van het Statuut heeft verklaard, is verzoeker op dit middel niet meer teruggekomen. Het zal naar mijn oordeel op grond van het geciteerde arrest inderdaad moeten worden verworpen.
2.4. Het derde, vierde en vijfde middel
De drie volgende middelen van verzoeker zal ik gezamenlijk behandelen, daar zij alle op schendingen van het recht van de verdediging zijn gebaseerd.
a)
In zijn derde middel betoogt verzoeker, dat het in artikel 6 van Bijlage IX van het Statuut neergelegde beginsel van „een onderzoek op tegenspraak” is geschonden, nu de documenten die hij tijdens de voorafgaande hoorzitting aan de betrokken ambtenaar heeft overhandigd, nooit aan de tuchtraad zijn voorgelegd. Over de feitelijke juistheid van dit middel is aanvankelijk enige onduidelijkheid ontstaan als gevolg van het verweerschrift van het Europees Parlement. Uiteindelijk is echter tijdens de zitting komen vast te staan, dat het Europees Parlement inderdaad niet alle overgelegde documenten aan de tuchtraad heeft overgelegd, maar alleen die documenten, die het van belang achtte ter toelichting op zijn in artikel 1 van bijlage DC van het Statuut bedoelde rapport. Anderzijds is ter zitting komen vast te staan, dat verzoeker geen gebruik heeft gemaakt van de voor hem tijdens de tuchtprocedure bestaande gelegenheid, hetzij de ontbrekende documenten of afschriften daarvan alsnog zelf over te leggen, hetzij de ontbrekende documenten alsnog door zijn tegenpartij aan de tuchtraad te doen overleggen. Ik verwijs terzake naar de artikelen 1, 2 en 4 van bijlage IX van het Statuut. Dit middel moet derhalve eveneens worden verworpen.
b)
In zijn vierde middel betoogt verzoeker, dat het beginsel van een contradictoire procedure en de rechten van de verdediging zijn geschonden, doordat de drie door de tuchtraad opgeroepen getuigen buiten zijn aanwezigheid zijn gehoord en ook zonder dat de tijdstippen waarop deze hoorzittingen zouden plaats vinden, hem schriftelijk of mondeling zijn medegedeeld. Verzoeker acht dit met name in strijd met artikel 6 van bijlage IX, maar ook in strijd met een algemeen beginsel dat de rechtsstelsels van verschillende Lid-Staten gemeen hebben.
Het Europees Parlement heeft er ten aanzien van de feitelijke gang van zaken met betrekking tot het horen van door de instelling opgeroepen getuigen op gewezen, dat van de drie betrokken hoorzittingen bandopnamen en verslagen zijn gemaakt waarvan de tekst door de getuigen is goedgekeurd en die, zo nodig na vertaling, aan verzoeker en diens raadsman ter hand zijn gesteld ( 1 ). Verzoeker zou aldus in staat zijn geweest, vòòr de beëindiging van de werkzaamheden van de tuchtraad zijn opmerkingen over de getuigenverhoren te maken. Voor de eerbiediging van het recht op tegenspraak zou dit volgens het Europees Parlement voldoende zijn. Het beroept zich daartoe op Uw arrest van 11 juli 1968 in de eerste zaak A. J. van Eick (zaak 35/67, Jurispr. 1968, blz. 461, zie met name blz. 481, tweede overweging). Ik merk hierover echter op, dat noch genoemde overweging, noch enige andere overweging van het arrest betrekking heeft op de wijze waarop een getuigenverhoor op tegenspraak georganiseerd moet worden. Bedoelde overweging heeft uitsluitend betrekking op het onderzoek van door de betrokken instelling overgelegde stukken.
Er nog van afgezien, dat de in casu zeer belangrijke laatste getuigenverklaring in elk geval zo laat aan verzoeker is medegedeeld, dat de tuchtraad hem geen redelijke termijn heeft gelaten daarover zijn opmerkingen te maken, ben ik van oordeel, dat het standpunt van het Europees Parlement moet worden verworpen. ík laat daarbij in het midden, of deze conclusie reeds uit de tekst van artikel 6 van bijlage IX van het Statuut moet worden afgeleid. In dit opzicht acht ik twijfel mogelijk. In de eerste plaats is uit de vergelijking van de verschillende taalversies van dit voorschrift ter zitting naar mijn oordeel reeds gebleken, dat althans sommige van deze taalversies voor verschillende uitleg vatbaar zijn. In de tweede plaats is het naar mijn oordeel niet zeker, dat de wijze van organisatie van het in de artikelen 4 en 5 van de bijlage bedoelde getuigenverhoor uitsluitend beheerst wordt door genoemd artikel 6. In elk geval heeft artikel 6 in geen geval uitsluitend op dergelijke getuigenverhoren betrekking. De term „onderzoek op tegenspraak” in dit artikel zal dus, afhankelijk van de aard van dit onderzoek, van geval tot geval een passende uitlegging behoeven.
Mijn oordeel, dat verzoeker gelegenheid had moeten krijgen bij de getuigenverhoren aanwezig te zijn, is veeleer gebaseerd op de aard van de tuchtrechtprocedure en op het beginsel van een contradictoire behandeling, dat niet alleen uit deze aard van de tuchtrechtprocedure, maar ook uit het geheel van de bepalingen van bijlage IX van het Statuut kan worden afgeleid.
Wat de aard van de tuchtrechtprocedure betreft, sluit ik mij, evenals verzoeker, aan bij hetgeen de advocaatgeneraal Roemer daarover in zijn conclusie in genoemde zaak 35/67 heeft opgemerkt (Jurispr. 1968, blz. 489). Op grond van zijn nog steeds lezenswaardige analyse van de plaats van de tuchtraad in het communautaire tuchtrecht, concludeert hij, dat „het geen twijfel (lijdt) dat de tuchtraad een rol speelt, welke gelijkenis vertoont met een gerechtelijk vooronderzoek” en voorts, dat „de opvatting dat een tuchtprocedure zoveel mogelijk als een eigenlijk rechtsgeding moet worden gevoerd, stellig bijval (verdient)”.
Wat de tekst van de betrokken bijlage van het Statuut betreft, volgt het beginsel van een contradictoire behandeling naar mijn oordeel met name uit artikel 1, tweede alinea, artikel 2, artikel 4, artikel 6, eerste alinea, en artikel 7.
De betekenis van het beginsel van een contradictoire behandeling in concreto hangt naar mijn oordeel af van de wijze waarop de argumenten of bewijzen naar voren zijn gebracht, ten aanzien waarvan het recht op verdediging moet kunnen worden uitgeoefend. Wanneer het om schriftelijk voorgelegde argumenten of bewijsstukken gaat (zoals in de zaak 35/67) kan de verdedigende partij uiteraard niet verlangen bij de opstelling van de betrokken stukken aanwezig te zijn. Hij zal daarop slechts achteraf schriftelijk en mondeling kunnen reageren. Ter zake van het verhoor van getuigen acht ik het daarentegen met verzoeker evident, dat uit het beginsel van een contradictoire behandeling volgt, dat de verdedigende partij de gelegenheid moet hebben, tijdens het verhoor van die getuigen aanvullende vragen te stellen. Het staat vast, dat verzoeker deze gelegenheid in casu niet heeft gehad.
Ik acht het vierde middel van verzoeker derhalve gegrond en acht deze procedurefout ook zo fundamenteel, dat zij op zich zelf reeds tot vernietiging van het aangevochten besluit moet leiden, nu gebleken is, dat het advies van de tuchtraad tot stand kwam na een procedure, waaraan deze wezenlijke vormfout moet worden verweten.
Aan deze conclusie kan niet afdoen het beroep van het Europees Parlement ter zitting op een uitspraak van de Belgische Raad van State. De uitlegging van bijlage IX van het Statuut kan uiteraard niet gebaseerd worden op de uitlegging van een — overigens niet medegedeelde — nationale tuchtrechtregeling.
Evenmin kan aan deze conclusie afdoen het beroep, dat verweerster deed op Uw recente arrest van 29 januari 1985 in de zaak F. (zaak 228/83, Jurispr. 1985, blz. 290). Uit rechtsoverweging 21 van dit arrest blijkt integendeel, dat verzoeker in die zaak juist wèl de gelegenheid had gekregen bij het horen van alle getuigen aanwezig te zijn, deze getuigen ook zijnerzijds vragen kon stellen en zijn standpunt over de getuigenverklaringen ten overstaan van alle leden van de tuchtraad terstond kenbaar kon maken.
c)
In zijn vijfde middel betoogt verzoeker, dat het beginsel van de procedure op tegenspraak en artikel 4 van bijlage DC bij het Statuut ook zijn geschonden doordat de tuchtraad heeft geweigerd, de door hem zelf of door zijn raadsman voorgestelde getuigen te horen.
Het feit van het niet horen van deze getuigen wordt door het Europees Parlement niet bestreden. Het voerde tijdens de schriftelijke procedure echter aan, dat dit verzoek eerst op 13 januari 1984 zou zijn gedaan en dat de tuchtraad, in het kader van zijn beoordelingsvrijheid ten aanzien van de noodzakelijkheid van de door de verdediging gevraagde hoorzitting, kon besluiten aan dit verzoek geen gevolg te geven. Tijdens de zitting heeft de discussie zich toegespitst op de vraag, of verzoeker de punten waarover de betrokken getuigen dienden te worden gehoord, wel voldoende had gepreciseerd. Uit de na de zitting op verzoek van het Hof schriftelijk geciteerde passages uit de memories van verzoekster van 28 januari 1983 en 10 november 1983 aan de tuchtraad, blijkt naar mijn mening, dat dit inderdaad, althans ten aanzien van een aantal getuigen, het geval was. Voorts rechtvaardigden deze preciseringen naar mijn oordeel inderdaad niet een afwijzing „en bloc” van het noren van alle voorgestelde getuigen. De beoordelingsvrijheid van de tuchtraad gaat niet zo ver, dat deze in feite artikel 4, lid 2, ten aanzien van de mogelijkheid getuigen op te roepen van iedere inhoud kan ontdoen, zonder de irrelevantie van de onderwerpen van deze getuigenverhoren aan te tonen.
De omstandigheid, dat de tuchtraad één van de door verzoeker voorgestelde getuigen à décharge wel op voorstel van het Europees Parlement heeft gehoord, kan deze wezenlijke vormfout ook niet verhelpen, nu bedoelde getuige buiten aanwezigheid van verzoeker is gehoord en bovendien zijn verklaringen niet op alle punten betrekking hadden, die verzoeker door getuigenverhoor opgehelderd wenste te zien.
Het vijfde middel van verzoeker acht ik derhalve eveneens gegrond.
2.5. Het zesde middel
In zijn zesde middel betoogt verzoeker, dat de tuchtraad ten onrechte geweigerd heeft zijn werkzaamheden op te schorten in afwachting van de resultaten van het op datzelfde ogenblik aan de gang zijnde administratieve onderzoek van de parlementaire commissie voor begrotingscontrole. Deze laatste zou, in tegenstelling tot de tuchtraad, een grondig onderzoek hebben ingesteld dat het bewijs van niet-verantwoordelijkheid van de rekenplichtige (verzoeker in de onderhavige procedure) zou hebben geleverd.
Het Europees Parlement verwijst in zijn schriftelijk verweer naar de beschikking in kort geding van 3 juli 1984 van de president van de Derde kamer van Uw Hof, waaruit zou blijken, dat de procedure van décharge, die strekt tot beoordeling van de regelmatigheid en de juistheid van de rekeningen en waarop dat onderzoek van de Commissie voor begrotingscontrole betrekking had, onderscheiden is van de tuchtprocedure, die de verantwoordelijkheid van de rekenplichtige betreft.
Naar mijn oordeel kan uit rechtsoverweging 11, sub 2), van genoemde beschikking geen duidelijke conclusie worden afgeleid ten aanzien van de vraag of de tuchtraad al dan niet zijn werkzaamheden had moeten opschorten in afwachting van de conclusie van de betrokken parlementaire commissie.
Nu verzoeker ter zitting op dit middel niet meer is teruggekomen, stel ik U echter voor Uw uitspraak niet mede op dit middel te baseren.
3. Conclusie
Samenvattend acht ik met name het vierde en het vijfde middel van verzoeker ten aanzien van de regelmatigheid van de procedure voor de tuchtraad gegrond. Ik acht de betrokken vormfouten voorts zo wezenlijk, dat het aangevochten besluit, overeenkomstig de eerste subsidiaire conclusie van het verzoekschrift, op grond van deze middelen dient te worden vernietigd. Het Europees Parlement ware dan tevens in de kosten van de procedure te verwijzen.
De vorderingen en argumenten van verzoeker, die op de zaak ten gronde betrekking hebben, met inbegrip van zijn verzoek hem „akte te verlenen, dat hij zich het recht voorbehoudt, te gelegener tijd en plaats zodanige schadevergoeding te vorderen als waarop hij recht heeft ingevolge de laster en eerroof waarvan hij in de nationale en internationale pers het voorwerp is geweest” zullen uiteraard in dit stadium van behandeling van de zaak buiten beschouwing dienen te blijven.
( 1 ) Blijkens het schriftelijke antwoord van het Europees Parlement op een ter zitting door Uw Hof gestelde vraag, is het verslag van het laatste getuigenverhoor echter pas op 6 februari 1984 per interne koerier aan verzoeker toegezonden. Volgens de verklaring van diens raadsman ter zitting heeft deze dit verslag pas ná 10 februari 1984 ontvangen, dus ná de datum waarop de tuchtraad zijn advies uitbracht.
Full & Egal Universal Law Academy